Het Vrije Rusland De Aarde en haar Volken, 1873
Chapter 6
De hoogmis is afgeloopen; en langzaam stroomt de schare uit de kerk naar de lange galerij, waar wij nog even ons hart kunnen ophalen aan de schilderijen van hel en vagevuur, tot een monnik het etensuur aankondigt: eene aankondiging, ook den vroomsten pelgrim welkom. De eetzaal is een overwelfd vertrek of liever ruimte beneden de kathedraal, en zou in ieder ander land eene krypt worden genoemd. Maar bij het bouwen behoort men op het klimaat te letten. In Rusland kan, bij de groote afwisseling van hitte en koude, dezelfde kerk niet voor winter en zomer dienen: daarom zijn, althans in het noorden, de meeste heiligdommen in eene boven- en eene benedenkerk verdeeld; de bovenkerk wordt des zomers de benedenkerk des winters gebruikt. Onze eetzaal te Solowetsk is de winterkerk.
Langs de wanden en rondom de zware zuil, die het gewelf schraagt, zijn lange tafels geplaatst; op die tafels staat voor iederen gast een tinnen bord, waarin een houten lepel; een mes en een vork; nevens het bord ligt een roggebrood van een pond gewicht. De pelgrims eten in groepen van vier, evenals de monniken. In het midden van elke groep staat een kleine tinnen schotel, bevattende een in vier stukken gesneden gezouten sprot, en vier schijfjes rauwe uien; voorts krijgt iedere groep een koperen terrine met zure kwas, en een schotel gekookte stokvisch, in kleine mooten gesneden.--Een bel wordt geluid: wij rijzen allen op, maken zevenmaal het teeken des kruises, neigen ons ter aarde, en zetten ons weder neder. De voorzitter van elke groep strooit zout en peper in den schotel, en roert de soep om met den lepel, waarmede hij zijn kwas gebruikt. Weer luidt de bel: wij bedienen ons van de stokvisch. Een lezer plaatst zich voor den lessenaar, en leest de geschiedenis van een of anderen heilige, terwijl een knaap rondgaat met een korf met wit brood, door den priester gezegend en in stukken gebroken. Iedere pelgrim neemt daarvan een stuk, en eet dat, telkens het teeken des kruises makende, tot hij zijn brood genuttigd heeft.
Ten derdenmale klinkt de bel. Algemeene stilte; een zacht gemurmel van gebeden. Bedienden treden binnen; onze borden worden weggenomen, en een tweede gerecht aangedragen, bestaande uit groentensoep. Dit gerecht is spoedig gebruikt. Een nieuwe lezer gaat voor den lessenaar staan, en vervolgt de levensgeschiedenis van den heilige. Weer wordt er gebeld; op nieuw kruisen allen zich bij herhaling; de bedienden verschijnen, en ten tweeden male worden de tafels afgenomen.--Een nieuw gerecht wordt opgedragen: haringsoep; de visch, in de baai nabij het klooster gevangen, smaakt uitmuntend. Weer een lezer; weer een stuk levensgeschiedenis; en dan een vijfde gelui.
Het vierde en laatste gerecht verschijnt: eene soort van podding van gerstemeel, die met melk wordt gegeten. Weer een lezer; nogmaals een brok van eene heiligen-biographie; en dan een zesde bel. De pelgrims staan op; de lezer zwijgt en breekt midden in zijn verhaal af; onze maaltijd is gedaan. Toch nog niet geheel. Op nieuw scharen wij ons in het gelid; de vrouwen, die in eene andere kamer gegeten hebben, komen in de zaal terug, en te zamen heffen wij een psalm aan. Dan staan wij voor eenige oogenblikken, in stille overdenking, met gebogen hoofd, terwijl een pope aan iederen pelgrim een stuk gewijd brood uitreikt. Nogmaals klinkt het schelletje; de monniken heffen een danklied aan; een pope spreekt den zegen; en de aanzittenden gaan huns weegs, versterkt door het genot van brood en visch.
