Het Vrije Rusland De Aarde en haar Volken, 1873
Chapter 9
Het is misschien niet gemakkelijk, het in opzettelijke zelfmisleiding verder te brengen, dan in deze officiëele lijst geschiedt. Vier groepen alzoo, en niet meer? Maar de waarheid is, dat de russische raskolniken (dissenters, afgescheidenen) zich wel in honderd sekten verdeelen. Ook de rangschikking is zonderling, en berust op geen enkelen redelijken grond. De Worstelaars van den geest, die het eerst worden genoemd, zijn noch eene oude, noch eene machtige sekte. De Melkëters zijn van lateren oorsprong dan de Geeselaars en de Gesnedenen; ook dragen deze beide laatste sekten een geheel ander karakter dan de beide eerstgenoemden, die, in sommige opzichten, met de Methodisten en Puriteinen zijn te vergelijken. De Khlystis zijn niet zoo talrijk als de Skoptzis, hoewel zij hoogstwaarschijnlijk de Doukhobortzis in aantal overtreffen.
De oorsprong der Khlystis moet wellicht in de dertiende of veertiende eeuw worden gezocht; niemand schijnt daarvan met juistheid iets te weten; volgens sommigen zou de sekte in de eerste jaren van tsaar Alexis Michaelowitsch, dat is dus omstreeks de helft der zeventiende eeuw, zijn ontstaan. Zij zelf noemen Christus als de stichter hunner sekte. De Skoptzis zijn nog ouder; zij zijn zeer talrijk en over het algemeen zeer vermogend, maar houden zorgvuldig alles wat hun geloof en hunne gebruiken betreft, geheim. Zij noemen zich zelf Beliegolubis, witte duiven, en gelooven, naar het schijnt, aan eene voortdurende incarnatie van Christus: een dezer laatste verschijningen van den Heiland was, volgens hen, tsaar Peter III, dien zij allen bijzondere eer bewijzen.
Doch deze vier groepen zijn, heden ten dage, niet meer de belangrijkste; wel bestaan zij nog altijd, komen voor in officiëele lijsten en verslagen, worden besproken in boeken en verhandelingen; maar zij zijn, in zekeren zin, historische sekten, die tot een vroegeren tijd behooren, en voor wie, zooals het gaat, de tijd van aanvallende propaganda grootendeels voorbij is. De altijd werkzame schismatieke geest gaat nog voortdurend voort, zich in andere, nieuwere vormen te openbaren. Naarmate het onderwijs algemeener wordt, vermenigvuldigen zich de sekten. Een pope zeide eens tot mij: "Hetgeen in onzen tijd gebeurt, verbaast en bedroeft mij. Ik wil gaarne van deze eeuw het beste denken: maar het is mijne doorgaande ervaring, dat zoodra een boer kan lezen en voor zich zelf begint te denken, hij onvermijdelijk een ketter wordt."--Er heerscht in de russische maatschappij, in de russische kerk, eene sterke beweging, eene machtige gisting: een voorgevoel van de naderende crisis vervult de gemoederen der menschen met vrees en hoop, met twijfel en dorst naar zekerheid; het is of allen, in angstige spanning, uitzien naar eene openbaring van boven, die aan de bestaande onzekerheid en verwarring een einde zal maken. Vandaar, dat ieder stoutmoedige dweeper of listige bedrieger, die zich zelf voor een profeet durft uitgeven, aanstonds eene schare van volgelingen vindt. Deze verschijnselen zijn teekenen der tijden, die met de diepste bewegingen in de wereld der geesten, met den historischen ontwikkelingsgang des volks, samenhangen, en getuigen van bestaande behoeften, die op deze wijze bevrediging zoeken. De meesten dezer sekten hebben zoowel een politiek als een godsdienstig karakter. Inlichtingen, die ik in verschillende, ver verwijderde provinciën van het groote rijk heb ingewonnen, stellen mij in staat het een en ander mede te deelen omtrent godsdienstige genootschappen van zoo jongen datum, dat zelfs in Rusland hunne namen nog ternauwernood bekend zijn.
