Het Vrije Rusland De Aarde en haar Volken, 1873

Chapter 4

Chapter 43,781 wordsPublic domain

Zoo ge van Kem oostwaarts uwe blikken over de zee laat dwalen, ziet ge uit de donkergrijze wateren een groep hooge en boschrijke eilanden verrijzen, die, vooral in de vroege morgenuren, als met een waas van tooverachtige schoonheid omgeven zijn, en met onwederstaanbare macht u tot zich schijnen te trekken. In dit noordsche paradijs zijn alle dalen en valleien met frisch en weelderig gras bekleed, prijken alle hoogten met eene kerk met gekleurden koepel en verguld kruis: dat is de eilandengroep van Solowetsk; en onze jonge kweekeling trok er menigmalen ter bedevaart heen. De flikkerende lichten, de statig zwellende muziek, het ernstig koorgezang, de rijke versieringen van den tempel: dit alles maakte een diepen indruk op zijne levendige, prikkelbare verbeelding; de herinnering aan het kalme, vreedzame kloosterleven, met zijn rustigen arbeid en voegzamen overvloed, week niet meer uit zijne ziel.

Hij kwam met glans door zijne examens, en ging naar Archangel, waar hij een weinig stichtelijk leven leidde; toen knoopte hij kennis aan met eenige duitsche matrozen van de Oostzee, wier gezelschap hem zoogoed beviel, dat de vurige begeerte bij hem opkwam, met hen mede te gaan en vreemde landen te zien. Maar daartegen bestond een groot bezwaar. Er was gebrek aan matrozen in de russische havens; keizer Nikolaas had al zijne zeelieden naar de kusten der Zwarte-zee gezonden; en een russisch onderdaan mocht niet, zonder uitdrukkelijke vergunning van de politie, zijn land verlaten. Iwan wist nu zeer goed, dat hem die vergunning zou geweigerd worden. Toen dus het duitsche schip op het punt stond van te vertrekken, sloop hij 's nachts heimelijk aan boord, en kwam gelukkig de haven uit, zonder ontdekt te zijn.

Hij deed nu met dit schip, waar hij onder een anderen naam op de rol was ingeschreven, verschillende reizen naar de duitsche en deensche kusten, en somwijlen ook naar Engeland en Schotland, en vereenzelvigde zich geheel met zijne makkers, in wier vroolijk en onbekommerd leven hij deelde. Maar noch de verstrooiingen der havensteden, noch de gesprekken van zijne luchthartige gezellen vermochten bij hem de herinneringen uit te wisschen aan de vermaningen van zijn vader of de lessen van zijn pope. Gelijk de Zwitser met heimwee aan zijne bergen denkt, gelijk het hart van den fellah smacht naar den Nijl, zoo verzuchtte Iwan in stilte naar zijne kerk, naar de vertroostingen zijner godsdienst. Maar wat kon hij doen? De gedachte alleen aan een terugkeer naar Kem joeg hem de schrik op het lijf: hij wist dat de knoet, de kerker, de dwangarbeid in de mijnen hem in zijn vaderland wachtten.

In den nood en de benauwdheid zijns harten sprak hij enkele malen met zijne makkers over hunne godsdienst: sommigen lachten hem uit; anderen wierpen hem scheldwoorden of verwenschingen naar het hoofd. Op zekeren dag echter, dat hij zich aan wal bevond, bracht een oude zeeman hem naar een katholiek priester. Iwan ontving nu iederen morgen, gedurende vijf of tien minuten, onderricht in den roomschen catechismus: maar weldra kwamen allerlei twijfelingen bij hem op, en toen hij weder moest uitvaren, had hij nog niet gevonden wat hij zoo vurig zocht. In den levant, waar heen hij nu ging, ontmoette hij allerlei belijdenissen en kerkgenootschappen: maar hoewel hij met de aanhangers van die allen in aanraking kwam, kon geen enkele zijn hart geheel bevredigen. Toch wenschte hij zoo vurig een ander en beter mensch te worden; toch dorstte zijne ziel naar hooger leven.

Zoo gingen jaren voorbij: een paar malen ontkwam hij te nauwernood aan den dood in de golven, die zijn schip hadden verbrijzeld. De ernstige ervaringen van zijn onrustig leven, de doorgestane gevaren verlevendigden nog maar te meer zijne behoefte aan geloof en gemeenschap met God: vermoeid van twijfelingen en vragen, zag hij met stillen weemoed en smachtend verlangen terug naar het dierbare geloof zijner gelukkige kinderjaren. Maar aan die kerk was hij vreemd geworden: hoe zou hij tot haar wederkeeren?

