Het Vrije Rusland De Aarde en haar Volken, 1873
Chapter 7
De oude steden van Groot-Rusland--Nowgorod, Moskou, Pskow, Wladimir,--zijn veel rijker aan kloosters dan hare mededingers van later tijd. De oevers van de rivier de Wolchow, die de oudste metropolis van Rusland besproeit, zijn over eene uitgestrektheid van vele mijlen boven en beneden de stad, met oude godsdienstige gestichten bezaaid. De voorsteden van Nowgorod prijken met de prachtige kloosters van Sint-George, Sint-Cyrillus en Sint-Antonius van Rome. Moskou is omgeven van een breeden krans van kloosters en abdijen--Simonoff, Donskoï, Troïtza, Danieloff, Alexiewski, Iwanowski, en nog vele anderen; Pskow heeft haar prachtig convent der katakomben, in heerlijkheid ternauwernood onderdoende voor het klooster van gelijken naam te Kiew.
Evenwel is het er verre van, dat al deze vrome stichtingen juist uit vroeger tijd zouden dagteekenen. Rusland verkeert nog in het tijdperk, waarin godsdienstige geestdrift een der machtigste drijfveeren in het leven des volks en der individuen is:--een tijdperk, dat aan den middeleeuwschen heldentijd der germaansche wereld denken doet. Wat echter voor ons, behoudens enkele uitzonderingen, tot het verleden behoort, is hier nog eene zeer levende werkelijkheid, wier kracht en invloed zich telkens openbaart. Ik wil daarvan een voorbeeld aanvoeren.
In het jaar 1803 werd in eene der ellendige hutten van het kleine dorp Pretchistoi, nabij de stad Wladimir, een lijfeigene geboren, van zoo lagen stand dat zijn geslachtsnaam in vergetelheid is geraakt. Jaren lang leefde hij, als andere eigenhoorigen, op het landgoed van zijn heer; hij huwde twee malen een meisje van zijn eigen stand, en won drie zonen, die voorspoedig opgroeiden. Tot dusverre was zijn leven gelijk geweest aan dat zijner lotgenooten; maar toen hij, op zeven-en-dertig jarigen leeftijd, voor de tweede maal weduwnaar geworden, door zijn heer werd vrijgelaten, verliet hij zijn dorp en begaf zich naar Troïtza, nabij Moskou. Daar nam hij den naam van Filippus aan, kleedde zich in een pij en kap, en groef voor zich zelven een hol onder den grond. In deze onderaardsche woning sleet hij vijf jaren; toen zocht hij een ander verblijf op, nog beter aan zijn wenschen beantwoordende, en wel op het kerkhof, te midden der graven van het klooster; daar bracht hij twintig jaren door. Hij had zijne vrijheid te lief, om zich door het afleggen der kloostergelofte daarvan te berooven: maar door de ondervinding geleerd, dat ook in Rusland, als elders, in spijt van het spreekwoord, de pij den monnik maakt, kleedde hij zich in grof sergie en omgordde zijne lendenen met een zware ketting. Aldus uitgedost toog hij naar Moskou, naar den metropolitaan Philarethes, vroeg dien prelaat om zijn zegen, en tevens om de vergunning zijn naam te mogen aannemen. De aartsbisschop schiep behagen in dien zonderlingen bedelmonnik, en willigde zijn verzoek in: en van dat oogenblik werd de voormalige lijfeigene van Pretchistoi door den ganschen omtrek bekend als Philarethes-Ouchka (Philarethes de Kleine).