In het jaar 1868 vormde zich plotseling in de stad Atkarsk, in het gouvernement Saratow en in het bisdom van Tsaritzin, eene nieuwe sekte. Zestien personen scheidden zich van de orthodoxe kerk af, zonder daarvan kennis te geven aan hun pope; zij stichtten eene nieuwe godsdienst, en begonnen, op hunne wijze, het Evangelie te prediken. Heiligenbeelden en altaarstukken beschouwen zij als afgoden; het brood en de wijn des avondmaals hebben, volgens hen, hun tijd gehad. Zij zeiden van Christus zelf den last ontvangen te hebben om te onderwijzen, te prediken, te lijden en eene kerk te stichten. Om aan die goddelijke lastgeving te voldoen, begaven zij zich naar de rivier de Wolga, dompelden elkander in hare wateren, namen een anderen naam aan, en hielden te zamen een plechtig feest. Dit gebeurde midden in den winter, op asch-woensdag, 26 Februari, toen de wateren van de Wolga met ijs waren bedekt, waarin gaten gehouwen moesten worden.--Deze nieuwe apostelen der waarheid geven zich zelf den bescheiden naam van kleine-christenen. Zij hebben geen priesters, geen formulieren, geen beelden; gebruiken geen hostiën en geen gewijde olie. In plaats van het gewijde brood, eten zij een soort van koeken, in vorm en omvang aan een half-stuivers broodje gelijk, die zij als een bijzondere gave van God vereeren, en waaraan zij allerlei geheimzinnige krachten en bovennatuurlijke vermogens toeschrijven.
Zoodra de bisschop van Tsaritzin van deze beweging onder zijne kudde hoorde, richtte hij een schrijven aan graaf Tolstoï, den minister van onderwijs, die aanstonds zijne bevelen zond naar de plaatselijke politie. De nieuwe sektarissen moesten nauwkeurig worden gadegeslagen; geen indompelingen in het ijs mochten meer worden toegelaten; met het bakken der gewijde koeken mocht niet worden voortgegaan. Elke prediking van deze nieuwe leer moest onmiddellijk worden verboden; de bisschop moest geraadpleegd worden omtrent hetgeen verder tegen de sektarissen te doen viel. Al deze bevelen werden stiptelijk uitgevoerd; de politie bereikte ook hier het gewone resultaat van hare ijverige pogingen: de ketterij der kleine-christenen wint met den dag veld.
Datzelfde jaar 1868 was getuige van de opkomst van nog eene andere sekte. De gouverneur van Kherson vernam, tot zijne verbazing, dat eenige boeren in zijne provincie door de politie in hechtenis waren genomen om de zeker niet alledaagsche reden, dat zij zich veel te goed en te ordentelijk gedroegen voor lieden van hun stand. Naar men zeide, dronken die boeren geen sterken drank, vloekten niet, logen niet, waren niemand iets schuldig, en gingen ook niet ter biecht om den pope hunne zonden te belijden. Niemand begreep daar iets van; en de politie, geërgerd dat zij niets ten nadeele van die lieden vinden kon, nam ze allen met een slag gevangen, zette ze in den kerker, en berichtte den gouverneur welke vermoedens bij haar waren gerezen.
Deze al te deugdzame boeren waren broeders, Ratushni genaamd, woonachtig in het dorp Osnowa, waar zij eenig land in eigendom bezaten. Osnowa ligt in de nabijheid van een kleine stad, Ananiew genaamd, waar een eenvoudig burger, Vonsarski, woonde, die ook bij de politie met een zwarte kool stond aangeschreven, omdat ook hij een veel te braaf man was voor zijn stand. Vonsarski betaalde zijn schulden, en brak nooit zijn woord; hij leefde in vrede met zijne vrouw,--en verscheen nooit ter kerk. Hij werd dus ook gevangen genomen, tot de gouverneur uitspraak zou hebben gedaan.
Naar men zegt, had de politie gehandeld op aansporing van de monniken. Al was er op het oogenblik met grond niets tegen de gevangenen in te brengen, toch hoopte men dat op het gerucht hunner gevangenneming, de tongen los zouden worden, en dan wellicht het een of ander uit zou lekken, waaruit met fatsoen eene niet al te dwaze beschuldiging tegen deze lieden ware samen te stellen.
De Ratushni's en Vonsarski stonden bekend als verlichte mannen; men wist ook dat zij meermalen in aanraking waren geweest met de hernhuttersche kolonisten in het zuiden van Rusland. Het gaf reeds ergernis genoeg, dat zij blijkbaar de voorkeur gaven aan de wijze waarop deze vreemdelingen hunne paarden optuigden en hunne ossen voor den wagen spanden. Bovendien was er alleszins grond voor het vermoeden, dat zij geen onbepaalde bewonderaars waren van de organisatie der landelijke gemeenten, maar een ander stelsel wenschten, dat meer ruimte liet voor de betooning van rechtvaardige en waarlijk godsdienstige onderlinge liefde en behulpzaamheid. Men gaf hun om die reden den naam van Helpers. Maar hun voornaamste misdaad was toch altijd hunne minachting voor de kerkelijke ceremoniën, en hun zucht voor huiselijke godsdienstoefening, zonder inmenging van den pope.
