Het Vrije Rusland De Aarde en haar Volken, 1873

Chapter 15

Chapter 153,733 wordsPublic domain

Sint-George is de geliefde beschermheilige van alle takken van den slavischen volksstam, maar de Russen vooral wijden hem eene bijzondere vereering. De aan hem gewijde dagen behooren tot hunne voornaamste feestdagen: gelukkige dagen, waarop het goed is te koopen en te verkoopen, te huwen en verbintenissen aan te gaan, een huis te huren, een akker te pachten, een onderneming op touw te zetten. Twee dagen in het jaar zijn aan Sint-George geheiligd: de eerste dag der russische lente en de laatste dag van den herfst: dagen van vreugde en uitspanning voor allen, die van de opbrengst der kudden of van den akkerbouw leven. Op den eersten dezer beide dagen worden de stallen geopend: het vee gaat naar de weide; de herder neemt zijn staf ter hand; de boerenmeid maakt haar potten en pannen weder schoon. De tweede dag is een soort van oogstfeest: de arbeid van het jaar is geëindigd, de oogst is in de schuren geborgen, de kudden zijn weder in de stallen opgesloten. Maar Sint-George wordt door de stedelingen niet minder ijverig dan door het landvolk vereerd; zijn beeld prijkt op bet zegel der vrije steden en oude gemeentelijke republieken; en de figuur van den ridderlijken drakendooder was van ouds het symbool hunner grootvorsten en hunner tsaars. Dit beeld sierde de moscovische wapenschilden, eeuwen voor dat de dubbele arend in de russische banier eene plaats vond. Het was Iwan III--dezelfde, die een aanvang maakte met de vernietiging van de macht der bojaren en de onderwerping der vrije steden,--die den dubbelen arend tot het wapenteeken van Rusland maakte. Hij had dit zinnebeeld ontleend aan Byzantium; het werd een symbool van zijn autokratisch gezag, en voor velen van zijn volk een teeken dat de tsaar met zijn leger en zijne grooten zich aan den duivel had overgegeven. De donkere, roofzieke, verscheurende vogel was hun een zinnebeeld van den Booze, juist zooals de witte onschuldige duif voor het zinnebeeld des Heiligen-Geestes gold. Om aan de angstige bezorgdheid van zijn volk tegemoet te komen, werd Sint-George aan den arend toegevoegd: en sedert dien tijd prijkt de christelijke ridder op iedere russische banier en ieder russisch muntstuk.

Sint-George was de patroon van een landbouwend, vreedzaam volk; de beschermheilige van een vroom, welvarend en vrij land; en wat hij in vroegere tijden was, dat is hij nog in de nationale herinnering gebleven. Als de beschermheilige der krijgslieden, staat hij bij de vorsten en grooten niet minder hoog aangeschreven dan bij de landlieden. Peter de Groote liet het beeld van Sint-George op zijn zwaard graveeren; keizerin Catharina stichtte eene ridderorde, die zijn naam voert; en keizer Nikolaas bouwde te zijner eer een prachtig marmeren paleis. Het voornaamste aan hem geweide heiligdom is het groote klooster te Nowgorod, dat jaarlijks door duizende pelgrims bezocht wordt.

XVIII.

DE LIJFEIGENSCHAP.--IWAN IV EN SINT-PHILIPPUS.

De dusgenoemde lijfeigenschap in Rusland was geheel iets anders dan het stelsel van eigenhoorigheid, dat eeuwen lang in de verschillende landen van het Westen heeft bestaan. De woorden hoorige, villain, aldion, colonus, fiscal, homme de pooste, beteekenden, in de verschillende talen van westelijk Europa, een man, die niet zijn eigen heer was, maar aan een meester behoorde, en volgens de wet verplicht was, dezen, op zeer verschillende wijze en in zeer verschillende mate, te dienen; waar tegenover de heer gehouden was, hem te beschermen en recht te doen. In hoofdtrekken was deze verhouding overal dezelfde. De hoorige was doorgaans graver of houthakker, landbouwer of herder: ruw en hard als de grond, dien hij ontginnen, onontwikkeld en dierlijk, als het vee, dat hij hoeden moest. Ook de lijfeigene mocht zijn heer niet verlaten, en evenmin de woning of den akker, die hem was aangewezen. Daar stond tegenover, dat ook zijn heer hem bescherming schuldig was, en hem niet van den akker verjagen mocht; hoewel hij het recht had, hem te slaan, in de gevangenis te werpen, somwijlen zelfs te dooden, en den man met den grond waarop hij behoorde mocht verkoopen.--Maar hier houdt de gelijkenis tusschen den hoorige en den lijfeigene op. Het kwam nimmer iemand in de gedachte, de hoorigen te beschouwen als de eigenlijke eigenaars van de akkers, die zij bebouwden; en in geen enkel land ging de vrijmaking dezer klasse gepaard met een afstand van grondbezit. De russische lijfeigenschap had een geheel anderen oorsprong en ontstond door geheel andere omstandigheden. De groote emancipatie, waardoor keizer Alexander zijne regeering onsterfelijk heeft gemaakt, kan alleen recht begrepen en gewaardeerd worden, als wij ons rekenschap hebben gegeven van den waren aard dezer lijfeigenschap; en van de oorzaken, die tot hare vestiging hebben geleid.