Het kerkhof van Troïtza ligt op eene stille eenzame plek, aan den oever van een schilderachtig meer, omgeven door donkere bosschen. Te midden dezer groenende grafheuvelen sloeg de monnik zijne kluis op. In het klooster van Troïtza kocht hij, voor twee kopeks per stuk, eenige kruisen en heiligenbeelden; hij ging daarmede door de straten en langs de huizen van Moskou, en deelde ze, met zijn zegen, aan de lieden uit, zonder iets te vragen, maar aannemende wat men goed vond hem te geven. De een schonk hem een roebel, een ander tien, een derde honderd: iedere gave was hem welkom. Weldra had hij een niet onaardig kapitaaltje in de bank. De prenten brachten hem meer op dan de kruisen; want, naar de algemeene overtuiging des volks, brengen de eersten zegen aan, terwijl de anderen boden zijn van ongeluk. Schonk Philarethes aan eene of andere vrome vrouw een kruis, dan keerde zij huiswaarts, bezwaard van harte. Het symbool des christelijken geloofs is in Rusland nog niet afgedaald tot den rang van een gewoon sieraad of toilet-artikel. Geene russische boerin zou het in de gedachte komen, zich met een kruis op te tooien; ook zoekt ge het vergeefs als ornament in de woningen der aanzienlijken. De priester draagt een kruis; het kruis straalt op de kerktorens en koepels: maar zeldzaam zult ge het gewijde teeken, hetzij in schilder- of beeldhouwwerk, in een gewoon huis vinden. Toch draagt iedere rechtgeloovige Rus een kruis, dat hij nooit aflegt--het is dat, hetwelk hem bij zijn doop om den hals wordt gehangen; maar dit is geen sieraad.
Zonderling in kleeding, manieren en spreekwijze, droeg Philarethes-Ouchka noch schoenen noch kousen; in plaats van de gewone russische begroeting: "Het ga u wel!" sprak hij de lieden aan met de woorden: "Uw engelbewaarder geve u een blijden dag!" In zijne cel en op al zijne tochten was hij steeds vergezeld door een ander, niet minder zonderling personage, Iwanouchka, Johannes de Kleine (familiaar Jantje) genoemd, die nooit sprak, maar altijd zong. Iwanouchka zong in zijne cel, zong op den weg, zong langs de huizen, zong in de kerk. Aan den toon waarop hij zong, herkende men de gemoedsstemming van zijn meester; en uit het zingen van Iwanouchka kon menige arme, eenvoudige vrouw reeds vooraf berekenen of zij van Philarethes dien dag een kruis of een heiligenbeeldje te wachten had.
Vooral bij den kleinen, neringdoenden burgerstand stond de kluizenaar in groot aanzien. De meer aanzienlijke dames hielden zich op een afstand: niet omdat hij geld van haar vroeg, maar omdat hij hare mooie kamers vuil maakte. De uiterlijke verschijning van den vromen man was toch niets minder dan bevallig: maar zijne verregaande onreinheid, zijne verroeste ketting, zijne met stof en vuiligheid bedekte huid, zijne ongekamde haren, waren, in de oogen zijner trouwe volgelingen, zoo vele teekenen zijner uitnemende heiligheid. De vrouwen der kooplieden en winkeliers van Moskou dweepten met hem. Eene dame verhaalde mij eens, dat toen zij op zekeren dag een bezoek ging afleggen bij eene harer vriendinnen, de echtgenoote eens koopmans van het eerste gilde van Moskou, zij deze voor den kluizenaar geknield vond, bezig zijne voeten te wasschen. En dit was niet maar een ijdele beleefdheidsvorm: want Philarethes liep barrevoets, en de straten van Moskou zijn met harde keien geplaveid en bij uitnemendheid morsig. Zekere bejaarde juffer Seribrikoff placht er zich op te beroemen, dat het haar eenmaal vergund was geweest, de wonden van den heiligen man te reinigen. Jonge bruiden baden hem op hare bruiloft te verschijnen: want bij zulke gelegenheden was hij vaak gewoon te profeteeren; en met godsdienstigen eerbied werden de duistere woorden opgevangen, waarin de aanduiding van het toekomstig lot der jonggehuwden lag opgesloten. Op zekeren dag was hij op de bruiloft van Gospodin Sorokin, een der rijkste inwoners van Moskou; plotseling wendde hij zich tot de bruid en sprak: "Als de feesten voorbij zijn, zult ge uw man met honing moeten zalven." Niemand begreep wat hij zeggen wilde; maar drie dagen later was Sorokin een lijk: nu was de zin der voorspelling openbaar, want bij eene russische begrafenis mag geen honing ontbreken. Natuurlijk won het geloof aan de profetische gave van Philarethes, door zulk een opzienbarend feit, niet weinig in kracht.
