Het Vrije Rusland De Aarde en haar Volken, 1873
Chapter 16
Toch hadden de broederen gelijk: deze man was geen gewone monnik. Tot de aanzienlijkste geslachten in Moskou behoorde destijds ook de familie Kolitcheff; aan het hoofd van dat geslacht werd een zoon geboren, die den naam van Feodor ontving, en erfgenaam was, niet alleen van uitgestrekte bezittingen, maar ook van een beroemden naam. Van zijne vrome moeder ontving het kind eene godvruchtige opvoeding: zij leerde hem in de levens der heiligen lezen, zij leerde hem bidden en nam den knaap trouw met zich naar de mis, waar zij hem het voorbeeld gaf van heilige aandacht. Maar uit edel bloed gesproten en geroepen om zijn vorst te dienen, leerde Feodor ook rijden en schermen, jagen en schieten, en onderwees men hem tevens in de kunst om de goederen zijner familie, bosschen en pachthoeven en landerijen, met al wat daartoe behoorde, naar den eisch te besturen. Op zes-en-twintigjarigen ouderdom werd hij aan den toen vierjarigen Iwan voorgesteld; en daar de jonge prins bijzondere genegenheid voor hem opvatte, was hij zeer dikwijls ten hove, bewonderd door alle vrouwen, benijd door zeer vele mannen. Feodor Kolitcheff had, zoo scheen het, eenvoudig aan het hof te blijven, om eenmaal tot de hoogste betrekkingen geroepen te worden. Maar zijn hart was altijd vreemd aan het leven, dat hij dus leidde; het Kremlin was een brandpunt van allerlei intriges en kuiperijen; de streek rondom de stad werd, door de snoodste misdaden, in voortdurende spanning en onrust gehouden. Smartelijk getroffen door wat hij hoorde en zag, wenschte de benijde gunsteling naar de rust van een heilig, godgewijd leven; eindelijk vertrok hij in stilte, al zijne bezittingen achterlatende, en wandelde, in het eenvoudige pelgrimskleed gehuld, de poorten van Moskou uit. Met zijn staf in de hand, baande hij zich een weg door de onbezochte wouden van het noorden; nu eens vertoevende in eene boerenhut, waar hij, voor eene bete broods, op het land ging werken; dan op een vlot de Dwina afzakkende, en zijn overtocht betalende door zelf mede te roeien. Zoo kwam hij te Solowetsk, waar hij achtervolgens monnik, priester, prior werd, zonder het geheim zijner edele geboorte en zijner betrekking aan het hof te verraden.
Aan het hoofd der broederen geplaatst, werd het zijn ernstig streven om het klooster in zijn ouden luister en glans te herstellen. Hij kleedde zich in de pij van Zosimus, en richtte een gedenkteeken op boven het graf van Savatius. Deze mannen Gods ten voorbeeld nemende, voerde hij den regel van ijverigen en voortdurenden arbeid in; hij stichtte nieuwe werkplaatsen; hij verbeterde de visscherijen en pachthoeven; hij liet steenen kapellen bouwen, en leerde aan sommige vaders de kunst van schrijven en teekenen. Nog getuigt menig monument en menig kunststuk in het klooster van zijn ijver en zijne werkzaamheid. Maar te midden van dezen arbeid werd Philippus uit zijn stille cel in de Witte-zee geroepen, om een hooger en gevaarlijker zetel te bestijgen.
Iwan, die den ouden vriend zijner jeugd nog niet vergeten had, raadpleegde hem dikwijls over staatszaken, en ontbood hem nu en dan naar het Kremlin om zijne voorlichting in te winnen. Bij die gelegenheden werd Philippus meermalen getroffen door de groote verandering, die met den tsaar had plaats gegrepen. Iwan was niet langer de vrome kruisridder van vroeger: hij was nu, op middelbaren leeftijd, eene zonderlinge mengeling van een somberen dweepzieken monnik en een woesten khan. Deze omkeer dagteekende van den dood zijner gemalin en de verovering van Kazan; hij nam nu twee vrouwen tegelijk ten huwelijk, kleedde zich als een Tartaar, en volgde in alles het voorbeeld van een aziatisch despoot. Als ware hij het opperhoofd der Gouden-Horde, trok hij door de straten van Moskou, omringd van zijne trawanten, en last gevende, dien man te geeselen, dezen te dooden. Het plein voor de Heilige-poort was rood van bloed; en de gansche stad werd vervuld van schrik en ontzetting, van jammer en rouw.
