Het Vrije Rusland De Aarde en haar Volken, 1873
Chapter 8
Timotheus Sokoloff, de zoon van een armen voorlezer in eene dorpskerk, werd in het jaar 1724 in de provincie Nowgorod geboren, die aan Rusland zoo vele heiligen geschonken heeft. De voorlezer had een groot gezin en een gering inkomen. Timotheus werd al vroeg bij een boer op eene naburige hoeve in dienst gedaan. Des daags op het veld arbeidende, des nachts in de schuren toevende, weinig slapende en nog minder etende, wist hij toch gelegenheid te vinden om lezen en schrijven te leeren. Hij werd nu naar eene pas geopende school te Nowgorod gezonden, waar hij zoo ijverig leerde en arbeidde, en zoo groote vorderingen maakte, dat hij, na afloop van zijn leertijd, tot onderwijzer bij die school werd benoemd. Maar zijn hart was niet bij het onderwijs. Reeds als kind was het zijn lust, gewijde liederen te zingen, de mis bij te wonen, alleen te zijn met zijne boeken; mitsdien vermeed hij zooveel mogelijk den omgang met menschen en schuwde hij de vermaken der jeugd. Een gezicht bepaalde zijne keus voor zijn volgend leven. "Toen ik nog onderwijzer in de school was,--zoo verhaalde hij later aan een vriend--placht ik geheele nachten op te zitten, lezende en peinzende. Op zekeren nacht in Mei, begaf ik mij naar buiten. Het was prachtig weder, en een heldere, onbewolkte lucht. Ik zag naar de fonkelende sterren, en heilige gedachten van eeuwig leven en hemelsche heerlijkheid rezen in mijne ziel op. Plotseling opende zich de hemel voor mijn blik: een gezicht, in geen menschelijke taal weder te geven. Mijn gansche hart werd als van zaligheid overstroomd; en van dat oogenblik kende ik geen vuriger begeerte dan de wereld te verlaten."
Weinige jaren nadat hij de monnikspij aangetogen en zijn wereldlijken naam Timotheus voor dien van Tikhon verwisseld had, werd hij uit zijne nederige cel geroepen om den bisschoppelijken zetel te bestijgen, eerst te Nowgorod, later te Woronesj. Het bisdom van Woronesj, aan de grenzen der tartaarsche steppen gelegen, had eene zeer eigenaardige, half wilde bevolking: Kozakken, Kalmukken, Malo-Russen: een wonderlijk mengelmoes van allerlei stammen, die een zwervend leven leidden, lui, roofzuchtig, aan dronkenschap en onmatigheid ten prooi. De geestelijkheid was misschien nog dieper gezonken dan de leeken. Woronesj bezat geene scholen; de popen konden ter nauwernood lezen; de heilige dienst werd slecht en oneerbiedig afgeraffeld. De geheele bevolking was in allerlei zonde en ongerechtigheid verzonken. Tikhon aanvaardde, met zeldzamen moed, den strijd tegen deze overmacht des kwaads, en tastte het in den wortel aan, beginnende met de geestelijkheid. Ten einde den priesterlijken stand te verheffen, en hen die zich daarvoor voorbereidden, achting voor zich zelf in te boezemen, verbood hij het gebruikelijke geeselen op de seminariën. Deze hervorming was slechts een voorteeken van hetgeen volgen zou. Langzamerhand wist hij door leer en voorbeeld zijne geestelijkheid te bekeeren; hij noopte hen als priesters te leven, alle onmatigheid en ongerechtigheid te schuwen, en zich als ware dienstknechten Gods te gedragen. Binnen twee jaren hervormde hij de scholen en zuiverde hij de kerk. Met niet minder zorg waakte hij over de hem toevertrouwde kudde; ook daar ging hij het kwaad te keer. Meermalen moest hij harde woorden spreken: maar zoo groot was de eerbied, dien allen voor den goeden, ernstigen bisschop gevoelden; dat niemand zijn gebod dorst te overtreden. "Gij moet doen wat Tikhon u zegt," spraken de burgers en landlieden menigmaal tot elkander; "anders zal hij u bij God verklagen." De bisschop zelf ging allen voor. Hij kleedde zich zoo eenvoudig mogelijk; hij gebruikte de meest alledaagsche spijzen; de wijn werd onaangeroerd van zijne tafel naar de zieken gezonden. Hij was de vriend der armen, en ging alleen dan de rijken bezoeken, wanneer geen ellendigen of ongelukkigen zijne hulp behoefden. Het geheim van Tikhon's macht lag in zijn onberispelijken wandel, in zijne medelijdende teederheid, in zijn edel liefhebbend hart:--trouwens, waar elders schuilt de macht van alle waarlijk edelen en goeden, van alle echte volgelingen des Heeren? "Gebrek aan liefde, placht de waardige herder te zeggen, is de oorzaak van al onze ellende; hadden wij onze broeders hartelijker lief, het zou ons lichter vallen smart en moeite te dragen; de liefde weet alle leed en alle pijn te verzachten en te genezen."
