Het Vrije Rusland De Aarde en haar Volken, 1873
Chapter 2
De Witte-zee zou bijna den naam van de moorddadige verdienen: zij is een groot graf. Zelfs de lieden, voor wie stormen en schipbreuken zich oplossen in eene reeks cijfers en vergelijkende tabellen--zooveel schepen door de ijsschotsen verbrijzeld, zooveel gezonken, zooveel menschen verongelukt of vermist, dat is zooveel percent van het geheel; zelfs de statistici, voor wie de menschen geene andere bestemming schijnen te hebben dan om in kabbalistische tabellen en vervelende rapporten te figureeren; zelfs zij zouden wellicht nog een ander gevoel niet geheel kunnen onderdrukken, wanneer de sombere geschiedenis dezer akelige zee voor hen werd ontrold. Wat vreeselijke worstelingen, wat zielverscheurende angsten en smarten heeft zij niet aanschouwd; welke onuitsprekelijke klachten en jammerkreten hebben daar niet weerklonken over die doodsche, grauwe wateren, door dien duisteren nevelsluier, als eene lijkwade over de golven verspreid: klachten en jammerkreten, door geen menschelijk oor vernomen, wegstervende in het loeien van den storm, het brullen der golven, het donderend kraken der ijsbergen! Eenige jaren geleden, waren meer dan honderd schepen op eenmaal in het ijs geklemd: schepen van allerlei afmeting en soort, en van verschillende landen afkomstig: zweedsche, deensche, hollandsche, engelsche. De engelsche consul te Archangel, van den toestand onderricht, telegrafeerde om hulp naar Engeland. Weinige dagen later, den 12den Juli, vertrokken twee stoombooten van Londen, om de ingesloten schepen en hunne bemanning te redden. Veertien dagen na haar vertrek, verschenen de beide booten in de Witte-zee, en begonnen zij haar zwaren en moeilijken arbeid.
De talrijke vloot was de havens van de Dwina uitgezeild, zoodra de tijding was gekomen dat het ijs in de golf begon te smelten; maar toen de schepen den zoogenaamden Gorgel--het kanaal dat de Witte-zee met de Poolzee verbindt--waren binnengeloopen, keerde de wind plotseling van het noorden naar het zuiden; in een oogenblik zagen de schepen zich nu van alle zijden omringd en ingesloten door ijsschotsen, die met geweld tegen elkander botsten. Met groote moeite en de uiterste voorzichtigheid bereikte de vloot, zonder hinder, kaap Kanin; maar nu strekte zich voor haar eene hooge en zware ijsmassa uit; het was volstrekt onmogelijk, verder door te dringen: de schepen kraakten en zuchtten en trilden bij den herhaalden schok der drijvende schotsen en ijsbergen. Tot overmaat van ramp, draaide de wind weder naar het noorden, en dreef nu drie dagen achtereen de ijsschotsen naar de zee-engten; de schepen werden achteruit geworpen, en de doortocht naar de open zee hun geheel versperd. Vruchteloos worstelden zij tegen den geweldigen stroom, die hen naar de rotsige kusten van Lapland heenvoerde, waar zij weldra door een onverbreekbaren muur van ijs waren ingesloten.
Nu werd de akelige stilte dezer doodsche wateren telkens afgebroken door het luide gekraak der schepen, wier kiel tusschen de opdringende schotsen verbrijzeld werd, als een glas tusschen de vuist van een reus. Ging een schip te gronde, dan sprongen de matrozen op het ijs, en redden zich aan boord van het naastbij gelegen vaartuig: misschien om eenige uren later nogmaals te verhuizen. Soms leden dezelfde matrozen, op eenen dag, vijf of zesmaal schipbreuk, wanneer de bodems, waarop zij eene toevlucht hadden gezocht, plotseling onder hunne voeten wegzonken.--Toen de twee stoombooten hare taak hadden volbracht, werd de volgende opgave aan het ministerie van koophandel gezonden:
"Het getal schepen, die door de bemanning moesten verlaten worden, bedroeg vier-en-zestig; veertien schepen waren gered; de vijftig anderen waren gezonken. Onder deze laatsten waren er achttien, in Engeland gebouwd en door Engelschen bemand."
III.
DE DWINA.
