Het Vrije Rusland De Aarde en haar Volken, 1873

Chapter 17

Chapter 173,608 wordsPublic domain

Sedert het einde der regeering van Iwan (1598) tot den dood van Nikolaas (1855), had iedere Rus, die zijn vaderland liefhad en zijn gevoelen dorst uitspreken, zijne stem verheven tegen de toenemende misbruiken van het stelsel van lijfeigenschap, als iets, dat in vroeger, gelukkiger tijden bij zijn volk onbekend was. Iedere opgeworpen pretendent, iedere stoutmoedige rebel, die de wapens tegen den souverein opvatte, schreef in zijne banier de leus van vrijmaking der lijfeigenen. Reeds in 1670 vaardigde Stenka-Razin, in zijn kamp bij Astrakhan, eene proclamatie uit, waarvan de eerste twee artikelen, de onttrooning der regeerende dynastie en de bevrijding der lijfeigenen behelsden. De aanvoerder van een vrij wat geduchten opstand, Pugatcheff, schafte, honderd jaar later, in 1770, openlijk de lijfeigenschap af, ontsloeg de boeren van alle verplichtingen jegens hunne heeren, en verzekerde hun het vrije bezit van hun land. Pestel en de saamgezworenen van 1825 hadden evenzoo de afschaffing der lijfeigenschap bovenaan op hun programma geschreven.

Daags vóór hij, op het Sint-Izaäksplein, den dreigenden opstand verpletterde, had keizer Nikolaas eene geheime commissie benoemd, die hem verslag moest doen over den maatschappelijken toestand des rijks, bepaaldelijk met het oog op de lijfeigenen. Op grond van de resultaten van dat onderzoek, ontwierp de keizer in de jaren 1828 en '29, eene gansche reeks van besluiten, waarbij hij eene klasse van eereburgers (geen leden van een gilde) in het leven riep, en de boeren vrij verklaarde van hunne heeren. Deze besluiten werden nimmer uitgevaardigd; toen, na de uitbarsting, de kalmte in de gemoederen was wedergekeerd, achtte de keizer de hervormingen niet zoo dringend noodig. De kort daarop gevolgde Juli-omwenteling in Parijs deed hem geheel en al van zijn voornemen terugkomen. Hij liet de heeren ten ernstigste vermanen, dat zij hunne boeren en lijfeigenen als christenen moesten beschouwen en behandelen, en van hen niet meer dan drie dagen in de week heerediensten mochten vorderen, gelijk reeds door keizer Paul was bepaald. Daarmede meende hij aanvankelijk genoeg gedaan te hebben: zijn emancipatie-edikt bleef in de portefeuille.

In de laatste jaren zijns levens kwelde deze geduchte kwestie keizer Nikolaas dag en nacht. In spijt van zijn talrijk, wel uitgerust leger, gevoelde hij dat de lijfeigenschap een gevaar voor zijn rijk opleverde en zijne kracht verlamde, die toch reeds geknot werd door de groote kerkelijke scheuring tusschen Orthodoxen en Oud-geloovigen. In welke mate het rijk door deze twee innerlijke kwalen verzwakt werd, dit begreep en erkende hij misschien eerst ten volle in de laatste dagen van zijn merkwaardig leven. Naar men zegt, riep hij zijn zoon op zijn sterfbed tot zich; verhaalde hem wat hij gedaan en wat hij nagelaten had; en drukte hem op het hart, den aangevangen arbeid te voltooien.

Het mocht echter een geluk heeten voor de lijfeigenen, dat Nikolaas hen had laten wachten. Het ontwerp van emancipatie, onder de oogen des keizers opgesteld, was noch naar den geest, noch naar de letter, nationaal: het was veeleer een duitsch staatsstuk, uitgaande van de valsche stelling, dat de lijfeigenschap niets anders was dan de oud-feodale eigenhoorigheid, onder een anderen naam. Nikolaas ging, in verband daarmede, van het beginsel uit, dat de lijfeigene zijne persoonlijke vrijheid herkrijgen moest, maar dat de eigendom van den grond aan den heer moest blijven.