Terwijl hij door deze gedachten en begeerten geslingerd werd, bood zich onverwacht eene gelegenheid voor hem aan, om naar zijn vaderland terug te keeren. Het duitsche schip, waarop hij diende, werd naar Archangel bevracht; en daar Iwan de eenige Rus aan boord was, kon hij den kapitein van groote dienst zijn. Deze tijding bracht hem in groote spanning. Hij brandde van begeerte om naar zijn vaderland terug te keeren, op de graven zijner vereerde heiligen te knielen, aan zijne moeder eene kleine geldsom ter hand te stellen, die hij voor haar had opgespaard; maar er waren reeds twaalf jaren verloopen, sedert hij eigenmachtig, zonder vergunning, Rusland verlaten had: en hij wist, dat op dit misdrijf verbanning naar Siberië stond. De vrees overwon: hij zeide tegen den kapitein dat hij den tocht niet mede zou maken, maar zijn ontslag nam.

Doch de kapitein was een man, die zijne zaken verstond, en zich niet aldus liet afschepen. Hij was den jonkman ongeveer zevenhonderd gulden schuldig; hij zeide nu, dat hij geen geld had en dus niet met hem kon afrekenen; wilde Iwan medegaan naar Archangel, waar de kapitein bij de aflevering zijner lading, eene aanzienlijke som moest ontvangen, dan zou hij hem daar betalen. Een russisch spreekwoord zegt, dat het geld gaarne geteld wil wezen: en als Iwan zijne leege zakken nazag, kwam hij tot de overtuiging, dat het toch maar beter was, naar Archangel te gaan en zijne gage te ontvangen, in de hoop dat hij wel een of ander middel zou vinden, om zich uit zijne valsche en gevaarlijke positie te redden.

Daar hij zijn baard had afgeschoren en een valschen naam droeg, zou hij Archangel ook zeker weder hebben kunnen verlaten, zonder ontdekt te worden, indien hij zich, den avond vóór zijn vertrek, niet door eenige duitsche matrozen had laten verlokken om naar eene herberg te gaan. Twaalf jaren onthouding hadden hem de kracht van den vodka doen vergeten: hij dronk te veel; en toen hij den volgenden morgen uit zijn roes ontwaakte, waren zijne kameraden vertrokken en had het schip de haven verlaten. Wat nu te doen? Vervoegde hij zich bij den duitschen consul, dan zou hij als deserteur beschouwd en gestraft worden; wendde hij zich tot de russische overheid, stond hem dan niet de knoet te wachten? In zijne verslagenheid dwaalde hij door Archangel, berouw gevoelende over zijne terugkomst, toen hij een zijner vroegere makkers van de kweekschool ontmoette, Jakob Kollownoff, die goede zaken gemaakt had, en nu eigenaar was van een klein schip, waarmede hij verre en gevaarlijke tochten ondernam. De volgende week zou hij naar Spitsbergen onder zeil gaan om kabeljauw te vangen, die hij aan boord inzoutte en naar de markt te Kronstadt bracht. Kollownoff kende Iwan als een man van karakter en moed, en een uitmuntend zeeman: hij maakte volstrekt geen bezwaar om hem bij zich aan boord te nemen. De vangst slaagde boven verwachting, en het vaartuig bereikte gelukkig de haven van Kronstadt; maar de volgende reis was minder voorspoedig: het schip stootte op een klip, en de bemanning redde niet dan met moeite het leven. Nu van alles ontbloot, stond bij Iwan het besluit vast, om het zeeleven vaarwel te zeggen en naar Rusland terug te keeren, wat hem daar dan ook wachten mocht.

Hij ging met Jakob Kollownoff naar Kem, en werd, daar zijne papieren niet in orde waren door de politie gearresteerd en in de gevangenis geworpen, waar hij twaalf maanden doorbracht, zonder verhoord te worden. Eindelijk werd hij naar Archangel gevoerd, om daar, zooals men hem zeide, met tweejarigen dwangarbeid in het fort te worden gestraft. Maar dit bleek een ijdel dreigement: want te Archangel werd hij op nieuw ondervraagd en in vrijheid gesteld.