De lage en vlakke oevers, met een weelderigen plantengroei bedekt, de vele groene eilanden in den mond der Dwina verspreid, herinneren aan den Missouri: maar het slib van de Dwina is minder vruchtbaar dan dat, hetwelk de amerikaansche rivier met hare wateren aanvoert. Hier prijken de eilanden alleen met gras en laag geboomte. Ginds, op het vaste land, strekt zich, zoover men zien kan, een bosch van eeuwenheugende pijnboomen uit.
Het lage vlakke eiland, dat men, bij het invaren der monding, ter rechterhand laat liggen, heet Sint-Nikolaas, ter eere van den priester, die, in heiligen geloofsijver ontvlamd, maar men verhaalt, op het concilie te Nicea, den ketter Arius een slag in het aangezicht gaf. Niemand weet waar deze Nikolaas eigenlijk geleefd heeft en gestorven is; ook maakt de geschiedenis geene melding van zijne tegenwoordigheid op het eerste concilie van Nicea. Volgens de overlevering zou hij te Liki geboren zijn, en te Mira hebben gewoond: van daar de bijnaam van den heilige van Mirliki; maar geen enkele regel schrifts van hem is tot ons gekomen, en hetgeen men van hem verhaalt is dikwijls in onderlinge tegenspraak. Dit alles belet evenwel niet, dat Nikolaas een zeer populaire heilige is, die bij het volk hoog staat aangeschreven. Hij is de patroon der edelen, der kinderen, der matrozen, der bedevaartgangers; de troost en hulp der armen, der verdrukten en zwervelingen. In deze noordsche wildernissen wordt zijn naam door allen aangeroepen, vindt men zijn beeld in elke hut; maar nergens misschien wordt hij ijveriger en vuriger vereerd dan langs de kusten der Witte-zee. Met welk eene vrome blijdschap en innige zelfvoldoening leest de arme visscher dezer stranden in zijn Levens der Heiligen (voor hem Bijbel, heldendicht, geschied- en wetboek tevens), dat Nikolaas de machtigste is van alle heiligen, die in den hemel wonen; dat hij aan de rechterhand Gods is gezeten, en het bevel voert over een leger van driehonderd engelen, die, met het zwaard in de vuist, gereed staan op zijn wenken te vliegen!
Een moujik (boer) vroeg eens aan een mijner vrienden, wie God zou worden, wanneer God kwam te sterven.
"Mijn goede vriend", antwoordde de Engelschman met een glimlach, "God zal nooit sterven."
De boer stond een oogenblik versuft, en herhaalde hoofdschuddend: "Hij zal nooit sterven!"--Toen, zich eensklaps herstellende, als ware hem plotseling een licht opgegaan, hernam hij ernstig: "Ja, nu zie ik het: gij zijt een ongeloovige, iemand zonder godsdienst. Ik weet het beter dan gij. God zal zeker eens sterven, want Hij is reeds zeer oud; en dan zal Sint-Nikolaas in zijne plaats treden."
Terwijl wij door den Maimaks-arm stoomen, mogen wij onze oogen verkwikken aan het frissche groen der weilanden en dichte struiken: eene weldadige verrassing, nadat wij zoolang niets anders hadden gezien dan naakte, sombere rotsen, loodkleurige wolken en vuil-grauwe wateren. Maar achter de biezen, achter de struiken en boomen, zoeken wij vergeefs, wat toch bovenal leven en bekoorlijkheid aan het landschap schenkt: menschelijke woningen. Eene enkele armelijke planken hut is alles, wat wij kunnen ontdekken; in een klein weiland staan eenige mannen bij een soort van dijkje; een jeugdige knaap ligt achteloos uitgestrekt in een broze schuit, die met de deining der stoomboot op en neder wiegelt; maar niemand schijnt hier te wonen; de mannen en de knaap zijn van een naburig dorp gekomen. Zij zijn de rivier afgezakt, om voor hunne koeien wat gras te maaien, en eenig brandhout te verzamelen; straks zullen zij weder scheep gaan en naar huis keeren.
Langs de oevers der oude kanalen vindt men dorpen in menigte; die dorpen bestaan uit een groep van eenige hoogst eenvoudige woningen, rondom eene kerk en een klooster geschaard, en hier en daar geflankeerd door eenige windmolens, die hunne armen, als bezetenen, rondwentelen. Elk dorp en elk gehucht is op de vooraf aangewezen plaats gebouwd; zij gelijken allen volkomen op elkander: vergeefs zoudt ge, in bouwtrant of inrichting, eenig spoor van oorspronkelijkheid zoeken. Alles geschiedt hier naar vastgestelde regels; de pope en de starost, keizerlijk ambtenaar, moeten in alle omstandigheden geraadpleegd worden, en wat zij voorschrijven of aanraden, geldt als wet.