Het is nu ongeveer twaalf uur. De eerstvolgende kerkdienst begint eerst kwart voor vieren. Wij hebben dus al den tijd, en kunnen dien best besteden. Wij kunnen het klooster bezoeken; naar het heilige-meer wandelen; het graf van Sint-Filippus bezien; de graven der vroomste en beste monniken bezoeken; wij kunnen in de sakristie de priesterlijke gewaden en kostbaarheden gaan bewonderen. Of wel, wij kunnen in booten naar een der naburige eilanden varen: naar Zaet, waar twee oude monniken wonen, en eene talrijke kudde schapen in de weide graast; naar Muksalmi, waar ons het geloei van runderen en het gekakel en gekraai van gevogelte in de ooren klinkt. Deze eilanden voorzien het klooster van melk, en eieren: want op het heilige-eiland zelf mag, volgens den regel van Sint-Savatius, geen vrouwelijk schepsel verschijnen.
Precies te kwart voor vieren roept een klok ons weder naar de kerk: in de kathedraal van onze-lieve-vrouwe begint de vesper. Wederom knielen wij bij het graf en kussen den kouden steen, de draperiën, de ijzeren tralies; dan scharen wij ons weder voor het altaar en luisteren naar het gezang, dat door monniken en knapen wordt aangeheven. De dienst duurt tot half vijf. Na den afloop begeven wij ons naar de lange galerij, en beschouwen nog eens de zaligheden des hemels en de smarten der loutering. Vijf minuten voor zessen spoeden wij ons naar de kathedraal, waar de tweede vesper begint, en blijven daar staan, blootshoofds en sommigen ook barrevoets, tot half acht.
Te acht uur luidt de bel voor het avondmaal. Allen haasten zich aan die welkome uitnoodiging te voldoen; de monniken scharen zich in processie; de pelgrims volgen, en in plechtigen optocht begeven wij ons naar de krypt, waar wij, evenals bij het middagmaal, de lange tafels zien aangericht, met het pond roggebrood, de gezouten sprot, de in vier stukjes gesneden uien, en de koperen terrine met kwas. Onze avondmaaltijd is eenvoudig eene herhaling van het middagmaal: dezelfde gebeden, dezelfde buigingen en zegeningen met het teeken des kruises; ook het luiden der bel en het voorlezen van brokstukken uit de geschiedenis der heiligen ontbreekt niet. Het eenige onderscheid is, dat wij des avond geen gerstepodding met melk krijgen.
Als ieder naar genoegen gegeten heeft en de overgeschoten brokken zijn weggenomen, staan wij op, spreken een dankgebed uit, en heffen met de monniken den avondzang aan. Een pope spreekt den zegen, en wij zijn vrij om naar onze cellen te gaan. Een pelgrim, die lezen kan en goede boeken bij zich heeft, behoort echter, eer hij zich ter ruste begeeft, een psalm van David of een hoofdstuk uit de levens der heiligen te lezen. Te negen uur worden de kloosterpoorten gesloten; in den regel moet de pelgrim dan te bed zijn, om eenige uren te slapen.
Twee uren na middernacht gaat de monnik rond met de bel, en roept de slapende wakker, om de plichten van den nieuwen dag te vervullen.
IX.
BIDDEN EN WERKEN.
Op de heilige-eilanden wordt niet alleen gebeden, er wordt ook ijverig gewerkt. In dit klooster is geen enkele monnik, die een werkeloos leven leidt. Niet alleen de broeders, die geen popen zijn, maar ook zij, die den herdersstaf voeren en den pelgrims hun zegen geven, houden zich, althans voor het meerendeel, onledig met het vervaardigen van allerlei nuttige voorwerpen, van sieraden voor de kerk, van huisraad en meubelen voor den reefter en de cellen. Anderen vervaardigen voorwerpen, die buiten het klooster verkocht worden: kleederen, rozenkransen, lepels, schotels en dergelijke zaken.