Toen Alexander II den troon beklom (1855), verwachtten zoowel de edelen als de boeren van hem een grooten en doortastenden maatregel. De boeren vertrouwden den nieuwen keizer; de edelen wantrouwden en vreesden hem. Een panische schrik beving de landheeren. "Wat, zoo riepen zij, gaat gij ondernemen? en waartoe zal dat leiden? Het land is aan verwarring ten prooi: onze eigendommen zullen vernield worden. Zie die boerenkinkels eens aan, die gij vrij maken wilt! Zij kunnen lezen noch schrijven; zij hebben noch kapitaal, noch krediet, noch ondernemingsgeest. Als zij niet bidden, drinken zij zich dronken. In de poolsche provinciën moge zulk eene hervorming heilzaam en wenschelijk zijn, in het hart van Rusland nooit!"--De regeering liet zich door dien opstekenden storm niet van haar weg afbrengen; zij sprak woorden van vrede en verzoening, en trad tevens krachtig handelend op; de keizer herhaalde aan ieder die hem hooren kon, dat het groote gevaar lag, niet in te veel te doen, maar in niets te doen. Zijne meening vond ingang, en won langzamerhand veld.

Uit verschillende provinciën kwamen adressen in. Adviseerende commissiën werden benoemd, en de keizer deed zijn best om de bekwaamste en vrijzinnigste mannen voor zijn plan te winnen, en aan de uitvoering te doen medewerken. Nadat op die wijze de publieke opinie was voorgelicht en voorbereid, werd eene hoofdcommissie benoemd, die te Petersburg zitting hield, bestaande uit de ministers van staat en uit eenige leden van den keizerlijken rijksraad; de keizer zelf nam het voorzitterschap dezer commissie op zich. Bovendien werd nog een tweede collegie ingesteld, de commissie van rapporteurs genoemd, onder voorzitterschap van graaf Rostowtcheff, een der geamnestiëerde opstandelingen van 1825. De hoofdcommissie bestudeerde de beginselen, die aan de emancipatie ten grondslag moesten liggen; de commissie van rapporteurs onderzocht en rangschikte de feiten. Niet minder dan achttien deelen, vol cijfers en tabellen, werden gedrukt; en de resultaten van het veelomvattende onderzoek nedergelegd in een wetsontwerp.

Toen deze voorbereidende arbeid was afgeloopen, werden gedelegeerden uit de verschillende provinciën, door de collegiën der edelen gekozen, naar de hoofdstad ontboden om dit rapport te onderzoeken. Deze provinciale gedelegeerden deelden hunne bedenkingen schriftelijk aan de commissie van rapporteurs mede; en de nieuwe of veranderde bepalingen, die zij noodig achtten, werden, in den vorm van een gewijzigd ontwerp, aan den keizer en de hoofdcommissie onderworpen.

Tot dusver hadden alleen de edelen en landheeren hunne meening omtrent het wetsontwerp kenbaar gemaakt; zij hadden, bij de vaststelling, alleen hunne eigene belangen geraadpleegd en de bijzondere zienswijze van hunne klasse gevolgd. Het recht van den lijfeigene op persoonlijke vrijheid werd erkend, maar van aanspraak op grondbezit werd niet gerept. Vrijheid zonder land--dit was het wachtwoord van alle belanghebbende partijen in de hoogere standen; en het was volstrekt geen geheim, dat het in portefeuille gebleven ontwerp van den vorigen keizer ook op ditzelfde beginsel rustte. Hoe zou een vergadering van landheeren, bevende voor hunne inkomsten, ook anders hebben kunnen adviseeren? "In vredesnaam dan de emancipatie, als het zoo zijn moet--spraken zij zuchtend;--maar de emancipatie zonder grondbezit." De provinciale gedelegeerden vooral waren op dit punt onverzettelijk; de commissie van rapporteurs huldigde ditzelfde beginsel in haar wetsontwerp, dat aan de hoofdcommissie werd ingezonden. Men beriep zich op het voorbeeld van Engeland, Frankrijk en Duitschland; en aangezien de vazallen en hoorigen in die landen, bij hunne vrijmaking, geen stuk gronds in eigendom hadden verkregen, werd besloten dat ook de geëmancipeerde lijfeigenen dit niet zouden bekomen. Ook de hoofdcommissie vereenigde zich met het aldus gewijzigde wetsontwerp.