In de bibliotheek van de Akademie van Wetenschappen te Petersburg toont men u een oud handschrift--het oudste, naar men zegt--van Nestors Kroniek, versierd met een aantal fraaie teekeningen en miniaturen, die tot opheldering van den tekst moeten dienen. Dit handschrift is bekend onder den naam van den codex van Radziwill. Nestor schreef hun boek te Kiew, ruim honderd jaren voor de inneming dier stad door Batoe-Khan; en de teekeningen in dezen codex geven u de oude Russen te aanschouwen in hunne kleeding, hunne wapenrusting, in hun huiselijk en openbaar leven. Waren zij nu, in dien ouden tijd Aziaten, met een mantel en een muts van schapenvacht? Volstrekt niet: de russische bojaar ging gekleed als een duitsch ridder; de russische moujik zag er niets anders uit dan een engelsche boer.

Ten tijde van Nestor waren de Russen een vrij volk, geregeerd hetzij door erfelijke hoofden, hetzij door verkozen overheden. Zij leefden rustig en vreedzaam van landbouw en handel; in de westelijke provinciën waren zij meest in steden gevestigd; in de oostelijke en zuidelijke streken, leefden zij voornamelijk in hutten en tenten. Nowgorod, Pskow en Hlynow waren vrije steden, met zelfgekozen magistraten: kleine republieken, zooals Florence en Pisa, Hamburg en Lubeck. In die dagen bestonden er geen lijfeigenen en dacht ook niemand aan de invoering van zulk een stelsel. Maar dit oude Rusland viel onder de macht der Mongolen. In den grooten veldslag aan de Kalka werd de kracht der natie verbroken: en honderd-tachtig jaren lang worstelde zij, in wanhopigen kamp, met de verpletterende overmacht; in die doodelijke worsteling werden hare velden verwoest, hare steden geplunderd, hare landlieden uit huis en hof verjaagd en naar de wouden en de steppen verdreven. Nog had zij zich niet van dezen geweldigen slag hersteld, toen Timoer-Beg met zijne heerscharen het land overstroomde: wel een man van hooger ontwikkeling dan Batoe-Khan, een geleerde, een kunstenaar, een staatsman: maar toch, in zijn gansche wezen en aanleg, een Oosterling, een Aziaat. Timoer voerde in Rusland de wet van Mekka in, benevens de kunst van Samarkand en de poëzie van Ispahan. Zijne begs en mirzas waren beschaafde ridderlijke mannen. In de door hem gestichte khanaten langs de Wolga en in de Krim heerschte een pracht, een weelde, een fijne toon en beschaving, die ge te vergeefs zoudt hebben gezocht aan de hoven der nationale vorsten te Moskou, te Kazan, te Twer. De vorsten en bojaren werden de leenmannen van den Khan der Tartaren in de Krim, bekend onder den naam van den Grooten-Khan; zij zwoeren hem trouw, betaalden hem een jaarlijksche schatting, en trachtten zich bij hem aangenaam te maken door hem in kleeding en wapenrusting na te volgen. De nederigste vazallen van dien Grooten-Khan waren de grootvorsten van Moskovië, die zich zelf zijne slaven noemden, en dit ook inderdaad waren. Zij hielden den stijgbeugel als hij voor zijn paleis te paard steeg, en gaven zijn ros te eten uit hunne tartaarsche mutsen; zij bootsten hem na in manieren en levenswijze, en noemden zich naar zijn naam. Hunne soldaten, die zij met zijne vergunning in het veld brachten, waren op tartaarsche wijze uitgerust en gewapend. Zij vochten voor hem tegen hun eigen land, en brachten de vrije republieken in het noorden, die onbereikbaar waren voor zijne ruiterij, onder het juk.