Langs den binnenmuur loopt eene aaneengeschakelde reeks van werkplaatsen, waar de arbeid niet poost van den vroegen morgen tot den laten avond: smederijen, timmerwerven, weverijen, touwslagerijen, leerlooierijen, brouwerijen, melkerij, mandenmakerij; werkplaatsen voor het zouten van vleesch en visch, voor het inleggen van groenten en vruchten, enz.;--in één woord, alle bedrijven, die voor de menschelijke samenleving noodig en nuttig zijn, vindt ge hier bijeen; de goede monniken maken daarbij veelvuldig gebruik van de uitvindingen en hulpmiddelen der moderne industrie. Bij uitnemendheid bedreven in alle takken van handenarbeid, paren zij aan deze technische bekwaamheid zooveel smaak en zoo vindingrijk vernuft, dat ge bijna niets bedenken kunt wat niet door deze monniken wordt vervaardigd, van een eenvoudig snoer van glaskoralen tot een volledig opgetuigd fregat. Nergens wordt zoo fijn en voedzaam brood gebakken, nergens zulke voortreffelijke kwas gebrouwen. Terwijl vader Hilarion mij door deze werkplaatsen rondleidt, wachten mij telkens nieuwe verrassingen. Nooit had ik kunnen gelooven dat zulke fraaie, degelijke en tevens zoo hemelsbreed verschillende zaken inderdaad vervaardigd waren door monniken, in een eenzaam eiland als gevangen, en gedurende acht maanden van het jaar door sneeuwstormen en ijsschotsen van iedere gemeenschap met de buitenwereld afgesneden.
Deze geestelijke heeren vervaardigen kappen en gordels van zeehondenvel; zij schilderen met olieverf en snijden kunstig beeldwerk in hout; zij bereiden het leder, breien wollen kousen, en gieten en smeden ijzer; zij spinnen vlas en linnen; zij polijsten steenen; zij maken vilten schoenen en slobkousen, rijtuigen en sleden, touwen en kabels, tinnen en houten borden en schotels, en bloemen van papier; zij verstaan de kunst om vruchten in te leggen en om korfjes en mandjes te vlechten van de schors van den zilverden; zij zagen en houwen steenen; zij vellen en kappen boomen; zij smeden ankers en zoeken honing uit; zij teekenen plannen voor altaren, kerken, kloosters, en weten uitnemend met de borduurnaald om te gaan;--en al wat zij in deze zoozeer verschillende vakken leveren, is een model van zorgvuldige, smaakvolle, degelijke bewerking. Zijn er onder de broeders, die aanleg hebben voor het landbouwbedrijf, ook die kunnen gelegenheid vinden, hun talent te gebruiken: zij verzorgen het vee, scheren de schapen, mesten het gevogelte; zij maken boter en kaas: doch alleen op de eilanden, waar dergelijke bedrijven worden toegelaten. Anderen kweeken bloemen en poten aardappelen, verzorgen de bijenkorven, maaien het gras, zamelen de vruchten in, en verrichten alle bezigheden, die in veld en akker en gaarde noodig zijn.
Wij beginnen onze wandeling met de bakkerij, die wel de eer verdient van het eerste bezoek. Van alle omliggende dorpen langs de kust komt men herwaarts om brood; sommigen koppen, anderen bedelen het; iedere pelgrim, die Solowetsk bezoekt, neemt bij zijn vertrek een groot brood, als reisgave, mede. Er wordt hier tweeërlei brood gebakken: tarwe- en roggebrood. Het laatste, dat zeer goedkoop is, wordt bij iederen maaltijd gebruikt; het eerste, dat gewijd en zonder gist gebakken wordt, is duur: het is heilig brood, dat alleen bij zekere gelegenheden wordt gegeten. Beide soorten zijn overigens zeer goed. De gewijde brooden wegen slechts zeven of acht ons: zij zijn versierd met een kruis, in een opschrift met Slavische letters gevat. Deze brooden worden door de geloovigen met grooten eerbied behandeld; en de vrome pelgrim, die een klooster zoo als Solowetsk, Sint-George of Troïtza bezoekt, kan zijn vrienden of bloedverwanten met geen welkomer geschenk verrassen, als herinnering van zijne bedevaart, dan met zulk een brood.
De brouwerij is in hare soort niet minder voortreffelijk dan de bakkerij. De kwas vervangt voor den Rus de plaats van bier en wijn: het is de nationale drank, geliefd bij alle standen, en die bij de bereiding van bijna alle spijzen, bij genoegzaam alle maaltijden, gebruikt wordt. De kwas van Solowetsk behoort tot de beroemdste en meest gezochte soorten.
In de nabijheid bevinden zich de werkplaatsen, waar borden en lepels uit hout gesneden en beschilderd worden. De levenswijze in deze noordsche wildernissen is nog aartsvaderlijk eenvoudig; vorken zijn zeldzaam, en messen een artikel van weelde. Bij den maaltijd bedient men zich hoofdzakelijk van lepels. Bijna alle spijzen worden zacht gekookt of in vloeibaren staat op tafel gebracht: in het midden staat een diepe schotel, en de eenvoudige gasten scharen zich in het rond, ieder met zijn grooten lepel gewapend. Het bord en de lepel zijn van hout gesneden, en somwijlen sierlijk en met smaak bewerkt en beschilderd; de fraaisten worden door de pelgrims als een aandenken gekocht en zorgvuldig bewaard.