Zoo was hij dan in zijn vaderland en vrij. Nu verrees weder voor zijn geest het heerlijk visioen der Heilige-eilanden, stralende van goud, van lichtglans en groen, een paradijs van vrede en geluk. Hij had het woelige leven der wereld geproefd: zijn hart smachtte naar rust. Hij wilde monnik worden te Solowetsk.

De gelegenheid was hem gunstig: een goed matroos was voor het klooster zeer gewenscht. Men had juist te Glasgow eene stoomboot gekocht, om de pelgrims over te voeren; dadelijk na de aankomst der boot in de haven te Archangel, had de archimandriet van Solowetsk de engelsche bemanning weggezonden en zelf met zijne monniken handen aan het werk geslagen. Maar de brave mannen konden met dit werk niet best overweg; ook voelden zij zich op dit vreemde vaartuig volstrekt niet op hun gemak: weldra werd de schotsche ingenieur terug geroepen. Echter legden de monniken zich ijverig op de behandeling van schip en machine en op de stuurmanskunst toe; zij wonnen raad en voorlichting bij hunne landgenooten in; namen enkele gelukkige proeven, en brachten het eindelijk zoover, dat zij vreemde hulp konden ontberen. De rollen werden verdeeld: een priester werd tot gezagvoerder benoemd; monniken deden dienst als matrozen, fungeerden als hofmeester en zorgden voor de machine. Toch, hoewel de zaak nu tamelijk goed ging, was iemand als Iwan, op dat oogenblik, voor het klooster een waar godsgeschenk: want de reis naar Solowetsk is juist niet een pleiziertochtje; en de vroomste pelgrim, ja, de archimandriet zelf, vindt het wel zoo geruststellend, als hij op de Witte-zee dobbert, dat de bescherming der heiligen hem zichtbaar verleend wordt door tusschenkomst van een kloek en ervaren zeeman. Zoo werd de zwerveling met open armen in het klooster ontvangen; maar vader Johannes heeft nog de oude liefde van Iwan voor de zee niet verloochend.

Eene dame, die met de landstreek bekend is, heeft de vriendelijkheid gehad mij te voorzien van al datgene, waaraan een kloostercel, vooral te Solowetsk, in den regel behoefte heeft: heerlijke thee, een ossentong, versche boter, kaas, biefstuk, tarwebrood, kussens en dekens. Met dezen schat bij mij, toog ik naar de kaai der pelgrims en naar het hoogst eenvoudige havenhoofd, het eenige dat Archangel bezit, waar de reizigers over een plank van en naar boord moeten gaan.

Het sierlijke vaartuig ligt op ons te wachten; de bazaanmast prijkt met een gouden kruis; aan den grooten mast wappert een kerkelijke banier. Op den voorsteven prijkt zijn naam, Verra, in zeer groote gouden letters. Vader Johannes staat op het dek, en geeft met zachte stem zijne bevelen aan de officieren en matrozen, die voor het meerendeel monniken zijn; de luitenant, de hofmeester, de kok, de machinist, allen dragen de monnikspij.

Op de kaai der pelgrims, die door poorten van de straat gescheiden en zeer onregelmatig met houtspaanders geplaveid is, verheft zich een geheel nieuwe groep van kloostergebouwen: kapellen, cellen, magazijnen, kantoren, winkels, slaapzalen: in één woord, een nieuw tweede pelgrimshof. Sedert de stoombooten niet meer tot het oude pelgrimshof, in de bovenstad, kunnen doorvaren, hebben de vrome vaders, zich schikkende naar de eischen van den tijd, nabij den oever der rivier nieuwe gebouwen ten dienste der bedevaartgangers opgericht.