Zoo leefde hij twee jaren in Nowgorod, vijf jaren in Woronesj, tot een zegen voor allen, die hem leerden kennen: toen werd de begeerte naar afzondering hem te sterk. Hij legde den herdersstaf neder, verliet zijn bisschoppelijk paleis, en trok zich terug in het klooster van Zadonsk, eene kleine stad aan de Don, waar hij zich onledig hield met schrijven en het bezoeken van armen. Maar ook nu was zijn arbeid gezegend en rijk aan gevolgen: Tikhon was een der eersten, zoo niet de eerste, die openlijk optrad als voorspraak en pleitbezorger voor de lijfeigenen. Vijftien deelen van zijne hand hebben het licht gezien; naar men zegt, zijn er nog vijftien deelen in handschrift aanwezig; en sommigen van deze werken hebben vijftig herdrukken beleefd. Zijne grootste verdienste als schrijver bestaat wel hierin, dat hij de vrijlating der lijfeigenen voorzag, voorbereidde en onvermoeid verdedigde en aanprees.
Vijftien jaren lang leidde hij het leven van een heilige. Als vriend en voorspraak der verdrukte lijfeigenen, ging hij op zekeren dag naar het kasteel van een prins in den omtrek van Woronesj, om dezen te onderhouden over het ongelijk dat zijn onderhoorigen werd aangedaan, en hem om Jezus wil te bidden, medelijden te hebben met de armen. Tikhon zeide ronduit wat hij te zeggen had; de prins maakte zich boos; het kwam tot vrij hooge woorden, en in een oogenblik van drift gaf de prins hem een slag in het aangezicht. Tikhon stond op en verliet het huis; maar toen hij een eind weegs was voortgegaan, begon hij te begrijpen dat hij zelf verkeerd had gehandeld, niet minder dan zijn beleediger. Deze man, zoo sprak hij bij zich zelf, heeft iets gedaan, waarover hij, als zijn drift voorbij is, zich zal schamen; en wie heeft aanleiding gegeven tot deze booze daad? "Het was mijne schuld, antwoordde de boetprediker, keerde zich om en ging terug naar het kasteel. Daar wierp Tikhon zich aan de voeten van den prins, hem vergeving vragende omdat hij hem tot toorn had geprikkeld en tot zonde verleid. De prins was, door deze onverwachte verschijning, zoo getroffen, dat hij zich nevens den monnik op de knieën wierp, diens handen kussend, en zijne vergiffenis en zegen afsmeekende. Van dien dag was de prins een ander mensch, door geheel de provincie bekend en geliefd als een vriend en vader zijner onderhoorigen.
Tikhon bereikte den ouderdom van tachtig jaren. Voor zijn dood voorspelde hij aan de broederen van zijn klooster nauwkeurig den dag van zijn sterven: en deze voorspelling werd letterlijk vervuld. Hij werd in de kloosterkerk begraven, en weldra stroomden van alle kanten scharen van bedevaartgangers naar zijne grafstede. Want van het gebeente des heiligen mans ging kracht uit tot genezing der kranken: de kreupelen werden gezond, de blinden ziende, de gebogenen opgericht. De stemme des volks vorderde de heiligverklaring van dezen vriend der lijfeigenen; en de tegenwoordige keizer, aan die roepstem gehoor gevende, noodigde de heilige synode uit, het voor de canonisatie gevorderde onderzoek in te stellen. Eene commissie werd benoemd; de zaak werd onderzocht; de wonderen worden bewezen; vervolgens werd het graf geopend. Een geur van bloemen steeg uit de lijkkist op; het lichaam was ongeschonden, bloeiend en frisch: het besluit der canonisatie werd geteekend in het jaar 1861, het jaar der groote emancipatie. Tikhons naam is onafscheidelijk aan dien maatregel verbonden.