Overal in deze streken wordt de aandacht van den vreemdeling onwillekeurig getrokken door de groote menigte kruisen, die zich langs de kusten en langs de oevers der groote rivieren verheffen. Zoodra de hemel zich dreigend laat aanzien, gaat de zeeman aan land, richt een kruis op, en knielt neder om te bidden. Als zich dan een gunstige wind verheft, rijst hij op en keert naar boord terug, het heilige teeken op de woeste kust achterlatende, als een offer zijner dankbaarheid. Is er inderdaad ernstig gevaar, dan gaat vaak de gansche bemanning aan land; een paar boomen worden geveld en daarmede een groot kruis opgericht, waarop de namen der matrozen en de dagteekening worden gesneden. Langs de kusten der Witte-zee ontmoet men elk oogenblik deze vrome gedenkteekenen maar nergens zijn zij zoo menigvuldig als op de rotsen der Heilige-eilanden. Stomme en toch welsprekende getuigen van doorgestanen angst en onverwachte uitredding: elk kruis herinnert aan een storm.
Enkelen zijn inderdaad historische monumenten. In de hoofdkerk van Archangel bewaart men zulk een ex-voto, door Peter den Groote opgericht, toen hij in deze streken ternauwernood aan een schipbreuk ontkwam; het werd later weggenomen en naar de kathedraal gebracht. "Dit kruis is door kapitein Peter gesneden", zoo luidt het opschrift, door de hand van den Tsaar zelf vervaardigd; en dat de keizer in de beeldhouwkunst niet onervaren was, toont dit werk, dat met recht op sierlijkheid en smaak aanspraak mag maken.--Is zij niet schoon en aandoenlijk, deze gewoonte, om op de onherbergzame kusten, door stormen geteisterd, en waar zoo menig, menigeen zijn graf in de golven vond, overal de zichtbare teekenen te plaatsen van hulp en redding, als het ware de tastbare gebeden en dankzeggingen voor de goddelijke genade, die hielp waar alle menschelijke hulp te kort schoot? De engelsche matroos, door tegenwind opgehouden, verlaat, met gramschap in de ziel en luide verwenschingen op de lippen, de kust, waar hij tegen zijn zin gevangen werd gehouden. Voorzeker, Jack Tar (de bijnaam der engelsche matrozen, ons Janmaat) bezit voortreffelijke eigenschappen, die niemand hem betwisten zal: maar deze kinderlijk vrome gewoonte van den russischen zeeman, getuigt zij niet van hoedanigheden, die, uit een zedelijk oogpunt, althans niet lager staan?
Op de Dwina ontmoeten wij gansche vloten van houtvlotten en zoogenaamde praams, die ons een eigenaardig beeld van het leven in deze streken vertoonen. De vlotten bestaan uit lange reeksen van pijnboomstammen, door middel van rijshout aan elkander verbonden; op het vlot staat eene planken hut, waarin de eigenaar rustig zit te dommelen, terwijl zijne mannen op den oever hout hakken, of den gang van het vlot besturen. Deze vlotten komen dikwijls, drie- à vierhonderd mijlen ver uit het binnenland, de Dwina en hare nevenstroomen afzakken. De slanke pijnen, in de groote wouden van Wologda en Nishny-Konetz geveld, worden naar de oevers der rivieren gesleept, en daar door krachtige handen saamgebonden en tot vlotten vereenigd. In de steden, waar men langs vaart, bestaat altijd overvloedige gelegenheid om kosteloos de noodige manschappen te vinden, ter besturing van het vlot: want een aantal boeren, die het heilige klooster van Solowetsk wenschen te bezoeken, zijn steeds bereid om aldus de rivier af te zakken. Men schenkt hun vrijen overtocht, onder voorwaarde dat zij het vlot helpen besturen, en, waar het noodig is, boomen of roeien, of ook wel trekken.