Eene dichte schaar van mannen en vrouwen, pelgrims, landloopers, soldaten, houdt de toegangen naar den aanlegsteiger bezet; de grond is rondom bedekt met manden en korven, samovars, kooktoestellen, bedden en dekens, gedroogde visschen, laarzen, oude mantels en pelsjassen, doozen met zout, roggebrood, enz. Te midden der groepen bewegen zich, met rustigen tred en een weemoedige uitdrukking op hun zachtzinnig gelaat, vijf of zes monniken; zij helpen hier een kind aan boord stijgen, bezorgen ginds een armen schooier vrijen overtocht, koopen een brood voor een armen kreupele: in één woord, zij zijn overal bezig, om waar zij kunnen de ongelukkigen en behoeftigen onder de schare te helpen. Hoewel het jaargetijde reeds vrij ver gevorderd is, staan toch nog ongeveer tweehonderd pelgrims op de kaai gereed, in de hoop van naar de heilige eilanden te kunnen oversteken. De meesten hebben geld genoeg om hun overtocht te kunnen betalen; sommigen zelfs zijn rijk. Van deze laatsten zijn er eenigen die te Archangel wonen, maar die, in Juni te zeer door hunne zaken bezig gehouden, het stille seizoen afwachten om den pelgrimstocht te volbrengen. Ieder passagier is voorzien van eene mand met brood en visch, een theedoos, een warmen deken, en een paar groote vilten slopkousen, die men 's nachts over zijne laarzen aantrekt. Deze bedevaartgangers houden den traditioneelen staf in de hand; maar in de plaats van een lederen gordel en drinkflesch, hebben zij een samovar (bouilloir) en een beker.

De prijs der plaatsen is zeer laag: in de eerste klasse zes roebels (ongeveer negen gulden); in de tweede vier roebels; in de derde drie roebels. Hieronder is niet alleen de heen- en terugreis begrepen, maar ook het logies in de herberg van het klooster en het eten aan de algemeene tafel, gedurende ongeveer een week. Een vijftiental pelgrims hebben geen cent op zak: zullen zij op de kaai achterblijven? Neen: Vader Johannes heeft tot vasten stelregel, aan niemand den overtocht te weigeren.

De bel wordt geluid, de plank ingehaald; wij zijn op weg. Op het oogenblik dat wij afvaren, neigen zich honderd hoofden, maken honderd handen het teeken des kruises: iedere pelgrim beveelt zich biddend aan Gods bescherming. Zoo dikwerf wij langs eene kerk varen, maken allen weder het teeken des kruises, ontblooten het hoofd, en prevelen een gebed. Sommigen knielen op het dek; anderen kussen het tuig. De mannen vooral leggen een grooten ijver, eene vurige vroomheid aan den dag; de vrouwen zijn over het algemeen kalmer. De bemanning der visschersbooten groet ons eerbiedig in het voorbijvaren; somwijlen knielen zij, altijd maken zij het teeken des kruises en nemen de muts af. Meer dan één visscher vraagt om voor hem te bidden.

De verdeeling der passagiers aan boord is zeer eenvoudig. Een enkele heeft eene plaats genomen voor de eerste klasse: hij heeft dus de geheele kajuit tot zijne beschikking. Een scheepskapitein en zijne vrouw maken te samen het personeel uit der tweede klasse: dit waardig echtpaar heeft lange jaren op zee gezworven en goede zaken gemaakt; zij gaan nu te Kem van hunne renten leven. Al de andere bedevaartgangers, rijken en armen, kreupelen en blinden, kooplieden en bedelaars, kwakzalvers en heiligen, zijn op het dek en in de voorkajuit vergaderd. Eene zonderlinge karakteristieke groep, waaronder een schilder kostelijke typen zou kunnen vinden voor een Sint-Dominicus of een Johannes den Dooper. Hun kostuum en hunne taal bewijzen dat zij uit alle deelen van het groote rijk afkomstig zijn: uit Ukraine en Georgië, van het Oeral-gebergte en de Krim, van de golf van Finland en de kusten der Gele-zee. Er zijn er onder hen, die om Archangel te bereiken, meer dan een jaar lang hebben gereisd, dwars door de kille sneeuwvelden van den winter, door de brandende zandvlakten van den zomer.

Sommigen van deze pelgrims, zelfs onder de meest haveloozen, brengen voor het klooster eene gave mede, die niet verwerpelijk is. Allen storten hunne offerande in de bus, ieder naar de mate van zijn vermogen. Zeervelen brengen bovendien geschenken mede van vrienden of buren, die zelf verhinderd waren om de dikwijls lange en gevaarlijke reize te ondernemen.