Maar het grootste wonder uit dien nieuweren tijd, het schitterendst bewijs der bijzondere bescherming Gods over het heilige Rusland, is de verdediging van Solowetsk door de moedermaagd, toen de engelsch-fransche vloot in 1854 de heilige-eilanden bedreigde.
Zoodra te Petersburg de tijding was ontvangen, dat eene engelsche vloot naar de Poolzee koers had gezet, werden door het ministerie van oorlog de gewone maatregelen van tegenweer genomen, voor zoover dat, in de bestaande omstandigheden, mogelijk was. Zes oude stukken vestinggeschut, die eene plaats in een museum hadden verdiend, werden van Archangel naar het klooster gezonden, tegelijk met vijf artilleristen en vijftig liniesoldaten, uit het invaliden-corps gekozen. Aan het hoofd dezer krijgsmacht stond een officier, die echter spoedig overleed, juist toen de engelsche schepen in de Witte-zee waren gekomen.
In hun eersten schrik hadden de monniken de kostbare gewaden en kerksieraden, de charters en edelgesteenten naar de steden in het binnenland gezonden, vader Alexander, de archimandriet, had gebeden en bijzondere diensten in de verschillende kerken en kapellen uitgeschreven; hij zelf bediende de mis voor de graven van Savatius en Zosimus, in de krypt der kathedraal, en ook voor de wonderdoende afbeelding der heilige maagd, door Savatius naar het eiland gebracht. Naarmate de tijdingen onrustbarender werden en het gevaar naderde, sterkte de archimandriet de broederen door toespraak en vermaning, hen opwekkende al hun vertrouwen op God te stellen en van hem alleen de hulpe te verwachten.
In den morgen van dinsdag, 18 Juli 1854, berichtten de wachters dat twee fregatten kaap Beluga waren omzeild;--de archimandriet schreef een driedaagsche vasten uit. De beide fregatten wierpen het anker uit, op zeven mijlen afstands van de kust:--de archimandriet beval dat de kloosterklok zou worden geluid voor eene bijzondere dienst ter eere der Allerheiligste Moeder Gods. Als een der oude hebreeuwsche koningen, ontdeed hij zich van zijn plechtgewaad, vernederde zich voor het oog der eerwaarde vaders, en bad voor de graven van Savatius en Zosimus geknield. Toen nam hij het wonderdoende beeld der Panagia (de Alheilige, bijnaam der Maagd Maria in de oostersche kerk) van den wand, en droeg dit in statigen ommegang langs de wallen, gevolgd door al de monniken. En zie--de beide fregatten lichtten het anker, en verwijderden zich.
Echter, daar de schepen in het richting van Kem waren weggestoomd, bestond er alle reden om te vreezen, dat zij terug zouden komen. De vaandrig Niconowitsj, die het bevel over de kompagnie invaliden op zich had genomen, ging op verkenning van het strand uit, twee drieponders door het zand met zich medevoerende; terwijl een aantal pelgrims en werklieden zich vrijwillig aanboden om de wacht te betrekken. Niconowitsj wierp, van zand en graszoden, eene soort van batterij op, waarachter hij zijn geschut plaatste; ook werden acht kleine veldstukjes op de torens en wallen geplaatst, waarna de monniken hunne gebeden hervatten.
Den volgenden dag werd een donkere rookkolom in de heldere zomerlucht zichtbaar. De twee schepen, die weldra bleken de Brisk en de Miranda te zijn, stoomden de baai binnen. De Brisk begon den aanval: zij vuurde met schroot op het klooster. Het scheelde weinig, of de archimandriet, die op de kaai stond, ware door een kogel getroffen; de monniken, verschrikt door het ratelend geschut, vloden naar het binnenplein, en sloten de heilige-poort achter zich toe.
Een zekere Drushlewski, een onderofficier, die met tien man en een kanon in den Weverstoren stond, beantwoordde het vuur der Engelschen; waarop het fregat, zich naar den toren keerende, dezen de volle laag gaf. Drushlewski raapte den hem toegeworpen handschoen op; maar daar hij slechts weinig buskruit had, spaarde hij zijne krachten en berekende zijne slagen. De Brisk vuurde dertig malen; slechts driemalen werd het kanon in den Weverstoren afgeschoten. Het laatste schot deed het engelsche fregat afdeinzen: de kogel was in de zijde van het schip gedrongen en had een man gedood.