Wat de gemakken der reis aangaat, staan de praams hooger dan de vlotten. Ik weet deze vaartuigen niet beter te vergelijken, dan met de zoogenaamde arken Noachs, waarmede de kinderen spelen: het zijn reusachtige schepen van ruw behouwen pijnboomen, door middel van ijzeren haken aan elkander bevestigd; de voegen zijn met mos en teer gestopt. Een schuin oploopend planken dak dient menschen en koopwaren tot beschutting. Van binnen is verreweg het grootste gedeelte der ruimte door een wand van dichte rietmatten afgeschoten: daar worden de waren geborgen. Achter aan het schip is gewoonlijk een pijnboom bevestigd, waarvan de kleinste helft in het water hangt, en die als roer dient; aan de voorzijde is een soortgelijk roer, van kleiner afmeting, aangebracht; het eerste wordt door zes of zeven, het laatste door vier of vijf mannen bestuurd. Naarmate van de grootte van het schip en de lading, worden dertig of veertig riemen, over de beide zijden gelijkelijk verdeeld, gebruikt; deze riemen zijn jonge, aan de uiteinden afgeplatte dennestammen. Zulk eene groote bark kost zes- of zevenhonderd roebels, en kan tot achthonderd ton graan vervoeren. Het eene uiteinde der praam is met planken afgeschoten, en dient tot kajuit; het ameublement van dit vertrek bestaat uit eenige banken, een tafel en ettelijke planken langs den wand, alles van dennenhout. Aan den balk der zoldering hangt een ijzeren pot, waarin het scheepsvolk, zoolang men op het water is, het eten kookt; maar zoodra de praam in een haven binnenloopt, mag er geen vuur aan boord zijn; zelfs mogen de matrozen dan geen pijp rooken. Het eten moet dan aan wal worden klaar gemaakt. Bij de praam behoort een platte schuit, uit vier of vijf saamgevoegde stammen bestaande, waarmede de matrozen ten allen tijde gemakkelijk den oever kunnen bereiken.
De leiding van het schip is toevertrouwd aan een nosnik, een loods, die midden op het vaartuig staat en den roeiers de noodige aanwijzingen geeft; hij is nauwkeurig met het vaarwater en alle ondiepten en stroomingen bekend. Voor het overige is het gezag opgedragen aan den gospodarz, die tevens hofmeester is.--Met het krieken van den dag roept de nosnik het scheepsvolk toe: "Zet u neder en bidt tot God!" Allen maken het teeken des kruises en buigen zich. Op den morgen vóór de afvaart werpt ieder een koperen geldstuk in de Dwina, om de rivier gunstig voor zich te stemmen: dan worden de touwen losgegooid, en het vaartuig drijft langzaam met den stroom mede. Doorgaans heeft men in Mei, wanneer de tocht begint, nu eens sneeuwbuien, dan vorst, afgewisseld met dooiweder; straks weêr ijzel en hagel; herhaaldelijk moet het schip tegen den wal gaan liggen, en zoo vaak de praam weder afsteekt, wordt de ceremonie met het geldstuk herhaald. Bij fraai, helder weder, wanneer het schip door den stroom wordt gedragen, zetten de roeiers, wier dienst dan niet gevorderd wordt, zich in een kring op het dek, en heffen uit volle borst een lied aan. Deze roeiers zijn mannen van ijzeren kracht, die van geen vermoeienis weten.
Zoowel de pramen als de houtvlotten en de andere binnenlandsche vaartuigen hebben in den regel een aantal pelgrims aan boord, aan wie, behalve vrije overtocht, ook nog een ration zwart brood en thee wordt verstrekt, ter belooning der diensten, die zij als roeiers of stuurlui bewijzen. Doorgaans is deze dienst niet zwaar, want de rivier zelve verricht genoegzaam al het werk; de vlotten en pramen gaan nooit stroomopwaarts. Te Solombola gekomen, wordt de lading, in den regel uit graan, vlas, hennip en dergelijke artikelen bestaande, in de vreemde schepen overgebracht, die daarop wachten, en waarvan de meesten naar de engelsche of schotsche havens zijn bestemd. De praam wordt vervolgens aan den wal gehaald, uit elkander genomen en verkocht. Het hout wordt gedeeltelijk als timmer-, gedeeltelijk als brandhout gebruikt.
Solombola, de nieuwe haven van Archangel, is niet veel meer dan een handvol verstrooide hutten, die aan een groep zwitsersche châlets zouden doen denken, indien niet de menigte van groene koepels en spitse torens u veeleer het beeld van eene bulgaarsche stad voor den geest riep. Langs de rivier loopt een soort van dam of zanddijk, vijf tot zes voet hoog; daar achter ligt het land zoo laag, dat alleen deze dijk den omtrek tegen overstrooming beveiligt. Solombola is bijkans een amphibie: in de lente, wanneer de rivier, door het smelten der sneeuw, buiten hare bedding treedt, loopt de gansche stad onder, en heeft men, even als in Venetië, een schuit noodig, om van het eene huis naar het andere te komen.