Deze slaafsche onderwerping van grootvorsten en bojaren aan den Grooten-Khan was een schrikkelijke ramp voor den armen landman, die voortdurend gevaar liep zijn akker te zien vernield, zijn huis in de asch gelegd, het kruis in zijn dorp ontwijd, door stroopende ruiterbenden. Want een tartaarsche Khan, ook al plantte hij zijn banier aan de oevers van een grooten stroom, als te Kazan, of in eene romantische vallei als de Baktshi-Seraï, bleef toch in zijn hart een nomade en een ruiter, wiens eigenlijke plaats de zadel, wiens geliefkoosde woning de tent was. De geringste aanleiding was voldoende om zijn bloed te doen koken; en wanneer hij eenmaal de voeten in de stijgbeugels had gezet, was het voor herders en dorpelingen een harde taak, om den stoot van zijne geweldige lans te keeren. Een wolk van vuur ging voor hem uit; rookende puinen en vertrapte akkers teekenden zijn bloedig spoor. Niemand kon met eenige zekerheid weten, dat hij oogsten zou wat zijne hand had gezaaid: was niet een oneerbiedig gebaar, een vrijmoedig woord van zijn vorst voldoende, om den vernielenden wervelwind der tartaarsche ruiterij over zijne akkers los te laten? Wat bleef hem dan anders over dan te vluchten? Kwam die plage nu jaar op jaar terug, dan verliet hij eindelijk zijne hut en zijn akker; nu eens werkende, dan weder bedelende, voorzag hij in zijn onderhoud; maar hij was en bleef een zwerver, aan geene vaste woonplaats gebonden. Soms werd hij een pelgrim, soms ook een herder, maar doorgaans niet anders dan een landlooper. Om zich met meer vrijheid en veiligheid te kunnen bewegen, nam hij de tartaarsche kleeding aan: hij wikkelde zich in een mantel van schapenvacht, met een gordel saamgebonden, en zette zich een muts van schapenvacht op het hoofd. Waarom zou hij zijn land beploegen, terwijl anderen de vracht zouden plukken of den rijpenden oogst vernielen? De russische boer werd een zwerver en vagebond om dezelfde redenen, waarom de fellah in Syrië een vagebond wordt, wanneer zijn oogst telken jare door de zwervende Bedouïnen wordt geroofd.

Toen Iwan IV, na van de tartaarsche begs de kunst van vechten en regeering te hebben geleerd, de khanaten van Kazan en Astrakhan veroverde, en den Grooten-Khan van Baktshi-Seraï durfde tarten, zag hij zich als onafhankelijk vorst geplaatst aan het hoofd van een land, rijk aan natuurlijke hulpbronnen van allerlei aard, maar met verwoeste velden, vernielde dorpen, eene verstrooide bevolking en onveilige wegen. Het land was wel niet ontvolkt, maar de landlieden hadden den zin voor en de gehechtheid aan eigen huis en haard verloren, en de moujiks trokken om van stad tot stad. Hier waren de arbeidsloonen buitensporig hoog, elders waren er handen te veel. De helft van het land, zelfs in de welvarende provinciën, lag braak; en geen jaar ging voorbij, zonder dat eene of andere landstreek door hongersnood en door de daarop volgende epidemische ziekten geteisterd werd. Aan dien toestand was geen einde te maken, tenzij dan een middel gevonden werd om de nu zwervende bevolking weder aan vaste woonplaatsen te binden.

De vraag, hoe dit geschieden kon, baarde, zeventig jaren lang, aan het hof in de Kremlin meer zorg en hoofdbreken dan de kerkelijke twisten, de tartaarsche invallen en de paleis-omwentelingen: hoewel in dat tijdvak van zeventig jaren, de Groote-Khan een gedeelte van Moskou in de asch legde, Dimitri, de wettige erfgenaam des troons, werd vermoord, en Boris Godounoff, de overweldiger, zich de kroon op het hoofd drukte. Iwan IV zelf deed wat hij kon om de boeren tot den terugkeer naar hunne verlaten hoeven en akkers te bewegen: hij schonk vele domeinen der kroon weg; hij liet voor zijn eigen rekening dorpen bouwen; bedreigingen, vleiereien, beloften, straffen, geweld--niets werd gespaard om zijne onderdanen tot orde en geregelden arbeid te dwingen. Ofschoon deze hervormer ook nooit het woord lijfeigene (krepostnoi, een gebondene) gebruikte, is hij niettemin de wezenlijke stichter van dat stelsel van russische lijfeigenschap, dat thans tot het verledene behoort.