De nacht werd in gebeden doorwaakt. De archimandriet kuste Drushlewski, en gaf aan allen, die in de Weverstoren waren geweest, zijn zegen. Toen de zon aan de kimme verdwenen was, waren de fregatten uit het gezicht; maar toch was niemand gerust; het gevaar was nog niet geweken.
De volgende dag, donderdag 20 Juli, was een der grootste heiligedagen in den russischen kalender: het was de feestdag van Onze-Lieve-Vrouwe van Kazan: een dag waarop in geheel Rusland geen ploeg door het land gedreven, geen fabriek geopend, geen school gehouden wordt. Evenals naar gewoonte, werden, ten half drie in den morgen, de metten in de kathedraal gezongen; juist was het Te Deum geëindigd, toen een sloep, de witte vlag voerende, van de Brisk afstak en naar de kaai voer. Zij bracht een brief voor den archimandriet, waarbij de overgave van het klooster werd geëischt, met bepaling tevens dat de bevelhebber in persoon zijn zwaard moest overgeven, en dat het garnizoen krijgsgevangen zou worden. De engelsche admiraal Ommaney waarschuwde den archimandriet, dat wanneer een schot van de wallen werd gelost, het bombardement onmiddellijk zou beginnen. De archimandriet zeide, dat hij zijn antwoord aan den admiraal zou zenden. Dit antwoord was eene uitdrukkelijke weigering om de sleutels van het klooster over te geven; een pelgrim, Soltikoff genaamd, werd met de overbrenging belast.
De admiraal las den brief, en verklaarde dat alle verdere onderhandeling overbodig was, en het bombardement aanstonds zou beginnen. Met moeite stond hij eenig uitstel toe; nauwelijks had Soltikoff de heilige-poort bereikt, of de eerste bom vloog over de wallen van het klooster. Het was nu kwartier over zevenen. Juist toen de engelsche schepen hun vuur openden, riep de kloosterklok de monniken ten gebede. Bommen, kogels en granaten daalden in suizende vaart en met ratelend gerucht, als een hagelbui, op de muren en koepels neder; rusteloos woedde de verdelgende oorlogsorkaan daar buiten: toch werd de heilige dienst den ganschen dag door onverpoosd voortgezet, en zweeg in den tempel de stem des gebeds geen oogenblik! Terwijl de schare geknield lag, sloeg een bom in den koepel van de kathedraal, vernielde de houten kap, en deed de zoldering naar beneden tuimelen. De balken vatten vuur; de gansche kerk werd met rook gevuld; de vensters rammelden, de deuren vlogen open; het gansche gebouw dreunde en sidderde op zijne grondslagen;--de ontzette schare wierp zich met het gelaat op de steenen. Een man alleen behield zijne tegenwoordigheid van geest. Voor de koninklijke poort staande, riep de archimandriet zijn kinderen toe: "Blijft! blijft! Weest niet verschrikt; de Heer zal de zijnen bewaren!"--Opziende, zagen de monniken en pelgrims den eerwaardigen grijsaard, staande voor het altaar, kalm en onversaagd, terwijl groote tranen langs zijne wangen biggelden. Dit gezicht bezielde hen met nieuwen moed. Zij sprongen op, haalden water, doofden de vlammen uit, ruimden de neergestorte planken en balken weg; en nadat de kerk gereinigd was, bogen zij zich op nieuw ter aarde en baden.
Voor de graven van Savatius en Zosimus werd de dienst den ganschen dag voortgezet. Eenmaal trof een kogel het altaar; de dienstdoende pope sprong terug; de gemeente boog in ontzetting het aangezicht ter aarde. Ieder dacht dat zijn laatste uur gekomen was; en in hunne bekommering vroegen velen om het laatste sakrament. Vader Varnau zette zich in den biechtstoel, nam de geloovigen de biecht af, en diende het sakrament toe. De archimandriet was de eerste, die belijdenis zijner zonden deed, en het lichaam des Heeren genoot. De popen en andere broeders volgden; toen de pelgrims, de soldaten, de vrouwen, en nadat allen de absolutie ontvangen hadden, knielden zij neder voor de altaren en bij de graven van Filippus, Savatius en Zosimus, en in de kapel der moeder Gods. Inmiddels zweeg de donder van het geschut niet, en raasde de wilde storm van ijzer en vuur onophoudelijk over het sidderende klooster.