Maar de eindbeslissing stond gelukkig aan den keizer. Hoeveel riemen papier de rapporteurs en adviseurs ook vol schreven, de tsaar wist het wel, dat acht-en-veertig millioen zijner onderdanen tot hem, als tot hun vader, opzagen, en van hem alleen recht en hulp verwachtten; en dat van die acht-en-veertig millioen ieder man even vast overtuigd was van zijne wettige aanspraak op den grond, als van het recht des keizers op de kroon. Hij begreep dat vrijheid alleen, zonder de middelen om te kunnen leven, voor de boeren een noodlottig geschenk zou zijn. Niet willende dat eene heilzame, populaire hervorming zou uitloopen op eene onvruchtbare en noodlottige volksbeweging, weigerde hij zijne toestemming te geven aan een maatregel, die den boer tot armoede en gebrek zou doemen, onder voorwendsel van hem vrij te maken. Des keizers beginsel was: vrijheid met grondbezit; en dit juist en voortreffelijk beginsel hield hij staande tegenover zijne oudste en beste raadslieden.

Tegenover de besluiten der commissiën, bleef den keizer slechts één weg open: beroep op een hooger collegie. Sommige leden van de hoofdcommissie, de bedoeling huns meesters kennende, hadden tegen het ontwerp gestemd; de keizer bracht nu de zaak voor den vollen rijksraad, omdat eene kwestie van zoo overwegend gewicht niet in eene ondergeschikte vergadering, bij eenvoudige meerderheid van stemmen, mocht worden uitgemaakt. Opnieuw stuitte hij op zelfzuchtige berekeningen. De rijksraad bestaat uit prinsen, graven, ministers, generaals--meest bejaarde mannen, die hunne carrière hebben gemaakt, weinig van het hof meer hebben te verwachten, en zeer gehecht zijn aan het behoud hunner goederen en inkomsten. Zij verklaarden zich tegen den keizer en de lijfeigenen.

Maar juist toen alles verloren scheen, bleek alles gewonnen. Zoolang de volle rijksraad nog geen uitspraak had gedaan omtrent de voorstellen der commissiën, wilde de keizer geen gebruik maken van zijn absoluut gezag, al ware het ook om zijn land te redden; maar op denzelfden dag der stemming verklaarde hij, uit de volheid zijner souvereine macht, dat het beginsel van vrijheid met grondbezit den grondslag zou uitmaken van zijn emancipatie-wet.

Op den 3den Maart 1861 (19 Februari, oude stijl), werd het edikt geteekend.

De landbouwende bevolking bestond toen uit twee-en-twintig millioen gewone boeren of lijfeigenen, drie millioen apanageboeren, en drie-en-twintig millioen kroonboeren. Het edikt van 1861 had alleen betrekking op de eersten; eene bijzondere wet werd later ten gunste der kroon- en apanageboeren uitgevaardigd, die nu metterdaad even vrij zijn als zij vroeger alleen in naam vrij waren.

Aan ieder "hoofd" werd een stuk lands, verschillend in de onderscheidene provinciën, naar gelang van de gesteldheid van bodem en klimaat, toegewezen; de heeren moesten dat stuk lands, tegen een bepaalden prijs, afstaan; en om de overneming van hunne woningen en aangewezen gronden voor de boeren gemakkelijker te maken, werd hun vanwege de regeering, op zeer billijke voorwaarden, een voorschot aangeboden. De boeren maakten van dit aanbod ijverig gebruik. Voor 1 Januari 1869 had reeds de grootste helft der vrijverklaarde boeren, te dien einde de hulp van het gouvernement ingeroepen; en het totaal cijfer dezer door de kroon voorgeschoten gelden, die door de boeren moeten worden terugbetaald, is tot een hoogst aanzienlijk bedrag gestegen.

Nu men eenmaal als grondslag van de emancipatie het beginsel had aangenomen, dat de vrijmaking met toekenning van grondbezit moest gepaard gaan, lag het in den aard der zaak, dat men ook bedacht moest zijn op de noodige waarborgen om te voorkomen dat de boer weder tot zijn vroeger zwervend leven terugkeerde. Niemand kon met zekerheid weten, in hoever de lijfeigenen nu werkelijk genezen waren van die nomadiseerende gewoonten, die tot de vestiging der lijfeigenschap aanleiding hadden gegeven. Niet zonder eenige ongerustheid vroeg men zich af, of de vrijgemaakte boer zich nu ook aan de wet en de maatschappelijke orde zou onderwerpen; en het werd noodig geacht, eenige regelen vast te stellen, ten einde eene herhaling van de wanorde en regeeringloosheid te voorkomen, die ten tijde van Boris Godounoff en Peter den Groote, de kroon gedwongen had strenge maatregelen te nemen tot kolonisatie van het land. De voornaamste dezer bepalingen laat ik hier volgen.

