Het Vrije Rusland De Aarde en haar Volken, 1873

Chapter 13

Chapter 133,673 wordsPublic domain

Daar is echter eene keerzijde. Vooreerst zijn de afzonderlijke leden der gemeente te zeer aan de willekeur hunner medegenooten overgeleverd, die van hunne macht bijwijlen erg misbruik kunnen maken. Ook voeden en onderhouden deze gemeenten een geest van bekrompen particularisme: zij maken scheiding tusschen dorpen en steden, tusschen standen en beroepen, en geven voet aan de gevaarlijke dwaling, dat er een staat in den staat kan zijn. Geheel in zijne eigene republiek levende en zich daarin als verliezende, is de boer maar al te zeer geneigd, den stedeling als een wezen van lager rang te beschouwen, die onder eene andere bedeeling leeft, en aan een ander gezag gehoorzaamt. Want in waarheid bestaat er tusschen zijne inzettingen en wetten en die der burgers van de naburige stad, een zeer groot verschil.

XVI.

DE STEDEN--KIEW.

De steden hebben met de verdeeling van het land in kantons en distrikten niets te maken; zij staan geheel op zich zelf, en worden naar gansch andere beginselen en door andere wetten bestuurd. De burger eener stad heeft het recht, dat een boer niet heeft, om vrijelijk handel te drijven en een of ander bedrijf uit te oefenen; hij mag lid worden eener broederschap of zich in een gilde doen opnemen; maar hij is al evenzeer aan zijn bedrijf gebonden als de landbouwer aan den hem toegewezen grond. Zijne woning is dikwijls uit planken getimmerd, zijne straten zijn met hout geplaveid; maar die woning is groen of rooskleurig geschilderd, en die straten zijn ruim en netjes onderhouden. De stad is niet vrij, en heeft niet het recht, zich zelf naar eigen inzettingen te besturen: zij staat rechtstreeks onder het gezag der regeering; het dorp is eene kleine republiek, de stad is een onderdeel van het rijk en als zoodanig aan de algemeene rijkswet ondergeschikt.

Met uitzondering van vijf of zes groote hoofdsteden, vertoonen alle russische steden volkomen hetzelfde karakter; en wanneer ge, in verschillende deelen des rijks, er twee of drie gezien hebt, dan kent gij ze alle. Neem welke stad van den tweeden rang gij wilt, in de gansche uitgestrektheid van Groot-Rusland, en overal zult gij hetzelfde vinden. Tien tegen een, dat de stad aan eene rivier ligt: dan zijn altijd de eerste voorwerpen, die uwe aandacht trekken, een klokketoren, een gevangenis, een vischmarkt, een bazar en eene kathedraal. Langs den oever, boven en beneden de stad, verrijzen kloosters. Eene schipbrug verbindt de beide oevers; en voor de eigenlijke stad ligt eene armoedige voorstad. De haven is opgevuld met schuiten en vlotten; de eerste brengen visch, de andere hout aan. Welk een drukte en beweging op de kaai! Hoe ernstig, hoe smerig, hoe armoedig zien al deze lieden er uit. Hun droefgeestige ernst is een gevolg van het klimaat; hunne smerigheid herinnert u dat gij het Oosten nadert. Zij hebben het niet ruim: de mindere man eet niet veel vleesch: zelfs op gewone dagen, als hij niet behoeft te vasten, bestaat zijn maaltijd uit een stuk roggebrood en stokvisch. Zie, wat hij al niet doen wil om een kopek machtig te worden. Een russische werkman is iemand met wien ge gaarne te doen hebt: altijd gewillig en vol goeden moed; steeds gereed om u genoegen te doen; beleefd en voorkomend: maar ge kunt er nooit op rekenen dat hij zijn woord zal houden. Van de waarde van den tijd heeft hij geen flauw begrip; en als hij beloofd heeft, u tegen tien uur in den morgen uw jas te zullen zenden, moet ge u volstrekt niet verwonderen, zoo ge dien eerst tegen elf uur des avonds krijgt. Ge kunt hem met geen mogelijkheid aan het verstand brengen, dat dit verkeerd is.

Een sterke, onaangename lucht van olie en zout, van fruit en azijn, van afval en visch komt u tegen, zoodra ge de markt betreedt. De voornaamste handelsartikelen zijn brood, zout, visch, aardewerk, tinnen schotels, spijkers en heiligenbeelden. De straat is bijna één groote modderpoel, waarboven hier en daar enkele groote steenen uitsteken. Het kost moeite, vooruit te komen; natuurlijk valt er niet aan te denken, uwe laarzen schoon te honden.--De vischvrouwen zijn forsche, kloeke gestalten, die er, in haar overjas van schapevellen en haar wijden broek van hertsleder, geheel als mannen uitzien, en bezwaarlijk van hare echtgenooten zouden zijn te onderscheiden, indien deze laatsten geen baarden hadden, waaraan iedere man in Rusland te herkennen is.