Het was middag geworden. Daar luidden nogmaals de kloosterklokken: de monniken en pelgrims verzamelden zich op den wal en schaarden zich daar in rijen voor de groote processie. De monniken openden den langen trein; op hen volgden de pelgrims, daarachter kwamen de vrouwen en kinderen. Toen zij allen gereed waren, nam de archimandriet de wonderdoende beeltenis der heilige maagd, die nevens het altaar hing, en het groote, hoog vereerde crucifix. Het kruis in de rechter, de madonna met de linkerhand gevat houdende, plaatste hij zich aan het hoofd der schare en leidde haar langs de wallen, onder het vuur des vijands. De groote klok luidde, de monniken en pelgrims hieven hun psalmen aan. Kogels en granaten vlogen snorrend over hen heen; de muren sidderden; de pannen stoven in splinters van de daken. Nabij den hoektoren aan het Heilige-meer gekomen, moest de processie stilhouden: een granaat had den windmolen getroffen en de wieken in brand gestoken. Psalmen zingende en luide biddende, wachtten allen tot het vuur was uitgebrand, en vervolgden daarna hun tocht. Een weinig verder, vloog een bom midden door den muur, steenen, balken en planken verpletterende en voortslingerende tot midden onder de processie: die daardoor in tweeën werd gebroken. "Gaat voort!" riep de archimandriet, met zijn kruis zwaaiende,--en de schare ging voort, altijd voort.--Bij den Weverstoren gekomen, riep de archimandriet den monnik Gennadius, en gaf hem het kruis, met last om daarmede in den toren te gaan, en het beeld des Heilands door de soldaten te doen kussen.
Thans zou er een wonder geschieden. De processie had den Weverstoren verlaten, en een open plek bereikt, die zij over moest steken onder het geweldige vuur des vijands en den vernielenden kogelregen. Geen menschelijk wezen kon ongestraft dat vuur trotseeren, tenzij dat eene bovenaardsche macht hem beschermde. Nu zou het geloof dezer onverschrokken mannen inderdaad op de proef worden gesteld. Een oogenblik stond de processie stil; maar de aarzeling duurde ook slechts een oogenblik. De archimandriet, de beeltenis der moedermaagd opheffende, trad onbeschroomd in die dwarrelwolk van stof en rook; de monniken en pelgrims, de vrouwen en kinderen volgden, luide hunne lofzangen zingende.--En zie--de bommen en granaten der engelsche schepen weken van haar baan, dwarrelden boven de koepels en torens, en stortten neder in het Heilige-meer achter het klooster. Aller oogen aanschouwden het wonder; en uit aller harten steeg, met heilige ontroering, de dank tot onze-lieve-vrouwe, de machtige en zegepralende Panagia!
De fregatten hielden af en verwijderden zich, om niet weder terug te keeren; overwonnen en te schande gemaakt, hoewel niet door menschelijke macht. Niemand in het klooster had eenig letsel bekomen, niettegenstaande het woedende bombardement langer dan een halven dag geduurd had.
De tijding van dezen onwaardigen en heiligschennenden aanval vloog, als een elektrieke schok, door het gansche groote rijk, overal de heftigste gemoedsbewegingen in het leven roepende. De gewaarwording, die de geloovige Rus bij dit bericht moest ondervinden, laat zich het best vergelijken met hetgeen in ons gemoed zou omgaan op het vernemen der tijding dat een of andere turksche pâsha de kerk van het Heilige-graf te Jeruzalem had laten bombardeeren. Verbazing, verontwaardiging, woede kookten in aller hart; tot straks de blijde mare kwam dat deze hemeltergende aanslag was mislukt en geheel te schande gemaakt. Sinds dat wonderjaar is de glorie van Solowetsk hooger dan ooit geklommen: eene bedevaart naar het klooster op het Heilige-eiland geldt voor bijna even verdienstelijk als een pelgrimage naar Bethlehem en het graf des Heeren. Boeren en landlieden gaven het voorbeeld; monarchen en vorsten volgden. Alexander III is in bedevaart naar Solowetsk getogen; zijn broeder Constantijn is hem gevolgd; twee van 's keizers zonen zullen eerlang denzelfden tocht aanvaarden. Men zegt zelfs dat de keizerin de gelofte heeft afgelegd, het graf van Savatius te zullen bezoeken, indien de hemel haar hare gezondheid wedergeeft.
