Het Vrije Rusland De Aarde en haar Volken, 1873
Chapter 3
"Zeker, de keizer is zeer bemind, en toch vergist gij u: het volk zou er waarschijnlijk niet aan denken, den Tsaar het hof te maken. Zie maar eens: de winkels zijn open, en alle waren uitgestald; ieder is aan zijn werk, als op een gewonen dag. De moujik bekommert zich niet veel om keizers of koningen; hij kent slechts zijn beschermengel, zijn eigen heilige. Vraag hem niet, u een kleedingstuk af te leveren, uw rijtuig te herstellen, of hout voor u te gaan halen, op den feestdag van zijn patroon: hij zou zich liever levend laten begraven, dan dien dag door eenigen verboden arbeid ontheiligen. De moujik is geen hoveling, maar hij is godsdienstig."
Weldra leerde ik door eigen ervaring de waarheid dezer getuigenis erkennen. Het diepe bewustzijn van zijne plichten jegens den Schepper beheerscht bij den Rus alle andere gevoelens. Dit bewustzijn openbaart zich niet alleen door een gevoel van eerbied en kinderlijke piëteit des harten, maar uit zich ook in menigvuldige godsdienstige handelingen, plechtigheden en gebruiken; het openbaart zich in alle kringen der maatschappij, in alle toestanden des levens. Gij vindt het in de kazernen en legerkampen, zoowel als bij de feestvierende schare op een dorpskermis en in de gehoorzalen der hoogescholen; gij vindt het bij den prins, die zich in oostersche weelde baadt, bij den handelaar op zijn kantoor, bij den boer, die zijn ploeg door den zwaren kleigrond drijft; bij den dief zelfs, die zijn makker het deel van den buit betwist.
Het is deze innige vroomheid, die het land met heiligdommen en kerken overdekt en tot velerlei zonderlinge praktijken aanleiding geeft; maar zij is het ook, die, zelfs waar zij niet van het kwaad terughoudt, toch den zondaar niet met vrede laat en zijn gemoed opent voor boete en berouw. Elk dorp heeft zijne relieken; elk kind bidt tot zijn bijzonderen beschermengel, en draagt immer het kruis, hem bij den doop geschonken. De russische steden zijn overrijk aan kerken en kloosters. Te Kargopol, een stadje van tweeduizend zielen, telde ik niet minder dan twintig kerktorens. Moskou bezit, naar men zegt, meer dan vierhonderd kerken en kapellen; Kiew is, in verhouding tot de bevolking, niet minder rijk bedeeld. De herinnering aan alle merkwaardige gebeurtenissen wordt door de stichting eener kerk in het aandenken des volks bewaard. Te Kiew herinnert de kerk van Sint-Andreas aan het bezoek van een apostel; die van Sinte-Maria aan de invoering van het Christendom. Sint-Wassili te Moskou werd gebouwd ter gedachtenis aan de verovering van Kazan; het klooster van Donskoï dankt zijn ontstaan aan de overwinning, door Feodor op de Tartaren van de Krim behaald; de Sint-Salvator verrees als een dankoffer voor de nederlaag van Napoleon. Na de eerste overwinning, door de Russen op de Zweden behaald, werd de Sint-Alexanderskerk te Petersburg gesticht; die van Sint-Isaäk verrees ter gedachtenis van Peter den Groote. Waar wij een zuil of beeld zouden oprichten, bouwen de Russen een bedehuis; de gewijde basilieken zijn als het ware de levende monumenten, de sprekende getuigen van de geschiedenis des rijks en de lotgevallen des volks.
Van de wieg tot het graf, leeft de Rus, om zoo te zeggen, in voortdurenden omgang met God; de godsdienst neemt in zijn leven eene zoo ruime plaats in, dat men zich bezwaarlijk daarvan een denkbeeld maken kan. Even als de Arabier, is ook de Slaaf van nature godsdienstig; voor deze volken is de godsdienst inderdaad eene macht, die hun gansche leven en denken beheerscht. Zoo gij eene russische hut binnentreedt, zult gij er immer eene kleine kapel of bidplaats vinden. Alle vertrekken zijn in zekeren zin gewijd: want in elk vindt gij een heiligen beeld; bijna zou ik zeggen: een huisgod. Het hoofd des gezins betreedt zijne woning niet dan met zekeren eerbied: hij staat even op den drempel stil, neemt zijne muts af, maakt het teeken des kruises, en herhaalt bij zich zelf een vers der gewijde liturgie.