Wij zijn tot den mond der rivier genaderd; de scherpe noord-westenwind dringt verstijvend door merg en been. In een dikken en zwaren mantel gewikkeld, staat Vader Johannes op het dek, met kalme zekerheid den gang van zijn schip besturende. Zijne monniken tarten den al feller en feller woedenden wind, door een aanheffen van een psalm, waarmede pelgrims en soldaten aanstonds instemmen. De passagier van de eerste klasse waagt zich een oogenblik op het dek, trots ijzel en killen regen: want dit gezang, te midden van het gehuil van den wind en het loeien der golven, is voor hem iets vreemds, dat hij nog nooit op zee heeft gehoord. Velen van deze zangers zijn in het vooronder, ingesloten tusschen zakken met rogge en vaten met vet; enkelen lijden vreeselijk aan de zeeziekte: toch mengen verreweg de meesten, met ten hemel geheven blikken en van aandoening trillende stem, zich in het statige koraal, dat met volle, indrukwekkende tonen voortrolt over de duistere, kokende zee. Zij zingen het avondlied: nu de zon ter kimme daalt, verheffen zij, naar vrome gewoonte, hunne harten tot hunnen Schepper en brengen hem hunne eerbiedige hulde.

De volgende morgen brak aan in duisternis. Iemand verkondigt op het dek, dat de zon is opgegaan: maar niemand kan haar zien, want een dikke nevel omgeeft aan alle zijden de boot; wij vernemen niets dan het klagend huilen van den wind en het kletteren van den regen. De Verra moet tegen den middag in de baai van Solowetsk zijn; maar reeds vroeg in den morgen deelt Vader Johannes mij in vertrouwen mede, dat hij blijde zal zijn, als wij voor vijf uur in de haven komen.

En ook dit uur is reeds lang voorbij, en nog zijn wij niet aan de Heilige-eilanden.

Met het zoeken naar eene geschikte ankerplaats langs de kust, verloopen nog twee uren; en ik zie met genoegen dat Vader Johannes hoegenaamd geen bedenking heeft tegen het gebruik van het dieplood. Eindelijk is de geschikte plek gevonden: het anker wordt uitgeworpen; en nu, door de heftige branding op en neder gewiegeld, maar veilig voor de stormvlagen, liggen wij, in acht vademen diepte, op een kwart kilometer van de kust.

Het was een ruwe akelige nacht. De stormwind gierde en bulderde met toomeloos geweld; het schip slingerde en danste op de golven. Gelukkig dat de bedachtzame pelgrims, nog voor wij in volle zee staken, hun maal hadden gebruikt.

Op korten afstand van ons wordt een hollandsche klipper op het strand geworpen: de lading is verloren, maar de bemanning wordt gelukkig gered. Twee russische sloepen worden voor onze oogen verbrijzeld; een daarvan gaat met allen die er in zijn te gronde.

Tegen den morgen gaat de wind eindelijk liggen; in het noordoosten kleurt zich de hemel, en in den zachten glans van den rozekleurigen dageraad doemen in de verte de groene koepels en de vergulde kruisen van het eiland Solowetsk voor onze blikken op. Dit gezicht vervult aller hart met blijdschap; de pelgrims, die een tocht van drie- of vierhonderd kilometer hebben afgelegd om deze heilige tinnen te aanschouwen, kunnen ze nauw met inniger verrukking groeten dan de vreemdeling, wien louter nieuwsgierigheid hier henendreef.

Terwijl allen, met vurigen ijver, hunne gebeden opzeggen, varen wij langs eene schilderachtige kust, beurtelings met rotspartijen en groene dalen geschakeerd, tot wij een kanaal inloopen, waar zeehonden dartelen en duiven vliegen. Eindelijk, op een schoonen, kalmen Augustusmorgen, te acht uur, werpt de Verra het anker uit in eene stille baai, onder de muren van het klooster.

VII.

DE HEILIGE-EILANDEN.

Solowetsk, het voornaamste van eene groep eilanden, op eenigen afstand van de kust van Karelië gelegen, is slechts eene kleine bloeiende plek gronds, tusschen de drie en vier mijlen lang, en twee tot drie mijlen breed. De hevige golfslag in deze bijna altijd door stormen bewogen zee heeft de uit veen en steenachtige lagen gevormde kust sterk aangetast, en eene menigte kreeken en inhammen gevormd; in het midden van het eiland is het water van weêrszijde zoover landwaarts ingedrongen, dat niet meer dan eene smalle strook overblijft, waarop het klooster is gebouwd.