De gouverneur van Kherson aarzelde geen oogenblik wat te doen: hij liet de gevangenen aanstonds in vrijheid stellen. De monniken beschuldigden hem nu van medeplichtigheid aan ketterij, en noemden hem een scheurmaker; maar hij wees hen op paragraaf elf van de keizerlijke ukase betreffende de dissenters, waarin met zoovele woorden te lezen staat dat ieder mag gelooven wat zijn geweten hem gebiedt, en deswege geen overlast zal lijden, zoolang hij door zijne pogingen om anderen te bekeeren geen onrust en ergernis verwekt. De prins voegde er de vermaning bij, dat de geestelijkheid, indien zij hare roeping waardiglijk wilde vervullen, zich beijveren moest om de afgedwaalde schapen weder tot de kudde terug te voeren.
In de omstreken van Kazan hoorde ik voor het eerst spreken van een nieuwe sekte, die in het gouvernement Wjatka was ontstaan, en der regeering vele moeilijkheden dreigde te veroorzaken. De aanhangers dezer sekte waren arme boeren, die zich verbeeldden dat zij een aangeboren recht op den grond hadden, en het dus eene ongehoorde tyrannie was, van hen de betaling van pacht te vorderen. Het kanton Mostowinsk, in het district Sarapul, was het tooneel dezer beweging. De provincie Wjatka, aan de aziatische grenzen gelegen, heeft eene zeer gemengde bevolking, uit Russen, Finnen, Basjkiren, Tartaren bestaande; in hare diepe, moeilijk toegankelijke dalen vindt men belijders van bijna iedere godsdienst: christenen, mohammedanen, boeddhisten, heidenen; onder allerlei namen en vormen. In deze eene provincie tieren zeker twintig verschillende christelijke sekten; en daar alle vreemdelingen en afgodendienaars in dat gouvernement het recht hebben om door hunne eigene hoofden te worden geregeerd, is het geen gemakkelijke taak de ketterij in al hare verwarde vertakkingen na te gaan. Maar eene sekte als deze kon kwalijk verborgen blijven. Willen zij hun plicht betrachten en hun leeraar gehoorzamen, dan moesten deze sektarissen voor de wereld optreden, hunne leer bekend maken en verdedigen: dit was het noodzakelijk gevolg hunner bekeering; en toen dan ook de tijd voor het betalen der pacht gekomen was, weigerden zij de betaling. Evenals alle kroonboeren (en deze hervormers waren allen voormalige kroonboeren) hadden zij hunne woningen en een zeker stuk land in eigendom ontvangen, onder voorwaarde dat zij, gedurende zekeren tijd, eene zeer matige rente zouden betalen. Nu weigerden zij dit en wel om godsdienstige redenen.
De gouverneur van Wjatka, hierover ongerust, schreef naar Petersburg om nadere instructies. Hem werd gelast, een onderzoek in te stellen, de leiders gevangen te nemen; en zorgvuldig te waken tegen elk begin van verzet of oproerigheid. Ongeveer tweehonderd wanbetalers werden door de politie gevangen genomen, in afdeelingen gesplist en ondervraagd. Eenigen werden, op voorspraak van den gouverneur, weder ontslagen; maar toen ik Kazan verliet, waren drie-en-twintig dezer wanbetalers nog altijd in de gevangenis. Men kon hun maar niet aan het verstand brengen dat zij dwaalden; zij wilden zich niet verbinden, hunne leer niet verder te verspreiden; en, wat nog het ergste van alles was, zij bleven hardnekkig de voldoening der op hun land klevende rente weigeren. Wat moet een praktisch staatsman aanvangen met lieden, die, uit gemoedsbezwaren, de betaling van belasting en pacht weigeren?