Het kruis, bij het toedienen van den heiligen doop ontvangen, en dat de Rus tot aan zijn dood blijft dragen, is het teeken en zinnebeeld van zijne volharding in het geloof. De godsdienst volgt en begeleidt hem, als kind en knaap, bij het spel en bij de studie; als man, op het kantoor en in de werkplaats.--Op alle hoogere en lagere scholen vindt ge eene verzameling van gebeden, op de verschillende omstandigheden van het schoolleven toepasselijk: gebeden bij den aanvang van het studiejaar, bij het begin der vacantie, bij de opening van een nieuwen cursus. De fabrieken en boerderijen staan hierin met de scholen gelijk. De gebeden verschillen natuurlijk naar gelang van den aard der bezigheden; maar niemand, oud of jong, zal ooit verzuimen, dagelijks zijne gebeden ten hemel te zenden; niemand zal zich, zonder ernstige redenen, aan zijne godsdienstplichten, bij voorbeeld, aan de bepalingen omtrent de vasten, onttrekken. Vooral deze laatste wordt streng in acht genomen: bijkans de helft van het russische jaar is aan boetedoening gewijd. Gedurende de zeven weken, die het Paaschfeest voorafgaan, is het gebruik niet alleen van vleesch, maar ook van visch, melk, eieren en boter verboden. Gedurende zes weken vóór Kerstmis, en een maand vóór Sint-Pieter, gelijke onthouding, alleen met deze uitzondering, dat men dan visch mag eten. In de maand Augustus, wederom een strenge veertiendaagsche vasten, ter eere van de Heilige Maagd, wier hemelvaart in die maand wordt herdacht. De woensdag en de vrijdag van iedere week zijn vastendagen. Deze algemeene regelen gelden altijd en voor allen; maar de geloovige, die, na voorafgaande biecht, communie wenscht te doen, behoort zich daartoe nog door bijzondere strenge boete voor te bereiden. Hij moet zich onthouden van alle met vet bereide spijzen, van lekkernijen, van suiker, van het rooken van sigaren; zelfs mag hij niets eten, dat door middel van vuur moet worden klaar gemaakt.
Op den Stillen-Zaterdag, waarop ook in de russische kerk het water gewijd wordt, mag niemand iets eten of drinken vóór den afloop der plechtigheid, dat is omstreeks vier uur in den namiddag; dan wordt eerst van het gewijde water gedronken, en daarna zet men zich neder, om, in blijdschap des harten, maaltijd te houden. Om den noodigen voorraad van wijwater op te doen, spoeden mannen en vrouwen zich om het zeerst naar de kerken, beladen met kruiken, kannen en allerlei vaatwerk; bovendien brengt ieder een kaars mede, die in de kerk wordt aangestoken, en te huis voor het beeld van den heiligen patroon geplaatst, om daar verder te verbranden.
Geen nieuw huis wordt betrokken, geen magazijn of winkel geopend, zonder voorafgaande godsdienstige wijding. Bijna iedere maand bezoekt de pope, gevolgd door den acolyth en den diaken, alle huizen in zijn kerspel, besproeit de vertrekken met wijwater, reinigt ze door gebeden en wijdt ze door het teeken des kruises.
Bij alle groote gebeurtenissen des levens, bij de geboorte, bij het huwelijk, bij den dood, is de kerk, als eene zorgende en liefdevolle moeder, met raad en troost en hulp en voorlichting nabij, zelf deelnemende aan alle vreugden en smarten harer kinderen, en daaraan hooger wijding gevende. Het sakrament des huwelijks vooral, dat den man de kroon van het gezag schenkt en hem wijdt tot het hoofd van een nieuw gezin, wordt met buitengewone plechtigheid gevierd. De vele ceremoniën, die met de voltrekking van dit sakrament gepaard gaan, hebben allen een diepen en verheven zin, eene schoone symboliek, en munten bovendien door ernst, waardigheid en bevalligheid uit. De gebeden en lofzangen klimmen op tot den troon des Almachtigen; de ringen worden gewisseld; de zegen des hemels op het jonge paar afgesmeekt; eindelijk wordt op de hoofden der jonggehuwden een gouden kroon gezet.
"Iwan, dienstknecht des Heeren," zegt de pope, "ontvang als uwe kroon, Nadia, die dienstmaagd des Heeren!"