Van de winkels in den bazar ziet ge niet veel meer dan donkere openingen in den muur, die eene sterke gelijkenis vertoonen met de oude moorsche winkels te Sevilla en te Grenada; de koopman staat voor zijn toonbank, en maakt u opmerkzaam op zijn armoedigen voorraad van platen en snuisterijen, zijn potten en pannen, zijn heiligenbeelden, zijne kandelaars en zijn pakken speelkaarten. Na tarwebrood en zoute visch, zijn heiligenbeelden en speelkaarten de meest gezochte artikelen; want in Rusland is ieder even ijverig bij het kaartspel als bij het gebed: allen spelen, de edelman in zijn club, de koopman in zijn winkel, de bootsman in zijn vaartuig, de pelgrim onder het kruis langs den weg. De hartstocht voor het gebed en die voor het spel zijn misschien voor een deel uit dezelfde oorzaak te verklaren, namelijk uit een zeker bijgeloovig vertrouwen op de macht van het onzienlijke, van het bovennatuurlijke en toevallige, van hetgeen aan de gewone menschelijke berekening ontsnapt. Bijna iedereen in Rusland speelt boven zijn vermogen; en het is volstrekt geen zeldzaamheid dat een gezeten burger de speeltafel niet verlaat, dan na eerst zijn geld, dan zijn laarzen, zijn muts, zijn kaftan, in één woord zijn gansche kleeding tot zijn hemd toe, te hebben verspeeld. Spel en sterke drank zijn voor een Rus twee onwederstaanbare verzoekingen.

Maar hoezeer deze spelers ook in hun spel verdiept mogen zijn, dadelijk werpen zij toch hunne kaarten neder, nemen hunne mutsen af en vallen op hunne knieën, wanneer de priester, met zijn heiligenbeeld en zijn kruis, nadert. Het is marktdag in de stad, en de pope is op weg naar den een of anderen nieuw geopenden winkel in den bazar; dien hij zegenen moet. Zulk een wijding is eene zeer eigenaardige plechtigheid, vol aantrekkelijke, roerende poëzie. De pope, vooraf gewaarschuwd, bepaalt den dag en het uur, zoodat de vrienden en buren gelegenheid hebben, de plechtigheid bij te wonen. Is het oogenblik nu gekomen, dan neemt de priester zijn kruis van het altaar; een koorknaap ontsteekt den wierook; en voorafgegaan door een voorlezer en diaken, gaat de priester naar de woning, tusschen twee rijen van knielende mannen en vrouwen, waarvan de meesten hem, opstaande, volgen, ten einde bij de inzegening tegenwoordig te zijn.

In het huis of den winkel gekomen, reinigt de priester eerst het vertrek door het uitspreken van een formuliergebed; dan zegent hij den eigenaar of bewoner, en wijdt eindelijk het gebouw door op de eereplaats het beeld op te hangen van den patroon des bewoners, zoodat voortaan niets in deze woning geschieden kan, dan onder het oog en als in tegenwoordigheid van dien beschermheilige. Hoe weinig beteekenend ook als kunstwerken, oefenen toch deze beelden een machtigen invloed uit. Niet ver van Tambow woonde eene oude dame, die hare eigenhoorigen met zeldzame hardvochtigheid behandelde, tot eindelijk de ongelukkigen, door voortdurende mishandelingen tot wanhoop gedreven, op zekeren nacht in hare kamer drongen, en haar aankondigden dat zij sterven moest. Van haar bed springende, greep zij haastig het heilige beeld, dat aan den wand hing, en hield dit haar aanvallers voor, hen uittartende om de Moeder Gods te slaan. Van ontzag bevangen, lieten zij hunne knuppels zakken en vloden uit het huis. De onvoorzichtige vrouw, door deze zegepraal verblind, hangt nu het beeld weder aan den muur, slaat haar overkleed om, en gaat naar buiten, haar lijfeigenen achterna;--en deze, ziende dat zij haren talisman niet meer bij zich heeft, vallen met luid geschreeuw op haar aan en dooden haar.