Ziehier eene andere industrie: de mandenmakerij. In de noordsche wouden is aardewerk schaarsch en duur, en daarbij lomp en ruw. De lieden dezer streek moeten dikwijls lange voetreizen maken: het zou bezwaarlijk vallen, zich op die tochten met eenige potten en pannen te belasten. In plaats daarvan heeft men manden en korfjes, die van boomschors worden gevlochten, lichter zijn dan kurk en gemakkelijker te vervoeren dan tinnen kannen of schotels. Zij worden met een deksel gesloten, en zijn van een hengsel voorzien. Die korfjes zijn volkomen droog en zoo dicht, dat men er zelfs melk in vervoeren kan; toch hebben zij den aangenamen, harsachtigen geur behouden van van het hout, waarvan zij vervaardigd zijn. Gij kunt ze van alle afmetingen krijgen, van de grootte van een peperbus tot die van een waterkruik; zij kosten slechts eenige kopeks het dozijn.
De eigenlijke manden zijn grooter en minder fijn bewerkt; zij zijn bestemd voor tochten over hobbelige rotsachtige wegen of door moerassen. Deze manden zijn in vakken verdeeld, waarin ge wijnflesschen, lepels en vorken bergen kunt. Moet ge eene lange reis maken, dan is het raadzaam, in het open middenvak van uw mand eenige korfjes van boomschors mede te nemen, waarin ge kleine benoodigdheden, zooals mosterd, zout, room en dergelijke bergen kunt.
Onder de veelsoortige werkplaatsen, die wij bezoeken, behoort ook de weverij, in een der torens van den buitenmuur: een toren, die niet alleen de bijzondere aandacht verdient om de uitnemendheid van het werk, dat hier vervaardigd wordt, maar ook om de belangrijke rol, die hij gespeeld heeft bij de verdediging van Solowetsk tegen de engelsche vloot. Het kanonschot, dat, naar men zegt, de Brisk tot wijken dwong, werd uit den Weverstoren afgevuurd.
In een zonnig hoekje boven op den wal staat een sierlijk photographisch atelier; in de onmiddellijke nabijheid ziet ge eene reeks nieuwe gebouwen, waarin de werkplaatsen der schilders en graveurs, die echter geene andere dan uitsluitend kerkelijke kunst beoefenen. Sommigen doen niets meer dan werken van andere meesters kopiëeren; maar ook de meest begaafden onder hen overschrijden toch nooit de conventioneele grenzen, door de kerkelijke traditie gesteld. De kunst verkeert hier nog in het stadium harer ontwikkeling: zij staat nog geheel en al onder de heerschappij dier starre, levenlooze byzantijnsche school, waarvan de patriarch Nikon een zoo groot voorstander was, en die hij, voor de versiering van kloosters en kerken, tot wet en regel stelde.
Maar de vrome vaders troosten zich over deze tekortkomingen: hunne grootste kracht openbaart zich op een ander gebied: dat van den scheepsbouw en wat daarmede samenhangt. Zij zijn, en met recht, trotsch op hetgeen zij daarin tot stand hebben gebracht. Velen van hen brengen het grootste gedeelte van hun leven aan boord door, en zijn met hartstochtelijke liefde aan de zoute zee gehecht. Zij bezitten een aantal booten en scheepstuig in overvloed, dat zij zelf vervaardigen. Zij richten vuurtorens op, en bakenen het vaarwater af; zij timmeren booten en sloepen, en hebben het bewijs geleverd, dat op de werven van Solowetsk een stoomschip in al zijne deelen volledig kan worden gebouwd, alleen de machine uitgezonderd. Dit stoomschip heet de Hoop. Zijne bemanning bestaat hoofdzakelijk uit monniken; en de gezagvoerder is niet alleen monnik--zooals vader Johannes--maar zelfs pope. Toen ik dezen priesterlijken schipper voor het eerst zag, bediende hij de mis voor het altaar. Na afloop van de dienst nam de eerwaarde vader mij mede, om mij zijn schip en het dok, waarin het vaartuig lag, te laten zien. Met levendige belangstelling bezocht ik de Hoop, merkwaardiger in mijn oog, dan bijkans eenig ander schip. Is toch niet eene stoomboot, door monniken aan de kusten der IJszee gebouwd, in hare soort eene even groote zeldzaamheid als de toren der Lieve-Vrouwekerk in Antwerpen of de Dom te Keulen? De gedachte om dat stoomschip te bouwen was in het brein van een monnik opgerezen; het plan was door de hand van een monnik geteekend; monniken velden de boomen, en smeedden de bouten, en vlochten de touwen; monniken voegden al deze deelen samen; monniken tuigden het vaartuig op, beschilderden de kajuit en bekleedden de kussens der banken. Monniken lieten haar te water, en hebben sedert met hunne eigene boot de wilde wateren der Witte-zee doorkruist en de stormen getart.