Bij mijne komst in de provincie Simbirsk had ieder den mond vol van een zonderlinge soort van lieden, wier bestaan eerst onlangs was ontdekt. Een zekere Peter Mironoff, een gewoon soldaat, had zich opgeworpen als stichter eener nieuwe godsdienst, waarvan de belijdenis en gebruiken zeer geheim moesten worden gehouden, en die zelfs geen naam droeg. Deze Peter stond als een braaf, oppassend man bekend; hij was vroom, ernstig, ordelijk en betamelijk in zijn gedrag; als soldaat ontbrak hij nooit bij de exercitiën; als biechteling gaf hij zijn pope nimmer reden tot klachten. Niemand verwachtte van hem iets bijzonders. Naar men zegt, begon hij met veertien zijner makkers te bekeeren, die zich allen bij eede verbonden, dat zij de hun geopenbaarde waarheid geheim zouden houden; dat zij zooveel mogelijk alle aanleiding tot achterdocht zonden vermijden; dat zij, des noods, ballingschap, pijniging en zelfs den dood zouden ondergaan, maar nooit de geheime leer openbaren.
Peter, die zelf niets geleerd heeft en dus hoegenaamd geen eerbied heeft voor boeken, is een verklaarde vijand van alle formulieren, van alle liturgiën, van alle levensbeschrijvingen der heiligen. Volgens hem, zijn lezen en schrijven gevaarlijke verleidingen en dwalingen: de overlevering, door eene levende persoonlijkheid bewaard en verkondigd, is voor hem de echte bron en toetssteen der waarheid. Hoewel hij ijvert tegen alle kruisen en beelden, hangt toch een zilveren heiligenbeeld, op eene zeer zichtbare plaats, in zijne kamer, en draagt hij voortdurend een koperen kruis om zijn hals. Hij leert zijn discipelen, dat de ware godsdienst bestaat in een voortdurenden strijd tegen het vleesch, en schrijft daarom zeer strenge vasten en onthouding voor. Als zij vasten, moeten zij zich volstrekt van alle spijze onthouden, om den Heer niet te bespotten; en zelfs wanneer zij aan de physieke behoeften des lichaams moeten voldoen, behooren zij toch alle overtollige weelde, als den uitverkorenen niet voegende, te vermijden, zooals het gebruik van vleesch en wijn, van melk en eieren, van olie en visch. Hij waarschuwt de jongelieden tegen de zonde van het huwelijk, en vermaant de gehuwden, met elkander als broeders en zusters te leven, in reinheid en vrede, zooals de engelen in den hemel. Volgens Peter is het menschelijk hart vol van goede en kwade beginselen en neigingen; hij houdt zich overtuigd dat het mogelijk is, het kwaad door het goed te overwinnen; vasten en bidden zijn de eenige en ook afdoende middelen om de booze geesten te verdrijven, die over het vleesch heerschappij voeren.
De volgelingen van dezen nieuwen apostel verwerpen alle mysteriën en sacramenten, alle uiterlijke teekenen en symbolen van Godsvereering. Zij leven in vrede met de wereld, helpen elkander zooveel in hun vermogen is, en gehoorzamen onvoorwaardelijk aan de bevelen van eene door hen gekozen heilige maagd: de door de zonde gevallen mensch kan, naar hunne meening, alleen eene vrouw en maagd als voorganger en leeraar erkennen. Het ware hoofd der sekte is dan ook eene boerenvrouw, Anicia genaamd, woonachtig in het dorp Perewoz, in het gouvernement van Tambow; zij staat niet alleen boven Peter Mironoff zelf, maar ook boven den Zaligmaker en Sint-Nicolaas.
De godsdienstoefeningen dezer sekte, die in het geheim, met gesloten deuren gehouden worden, beginnen en eindigen met gezang, begeleid door eene eigenaardige soort van kort afgebroken muziek, en vergezeld van dansen en springen. De vormen der eeredienst zijn gedeeltelijk aan de moskee ontleent. Zij bidden staande, buigen zich nu en dan met het aangezicht ter aarde, en onthouden zich van het teeken des kruises. Evenals alle dissidenten zonder onderscheid, zijn ook deze sektarissen vijandig gekant tegen den officiëelen staat, niet minder dan tegen de officiëele kerk.