Eene zijner ijverigste en vermogendste volgelingen, Mevrouw Loguinoff, schonk hem eene aanzienlijke som gelds, om daarvoor een klooster en een kerk te bouwen; en toen deze heiligdommen te midden der graf heuvelen van Troïtza waren verrezen, scheen de taak van den bedelmonnik voltooid. Toch waren de laatste levensjaren van Philarethes-Ouchka niet de gelukkigste. Zijn machtige beschermheer was gestorven; en Innocentius, de nieuwe metropolitaan, een ernstig man, vol ijver voor zijn geloof, had weinig op met de zonderlinge praktijken van den kluizenaar, en verklaarde zich tegen hem. Philarethes verliet nu zijn klooster en trok naar het dorp Tcheglowe, in het gouvernement Toela, waar hij een nieuw klooster bouwde. Daar stierf hij in 1868, ruim vijf-en-zestig jaren oud. De beide door hem gestichte kloosters worden nu door gewone monniken bewoond.
Dergelijke verschijnselen mogen zeker wel als ongezonde openbaringen van het godsdienstig leven worden beschouwd. Toch zoekt de zwarte geestelijkheid daarin een wapen tegen de spotternijen en aanvallen eener vijandig gezinde wereld, die aan dezen staat van zaken een einde maken wil. In dien strijd is het voordeel tot dusverre aan de zijde der monniken. De liberale opinie en de moderne wetenschap zijn hun vijandig; maar deze beide machten zijn in Rusland, immers bij de overgroote meerderheid des volks, nog in geenen deele inheemsch, zij staan, in zekeren zin, buiten het nationale leven. Daarentegen hebben de monniken op hunne zijde de traditie, de ingewortelde gewoonte, de overgeleverde piëteit. Ook beschikken zij over alle hooge kerkelijke betrekkingen, en over zeer groote levende krachten op allerlei gebied. De vrouwen zijn voor hen; voor hen is ook de meerderheid der landelijke bevolking. Te allen tijde hebben de vrouwen zich bijzonder aangetrokken gevoeld door de monniken, wier gelofte hen bindt allen omgang met haar te vermijden; en er zijn weinig steden in Rusland, waar men u niet weet te verhalen van een of anderen eerwaarden vader, die, even als Philarethes de Kleine, door eene gansche schare van lieve discipelinnen gevolgd en gevierd werd.
De monniken hebben niet alleen alle geestelijke macht in handen, maar de elementen zelf, waaruit deze macht is samengesteld, zijn in hun bezit. Hunner zijn de kloosters, de katakomben, de heilige plaatsen. Zij bewaren de beenderen der heiligen; uit hun midden komen nieuwe heiligen voort. In het gouden boek der russische kerk komt geen enkele naam voor van een gekanoniseerden wereldlijken priester. De monniken bezitten de gave der zelfverloochening en de gave der wonderen--twee zoo machtige en invloedrijke factoren in een land als Rusland.
Zelfverloochening is voor den Rus het onbedriegelijkst merk van het ware geloof, de hoogste kroon van een Gode gewijd leven. Ook deze eerste en edelste aller deugden neemt echter dikwerf zonderlinge vormen aan. In het vorige jaar (1868) stierf in het krankzinnigengesticht te Moskou een man, Iwan Jacowlewitch genaamd, eene zonderlinge vermaardheid verworven had. Velen hielden hem voor krankzinnig; anderen vereerden hem als een heilige. Daar de eersten de meerderheid hadden, sloten zij hem op, en hielden hem tot aan zijn dood onder geneeskundige behandeling en toezicht.
Deze Iwan, burger der kleine stad Cherkosowo, achtte zich geroepen, zijne gezondheid, en alle gemakken en genietingen des levens den Heer ten offer te brengen. Op jeugdigen leeftijd reeds legde hij de plechtige gelofte af, nimmer zijn aangezicht te zullen wasschen, noch zijne haren te kammen; nimmer zijne lompen te zullen afleggen; nimmer op een stoel of bank te gaan zitten; nimmer aan een tafel te eten, noch een mes of vork te gebruiken. Krachtens deze gelofte leefde hij als een hond, op den grond liggende en zijne spijzen opslurpeude. Toen men hem in het krankzinnigengesticht bracht, werd hij behoorlijk gewasschen en van nieuwe kleederen voorzien: maar aanstonds verontreinigde hij die, en zijne oppassers kwamen spoedig tot de overtuiging, dat het onmogelijk was hem zindelijk te houden.