XI.
DE RUSSISCHE SEKTEN.
De vreemdeling, die niet aan den uiterlijken schijn der dingen blijft hangen, en niet enkel de officiëele waarheid als de alleen geldende aanneemt, zal weldra tot de ontdekking komen, dat in de diepte der russische maatschappij vijandige elementen aan het woelen en gisten zijn: een conflict van vrij wat meer beteekenis, dan de meer of minder openlijk gevoerde strijd tusschen de wereldlijke geestelijkheid en de kloosterlingen. Ook in Rusland bestaan er partijen, die, overeenkomstig den geheelen maatschappelijken toestand en het standpunt van ontwikkeling, waarop het russische volk staat, tegelijk een kerkelijk en een staatkundig karakter hebben: sekten in de eerste plaats, maar tevens ook politieke factiën. Trouwens, de orthodoxe kerk is eene staatsinstelling, waarvan de keizer het erkende hoofd is; wie zich dus van haar afscheidt, keert zich tegelijk, in meerdere of mindere mate, tegen de regeering zelve.
Keizer Nikolaas wilde er niet gaarne van hooren, dat een zijner onderdanen van zijne kerk afvallig was geworden; hij trachtte zich het onaangename feit, dat er toch werkelijk dissidenten waren, zooveel mogelijk te ontveinzen; vooral het naar buiten geheim te houden. Nu, wat de meester niet wilde vernemen, trachtten de ministers ook niet te zien. De tsaar beroemde er zich gaarne op, dat millioenen Muzelmannen, Joden en Boeddhisten in vrede onder zijn schepter leefden; maar dat een zijner eigene landgenooten zich veroorloofde in godsdienstige overtuiging met den keizer te verschillen, stond in zijne oogen bijna met oproer en hoogverraad gelijk. De kerk had nu eenmaal vastgesteld wat ieder te gelooven had, den eenigen weg afgebakend om aan het eeuwig verderf te ontkomen: daaraan moesten nu ook allen zich houden. Had de keizer zelf niet gezworen, dat hij dit geloof zou eerbiedigen en handhaven? Zoolang Nikolaas leefde, behoorde het in het Winterpaleis tot den goeden toon, niet meer aan het bestaan der vroegere sekten te gelooven: men deed het voorkomen, alsof zij allen verdwenen waren, en er in het gansche rijk inderdaad niet meer dan ééne christelijke kerk bestond. Misschien is keizer Nikolaas de eeuwigheid ingegaan, zonder ooit de waarheid te hebben vernomen omtrent die vele duizende menschen, die, naar het heette, voor zijne ongenade als versmolten waren.
Intusschen won, buiten het Winterpaleis en de officiëele kerkelijke kringen, de afscheiding in kracht en tal, gedurende de geheele regeering van den tsaar. Ongetwijfeld keerden enkelen in den schoot der orthodoxe kerk terug--maar door geweld gedwongen. Doch dergelijke maatregelen mogen sommigen ontrouw doen worden aan hun geloof: zij, voor wie dat geloof waarlijk ernst, eene zaak des harten was, waren op deze wijze niet te winnen, al moesten zij bittere tijden doorleven. Eene godsdienstige overtuiging wordt niet waarlijk overwonnen door het bestormen van de bedehuizen harer belijders; en de dertigjarige vervolging heeft niet anders uitgewerkt, dan dat de dissidenten heden ten dage talrijker, welvarender, vaster aaneengesloten zijn, dan toen keizer Nikolaas den troon beklom.
Niemand in geheel Rusland zal durven beweren, dat hij de namen, het aantal aanhangers en de bijzondere geloofsartikelen van al deze sekten kent; veel minder, dat hij iets weet van haar ontstaan en verborgen ontwikkeling. Niet alleen wordt alles wat de raskol, de afscheiding, betreft, zooveel mogelijk geheim gehouden: maar ook de sekten zelf hullen zich zooveel zij kunnen in het duister. Volgens den minister van politie splitsen zij zich in vier hoofdgroepen, te weten: I de Doukhobortzis of Pneumatomaken, worstelaars van den geest; II de Malakhanys, melkëters; III de Khlystis, geeselaars en IV de Skoptzis, eunuken of gesnedenen. [1]