Wil een boer van woonplaats veranderen, dan moet hij, vooreerst, voor altijd afstand doen van het hem toekomend aandeel in de gemeentegronden. Weigert de gemeente zijn aandeel over te nemen, dan moet hij het aan den landheer afstaan. Voorts moet hij voldaan hebben aan alle verplichtingen, die ten aanzien van de militaire dienst op hem rusten, en niet alleen alle achterstallige rijks- en plaatselijke belastingen hebben voldaan, maar ook het verschuldigde over het loopende jaar. Verder moet hij zich behoorlijk gekweten hebben van alle persoonlijke verplichtingen en verbindtenissen, wettiglijk tegenover derden aangegaan, en geen rechterlijk vonnis of aanklacht tot zijn last hebben. Hij moet al verder zorg dragen voor het onderhoud van al die leden zijner familie, die in de gemeente achterblijven, en die nog niet of niet meer in hun eigen onderhoud kunnen voorzien; en voorts alle achterstallige renten voor zijn grond aan den landheer hebben aangezuiverd. Eindelijk moet hij een schriftelijk bewijs overleggen, waaruit blijkt dat eene andere gemeente hem als lid wil opnemen, of dat hij eigenaar geworden is van een stuk lands, gelijkstaande met tweemaal zijn aandeel, in de onmiddellijke nabijheid der genoemde gemeente. Deze bepalingen, die slechts voorloopig van kracht zijn, werden voldoende geacht om den boer aan zijne woonplaats te verbinden. Of zij inderdaad den boer van zijne ingewortelde voorliefde voor een zwervend leven zullen afbrengen,--ziedaar eene vraag, waarop alleen de tijd een afdoend antwoord geven kan.

Als bij al dergelijke groote hervormingen, toonden zich ook hier de belanghebbende partijen aanvankelijk het minst voldaan. De lijfeigenen hadden te veel gekregen, beweerde de een; de heeren hadden te veel behouden, klaagde de ander. In verscheidene provinciën wilden de boeren niet naar de voorlezing van het keizerlijk edikt in de kerk luisteren. Zij beweerden dat de pope hen misleidde; dat hij, door de edelen omgekocht of verschrikt, den tsaar verried, en hun een valsch stuk voorlas, door de heeren opgesteld. Dwepers en bedriegers maakten van deze stemming gebruik, om oproer te stoken; en hier en daar, vooral in de vroegere poolsche provinciën, barstten inderdaad meer of minder ernstige opstanden uit, die met kracht moesten worden onderdrukt.

Met name was dit het geval in de welvarende provincie Penza, waar een onbekende, naar men zegt een zekere Egortsoff, van de sekte der Melkëters, zich voor den grootvorst Konstantijn, den broeder van keizer Nikolaas, uitgaf. De gewaande grootvorst plantte de roode vlag, verzamelde talrijke troepen boeren, en vervulde de gansche landstreek met schrik en ontsteltenis. De opstandelingen werden door de militaire macht uiteengedreven, en strenge strafoefeningen volgden; maar toch werd de rust niet hersteld, voordat de keizer zelf zich in de provincie vertoonde. Hij ontbood de oudsten van de omliggende dorpen, en sprak tot hen eenige wijze en troostrijke woorden. "Ik heb u al de vrijheden geschonken, die u bij de wet zijn gewaarborgd; maar ik heb u geene andere vrijheden gegeven, die niet in de wet zijn genoemd." Het was waarschijnlijk wel voor het eerst, dat de boeren vernamen, dat de wil des keizers door de wet beperkt was.

XX.

HEEREN EN DIENAARS.

In het russische rijk leven twee volken, twee verschillende nationaliteiten nevens elkander: en dat niet slechts in eene enkele provincie, in sommige steden, maar in alle provinciën, en in bijkans alle steden. Overal vinden wij een hooger en een lager ras, eene vreemde en eene inlandsche bevolking; en bijna overal behooren de meesters en heeren tot het vreemde, de dienaren en ondergeschikten tot het inlandsche ras.