Twee grijze prelaten, die den tsaar zijn schandelijk gedrag hadden durven verwijten, werden uit hun ambt verdreven; en in 1566 vestigde Iwan zijne keus op den prior van Solowetsk, als op een man, die door zijne uitnemende deugden zijne regeering nieuwen glans zou bijzetten, zonder dat hij van hem strenge vermaningen of persoonlijke verwijten had te duchten. Philippus trachtte die gevaarlijke eer van de hand te wijzen: maar de tsaar eischte gehoorzaamheid, en met een bezwaard gemoed verliet de prior zijn stil verblijf op het eiland, overtuigd dat hij den marteldood tegemoet ging.
Iwan had zich in den monnik schromelijk vergist. Philippus was geen hoveling, geen man om naar den mond der vorsten te spreken: want onder zijne eenvoudige pij klopte een hart vol warm en edel gevoel; zijn oog was niet blind voor hetgeen om hem voorviel, en het ontbrak hem niet aan moed, om zijne overtuiging uit te spreken. Op zijne reis naar Solowetsk naar Moskou kwam hij te Nowgorod, eene stad, die door haar rijkdom, haar onafhankelijken zin en hare vrije instellingen, in hooge mate den toorn van Iwan had opgewekt. Eene schaar van burgers trok den prior tegemoet, en viel voor hem op de knieën, zijne bescherming en voorspraak inroepende bij den tsaar, die openlijk gedreigd had dat hij de stad zou verwoesten en met den grond gelijk maken. Te Moskou gekomen, sprak hij tot Iwan als tot een zoon; hem biddende en vermanende, zijne lijfwacht weg te zenden, zijne vreemde gewoonten vaarwel te zeggen, een heilig leven te leiden, en zijn volk in gerechtigheid te regeeren, naar het voorbeeld zijner voorgangers.
Iwan was teleurgesteld en verbitterd; hij verlangde een priester die hem zegenen en ter wille zou zijn, niet een, die hem zijn plichten voorhield. De dwingeland werd al heftiger en gewelddadiger; maar de nieuwe metropolitaan hield niet af, hem met onuitputtelijk geduld en zachten ernst te vermanen en tot den goeden weg, dien hij verlaten had, terug te roepen. Eens, terwijl Philippus de mis bediende, trad de tsaar met zijne lijfwacht, allen in tartaarsche kleeding, de kerk binnen; de soldaten schaarden zich in het gelid, terwijl Iwan zelf het heilige der heiligen naderde. Philippus ging met de dienst voort, zonder op den tsaar acht te geven: een bojaar riep hem toe: "Het is de tsaar!"--"Ik ken den tsaar niet," antwoordde Philippus, "in zulk eene kleeding."--De tartaarsche muts, de tartaarsche zweep vertoonden zich overal in het openbaar; de tartaarsche soldaten der lijfwacht waren meester in de stad, waar zij zonder schroom de grofste buitensporigheden bedreven. Zij kenden geen eerbied voor het heilige, en gaven voortdurende ergernis door de minachting, waarmede zij de heilige beelden en relikwieën behandelden. Bij gelegenheid eener processie, merkte de metropolitaan een der hovelingen op, die onbeschaamd zijne tartaarsche muts op het hoofd hield. "Wie is die man," vroeg Philippus aan den tsaar, "dat hij met zijn tartaarsch gewaad dezen heiligen dag ontwijdt?" De hoveling nam haastig zijne muts af, en beweerde nu dat de metropolitaan hem valschelijk van oneerbiedigheid beschuldigd had.--Daar allen, die in verdrukking of zorgen verkeerden, tot den metropolitaan gingen om zijn raad en hulp te vragen, betichtten de bojaren hem dat hij het volk tegen den vorst opzette. Toen Iwan, in strijd met alle kerkelijke wetten, eene vierde vrouw genomen had, weigerde de metropolitaan dit huwelijk te erkennen, en vermaande hij den tsaar ernstiglijk zich van het heilig sakrament te onthouden. Iwan ging des ondanks naar de kathedraal, nam daar zijn zetel in, en zag somber voor zich heen. In plaats van op te houden, om hem te zegenen, zooals de gewoonte medebrengt, ging Philippus met de heilige dienst voort, tot een der hovelingen voor het altaar trad, hem onbeschaamd in het gelaat zag, en op spottenden toon toevoegde: "De tsaar vraagt uw zegen, priester!" Zonder op dien man te letten, wendde Philippus zich nu tot Iwan, op zijn troon gezeten: "Vrome tsaar," sprak hij zuchtend, "waarom zijt gij hier? In deze plaats brengen wij Gode een heilig en onbloedig offer." Iwan dreigde met woorden en gebaren. "Ik ben een vreemdeling en bijwoner op aarde, zeide Philippus; ik ben bereid voor de waarheid te lijden."