Inmiddels ging de roep van hem uit door de gansche stad, en het duurde niet lang, of de cel van Iwan Jacowlewitch was eene gevierde bedevaartsplek geworden. Niet alleen dienstmeiden en boerinnen, maar deftige burgervrouwen, kwamen hem dagelijks opzoeken, brachten hem allerlei lekkernijen, gaven hem geld ten geschenke, en vertelden hem hare dierbaarste geheimen. Op den grond gezeten, staarde hij met half wezenloozen blik zijne bezoekers aan, en mompelde eenige onsamenhangende woorden, die zijne hoorders, met de uiterste inspanning, trachtten te verstaan en te ontcijferen. Somwijlen maakte hij balletjes van de kruimels zijner koekjes; en wanneer kranken bij hem genezing kwamen zoeken, stopte hij hun deze vuile pillen in den mond. Deze man nu heette "uitzinnig om des Heeren wil."
De directeur van het gesticht liet hem naar eene ruime kamer overbrengen, waar hij zijne bezoekers kon ontvangen. Men wist dat hij stapelgek was; dat dit drukke bezoek en die gedurige aandoeningen allernadeeligst voor hem waren: maar de toeloop was zoo groot en de begeerte van het publiek om hem te zien zoo levendig, dat de uitspraken der wetenschap en de regelen van het gesticht daarvoor zwichten moesten. Toen de arme krankzinnige eindelijk stierf, was de ontsteltenis onder de lagere volksklasse in Moskou algemeen; en eenigen tijd na zijn dood las men in het Dagblad van Moskou eene oproeping, om voor dien man in zijne geboorteplaats een gedenkteeken op te richten.
In den regel neemt echter deze zucht voor zelfverloochening een anderen, minder aanstootelijken vorm aan: dien van afzondering van de wereld. Het kluizenaarsleven geldt als het Gode gevallige leven bij uitnemendheid. Alle afdeelingen der oostersche kerk--de armenische, de koptische, de grieksche--werken deze richting in de hand: maar geene andere kerk kan op zulk eene menigte kluizenaars wijzen als de russische. Haar kalender wemelt van de namen van kluizenaars en asceten; en hetgeen men van de ontberingen en zelfkastijdingen dezer lieden verhaalt, is somwijlen bijna ongeloofelijk. Zoo vertelt men van zekere zuster Maria, die zich in een rotsspleet liet opsluiten; zij kreeg haar voedsel door een gat in de rots, en bracht twaalf jaren in dit levend graf door.
Ongeveer veertig mijlen van Moskou, niet verre van de abdij van Troïtza, bevindt zich eene soort van monniken-kolonie, Gethsemané genaamd en bestaande uit een klooster en katakomben, door een meer van elkander gescheiden. Het klooster, een type van armoede en ellende, is van ruwe boomstammen opgetrokken, die ternauwernood geverfd zijn. Nergens is een spoor van goud of zilver te bespeuren; alle sieraden zijn van cypressenhout. De monniken dragen tabbaarden van de gemeenste sergie, en voeden zich met de schraalste spijs. Geene vrouw mag deze heilige plek betreden, dan eenmaal in het jaar, op den dag van Maria-Hemelvaart.--Aan gene zijde van het meer bevinden zich de katakomben, diep in den grond uitgegraven. Wij staan voor de nauwe opening, die naar deze onderaardsche verblijven voert, en steken ieder onze kaarsen aan; een monnik maakt het teeken des kruises, prevelt eenige onverstaanbare woorden, en daalt de smalle trap af. Wij volgen langzaam, een voor een, zwijgend, zoo dicht mogelijk langs den muur voortgaande. Eene benauwde lucht komt ons tegen; een zonderling dof geluid treft onze ooren; wij ademen met moeite in dezen zwaren, bedorven dampkring. De kaarsen flikkeren en branden al flauwer in de dikke duisternis. In een smallen gang zien wij enkele getraliede vensters, nauwe openingen en met ijzer beslagen deuren: dit zijn toegangen naar cellen. Het gewelf is doortrokken van vocht; op den grond kruipen allerlei ongedierten.
"Hush!" fluistert de monnik, als wij langs enkele getraliede vensters en met ijzer beslagen deuren heen gaan, als vreesde hij dat wij de rust der dooden zouden storen.--"Wat is dit voor eene opening in den muur?"--De monnik staat stil en beweegt zijn spookachtigen fakkel. "Een cel, zegt hij; hier ligt een goede man. Hush! zijne ziel is nu bij God!"--"Dood?"--"Dood voor de wereld--ja."--"Hoe lang is hij hier?"--"Hoe lang?--Elf jaar en langer."