Sommige bruidsparen dragen deze huwelijkskroon eene geheele week lang, en bezorgen haar daarna terug aan de sakristie, waar zij op nieuw den zegen ontvangen. Ook aan het nederigste en meest alledaagsche leven bereidt de godsdienst aldus een feestdag, een dag van poëzie, van hoogeren glans en heerlijkheid. Op den bruiloftsdag is de bruid steeds koningin, de bruidegom koning, al ware hij ook niets meer dan een arme vergeten knecht.
De grieksche kerk leert dat iederen mensch een bijzondere beschermengel is gegeven, die hem van de wieg tot het graf volgt, die getuige is van al zijne daden, en dien hij nimmer misleiden of bedriegen kan. In zijn slaapvertrek plaatst de Rus eene beeltenis van dien engelbewaarder, en onderhoudt dag en nacht eene brandende lamp tot zijne eer. De feestdag van dien beschermengel is geheel aan stille rust, aan vrome overpeinzingen en werken der liefdadigheid gewijd. Men richt een maaltijd aan, waarop de vrienden en bloedverwanten genoodigd worden; tevens worden aan de armen aalmoezen uitgedeeld. Men gaat ter kerke, en koopt daar gewijde brooden, voor de bedienden, de gasten, de bezoekers bestemd. De pope komt, met het evangelie en het kruis, en zingt de plechtige litanie ter eere des engelbewaarders, waarvoor hij van den heer des huizes eene gave ontvangt, verschillende naar gelang van diens fortuin.--De beschermheilige of patroon, wiens naam men draagt, wordt met niet minder eerbied en ijver vereerd. Ook zijn beeld wordt nooit in de woning gemist, en zijn naamdag godsdienstig gevierd. Door niets ter wereld zou een Rus zich laten bewegen, den naam, dien hij bij den doop ontvangen heeft, te laten varen. Zekere boer stond terecht, als beschuldigd, een valsch paspoort te hebben vervaardigd, ten einde zich voor een ander te doen doorgaan. "Hoe kan men meenen", riep hij verbaasd uit, "dat ik een naam zou hebben aangenomen, die mij niet toekomt? Ik zou daardoor immers mijn patroon hebben verloren. Zeker heb ik dat niet gedaan; ik heb alleen mijne geboorteplaats veranderd."
De godsdienst bezielt en beheerscht zoozeer geheel het maatschappelijk leven, dat, tot op zekere hoogte althans, het volle genot der burgerrechten afhankelijk is van de getrouwe vervulling der godsdienstplichten. Ieder Rus weet, dat hij gehouden is, eenmaal per week de mis te hooren, zijne zonden te biechten, en minstens eenmaal in het jaar de heilige communie te houden. En de overgroote meerderheid denkt er niet aan, deze plichten te verzuimen, of ze in eenig opzicht als een last te beschouwen. Die zich daaraan onttrekt, wordt ook in burgerrechterlijken, maatschappelijken zin als dood beschouwd: tenzij hij van den pope, zooals dat soms geschiedt, een bewijs weet te verkrijgen, waaruit zijne getrouwe waarneming der kerkelijke plichten blijkt. Maar nog eens: zij, die tot dergelijke middelen hunne toevlucht nemen, vormen zeer stellig eene betrekkelijk onbeteekenende minderheid; de overgroote massa des volks is oprecht en innig aan zijne godsdienst gehecht, en toont dat op de meest ondubbelzinnige wijze. De zoogenoemd voorname onverschilligheid, het praktisch atheïsme onzer moderne westersche maatschappij vindt in Rusland nog zeer weinig aanhangers; het zou daar door verreweg de meesten niet eenmaal worden verstaan.
VI.
DE PELGRIMS.
Na het godsdienstig gevoel is er misschien geen hartstocht, die meer macht uitoefent op het gemoed van den Rus, dan de ingeboren, onweerstaanbare neiging voor een zwervend nomadenleven.
Bij alle Slavische stammen vindt men dien trek naar verandering, naar het avontuurlijke, onbekende; de zucht, om nu her- dan derwaarts te trekken, heden hier, morgen elders zijn verblijf te vestigen, de wereld te doorwandelen, en in zekeren zin, naar oud aartsvaderlijke wijze, in tenten te leven. Maar bij den Rus is deze zucht veel sterker ontwikkeld dan bij den Czech van Bohemen, bij den Serviër of den Croaat.
Deze lust voor een zwervend leven, samenvallende met het godsdienstig gevoel, is de machtige drijfveer, die nog jaarlijks, in geheel Rusland, zoo vele duizenden huis en hof doet verlaten, om ter bedevaart te trekken.