Het duurde een geruimen tijd, eer Peter en zijne volgelingen bij de politie werden aangeklaagd; en nu zij er zich eenmaal mede heeft gemoeid, en de profeet en de maagd in de gevangenis zitten, weet de regeering niet best wat te doen. Bijna alle mannen en vrouwen toch, die beschuldigd werden leden te zijn van deze onwettige en godslasterlijke sekte, staan in de provincie Simbirsk bekend als lieden van een onberispelijken wandel. De hoofden der sekte staan bijzonder hoog aangeschreven, niet alleen als trouwe kerkgangers, maar zelfs als ijverige medearbeiders der geestelijkheid. Zij die door de politie op vermoeden werden gevat, waren in den regel in het bezit van een door den pope afgegeven certificaat, ten bewijze dat zij regelmatig ter biecht kwamen en hoogtijd hielden. Moeder Anicia, in haar dorp gevangen genomen, werd ten scherpste ondervraagd; maar toch men heeft niets tot haar nadeel kunnen vinden. Zij is veertig jaar oud, en, hoewel sedert negentien jaar gehuwd, nog altijd maagd: en al hare buren verklaren eenstemmig dat zij een onberispelijk voorbeeldig leven heeft geleid. Toch geeft de politie de zaak nog niet op: Peter en Anicia vertoeven nog altijd in den kerker: het proces is nog steeds aanhangig, en zal hoogstwaarschijnlijk daarmede eindigen, dat de model-soldaat en de onberispelijke boerin hun verder leven in een der Siberische mijnen zullen slijten.
Te Moskou verhaalde men mij van een sekte, die zeker wel de zonderlingste van allen mag worden genoemd: de zoogenaamde Napoleonisten. Hun haat tegen het rijk en de officiëele kerk heeft hen er toe gebracht, den geduchtsten vijand, dien Rusland in de laatste tijden gehad heeft, Napoleon I, als een soort van messias, als een beschermgod van het Slavonische ras, te vereeren. Natuurlijk dienen zij dit weinig vaderlandslievend geloof geheim te houden; ook laten zij niemand bij hunne godsdienstoefeningen toe. Toch beweert men dat zij een vast aaneengeschakeld genootschap vormen, en dat hun aantal gedurig toeneemt. Zij vergaderen met gesloten deuren, onder het oog der politie; maar zoovele sekten te Moskou doen hetzelfde, dat deze omstandigheid op zich zelf niet zoo bijzonder vreemd is. Naar men zegt, hebben zij in hunne woning een soort van altaar, waarop het borstbeeld van Napoleon staat, en waarvoor zij nederknielen. Zij houden zich overtuigd, dat hun messias nog in leven is; volgens hen, zou hij aan de handen zijner vijanden zijn ontkomen, en van St.-Helena naar Midden-Azië zijn gevlucht, waar hij nu zijn verblijf houdt te Irkutsk, nabij het meer Baïkal, op de grenzen van chineesch Tartarije. Vandaar zal hij te zijner tijd wederkomen, aan de onderlinge twisten der vele sekten een einde maken, zich aan de spitse van een machtig leger stellen, en de aanhangers van Satan, dat wil zeggen de regeerende dynastie en hare dienaren, slaan met de scherpte des zwaards.
XII.
DE OUD-GELOOVIGEN.
Al deze zonderlinge secten en geheime genootschappen zouden weinig gewicht in de schaal leggen, en hoogstens als merkwaardige uitingen van deels politiek, deels godsdienstig fanatisme de aandacht verdienen, indien zij enkel op zich zelf stonden, en niet veelmeer teekenen waren van een algemeen verspreide kwaal in het groote rijk. Hun aller gemeenschappelijke levensbodem, waarin zij wortelen, is de felle, diep verborgen afkeer van de officiëele orthodoxe kerk.
Buiten Rusland zijn er maar weinig menschen, die kennis dragen van het bestaan eener andere, populaire kerk nevens de officiëele; en nog minder is het bekend dat deze beide kerken in rustelooze vijandschap en bitteren strijd met elkander zijn gewikkeld. Toch mag dit feit geen oogenblik worden voorbijgezien door ieder, die zich rekenschap wil geven van de wezenlijke gesteldheid en de ontwikkeling van het russische rijk.
De aanhangers dezer populaire kerk zijn de zoogenaamde oud-geloovigen, dat wil zeggen: zij, die de voorgewende hervormingen van den patriarch Nikon verwerpen, en de oude, van de vaderen overgeleverde liturgie hebben behouden. "Gij zult in ons land, zeide een priester van het oude geloof tot mij, een kerk van Byzantium en eene kerk van Bethlehem vinden; eene oude leer en eene nieuwe leer; een stelsel van menschelijke inzetting en een van God gegeven Evangelie."