In de prachtige zaal van het Kremlin, de schatkamer van Moskou genoemd, ziet men een schitterend uitgedoste en geheel gewapente ruiterfiguur, een bojaar uit den tijd van Iwan IV voorstellende. Wapens, kleeding, sieraden, in één woord de geheele uitrusting is die van een mirza of tartaarschen edelman; de inscriptie op het uitgetogen damasceensche zwaard meldt den vromen rechtgeloovigen Rus, dat er maar één God, en dat Mohammed zijn profeet is! Toch is het beeld wel waarlijk dat van een bojaar uit de tijden van Iwan IV.

Onder de lange reeks van russische souvereinen is er misschien geen, wiens leven en karakter zooveel raadselachtigs heeft als dat van dezen Iwan IV. Ondanks zijne vele wreedheden en gruweldaden, wordt hij door zeer vele geschiedschrijvers toch als een bekwaam hervormer en een vaderlandslievend vorst geroemd: en inderdaad moet de onpartijdige kritiek hem in menig opzicht prijzen. Hem danken de Moskovieten hunne verlossing van het tartaarsche juk; hij was het, die het koningrijk Kazan, Siberië en het khanaat van Astrakhan veroverde en bij zijn rijk voegde. Langs al zijne grenzen deed hij de Halve-Maan zwichten voor het Kruis. Met Zweden en Polen voerde hij een niet onvoordeeligen, dikwijls zelfs schitterenden oorlog. Hij stelde zijn land open voor den buitenlandschen handel; hij bouwde havens langs de kusten der Oostzee, der Kaspische- en der IJszee. Hij voerde in zijn rijk allerlei hervormingen en verbeteringen in. Hij liet drukkers komen van de boorden van den Rijn, en liet de Handelingen der Apostelen in de landtaal uitgeven. Hij ontbood bekwame geneesheeren uit Frankfort, ervaren werklieden in hout en metaal uit Londen. In de stad Wologda liet hij door scheepstimmerlieden schuiten en vlotten vervaardigen, waardoor hij eene gemakkelijke gemeenschap met de zee kon onderhouden. Hij riep de voornaamste edelen en aanzienlijkste burgers tot een soort van parlement te zamen, om met hen maatregelen te beramen tot bevordering van het algemeen belang. De overleveringen en overgeërfde gebruiken, die tot dusverre bij de rechtspleging als richtsnoer hadden gediend, werden op zijn bevel in een wetboek bijeengebracht en geordend. Hij verbood de bedelarij in zijn rijk, hervormde de geestelijkheid, en liet eene voor allen geldende belijdenis des geloofs vaststellen.

Iwan was een woestaard, maar hij was ontegenzeggelijk populair; hij was vreeselijk en geducht, maar voornamelijk voor de aanzienlijken en de rijken. Als een echte tartaarsche Khan, aarzelde hij nooit, ten behoeve zijner hervormingen, geweld en onrecht te plegen; hij leide den bojaren en kooplieden willekeurige schattingen op, maar liet op zijne kosten dorpen en woningen voor de boeren bouwen; hij vernietigde de onafhankelijkheid der vrije steden, maar schonk aan duizenden armen woning op de gronden van den staat. Hij brak de macht van den adel als heerschenden stand, en stelde, in de plaats der vorsten en bojaren, regeeringsbeambten aan; hij regeerde door middel van den knoet, maar trachtte ook te regeeren door middel van de drukpers; hij verwoestte Nowgorod en Pskow, maar bouwde ook eene menigte kerken, dorpen en heiligdommen. Zoowel door natuurlijken aanleg als uit staatkundige berekening, was hij een groot bouwer: hij vond een rijk van hout en boomstammen, en wilde aan zijn zoon een rijk van steenen huizen nalaten. Niet minder dan veertig steenen kerken en zestig steenen kloosters verrezen op zijn bevel. Hij bouwde de merkwaardige kerk van Sint-Wassili, nabij den muur van het Kremlin, en wijdde die aan den heiligen patroon zijns vaders. Naar men zegt, stichtte hij honderdvijftig sterke kasteelen, en meer dan driehonderd gemeenten.