Dat lijden bleef niet uit. Van het altaar weggesleept, van zijne priesterlijke kleeding beroofd en in lompen gehuld, werd hij met roeden gegeeseld, op een slede geworpen, en door de straten rondgevoerd, beschimpt en gehoond door woeste soldaten, en straks in een der geringste kloosters van de stad, in een duisteren kerker opgesloten. De armen knielden in de straat als de slede voorbijging; aller oogen waren nat van tranen, en aller stem werd door snikken gesmoord. Philippus zegende hen, en sprak: "Treurt niet; het is Gods wil; bidt! bidt!" In den kerker geworpen en met ketenen beladen, niet enkel aan zijne enkels maar ook aan zijn hals, liet men hem zeven dagen en nachten zonder eten of drinken, in de hoop dat hij sterven zou. Een hoveling, die hem kwam bezoeken, zag, tot zijne verbazing, dat hij nog leefde en in het gebed verzonken was. Zijne vrienden en bloedverwanten werden gevangen en ter dood veroordeeld, om geen andere reden, dan omdat zij tot zijn geslacht behoorden en zijn naam droegen. Een bode van den tsaar trad Philippus' kerker binnen met deze boodschap: "Toovenaar, kent gij dit hoofd?"--"Ja, antwoordde de gevangene met van aandoening trillende stem, het is dat van mijn neef Iwan."--Dag en nacht schoolde de menigte samen voor de deur van het klooster, waar de eerwaardige bisschop gevangen werd gehouden, tot de tsaar, vreezende dat er een oproer zou uitbarsten, hem in het geheim naar een veiliger kerker in de stad Twer liet vervoeren.
Een jaar later, in 1569, trok Iwan met zijn leger naar Nowgorod om aan die stad zijn wraak te koelen. Daar herinnerde hij zich, hoe Philippus eenmaal bij hem ten voordeele van die stad had gesproken: en de tiran zond een zijner handlangers naar Twer om den bisschop te vermoorden. "Geef mij uw zegen," zeide de moordenaar, de cel binnentredende. "Doe het werk, waarvoor uw meester u gezonden heeft," antwoordde de heilige man: en de snoode daad was spoedig volbracht.
Het lijk van den martelaar bleef eenige jaren te Twer, en werd toen naar Solowetsk vervoerd. Daar rustte hij in het klooster tot het jaar 1660, toen, onder de regeering van Alexis, den vader van Peter den Groote, het fel geteisterde rijk door pest, hongersnood en buitenlandsche oorlogen werd bezocht. In die dagen van benauwdheid werd het lichaam van den heilige, met groote staatsie, naar Moskou gebracht, om door deze plechtige daad van openbare boete den toorn des hemels, wegens den gruwelijken moord, te verzoenen. De brief van den tsaar, waarbij de overbrenging werd gelast, werd in de kerk te Solowetsk overluid voor het graf van den martelaar gelezen; zijn lichaam werd nog ongeschonden gevonden, als op den dag der begrafenis; bij het openen der lijkkist, steeg daaruit, naar men zeide, een geur van bloemen op. Een groote processie van monniken en pelgrims trok met de kostbare relikwie van Archangel naar Moskou, waar Alexis den stoet aan de poort van het Kremlin opwachtte en naar de kathedraal geleidde. Daar werd het gewijde lichaam, op de plaats der eere, in een prachtige zilveren tombe ter ruste gelegd; en nog heden ton dage moet iedere keizer van Rusland, op den dag zijner kroning, voor deze tombe de knieën buigen en de heilige overblijfselen kussen.
XIX.
DE EMANCIPATIE.