Wij gaan met eene huivering voorbij dit levend graf, en treden weldra uit den nauwen gang in eene kleine kerk. De lamp brandt voor het altaar; twee monniken liggen geknield, met het aangezicht ter aarde; een priester zingt, op doffen toon, de liturgie. Achter dit kerkje bevindt zich de heilige put, waarvan het water, naar men zegt, heilzaam is voor lichaam en ziel.--Toen wij weer boven waren gekomen, vroegen wij nadere inlichtingen omtrent den kluizenaar, die langer dan elf jaar in dit onderaardsche hol zou hebben doorgebracht; wij vernamen nu dat hij van tijd tot tijd uit zijn graf verrijst, om de kloosterklok te luiden, hout te halen, en zich op de hoogte te houden van hetgeen er al zoo omgaat.
Maar deze begeerte naar zelfverloochening openbaart zich ook nog op andere, minder sombere wijze. In de kloosterhoven van Solowetsk kunt ge een zonderling wezen zien, in lompen gehuld, zich voedende met afval en op den grond slapende, die, zonder de gelofte te hebben afgelegd, toch als behoorende tot de monnikenorde wordt beschouwd. Hij rekent zijn leven eene verbeurde weldaad, en wijdt zich zelven dagelijks ten offer. Hij streeft naar de afzichtelijkste verworpenheid, en wil in zijn eigen persoon de nietigheid en de ellende van al het aardsche zichtbaar vertoonen. Deze wonderlijke man wordt vooral door de pelgrims uit de lagere volksklasse in hooge eere gehouden en bijna als een heilige beschouwd, vader Nikita--zoo heet hij--is nog geen vier-en-een-halven voet hoog: in Rusland vooral mag hij dus met recht een dwerg worden genoemd. Een dunne grijze baard, verwarde haren, een donkerkleurig gelaat, en kleine scherpe oogen--ziedaar zijn portret. Nooit besmet hij zijn lichaam door de aanraking met water of zeep; nooit kamt hij zijn haren of zijn baard: wat toch is de mensch, dat hij zich zou verhoovaardigen op zijn vleesch? Zijne kleeding bestaat uit vodden en lompen; want hij versmaadt het betamelijke en warme gewaad van den monnik. Heeft hij dringende behoefte aan eenig kleedingstuk, dan gaat hij niet naar het magazijn, maar naar de bergplaats waar de afgedragen kleederen worden bewaard, en vraagt van den monnik, met het opzicht daarover belast, de versleten en weggeworpen plunje van een of anderen armen broeder. In het klooster staat eene cel tot zijne beschikking: maar ook een houten bank en een strooien peluw zijn nog veel te goed voor een wezen van stof en slijk; en ten teeken zijner diepe onwaardigheid, brengt hij den dag door op de kaai, den nacht op de binnenplaats van het klooster. Nooit heeft hij zich laten overhalen in den reefter nevens de andere monniken plaats te nemen: kaas, roggebrood, stokvisch zijn voor hem ongeoorloofde lekkernijen; maar wanneer de maaltijd is afgeloopen en de tafels afgeveegd, sluipt hij naar de spijskamer, zamelt de weggeworpen brokken en afgekloven beenderen op, en stilt zijn honger met hetgeen de boeren en bedelaars hebben laten liggen.
In de kerk wil hij nooit zijne plaats onder de andere geloovigen innemen; nimmer wil hij door de heilige-poort gaan. Als de dienst is begonnen, sluipt hij naar een donkeren hoek der kerk, en luistert, met het aangezicht op de steenen, naar de gebeden en lofzangen. Het is hem een genot door de menigte geschopt of vertreden te worden. Hij maakt zich tot aller dienaar, en is immer gereed elk bevel, door wien ook gegeven, te volvoeren; ontdekt hij onder de schare een of anderen schooier, zoo vuil en ellendig dat iedereen hem schuwt, dan zoekt hij dien verlatene op en groet hem als zijn meester. In den winter, als de sneeuw in dichte lagen den grond bedekt, slaapt hij op de binnenplaats in de open lucht; des zomers, als de hitte op het hoogst is geklommen, gaat hij blootshoofds in de zon liggen. Wie hem bespot, mishandelt, besteelt, is zijn vriend. Als alle lieden van zijn stand, is hij verzot op geld: maar juist dezen hartstocht maakt hij dienstbaar aan de loutering zijner ziel: hij vlecht korfjes van berkenschors, en verkoopt die, voor twee kopeks het stuk, aan matrozen en pelgrims; hij wikkelt het kopergeld in een vuillapje of stuk papier, en verbergt het hier of daar onder een steen, in de hoop dat iemand het zal zien en het geld zal wegnemen.