De pelgrims gaan steeds te voet, in gezelschappen van vijftig of zestig personen, mannen, vrouwen, kinderen, allen met den staf in de hand, een lederen flesch aan den gordel, nederknielende voor iedere kapel, die zij op hunnen weg ontmoeten, dag en nacht hunne lofzangen aanheffende, en alom het landvolk stichtende door het voorbeeld hunner vroomheid. De kinderen zingen, op half klagenden toon, een lied, waarvan elk kouplet eindigt met dit refrein:
Goede vaders, teedre moeders, Schenkt ons, armen, brood.
En deze bede blijft nimmer onverhoord: de arme pelgrim, die, biddende om brood, aan de deur der woning aanklopt of voor het venster stilstaat, zou immers wel een engel, een Godsgezant kunnen zijn? Mag men hem dan eene gave weigeren; zal niet veelmeer deze gave rijkelijk worden beloond?
Er zijn echter ook lieden, die van deze vrome gezindheid des volks misbruik maken. Landloopers en gauwdieven vermommen zich dikwerf als pelgrims, veinzen eene buitengewone vroomheid, verkoopen twijfelachtige relieken tegen klinkende munt aan dienstmeiden en lichtgeloovige oude vrouwen, en verzekeren zich alzoo, zonder veel moeite, een tamelijk gemakkelijk levensonderhoud.
Een boer, die tot dusver zijne schapen en varkens trouw naar de weide heeft gedreven en ze van dag tot dag, van den morgen tot den avond, bewaakt, krijgt het eensklaps in het hoofd om pelgrim te worden, en als zoodanig eene vrijheid te genieten, die in het gewone leven voor hem onbereikbaar is. Het denkbeeld, dat hij nu geene belasting meer te betalen en geen heerendiensten meer te verrichten heeft, niet meer voor vrouw en kinderen behoeft te zorgen, maar vrij mag wandelen van stad tot stad, van gewest tot gewest, bekoort hem; hij wordt een bedelaar, een landlooper, misschien een bedrieger. Maar als hij langs de huizen gaat, brengen ouden en jongen hem den vromen groet, die zoo aangenaam in zijne ooren klinkt: "Waarheen, o vriend, geleidt de Heer uwe schreden?" Vroeger of later ontmoet hij een gezelschap van pelgrims, bij wie hij zich kan aansluiten, en die hem als een broeder in hunne midden opnemen. Hij hangt een lederen flesch aan zijn gordel; zijne vrouw, op een stok leunende, strompelt langs den weg door het donkere woud. Men ontmoet deze lieden overal, op de binnenplaatsen van alle groote huizen. Zij sluipen door zij- en achterdeuren binnen, en bieden voorwerpen te koop aan, die voor de vrouw des huizes van niet minder waarde zijn dan voor de nederige dienstmaagd: een stuk van de rots van Nazareth, eenige droppels water uit den Jordaan, een draad van den rok zonder naad, een stukje van het ware kruis. Zij die op zoo groote schaal hun beroep drijven, zijn de vindingrijke, ondernemende geesten onder hen, die de kunst verstaan om de heilige zaken te exploiteeren; maar behalve dezen, zijn er nog duizenden zulke leegloopers, die het halve rijk doorkruisen, en overal aan de aandachtig luisterende schare verhalen wat zij gezien hebben op hunne bedevaarten naar deze of gene heilige plaats, waar de beenderen der heiligen dagelijks wonderen werken. Sommigen vertoonen een kruis van Troïtza; anderen verkoopen aan de liefhebbers een stuk van het gewijde brood van Sint-George. De meesten hunner hebben ook Solowetsk bezocht, of weten daar althans allerlei merkwaardige dingen van te vertellen.
De veroordeelden, die uit de mijnen van Siberië weten te ontsnappen, hullen zich in het pelgrimskleed en nemen den staf ter hand. Onder deze vermomming zal een vluchteling, zonder veel gevaar, de reis van Perm naar Archangel kunnen doen, zelfs al waren zijne papieren valsch en al droeg hij het brandmerk op zijn schouder. Een poolsche balling, Pietrowski genaamd, wist voor eenige jaren op deze wijze te ontsnappen en de haven van Archangel te bereiken, waar hij zich inscheepte. Het dramatisch verhaal zijner lotgevallen wekte destijds de algemeene belangstelling. Maar langs de oevers der Dwina zijn een aantal soortgelijke verhalen in omloop.