Op het platteland en in de boschrijke streken valt deze scheiding niet zoo sterk in het oog als in de steden. Wel vinden wij hier en daar een vreemden grondbezitter, maar dit is toch altijd eene uitzondering; als algemeene regel kan men aannemen, dat de steden, in zekeren zin, aan de Duitschers behooren, terwijl het platteland, over het geheel genomen, het eigendom der Russen is. De handel, de nijverheid, de kunst, de wetenschap, de macht van Rusland:--dit alles was door de wet zelve aan de zorg en hoede der vreemdelingen toevertrouwd; de Russen zelf, ook wanneer zij geen lijfeigenen waren, bekleedden toch altijd een ondergeschikten rang, en eerst in onze dagen--na den Krimoorlog--is de regeering, om zoo te zeggen, de natuur te hulp gekomen, om Rusland weder voor de Russen te herwinnen.

De regeerende dynastie is van vreemden oorsprong. Dit nu is een zeer gewoon verschijnsel: de beschaafdste en machtigste rijken der wereld worden geregeerd door vorsten, uit vreemde landen afkomstig. Te Londen is de regeerende familie van hannoverschen oorsprong; te Berlijn stamt zij uit Zwaben; te Parijs was zij laatstelijk uit Korsika; de oostenrijksche Habsburgs zijn uit Zwitserland afkomstig; de koninklijke familie van Denemarken stamt uit Holstein, die van Zweden uit Frankrijk, die van België uit Koburg, die van Nederland uit Duitschland, die van Griekenland uit Denemarken, Uit het feit, dat de russisch-keizerlijke familie uit het huis van Gottorp is gesproten, zou dus geen bijzondere gevolgtrekking ten aanzien van de innerlijke verhoudingen des lands zijn te maken: ware het niet, dat de russische boer bovendien nog andere redenen had, om zijn souverein, niet alleen wat zijne afkomst, maar ook wat zijne denkwijze en gezindheid betreft, als een vreemdeling te beschouwen. De twee heerschers, wier beeld het diepst in zijne ziel is geprent, Iwan IV en Peter de Groote, lieten geene gelegenheid voorbijgaan om goed te doen uitkomen, dat zij geen Russen waren.--"Let goed op het gewicht," zeide Iwan tot een engelsch kunstenaar, wien hij eenige gouden staven ter bewerking gaf;--"let goed op bet gewicht--want de Russen zijn al te gader dieven."--De Engelschman lachte.--"Waarom lacht gij?" vroeg de tsaar.--"Mij dunkt, als uwe majesteit al de Russen dieven noemt, dan vergeet zij toch dat zij zelf een Rus is."--"Hei wat!" hernam de tsaar: "ik ben een Duitscher, en geen Rus."--Peter maakte volstrekt geen geheim van zijne minachting voor alles wat echt moskovisch was. Hij sprak duitsch, en kleedde zich naar duitsche manier. Hij schoor zijn baard af, en kapte zich op duitsche wijze. Hij bouwde eene duitsche stad, die hij tot de hoofd- en residentiestad maakte, en waaraan hij een duitschen naam gaf. Hij was een liefhebber van eene duitsche pijp en van duitsch bier. Het nieuwe rijk, waarvan hij de stichter wilde zijn, stelde hij zich voor als een duitschen staat, met havens zooals Hamburg, steden zooals Frankfort en Berlijn; en in zijne getrouwe Russen zag bij niet veel meer dan eene horde barbaren, die hij moest beschaven en omscheppen in hollandsche en duitsche boeren en werklui.

Voor den keizer, zelf een vreemdeling, was de vreemdeling de vertegenwoordiger der beginselen van orde, vrede en vooruitgang; de ingeborene daarentegen gold als de type van verspilling, wanorde en stilstand. Vandaar dat de regeerende dynastie al de volheid harer gunstbewijzen over de Duitschers heeft uitgestort; terwijl de Russen doorgaans op geene andere wijze met hunne regeering kennis maakten, dan door tusschenkomst van den ontvanger der belastingen en den commissaris van politie. De tegenstelling was zoo sterk, dat zij aanleiding gaf tot allerlei satires en spotternijen. Eens vroeg de keizer aan iemand, die hem eene dienst bewezen had, welke belooning hij begeerde. "Als Uwe Majesteit een Duitscher van mij maken wil, dan volgt de rest wel van zelf;"--antwoordde de ander.