Boris Godounoff, bloedverwant en opvolger van Iwan IV, gaf aan het beginsel der lijfeigenschap een wettigen vorm (1601). Een bekwaam en energiek man, oprechtelijk het welzijn van zijn land betrachtende, wilde Godounoff de verlaten steppen en de eenzame rivieroevers van zijn rijk zooveel mogelijk bevolken en ontginnen. Het lag in het minst niet in zijne bedoeling, den landman te benadeelen;--integendeel, hij wilde hem eene weldaad bewijzen en nuttig zijn. Het denkbeeld om den boer aan zijn grond te verbinden, kon toen inderdaad als eene groote en heilzame hervorming beschouwd worden; en na den raad zijner bojaren te hebben ingewonnen, koos de tsaar dan ook den feestdag van Sint-George, den patroon der vrije steden en van de oude Russen, voor de afkondiging van het edict, waarbij bepaald werd, dat voortaan ieder boer in het rijk den grond zou bezitten en bebouwen, dien hij op dat oogenblik bezat en bebouwde.
Tot op dien tijd koesterde men in Rusland, ten aanzien van grondeigendom, ongeveer dezelfde denkbeelden, die bijna overal in het Oosten worden aangetroffen. Van de golf van Venetië tot de kusten van Bengalen, gold ten aanzien van het grondbezit, ondanks velerlei wijzigingen, in verband met klimaat en nationaliteit en plaatselijke traditie, toch in het wezen der zaak overal hetzelfde beginsel. De wezenlijke eigenaar van den grond was overal, onder God, de vorst, hetzij dan de sultan, de shah, de mogol of de khan. De Russen, hunne vroegere nationale traditiën en gebruiken vergetende, droegen nu de rechten en aanspraken, die zij van de tartaarsche begs en khans ontvangen hadden, op hun overwinnenden vorst over. Iwan IV verdeelde toen den grond naar zijn welbehagen: hier stichtte hij dorpen voor landbouwers; daar schonk hij landen weg aan een woywode, wiens diensten hij beloonen wilde; elders kocht hij den vrede met een vijand, door eene schenking van wouden, akkers en vischwateren: in één woord, hij handelde ook in dit opzicht naar het voorbeeld van Batoe-Khan en Timoer. Iwan ging daarbij zoo onbesuisd en ondoordacht te werk, dat toen Godounoff den troon besteeg (1598), in alle provinciën eene overgroote menigte landgoederen geheel verlaten lagen, zonder bebouwd te worden; terwijl daarentegen gansche scharen van landbouwers geen duim gronds bezaten. De gezeten landbevolking had zich in zwervende horden opgelost; Godounoff wilde nu deze rustelooze zwervende bevolking aan vaste woonplaatsen verbinden, door aan iedere familie een persoonlijk en erfelijk aandeel aan den grond te geven. Het kwaad dat hij genezen wilde, was echt oostersch; hij paste ook een oostersch geneesmiddel toe. De Khans hadden juist hetzelfde gedaan; Godounoff gaf slechts aan hun stelsel meer uitbreiding en een nauwkeurig omschreven vorm, ten einde op die wijze eene grootere uitgestrektheid gronds in bebouwing te kunnen brengen.
Zeer waarschijnlijk werd, in dit jaar 1601, de feestdag van Sint-George, door bojaren en boeren met dubbele vreugde gevierd; zeer waarschijnlijk werd het edict, dat de lijfeigenschap in Rusland invoerde, als een heilzame en populaire maatregel, met algemeenen bijval begroet. Om dit goed te begrijpen, moeten wij steeds in het oog houden dat deze dusgenoemde lijfeigenschap in Moskovië, in beginsel en aanvankelijk, geen lijfeigenschap was;--dit woord, dat wij, bij gebrek van beter, gebruiken, geeft van de zaak een zeer onjuist denkbeeld. Het was hier geheel iets anders dan de eigenhoorigheid in Frankrijk of Engeland. Het gold hier eene kolonisatie op groote schaal. Niet enkel wijze staatkunde, maar ook vrijgevige edelmoedigheid was een der voornaamste drijfveeren van Godounoff's daden: millioenen bunders land, die tot het kroondomein behoorden, gaf hij aan zijn volk weg. De grond werd op zeer billijke voorwaarden aan den boer afgestaan. Hij moest echter op het hem aangewezen land blijven wonen, zijn akker bebouwen, zijne woning onderhouden, zijn hoofdgeld betalen, en in tijd van oorlog zijn land dienen. Het voornaamste offer, dat de boer bracht, in ruil voor zijn stuk grond was zijn zwervend leven.