Uitnemender nog dan de gave der zelfopoffering, is de gave der wonderen, en ook deze beweert de zwarte geestelijkheid te bezitten. Hare wonderen behooren niet tot een ver verleden, maar tot de geschiedenis van den dag; zij geschieden niet in het verborgen, in een of anderen vergeten hoek, maar op klaarlichten dag, in groote steden, ten aanschouwe der gansche wereld. Ook hiervan een paar voorbeelden.
Seraphim, een koopman van Kursk, verliet zijne vrouw, zijne kinderen en zijn handel, en werd monnik. Hij trok naar het klooster, de Woestijn van Sarow genaamd, in het gouvernement van Tambow; daar groef hij een gat in den grond, waarin hij verblijf hield en overnachtte. Het gebeurde op zekeren tijd dat dieven hem overvielen; zij sloegen en mishandelden hem, maar bevindende dat hij niets bezat, begrepen zij dat zij met een heilige te doen hadden. Weldra ging nu het gerucht van hem heinde en verre uit; van alle kanten kwamen de geloovigen hem bezoeken, geschenken medebrengende van brood, kleederen en geld, die hij allen aannam, om ze vervolgens aan de armen uit te deelen. Zijne woestijn werd welhaast eene volkrijke plaats, en het klooster van Sarow werd door het gansche land beroemd.--Op tien mijlen afstands van zijne eigene kluis, stichtte Seraphim een tweede klooster voor vrouwen. Van een edelman ontving hij een stuk gronds ten geschenke; kooplieden gaven hem het noodige geld: want zijne gunst werd begeerlijker geacht dat het bezit van geld of goed. Schoone en aanzienlijke vrouwen kwamen hem bezoeken; zij namen haar intrek in het huis, dat hij voor haar had gesticht, en waar zij van de wereld afgezonderd konden leven, zonder zich door de kloostergelofte voor altijd te verbinden. Eindelijk gebeurde er een wonder. Eene lamp, die voor eene beeltenis der Heilige-Maagd hing, ging plotseling uit, terwijl Seraphim op den grond lag geknield; het werd duister in de kapel; de pelgrims voelden zich onthutst; toen eensklaps, tot verbazing van allen die het zagen, een lichtstraal van de schilderij uitgaande de lamp weder deed ontbranden!--Een tweede wonder volgde spoedig. Op zekeren dag stond eene schare armen voor Seraphim's cel; wachtende op brood. Hij zag zijn voorraad na, en bespeurde dat hij maar twee brooden had: wat zou hij met twee brooden aanvangen tegenover deze hongerige schare? Hij riep tot God--en zie, twintig brooden lagen op zijne tafel! Sedert ging er geen jaar voorbij, zonder dat er een of ander wonder te Sarow gebeurde; de voorbeelden van genezing waren talrijk; en voor zijne cel verdrongen zich kreupelen en blinden, dooven en stommen, om door hem verlost te worden van hunne kwalen.
Seraphim stierf in 1833; toch geschieden er nog voortdurend wonderen op zijn graf, tot op dezen dag. Reeds door het volk heilig geacht, wacht hij zijne plechtige canonisatie nog slechts van de kerk. Iedere nieuwe keizer maakt een heilige, zooals in Turkije iedere nieuwe sultan een moskee bouwt; en de publieke opinie wijst Seraphim aan als den man, die zijne heiligverklaring van Alexander III wacht.
Nog beroemder is Tikhon, weleer bisschop van Woronesj, thans een erkende heilige van de orthodoxe kerk: Tikhon is de officiëele heilige van de tegenwoordige regeering; hij dankt zijne canonisatie aan den regeerenden keizer.