Wenschende zijn volk te beschaven en aan vaste woonplaatsen te gewennen, bootste de hervormer zooveel mogelijk de instellingen en gebruiken na der tartaarsche landen, die hij aan zijn schepter onderworpen had. Kazan en Baktshi-Seraï waren vrij wat prachtiger en rijker steden dan Wladimir en Moskou; en de armste mirza aan het hof van den Grooten-Khan was veel schitterender uitgedost en veel beter gewapend dan de aanzienlijkste bojaar aan Iwans hof.

Iwan begon zijn hervormingswerk door zijn rijk in twee deelen te verdeelen: een daarvan bleef onderworpen aan zijn persoonlijk bestuur; het andere werd in zijn naam geregeerd door stadhouders, met dezelfde macht bekleed als de tartaarsche begs. Hij richtte een staand leger op, destijds bijna het eenige in Europa, dat hij wapende en uitrustte naar tartaarsche wijze. Hij vormde zich een bijzondere lijfwacht, die de tartaarsche tafia droeg, een hoofddeksel dat geen Christenmensch in zijne staten zich veroorlooven mocht te dragen. Evenals de Groote-Khan richtte hij een gedeelte van zijn paleis tot harem in, en sloot daar zijne vrouwen en dochters op, die zich niet in het openbaar mochten vertoonen; tevens werd de toegang tot zijn hof ten strengste aan alle vrouwen verboden. Zijne vorsten en bojaren volgden zijn voorbeeld; en het duurde niet lang, of iedere eenigszins aanzienlijke woning had een harem, en de afzondering der vrouwen was te Moskou niet minder streng dan te Bokhara of te Bagdad.

Deze gewoonten bleven in stand tot op den tijd van Peter den Groote. Het rijk werd geregeerd door provinciale begs of stadhouders, onder den naam van bojaren en woywoden; het leger was gekleed en gewapend als de turksche troepen; en de vrouwen waren in de harems opgesloten, evenals de odalisken van den sultan. Peter schafte deze tartaarsche zeden en gebruiken af; hij opende den keizerlijken harem, vertoonde zich met de Tsarin in het openbaar, en noodigde de dames uit, weder aan het hof te verschijnen. Toch is er in het russische leven, bijzonder ten platten lande en in de kleine steden, nog iets van die muzelmansche gewoonten overgebleven. Evenals iedere aanzienlijke woning haar eigen harem had--het vrouwenverblijf, dat door geen vreemdeling mocht betreden worden; zoo had elke aanzienlijke familie ook eene afzonderlijke begraafplaats voor hare vrouwelijke leden. Sommige van deze oude begraafplaatsen, zijn in kloosters herschapen, nog tot heden in stand gebleven; bijvoorbeeld Novo-Devictchie, het jonkvrouwenklooster, in eene der voorsteden van Moskou, en het klooster der Hemelvaart in het Kremlin, nabij de Heilige-poort: dit laatste was bijkans twee eeuwen lang, van den tijd van Iwan den Verschrikkelijke tot op Peter den Groote, de begraafplaats der Tsarinnen.