Niemand heeft tot dusverre het juiste getal opgegeven van hen, die als oud-geloovigen zich van de staatskerk hebben afgescheiden. De regeering heeft somwijlen den schijn aangenomen, als wilde zij hen als dissenters behandelen; maar nooit heeft men den moed gehad, hen officieel onder de ketters en sektarissen te begrijpen. Men heeft hen beurtelings gehaat, gevreesd, gevleid, mishandeld; spionnen hebben hen bespied; de politie heeft hen in de gevangenis geworpen; ministers hebben hen door schitterende aanbiedingen pogen te verlokken; maar nooit heeft men het gewaagd hen te tellen, want de regeering zelve deinsde terug voor de waarheid, die dan onverbiddelijk aan het licht zou komen. Een andere en betere geest heerscht tegenwoordig in het Winterpaleis: men sluit de oogen niet langer voor de werkelijkheid: en deze groote kwestie--verreweg de belangrijkste van alle binnenlandsche kwestiën--wordt, met ernst en ijver, naar alle zijden onderzocht en toegelicht. De regeering is tot de overtuiging gekomen, dat in Rusland niets van wezenlijk belang tot stand kan worden gebracht, zonder de medewerking der oud-geloovigen; en bij elken grooten maatregel treedt, in regeeringskringen, de vraag op den voorgrond: "Wat zullen de oud-geloovigen daarvan zeggen?"
Een russische bisschop, die veel in zijn vaderland gereisd had, verzekerde mij, dat het getal der oud-geloovigen tien à elf millioen beloopt; een minister van staat schatte hun aantal zelfs op zestien of zeventien millioen. Een priester van Kèm ging nog verder. "De helft der bevolking, zeide hij, behoort tot het oude geloof; en zoodra ons eenmaal vrijheid geschonken wordt, zal drie vierde gedeelte van het volk tot ons behooren." Voor zoover mijne eigen ervaring reikt, ben ik geneigd, dien priester gelijk te geven. Een Duitscher, die dertig jaren in Rusland heeft gewoond en het volk goed kende, maar, als Lutheraan, vreemd is aan de onderlinge twisten der sekten, schrijft mij dienaangaande: "Mijne ondervinding heeft mij geleerd, dat, de bevolking in haar geheel genomen, vier van de vijf menschen òf nu reeds oud-geloovigen zijn, òf zich de volgende week daarbij zouden aansluiten, indien zij slechts de zekerheid hadden dat de regeering hen met vrede zou laten." Dit houd ik voor overdrijving; maar ik word telkens meer bevestigd in mijne overtuiging, dat de oud-geloovigen het eigenlijke russische volk zijn; terwijl de orthodoxen weinig anders zijn dan eene sekte, waartoe het hof, de adel en de geestelijkheid behooren, en die daarom, voor het oogenblik nog, de macht in handen heeft.
Bijna al de boeren in het noorden zijn oud-geloovigen; bijna al de Kozakken van den Don, de helft der inwoners van Nishny-Nowgorod en van Kazan, de meeste kooplieden van Moskou, zijn aanhangers van het oude geloof. In één woord, de voornaamste handelaars en industriëelen, de aanzienlijkste bankiers, de mannen, die in menig opzicht aan het hoofd der maatschappelijke beweging staan en aan wie ongetwijfeld de naaste toekomst behoort, zijn oud-geloovigen.
Gij wandelt door de straten van Moskou, waar telkens uwe aandacht wordt getrokken door de edele pracht der bijkans vorstelijke woningen. Gij vraagt uwen gids: "Aan wien behoort dit huis?"--"Aan Moronzoff.--"Wie is dat?"--"O, mijnheer, Moronzoff is de rijkste man in Moskou; de grootste industriëel van Rusland. Vijftigduizend man vinden werk in zijne fabrieken. Hij is een oud-geloovige."
"En wie woont hier?"--"Soldatenkoff".--"Wie is dat?"--"Een schatrijk koopman en een groot industriëel: een van de invloedrijkste mannen in Rusland. Hij is een oud-geloovige."
"En van wien is dat paleis daar?"--"Dat behoort aan jonkvrouw Rokhmanoff. Zij is onze miss Burdett Coutts; misschien niet zoo rijk, maar vooral niet minder ijverig om goed te doen. Zoo als ge ziet, bewoont zij een prachtig huis; men vindt er niet minder dan dertig receptiekamers, voor de ontvangst van gasten. Ook zij is een oud-geloovige."