Het dok, waarop vader Johannes zoo fier was, is niet maar een gewoon dok, maar zelfs een droog dok. Dergelijke werken zijn in Rusland eene groote zeldzaamheid, in het geheele rijk zijn er maar enkele havens, die een dok bezitten. Noch te Archangel, noch te Astrakhan zult ge er een vinden. Alleen in steden zooals Riga en Odessa, door vreemdelingen gebouwd en bewoond, treft ge dergelijke werken van openbaar nut aan. Het drooge dok te Solowetsk is het eenige in geheel het eigenlijke Rusland. Kronstadt--het is waar--bezit een droog dok: maar Kronstadt is minder een russische, dan wel een duitsche haven, met een duitschen naam. Het eenige werk van dien aard op echt-russischen grond is--karakteristiek genoeg--eene schepping van monniken.
Niet enkel gewone kloosterlingen, ook priesters nemen aan al dezen arbeid deel. Wanneer een monnik de wijding ontvangen heeft, staat het hem volkomen vrij, zich uitsluitend tot de dienst der kerk te bepalen: maar in het klooster van Solowetsk is het eene zeldzaamheid, dat een pope alleen de plichten van zijn ambt waarneemt. Arbeidzaamheid is hier het merk van een waarlijk godsdienstig leven. Toont een der broederen bijzonderen aanleg voor een of ander bedrijf of kunst te bezitten, dan vindt hij zoowel bij zijne geestelijke overheid als bij zijne medebroeders alle aanmoediging om zijne roeping te volgen, en de vruchten van zijn arbeid Gode te wijden. De eene pope is landbouwer; een ander schilder; een derde visscher; deze zoekt geneeskundige kruiden; die kopiëert oude handschriften een derde bindt boeken in, enz.
Van al deze beroepen is dat van onderwijzer niet het minst begeerlijke. De kinderen, die te Solowetsk ter school worden gezonden, blijven er minstens een jaar, en somwijlen langer. De inrichting der school is hoogst eenvoudig, en het onderwijs bepaalt zich tot het volstrekt noodige: trouwens de school is ook hier een getrouw beeld van den toestand des lands; voedsel en ligging verschillen niet veel van hetgeen ge in iedere isba (boerenwoning) vinden kunt. Wanneer een knaap, na verloop van zijn leertijd, in het klooster wenscht te blijven, kan hij zich als werkman verhuren, hetzij op de landhoeven of bij de visscherij. In den zomer ontvangt hij het voedsel der monniken: brood, visch en kaas; des winters krijgt hij gerookt schapenvleesch--eene lekkernij, waarvan zijne meesters niet proeven mogen. Velen van deze knapen blijven hun leven lang op het eiland; zij mogen niet huwen, maar zijn daarentegen van kost en inwoning verzekerd, vrij van de militaire dienst en van alle huiselijke zorgen. Enkelen treden in den geestelijken stand. Keeren zij later in de wereld terug, dan strekt hun verleden hun tot aanbeveling voor het verkrijgen van eene of andere betrekking; in ieder geval weten zij hun eigen weg te vinden, want een jonkman, die eenige jaren te Solowetsk heeft doorgebracht, heeft niet alleen geleerd zich zelven te helpen, zijn eigen eten te bereiden en zijne kleederen te maken, maar verstaat ook altijd een of meer ambachten, waarmede hij den kost verdienen kan.
X.
DE ZWARTE GEESTELIJKHEID.