IV.
ARCHANGEL.
De eerste indruk, dien de vreemdeling, uit de Witte-zee komende en de Dwina opvarende, ondervindt, is dat hij in eene geheel andere wereld is verplaatst: menschen en dingen herinneren hem onwillekeurig aan het Oosten.
Bij het binnenloopen der rivier, trekt het uwe aandacht dat de loods weigert het dieplood uit te werpen. "Maak u niet ongerust," zegt hij: "het is hier diep genoeg; er zal ons geen ongeluk overkomen, tenzij dan dat God het wil."--Trouwens een russische loods peilt zelden. Waartoe ook: is niet de diepte van het vaarwater, voor de verschillende plaatsen en tijden, bij het reglement, bepaald, zoodat daaraan niets valt te veranderen? Het in zee uitgeworpen lood zou haar immers toch niet dieper maken?
Gij vaart tusschen de eilanden door; de landlieden die gij op het veld of langs de oevers ziet, dragen allen, mannen zoowel als vrouwen, mantels van schapenvel: een kleedingstuk, dat men bijna het eigenaardig kenmerk der nomadenvolken zou kunnen noemen, en dat u dadelijk aan de steppen van Midden-Azië doet denken.
Bij den eersten blik, op de stad Archangel geworpen, treft u de overgroote menigte der torens en koepels, de eersten zonder uitzondering verguld, de anderen met allerlei kleuren prijkende. Daarentegen vindt de gezagvoerder, die deze kusten bezoekt, noch kaaien, noch dokken, noch aanlegsteigers, noch trappen. Hij ankert waar hij kan; tracht zijn schip, door middel van boomen, eene goede plaats te bezorgen, en vindt evenveel hulp, voorlichting of medewerking, als wanneer hij in eene of andere turksche haven, te Widdin of te Roetsjoek, ware binnengeloopen. Gij wandelt over den dam naar de stad, wier schitterende torens en tinnen u tegenstralen: en gij hoort tot uwe verbazing, dat Archangel, even als Aleppo, geen logementen of herbergen heeft, zelfs geen khan, waar de reizigers een onderkomen kunnen vinden.
Toch zijt gij hier nog niet in het echte Oosten. Bij het binnenloopen in de haven, zal de loods misschien naar u toekomen, en u de hand drukken; en zoo ge dien vriendschappelijken wenk niet begrijpt, zal hij u wellicht in het oor fluisteren,--als gold het een staatsgeheim,--dat indien er weinig vreemdelingen zijn, die de Dwina opvaren, daaronder toch geen enkele gevonden wordt, die verzuimen zou, aan den man, door wiens hulp hij aan de gevaarlijke zee der stormen is ontkomen, een na-chai (kop thee) aan te bieden. Maar, ik haast mij er dit bij te voegen, de afschuwelijke, echt oostersche gewoonte, den ambtenaren bij de haven fooien in de hand te stoppen, is heden ten dage in onbruik. De tegenwoordige regeering, die reeds zoovele hervormingen heeft tot stand gebracht, heeft ook dit kwaad uitgeroeid, en wel door een alleszins voortreffelijken maatregel. Zij heeft het veel te groote aantal douane-beambten aanzienlijk ingekrompen, en de traktementen der overigen belangrijk verhoogd. Geen enkel ambtenaar trekt nu nog een bespottelijk traktement, dat enkel voor de leus was, en door allerlei andere middelen moest worden aangevuld; maar niemand zal het ook wagen, een geschenk aan te nemen. Prins Obolenski, die aan het hoofd staat van dezen uitgebreiden tak van dienst, is een man van karakter en energie, en daarbij van onkrenkbare eerlijkheid; zijn ijver en waakzaamheid hebben een einde gemaakt aan de schandelijke misbruiken, waarover door zoovele reizigers is geklaagd. Als een bewijs van de onverbiddelijke strengheid der administratie op dit punt, wijs ik op een feit, voor de waarheid waarvan ik persoonlijk kan instaan. Een scheepskapitein had aan een der ambtenaren bij de haven twaalf sinaasappelen ten geschenke gegeven; de gift was op zich zelf van niet veel waarde, maar daar deze vruchten hier zeer zeldzaam zijn, worden zij als eene uitgezochte lekkernij beschouwd. Zoodra de chef hiervan kennis kreeg, werd de ambtenaar een rang verlaagd. "Van daag neemt hij een sinaasappel aan, zeide de vertoornde chef; morgen zal hij wellicht een roebel aannemen". Eerst na verloop van een vol jaar werd de onvoorzichtige beambte weder in zijn vorigen rang hersteld.