Toen ik tot de reis om de Noordkaap besloot, was het ook in de stellige verwachting, dat ik die vrome reisgezelschappen zou ontmoeten; dat ik met hen naar Solowetsk zou gaan, hen dus van nabij bestudeeren, en tegelijk, zoo mogelijk, nadere berichten inwinnen omtrent dat wonderlijke "spook van het klooster", dat sinds zoovele jaren, op zoo geheimzinnige wijze, met het keizerlijk geslacht van Romanoff wordt in verband gebracht. Groot was dan ook mijne teleurstelling, toen ik bij mijne komst te Archangel vernam dat het laatste gezelschap van pelgrims juist vertrokken was, en dat de stoombooten hare vaart op de Witte-zee hadden gestaakt, totdat het ijs, in de maand Mei van het volgende jaar, zou beginnen los te raken.
Zeer ontevreden, dat ik aldus eene uitnemende gelegenheid had gemist om de godsdienstige gewoonten en gebruiken des volks te bestudeeren, liep ik met ongeduldige schreden heen en weder in het ruime Pelgrimshof, in de zoogenaamde bovenstad;--toen ik eensklaps een aantal schapenvellen ontdekte, niet op den grond uitgespreid, maar om de schouders geplooid van een groep lieden, met vermagerde en gebruinde aangezichten, karakteristieke figuren, zoo als ge die, het gansche jaar door, op de kusten van Syrië ontmoet. Eene innige, vurige vroomheid bezielt deze mannen, en heeft op hun gelaat, in hunne manieren en wijze van spreken, haar onmiskenbaren stempel gedrukt. Hun geest is steeds van hooge en ernstige gedachten vervuld: ook onder hunne armelijke lompen behouden zij, in geheel hun voorkomen, eene waardigheid en bevalligheid, die niet kan nalaten indruk te maken. Gindsche grijsaard, die met een stuk gedroogden visch in de hand, naar de woning treedt, zou voor een arabischen sheik kunnen doorgaan. Evenals ik, zijn deze pelgrims door het ruwe weder opgehouden: hen ziende, voel ik mijne hoop weder ontwaken. De monniken zullen toch deze dorstige, heilbegeerige zielen niet zonder troost en lafenis willen wegzenden, en waarschijnlijk evenmin genegen zijn om hen gedurende eenige maanden van huisvesting en kleeding te voorzien. Er zal dus wel een middel gevonden worden, om eene boot te doen varen.
Aan den ingang van het zoogenaamde Pelgrimshof staat een kleine monnik, nog geen vijf voet hoog, met lange krullende lokken, evenals een meisje, en een fraaien golvenden baard. Het zal eenige moeite kosten, met mijn gebrekkig russisch, om met hem een gesprek aan te knoopen: toch waag ik het er op, en vraag hem, of hij mij zeggen kan, waar de boot van Solowetsk ligt.
"Zijt gij een Engelschman?" herneemt de monnik.
Deze woorden, in mijne eigene moedertaal uitgesproken, verrassen mij uit dien mond: nog nooit had ik in dit land een geestelijke aangetroffen, die eene andere taal dan het russisch verstond. Op mijn bevestigend antwoord, vervolgt mijn nieuwe vriend: "De boot vaart niet meer: zij ligt nu in het dok te Solowetsk."
In het dok! Die man houdt mij voor den gek: want hoe zou men een dok kunnen verwachten bij een klooster, waar een havenstad als Solombola zich met zulk een erbarmelijk hoofd moet tevreden stellen?
"In het dok?"
"Ja zeker, in het dok."
"Hebt ge dan een dok op het Heilig-eiland?"
"Waarom niet? De kooplieden van Archangel hebben er geen, zult gij zeggen. Dat is zoo; maar de kooplieden zijn geen monniken. Zij drijven handel; en wij, wij werken. Slava Bogu! (God lof!) een goede monnik volbrengt zijne taak ordelijk en zonder tijdverspillen. Te Londen hebt gij immers ook dokken?"
"Ja zeker, in menigte; maar die zijn niet door monniken gebouwd."
"Dat weet ik. In Engeland zijn er geen godsdienstige orden meer; maar vroeger waren zij er, en toen stichtten zij gebouwen van allerlei aard, niet waar?"
Terwijl ik hem met verbazing aanstaar, deelt de monnik, in zijn ruw en onbeholpen matrozen-engelsch, mij eene tijding mede, die mij van harte verheugt. Hoewel de boot, die de pelgrims overbrengt, reeds hare winterkwartieren in het dok te Solowetsk heeft betrokken, en de machinerie reeds is geborgen, zal toch binnen acht dagen een schip met levensmiddelen naar het eiland afvaren.