Bijna al de ministers, gezanten, staatslieden, kamerheeren, waren Duitschers van geboorte of afkomst; en wanneer, bij uitzondering haast, eene gewichtige betrekking aan een Rus werd toevertrouwd, dan was dit toch altijd nog meer in het leger, dan bij de diplomatie of in de regeering. De Duitscher is, over het algemeen, beter ontwikkeld en onderwezen dan de Rus; hij is vertrouwd met kunsten en wetenschappen, waarvan men onderstelt dat de inboorling geen begrip heeft, en ook nooit krijgen zal, omdat die hoogere ontwikkeling wordt geacht buiten zijn bereik te liggen. Peter vaardigde zelfs een edikt uit, waarbij de uitoefening van sommige beroepen en bedrijven uitsluitend aan de Duitschers werd voorbehouden. Zoo mocht een Rus, bij voorbeeld, geen apotheker zijn, uit vrees dat hij zijn klanten zou vergeven; noch ook schoorsteenveger, opdat hij geen brand zou stichten.

Zulke verbodsbepalingen zijn later wel ingetrokken, maar wat de wet afschafte, bleef toch in menig opzicht van kracht, gehandhaafd door een hooger macht dan die van keizer of minister, door de macht der gewoonte. Geen Rus zal uit handen van een landgenoot zijn dosis rhabarber of zijn kininepillen aannemen: hij stelt hoegenaamd geen vertrouwen in diens bekwaamheid en nauwgezetheid. Een Rus kan een uitmuntend geneesheer zijn, want hij is scherpzinnig, heeft eene groote gave van opmerking en een gevoelig, medelijdend hart; maar het schijnt wel, dat alle geleerdheid en tact niet voldoende is, om hem geschikt te maken voor het moeilijk vak van artsenijmenger. Hij is te driftig, te brusk, en heeft geen geduld om, met een loup gewapend, de bijkans onmerkbare slingeringen van een balans na te gaan. Op een grein of wat meer of minder komt het er, volgens hem, niet aan. In Moskou, waar de oud-nationale, panslavistische geest zeer sterk is, hoorde ik van meer dan één geval, waarin de wensch om een inlandschen apotheker te begunstigen, den onvoorzichtigen patriot een ontijdigen dood had berokkend.

"Het is onmogelijk eene russische meid te leeren, zeide eene dame die mij over hare dienstboden sprak. Dat meisje, dat ge daar zooeven gezien hebt, is voor haar doen zeer goed en bekwaam; het werk is haar nooit te veel; nooit zal ze over iets klagen; des zondags en op heilige dagen gaat zij getrouw naar de mis; en zij zou liever van honger sterven, dan in de vasten eieren of melk te gebruiken. Maar ik kan het niet van haar gedaan krijgen, dat zij, op engelsche manier, de wasch doet, de kamer schoonmaakt of de tafel dekt. Als ik haar wijs, hoe zij het doen moet, dan zegt zij, met een ernstig gezicht, dat in haar land het gebruik zus of zóó is; en wanneer ik er op blijf staan, dat bij mij in huis de zaken gedaan zullen worden, zooals ik het verlang, dan onderwerpt zij zich, met een soort van stil protest, en loopt de deur uit om haar ouders en haar pope te vertellen, dat hare engelsche meesteres door een boozen geest gedreven wordt."

De vreemdelingen, die in Rusland zoovele aanzienlijke en gewichtige betrekkingen bekleeden, en in zekeren zin de intellektuëele aristokratie des lands vormen, worden te Berlijn niet als echte Duitschers beschouwd. Zij zijn afkomstig uit de Oostzee-provinciën, uit Lijfland en Lithauen; maar, naar hun beweren, stammen zij niet af van de Letten en Wenden, de oorspronkelijke bewoners des lands, maar van de oude duitsche ridders, die deze destijds heidensche streken veroverden. Wat hiervan zij: hunne energie, hunne bekwaamheid en hun invloed zijn ontwijfelbaar groot. Reeds lang voor Peter den Groote hadden zij zich in het land eene vaste positie weten te verwerven; onder Peter werden zij inderdaad heeren en meesters; en sedert dien tijd hebben zij zich voortdurend beijverd, de inboorlingen te onderwerpen en te beschaven, op dezelfde wijze als hunne voorouders in Oost- en West-Pruisen de oude heidensche Letten en Finnen beschaafden.