Archangel is noch eene haven, noch eene stad, in den zin, dien wij gewoonlijk aan die woorden hechten. Men ziet hier niet, zoo als te Hull of te Hamburg, een groot aantal dokken, magazijnen, winkels, wagens en rijtuigen; noch de bezige drukte van een levendig verkeer, gewoel langs de rivier en in de straten. Archangel is een groot kamp van pakhuizen, rondom eene menigte torens en koepels, kerken en kloosters gegroept. Verbeeld u een breede sombere rivier, omzoomd door een uitgestrekt moeras, waaruit zich kleine eilanden van leem verheffen; op die hoogten, groepen van gebouwen, met fresko's versierd, deels met kruisen en groene of blauwe koepels gekroond; denk u de ruimte tusschen de kerken en kloosters, met planken, balken en palen bedekt, maar zoo, dat er genoegzame plaats overblijft voor de tuinen, straten en pleinen; omring de huizen met geheel openliggende tuintjes; zet voor elk venster een geranium, eene fuchsia en een rozenstruik; laat overal in de straten en op de pleinen het gras welig opschieten:--en gij hebt een trouw beeld van Archangel. Uit de verte gezien, gelijkt Archangel meer op eene of andere heilige stad van het Oosten, dan op eene noordsche koopstad.
Toch is deze zeehaven de eenige, die inderdaad russisch mag worden genoemd. Astrakhan is eene tartaarsche stad; Odessa, eene italiaansche; Riga, eene lijflandsche; Helsingfors, eene finlandsche. De taal, die daar gesproken wordt, is niet de russische. Met het zwaard gewonnen, kunnen zij ook weder door het zwaard verloren gaan: als alle veroveringen, zijn zij aan de kansen des oorlogs onderworpen. Het echte Rusland, het oude Groot-Rusland, zou ze kunnen missen, zonder daardoor onherstelbare schade te lijden. Het is groot en sterk genoeg, om zijne onafhankelijkheid te kunnen handhaven, rijk genoeg om te blijven bloeien, ook al moest het dien gordel van kleinere Ruslanden verliezen, waarmede het zich allengs omgord heeft. Maar met Archangel is het anders: dat is de eenige groote haven, die het oude Rusland met de zee verbindt, de eenige weg, waardoor het gemeenschap met de wereld daar buiten oefenen kan: een weg, door God zelf aangewezen en geopend, en dien geen menschen sluiten kunnen.
Naar de schatting van ons, Westerlingen, moge Archangel te rijkelijk met kerken en torens en koepels gezegend zijn, zooals de Dwina-delta te overladen is met kruisen; voor ons moge de stad vooral van beteekenis zijn als de stapelplaats van granen en vlas, van teer en huiden, van hout en pek;--in het oog van den inboorling is zij iets geheel anders en hoogers: de woning van den aartsengel, de haven der bedevaartgangers van Solowetsk, de poorte Gods.
V.
HET GODSDIENSTIG LEVEN IN RUSLAND.
Op zekeren dag wandelde ik met een vriend door Archangel, om bezoeken af te leggen. Wij hadden reeds in enkele huizen vertoefd, toen mijne aandacht getrokken werd door een man in uniform, met een krijgshaftig voorkomen en welgevormde gestalte, die telkens als wij ergens binnentraden of uitkwamen, zich in onze nabijheid bevond. Hierover verwonderd, voegde ik mijn vriend toe:
"Die man schijnt ons op den voet te volgen."
"O neen," klonk het lachende antwoord: "dat is een russisch politie-agent."
"Maar waarom loopt hij ons dan altijd na?"
"Hij slaat geen acht op ons; hij doet zijne ronde, en gaat den rijken eigenaars van huizen aanzeggen, dat zij heden avond, voor alle vensters hunner woningen, die op de straat uitzien, vier brandende kaarsen moeten zetten."
"Vier kaarsen! en waarom dat?"
"Ter eere van den Tsaar. Het is van daag de feestdag van zijn patroon; tegen acht uur zult ge zien hoe alle huizen eensklaps geïllumineerd worden... op aansporing van de politie."
"Maar, mij dunkt, de politie heeft niet noodig zich daarmede te bemoeien. De keizer is populair en geliefd. Wie zou het feest van Sint-Alexander kunnen vergeten?"