"Kunt gij mij ook zeggen, waar ik den kapitein van dat vaartuig zou kunnen vinden?"
"Hum!" antwoordt op langzamen toon de ander, terwijl hij een kruis slaat en in stilte een schietgebed prevelt; "ik zelf ben de schipper."
Nu begrijp ik er niets meer van! Hoe, die man, die in Rusland een dwerg mag heeten; die monnik in pij en kap, met zijne krullende lokken als die eener vrouw, is de gezagvoerder van een schip, dat de zee bevaart? Bij een nauwlettender blik op dit fijne, bijkans vrouwelijke gelaat, treft mij echter de gloed der oogen, de donkere gebronsde tint, de scherp geteekende mond met de fraaie tanden: eene uitdrukking van kracht en vastberadenheid, die wel aan een zeeman voegt.
"En zoudt gij mij aan boord kunnen nemen?"
"U! Hoe, gij zijt een Engelschman, en gij wenscht de grafsteden der heiligen te bezoeken? Dat is wel vreemd! Green uwer landgenooten gaat ooit naar Solowetsk. Zij komen hier niet om te bidden, maar om handel te drijven, somwijlen om tegen ons te vechten."
Hij sprak deze laatste woorden met doffe stem, en met blijkbaar kwalijk bedwongen toorn. Onwillekeurig herinnerde ik mij, hoe eene dame te Onega mij verhaald had dat zij, met hare russische vrienden eene week te Solowetsk willende doorbrengen, zorgvuldig hare engelsche afkomst verborgen had gehouden, uit vrees dat de monniken haar vermoorden zouden. Dit nu was ongetwijfeld eene ijdele verbeelding: maar toch joeg deze herinnering mij een huivering door de aderen, toen ik zag, hoe de kleine man zijn voorhoofd fronste, en den somber dreigenden toon zijner stem vernam, als hij van de engelsche vloot sprak.
Ik liet echter niets merken, en vroeg hem: "Waar is uw schip, en hoe heet het?"
"Het ligt te Solombola, nabij de kaai der Pelgrims. De naam is la Verra (het Geloof)."
Deze zeer bijzondere scheepskapitein boezemt mij belangstelling in. Een anderen monnik, blijkbaar ook een zeeman, ontmoetende, vraag ik hem naar den naam van mijn zonderlingen vriend.
"Hij heet Iwan," antwoordt mij deze man, een soort van noordschen Hercules, met levendige oogen en stout gewelfd voorhoofd; "Iwan, of liever Wanouchka, want hij is klein van gestalte, en wij houden allen veel van hem."
Wanouchka beteekent letterlijk de kleine Iwan (Johannes). Voor ons, vreemdelingen, heet de gezagvoerder steeds Vader Johannes.
Daar ik u nu toch eenmaal in kennis met hem gebracht heb, is het misschien maar beter aanstonds te vertellen, wat ik later te weten ben gekomen omtrent den levensloop van dezen wonderlijken kleinen scheepskapitein met zijn monnikspij en golvende lokken.
Vader Johannes zag het levenslicht in een laplandsch dorp, en had, bij zijne geboorte, geen ander vooruitzicht dan houthakker of kabeljauwvisscher te worden, het harde en treurige leven te leiden, waartoe de bewoners dezer rampzalige streken veroordeeld zijn. In den zomer zou hij boomen moeten vellen en het schrale gras maaien; in den winter, op zeehonden- en kabeljauwvangst uitgaan. Maar het kind was levendig van aard, leergierig en vlug van begrip; hij brandde van nieuwsgierigheid om vreemde landen te zien, en droomde zich eene heerlijke toekomst, als hij eens gezagvoerder of eigenaar zou zijn van een schip, zooals hij er nu en dan langs de kusten zag stevenen. Maar om dien droom tot werkelijkheid te maken, moest hij kennis opdoen, de behandeling van een schip leeren; weten hoe hij die groote gevaarten op zee besturen en naar zijn wil leiden kon. Het gehucht, waar Iwan geboren was, lag op ongeveer tien kilometer afstands van Kem, eene oude stad, door kolonisten uit Nishny-Nowgorod op de kusten van Lapland gesticht. Kem bezit eene kweekschool voor de zeevaart, wel eene zeer eenvoudige en weinig ontwikkelde school, maar die toch altijd beter was dan niets. Iwan werd daarop geplaatst: en nu was zijn lot beslist.