Ten einde zich te vergewissen dat de lijfeigene--de krepostnoï, de aan den grond gebondene--trouw zijne verplichtingen nakwam, stelde de tsaar in iedere provincie eenige bojaren of woywoden tot opzichters of inspecteurs aan: een noodzakelijke, en toch een zeer noodlottige maatregel. Deze opzichter, een man van aanzien en gewicht, aldus tegenover den zwakke en weerlooze geplaatst, was in den regel geheel doordrongen van de tartaarsche denkbeelden en beginselen, waarin hij was opgevoed; en evenals de tsaar de plaats innam van den khan, zoo beschouwde de bojaar zich als den opvolger van den beg. Weldra slopen er allerlei misbruiken in; bovenal het gebruik van den knoet, dat de bojaar van den beg overnam; echter trof dit den lijfeigene niet in het bijzonder en als zoodanig, daar hij op dit punt met alle andere Russen gelijk stond. Ieder had, tot zeer onlangs, het recht dengene, die onder hem geplaatst was, te slaan. De tsaar sloeg den bojaar; de bojaar sloeg op zijn beurt den edelman van lageren rang; een kolonel schopte zijn kapitein, en de kapitein ranselde zijn manschappen. Dat gebruik van den stok geldt, door geheel het Oosten, voor een teeken van gezag; en een bojaar, die een boer met den knoet kon doen tuchtigen, omdat hij verzuimde zijn akker te bebouwen, zijn huis behoorlijk te onderhouden, of zijne belasting te betalen, zou welhaast meer dan een mensch moeten geweest zijn, indien hij zich niet in het eind als den wettigen heer van dien boer had beschouwd.
Dit lag echter volstrekt niet in de bedoeling der wet. Volgens de theorie, hield de boer zijn land in erfelijk leen van de kroon, evenals de bojaar zijn land van de kroon hield. Voorts werd tusschen de beide partijen, den edelman en den boer, onder den waarborg der wet, een contract gesloten betreffende het beheer en de exploitatie van een zeker landgoed, bestaande uit landerijen, wateren en bosschen, met de verschillende rechten, aan den eigendom verbonden--zooals het recht van visscherij, van de jacht, van vogelvangst, van tolheffing en dergelijke. Dit contract was voor beide partijen gelijkelijk verbindend, voor den edelman zoogoed als voor den boer. Mocht de lijfeigene zijn huis en hof niet eigenwillig verlaten, de heer mocht hem daar ook niet uitzetten; hij was verplicht zijn meester te dienen, maar hij mocht eigendom bezitten, dat hij door eigen vlijt en spaarzaamheid verworven had. Plaatselijk gebruik en de aangeboren ruwheid van zeden kenden den heer wel de bevoegdheid toe, den lijfeigene met boete en den knoet te straffen; maar de lijfeigene kon, tegenover dit geweld, troost putten uit de gedachte dat de akker, dien hij bebouwde, aan hem en aan zijne gemeente behoorde, krachtens een titel, die voor geen herroeping vatbaar was. Er is een versje, waarin de plichten en rechten van den boer tegenover zijn heer vrij nauwkeurig omschreven worden:
"Mijn ziel aan God, Mijn land is mijn; Mijn hoofd den Tsaar, Mijn rug is dijn."
Tot op de regeering van Peter den Groote werden de misbruiken steeds grooter en verderfelijker. De opzichter over de lijfeigenen werd gaandeweg hun heer en eigenaar. Wie zou ook, vooral in afgelegen gewesten, den lijfeigene, die nu inderdaad dien naam begon te verdienen, beschermen? Ik zelf was er eens getuige van, dat een boer door den oudste van zijn dorp tot den knoet veroordeeld werd, alleen op verzoek van twee heeren, die beweerden dat hij dronken was en hunne tarantasse niet besturen kon. De beide heeren waren zelf beschonken; maar de oudste kende hen, en hij dacht er zelfs niet aan, naar bewijzen voor hunne beschuldiging te vragen. Een boer, die door een heer wordt aangeklaagd, heeft noodzakelijk ongelijk. "God is te hoog, de tsaar te ver weg", zoo luidt het weemoedige spreekwoord der boeren. In deze noodlottige, bange tijden was de aangeboren ruwheid de letter der wet te sterk, en de lijfeigenen werden geslagen, uitgehongerd, mishandeld, gedeporteerd, verkocht: maar dat alles geschiedde in openbaren strijd met de wet.