Iwan verstond uitnemend de kunst om, door allerlei listen en intriges, verdeeldheid te zaaien tusschen zijne hertogen en bojaren; en wanneer de twist dan eindelijk zoo hoog geloopen was, dat de beide partijen elkander beschuldigden, maakte hij behendiglijk daarvan gebruik om beiden ten verderve te brengen. Langzamerhand wist hij de adellijke geslachten van al hunne historische rechten en privilegiën te berooven; hij dwong zijne grooten, gunsten en voorrechten van hem, als zijne slaven, te ontvangen. De mannen, die hij om hun rang en invloed in het openbaar moest ontzien, zond hij, schijnbaar met gewichtige zendingen, naar verwijderde landstreken; op die wijze de personen, die hij gevaarlijk achtte, door een soort van ballingschap onschadelijk makende. De macht zijner hertogen werd geknot; de schatten zijner bojaren werden verbeurd verklaard. Het getal der vorsten was te groot, om ook hen onder het juk te brengen: want ten tijde van Iwan was er onder de drie ingezetenen van Moskou althans één, die den titel van vorst droeg; en het was niets zeldzaam, deze vorsten de nederigste diensten te zien verrichten. Van de aloude hertogelijke dynastiën waren er maar enkelen, die zijne regeering overleefden: slechts de Narishkins, de Dolgourouckis, de Galitzins en nog ettelijke anderen ontkwamen aan den ondergang; en deze doorluchtige, historische familiën zien nog heden met zekere voornaamheid op de regeerende keizerlijke dynastie neder. De Narishkins zijn door huwelijken aan het huis van Romanoff verwant. Een lid dezer familie, wien de titel van keizerlijke hoogheid werd aangeboden, sloeg dit aanbod af, en sprak op trotschen toon tot zijn souverein: "Neen, sire: ik ben een Narishkin."--Toen Peter Dolgouroucki vernam, dat de keizer hem van den vorstelijken rang vervallen had verklaard, ontzag hij zich niet aan zijne, majesteit te schrijven: "Hoe kunt gij mij vernederen? Kunt gij mij mijne voorouders ontnemen, die grootvorsten van Rusland waren, toen de uwe nog niet eenmaal graven waren van Holstein-Gottorp?"

Moskou werd geregeerd als een tartaarsch kamp. De soldaten van Iwans lijfwacht zwierven door de straten, met hunne tartaarsche mutsen op het hoofd, en mishandelden de ingezetenen, zonder onderscheid van rang of stand, bojaren zoo goed als burgers, moujiks en boeren, als hadden zij te doen met lieden van een anderen stam en een ander geloof. Zij plunderden de huizen, zij voerden de vrouwen weg, zij vermoordden de mannen: in één woord, zij bedreven zoo groote buitensporigheden, dat een vreemdeling, die een troep dezer soldaten in de tartaarsche wijk of onder de muren van het Kremlin ontmoette, niet anders denken kon, dan dat de stad ter plundering aan de soldaten was prijs gegeven.

Dit streven om het rijk, naar tartaarsche beginselen en op tartaarsche wijze, te hervormen, lokte een hevigen tegenstand van de zijde der kerk uit; de patriarch Athanasius trok zich terug; Germanus werd afgezet en Sint Philippus vermoord, ter zake van hun verzet tegen den tsaar. Sint-Philippus was de martelaar van Rusland; hij viel als het slachtoffer van den onverschrokken moed, waarmede hij de traditiën van zijn land en zijne kerk verdedigde tegen den tsaar, die alles naar zijne tartaarsche denkbeelden wilde dwingen. Wanneer ge ook de groote kathedraal der Hemelvaart te Moskou bezoekt, steeds zult ge eene menigte mannen en vrouwen, in eerbiedige aandacht, geknield vinden voor een prachtig zilveren monument. Het is het graf van Sint-Philippus, martelaar en heilige; en steeds verdringt zich de schare om de relikwiën van den heilige te kussen. De moord van dezen man is een dier nationale misdaden, die door eene eeuwenlange boete niet worden verzoend en uitgewischt. De boeteling bidt en vast in zijn naam; ontsteekt te zijner eere zijne kaarsen; en zucht en smeekt, neergebogen voor zijn graf, als zocht hij vergeving voor een persoonlijk vergrijp.

De strijd tusschen Philippus en Iwan, tusschen de christelijke kerk en den tartaarschen despoot, beslaat zeker een van de roemrijkste bladzijden in de geschiedenis der kerk van Rusland. Slaan wij die bladzijde even op.

In den eersten tijd der regeering van Iwan IV (1539) landde een pelgrim, armoedig gekleed en zonder geld, maar van een innemend voorkomen, aan het klooster te Solowetsk. Hij kwam daar om te bidden: maar na eene korte pooze op het eiland vertoefd te hebben, legde hij de gelofte af en werd monnik. Onder den naam van Philippus leefde hij negen of tien jaren lang in zijne eenvoudige cel. De monniken, zijne broederen, bespeurden echter wel, dat er achter dat armelijke voorkomen een of ander geheim school: zijne geleerdheid, zijne manieren: alles deed in hem den man vermoeden, die tot de hoogste rangen der maatschappij behoorde. Maar de nederige broeder bewaarde over zijn vroeger leven een diep stilzwijgen. Negen jaren na zijne intrede in het klooster kwam de prior te sterven, en hij werd met algemeene stemmen tot die waardigheid verheven.