Het Heilige-eiland ligt juist onder den zes-en-zestigsten graad noorderbreedte, iets noordelijker dan Watna Jökull. De vele, in het rond verspreidde, kleinere eilanden der groep leveren een schilderachtigen aanblik op; de schuimende golven der wilde zee, met bulderend gerucht op de rotsen brekende; de met donkergroene mossen begroeide stranden, waarboven zich de ernstig sombere pijn- en berkenbosschen verheffen; de grillig gevormde, ver in zee uitstekende kapen; de bochtige inhammen, waar het onstuimige water tot rust komt; de gele duinen en tamelijk hooge, met bosschen bedekte heuvelen:--dit alles te zamen vormt een landschap van onbetwistbare romantische schoonheid. Op elken heuvel troont eene witte kerk, die haar groenen, met een verguld kruis versierden koepel boven het geboomte verheft. Het land, de lucht en de zee, alles is in harmonie, boeit en bekoort u; het geheele tafereel laat een onuitwischbaren indruk achter, dubbel aangrijpend voor ons, na den doorworstelden bangen stormnacht.

Terwijl wij, na aan land gestapt te zijn, langs de kaai voortwandelen, merken wij met genoegen overal de teekenen van leven en welvaart en beweging op. Lappen, Russen, Samojeden, lieden van allerlei nationaliteit en afkomst, loopen op de kaaien heen en weder: Solowetsk is niet alleen een gewijd oord, een soort van toovereiland, maar ook een brandpunt van beschaving. De aanlegplaats is ruim, de haven gemakkelijk en doelmatig ingericht. Aan onze rechterhand zien wij het dok, waarvan Vader Johannes met zoo billijken trots heeft gesproken. De Hoop, die eigenlijk voor het vervoer der pelgrims is bestemd, en daar ook veel beter voor geschikt is dan de Verra, waarmede wij den overtocht gedaan hebben, ligt daar onttakeld.--Ter linkerhand verrijst het logement voor de vreemde gasten: een smaakvol, bevallig, sierlijk gebouw, dat gerust de vergelijking zou kunnen doorstaan met de fraaiste hotels aan de italiaansche meren. Verderop zien wij nog een paar kranen, en een paardenspoor, dat van de haven naar een groot magazijn van koopwaren loopt.

Langs de kaai strekt zich een lange muur uit, met poorten en torens voorzien. Achter dien muur verrijzen de gebouwen van het klooster, met het paleis, en de vele koepels en vergulde kruisen. Een breede trap, waarvan de onderste treden door de golven overspoeld worden, voert naar de Heilige-poort; vlak daarbij staan twee votief-kapelletjes, die de plaatsen aanwijzen, waar Peter de Groote en Alexander II, bij hun bezoek te Solowetsk, aan wal stapten.

Al de gebouwen dragen een onbedriegelijken stempel van hechtheid en sterkte; sommigen zijn betrekkelijk vrij oud. De geduchte muren en de zware torens zijn, in de laatste helft der zestiende eeuw, van reusachtige, uit zee opgevischte steenblokken gebouwd. Het paleis, de kerk en de klokketoren, binnen deze omwalling gelegen, zijn de oudste gewrochten van menschelijke kunst op dit afgelegen eiland. De kerk der Transfiguratie is veel ouder dan de buitenmuur; die der Hemelvaart dagteekent uit den tijd toen Sint-Filippus prior van Solowetsk was. Maar behalve door deze aantrekkelijkheid van den ouderdom, boeit het Heilige-eiland u ook door den zin voor kunst, het gevoel voor kleur en harmonie, dat overal uit de monumenten spreekt. De votief-kapellen, hier en daar in het donkere lommer der bosschen verscholen, doen eene wonderschoone uitwerking; de roode kruisen, in menigte langs den oever geplant, geven aan het geheele landschap een eigenaardig ernstig karakter. Eenige ruwe, maar toch niet geheel onverdienstelijke fresko's versieren den voorgevel der oude kathedraal. Het gewelf der Heilige-poort is evenzoo met schilderwerk getooid; de torenspitsen en koepels der kerken zijn een lust voor het oog, en schitteren u reeds van verre tegen met haar levendig groene verwen en rijke verguldsels.

Hoog boven alle andere gebouwen welft zich een hemelsblauwe, met gouden sterren bezaaide koepel, die in de eerste plaats de blikken der pelgrims tot zich trekt. Met dankbare verrukking staren zij hem aan: want die koepel kroont eene nieuwe kerk, gesticht ter herinnering aan het gedenkwaardige jaar 1854, toen de engelsche vloot door de genadige tusschenkomst der moeder Gods werd overwonnen.