Peter voerde eenige veranderingen in, die echter ondanks zijne goede bedoeling het kwaad verergerden. Hij verbood den verkoop van lijfeigenen, afgescheiden van het domein waarop zij woonden: een groote stap ten goede; maar hij verlamde de goede uitwerking van dien maatregel, door het aloude hoofd- of haardgeld te veranderen in eene soort van gemeenschappelijke belasting, waarvoor alleen de heer verantwoordelijk was, en die hij het recht had over zijne lijfeigenen om te slaan. Indien een meester met zulk eene macht bekleed geen engel is, loopt bij groot gevaar, erger dan een duivel te worden. Peter ontnam ook aan de godsdienstige broederschappen het recht, dat zij met de bojaren en edelen gemeen hadden, om lijfeigenen op hunne goederen te bezitten. De monniken hadden het bewijs geleverd, dat dit recht hun niet veilig kon worden toevertrouwd; en daar zij hunne landerijen bezaten krachtens een hooger titel, dan de wet kan geven, viel bet den lijfeigene van een klooster moeilijk, aan het denkbeeld vast te houden dat een gedeelte van den grond, dien hij bebouwde, inderdaad zijn eigendom was.
Catharina zette den strijd van Peter tegen tartaarsche kleeding, manieren, gebruiken en gewoonten voort; maar, evenals Peter, kwam ook zij in botsing met veel, dat inderdaad echt nationaal was. Het welzijn van haar volk lag haar inderdaad aan het hart; en het charter, dat zij aan den adel verleende, werd in Rusland de grondslag voor een welvarenden, welopgevoeden en verlichten middenstand. Zij vatte het denkbeeld op, om de lijfeigenen tot vrije pachters te maken. Zij ontsloeg de lijfeigenen, die aan kloosters behoorden, plaatste hen onder eene afzonderlijke jurisdictie, en vaardigde verschillende edikten uit, die de verhouding van den lijfeigene tegenover zijn heer moesten regelen en verbeteren. Maar ook deze maatregel bewerkte het tegenovergestelde van hetgeen daarbij werd beoogd: want de lijfeigenschap, die tot dusver eene plaatselijke instelling was, in de eene provincie bestaande, in eene andere, daaraan grenzende, niet;--zoo, bij voorbeeld, wel in de gouvernementen Moskou en Woronesh, niet in Kharkow en Kiew;--werd nu door de wet, die voor het gansche rijk geldende was, erkend en geregeld. De voorliefde van Catharina voor die zekere eenvormigheid, die ook in hare oogen voor orde gold, bracht er haar toe om ook de boeren van Lithauen en Klein-Rusland aan den grond te verbinden, zooals Godounoff de boeren van Groot-Rusland aan den grond verbonden had, door hun een woning en een akker te geven. Paul, haar zoon, ging op den ingeslagen weg voort, door het recht van den heer op den arbeid van den lijfeigene te beperken tot drie dagen in de week: eene bepaling die, hoewel zij nimmer werd uitgevoerd, toch de nagedachtenis van Paul bij de plattelandsbevolking in hooge eere deed blijven. Toch breidde ook Paul de lijfeigenschap uit, door de schepping van eene nieuwe klasse van lijfeigenen, die der apanage-boeren: dat wil zeggen zij, die op de goederen, als apanage aan de prinsen van den bloede geschonken, waren gevestigd, en dus aan de onderscheidene leden der keizerlijke familie behoorden, zooals de kroonboeren tot bet kroondomein.
Onder Alexander I trad deze moeilijke kwestie eene nieuwe phase in, door de vestiging eener klasse van vrije boeren: maar de oorlogen in zijne regeering lieten hem tijd noch gelegenheid om eene maatschappelijke omwenteling van zoo ingrijpenden en ernstigen aard tot stand te brengen; na verloop van weinige jaren verkeerden deze vrije boeren weder in denzelfden toestand als vroeger. Nikolaas was van nature weinig hervormingsgezind; de oude, streng behoudende geest leefde in hem; en hij breidde het stelsel van lijfeigenschap nog meer uit, door al de vrije boeren, kolonisten, mijnwerkers, houthakkers, onder het rechtstreeksch toezicht van den staat te plaatsen. Elke plattelandsbewoner, die geen eigen meester had, werd daardoor een kroonboer.