Bijna alle Russen van aanzienlijken of beschaafden stand zien met verachting neder op hunne ordens-geestelijken, op de zoogenaamde Zwarte geestelijkheid, aldus genoemd naar de kleur van hun gewaad. Zij beschouwen de kloosterlingen in het algemeen als een hoop onbeschaafde lieden, als onwetende, zedelooze leegloopers, die tot niets dienstig zijn, en die, hoe eer hoe beter, behooren opgeruimd te worden. "Weg met de monniken en kloosters!" is het wachtwoord van verreweg de meeste jonge vrijzinnige Russen.
En zij die aldus spreken, zijn niet altijd spotters en ongeloovigen, verklaarde vijanden van iedere godsdienstige overtuiging, van elke geestelijke of kerkelijke instelling. Neen, zeer dikwijls zijn het ernstige mannen, die hunne kerk liefhebben, den priester hunner parochie gaarne ondersteunen, en die niets liever wenschen dan hun vaderland den eersten rang onder de christelijke mogendheden te zien innemen. In Rusland, zeggen zij, leven tienduizend monniken: eene overtollige, om niet te zeggen schadelijke bevolking; het beste wat men zou kunnen doen; is, er soldaten van te maken, opdat zij ten minste het land van eenig nut zijn.
Deze niet altijd billijke vijandschap der beschaafde klassen tegen de kloosterlingen vindt eenigermate hare verklaring in den hardnekkigen tegenstand, dien schier te allen tijde iedere maatregel tot hervorming, hetzij op staatkundig, hetzij op kerkelijk gebied, bij de monniken heeft ontmoet. Om zich van deze stemming der gemoederen en den aard der bestaande spanning volledig rekenschap te kunnen geven, is het noodig den omvang en den oorsprong van de macht der monniken van naderbij te bestudeeren. De afdwaling van ons eigenlijk onderwerp zal slechts schijnbaar zijn: onze studie zelf zal ons naar Solowetsk terugvoeren.
Een woestijn met kloosters bezaaid;--de naam zou niet slecht passen voor de gansche onmetelijke landstreek, die van de Poolzee tot de tartaarsche steppen reikt. Voor Nieuw-Rusland, voor de gouvernementen van Kazan en de Krim, voor de streken langs de Beneden-Wolga en voor Siberië, ware deze beschrijving onjuist: maar het eigenlijke Groot-Rusland is voor de monniken een waar paradijs. Van Kem aan den oever der Witte-zee tot Bjelgorod aan de grenzen der Ukraine,--een afstand van omstreeks duizend (engelsche) mijlen;--en van Pskow, nabij het meer Peïpus, tot Wassil aan de Wolga--een afstand van ongeveer zevenhonderd mijlen--is het gansche land als overdekt met kloosters, klinkt u overal het welluidend klokgelui tegen.
Ge kunt u moeilijk iets treurigers en naargeestigers denken dan een russisch woud, tenzij dan eene russische vlakte. Het woud is eene opeenvolging van dwergachtige berken en pijnen; de boomen zijn allen genoegzaam even hoog en even dik; de eentonige donkere lijn wordt slechts nu en dan afgebroken door een stinkend moeras of een vaalkleurig, levenloos meer. De vlakte is eene onafzienbare hei, zonder eene enkele verheffing van den grond, zonder een enkelen boom, zonder eene enkele stad, op eene uitgestrektheid van misschien honderd mijlen; eene naakte hei, met schraal, armelijk, bruin gras begroeid; en hier en daar met eene verzameling van ellendige leemen hutten, in modder en slijk verzonken, waaraan de naam van dorp kwalijk voegt. De schrikkelijke eenvormigheid van zoodanig landschap ware niet uit te houden, indien niet telkens het oog van den reiziger geboeid, zijn hart verkwikt werd, door het gezicht van een klooster, dat op een open plek in het woud, aan den zoom der eenzame vlakte, zijn stralend kruis en schitterend bemaalde torens ten hemel heft; een klooster met zijn krans van groen, zijn wit-gepleisterden voorgevel, zijn groep van vergulde of beschilderde koepels. De wouden rondom Kargopol, de moerassen langs het meer Ilmen, de vlakke velden rondom Moskou, danken aan de kloosters kleur en leven; terwijl zoo menig kleiner convent, wegduikende in de schemerende diepte des wouds, of den eenzamen rivieroever verlevendigende, met vroolijken ernst den reiziger groet.