Bij eene wandeling door de stad, kunt ge niet nalaten getroffen te worden door het groote aantal drankwinkels en de menigte beschonkenen, die gij ontmoet. De tegenwoordige keizer heeft den brandewijn--waarvan de verkoop een staatsmonopolie is--met water doen aanlengen, en den prijs van een glas op vijf kopeks in plaats van vijftien bepaald. Die verandering valt niet in den smaak der echte drinkebroers, die hun aangelengden brandewijn minachtend dechofka--een koopje--noemen; maar eenvoudiger zielen zijn den tsaar dankbaar voor zijne gave. "Is hij niet goed, onze tsaar, zeggen zij, dat hij ons drie glazen geeft voor hetzelfde geld als vroeger een glas kostte?"--Toch, hoe slap hij wezen moge, is eene betrekkelijk kleine hoeveelheid brandewijn voldoende om den Rus van de been te helpen; want zijn maag is leeg, zijne zenuwen zijn verslapt, en zijn bloed is arm. Ware hij beter gevoed, dan zou hij minder behoefte aan prikkelende dranken hebben. Gelukkig zijn de Russen, als zij dronken zijn, over het algemeen niet twistziek; zij lachen en zingen, en hebben eene onweêrstaanbare behoefte elkander te omhelzen, wat meermalen tot dwaze tooneelen aanleiding geeft.

De oudste en voornaamste steden van Rusland, hare heilige plaatsen en metropolen, lang voordat het Kremlin aan de oevers der Moskowa, of het Winterpaleis aan de boorden der Newa verrees; hare gewijde en door de dichterlijke legende verheerlijkte steden, zijn nog altijd Kiew en Nowgorod: de eerste de grondzuil van haar geloof, de andere van haar wereldlijke macht. Te Kiew verheft zich de vergulde koepel, die nog altijd getuigt van de bekeering van Rusland tot de Kerk van Christus; in het Kremlin van Nowgorod prijkt de bronzen groep, opgericht bij de gedachtenisviering van het duizendjarig bestaan des rijks.

Kiew, de oudste russische bisschopszetel, ligt niet in eigenlijk Rusland, en verschillende geschiedschrijvers hebben haar, niet geheel ten onrechte, als eene poolsche stad beschouwd. De inwoners zijn Ruthenen, en de stad zelf was eeuwen lang eene schitterende parel in de kroon der Jagellonen. De vlakte, die zich, onafzienbaar ver, voor de poorten van Kiew uitstrekt, is de steppe van Ukraine, het vaderland der Kozakken: het land der hetmannen en van Mazeppa, rijk aan dramatische legenden, aan hartstochtelijke liederen, ter eere der vrijheid en van het wilde nomadenleven. Het volk behoort tot den poolschen stam, en de zeden zijn poolsch. Toch staat hier de bakermat dier kerk, die geheel het maatschappelijk en huiselijk leven in Rusland naar haar beeld gevormd, van haar geest doordrongen heeft.

De stad bestaat uit drie wijken of liever drie afzonderlijke steden: Podol, Vitch-Gorod en Petchersk. Alle drie zijn opgevuld met kantoren, magazijnen, bureaux, winkels, kloosters; maar toch is Podol meer bepaaldelijk de zetel van den handel en de nijverheid; Vitch-Gorod is de officiëele wijk, waar de regeeringscollegiën zijn gevestigd; Petchersk is de heilige stad, het doelwit der pelgrims. Deze drie steden verheffen zich op eene steile hoogte, aan den oever van den Dnjeper; zij tellen eene bevolking van ongeveer zeventig duizend zielen, en bevatten, in twee verschillende heiligdommen, de stoffelijke overblijfselen van dien heidenschen Grootvorst, die sedert haar voornaamste heilige is geworden.

Kiew is eene stad van legenden en wondervolle gebeurtenissen. Wat al herinneringen dringen zich hier aan uwe geest op: de prediking van Sint-Andreas, de teedere vroomheid van Sinte-Olga, de bekeering van Sint-Wladimir, de inval der Mongolen, de poolsche overheersching, de herovering en bevrijding door Peter den Groote. De omliggende provinciën zijn niet minder rijk in geschiedkundige herinneringen. De Ukraine, het vaderland van Mazeppa en Gonta, weet te verhalen van stroop- en plundertochten, van vijandelijke overvallen en verrassingen, van geplunderde steden en geblakerde woningen, van blijde zegetochten en van overhaaste vlucht. Elk dorp heeft hier zijne eigene legende; iedere stad haar eigen heldenzang van liefde en krijg. Het geheele land is vol herinneringen, leeft als 't ware een eigen romantisch leven. Hier, waar die kapel verrijst, werd een grootvorst vermoord; deze heuvel is de grafstede van eene tartaarsche horde; op gindsche vlakte werd een veldslag tegen de Polen geleverd. De mannen zijn krachtiger en opgewekter; de huizen zijn beter gebouwd, en de velden beter bearbeid, dan in het oosten en noorden. De muziek is levendiger, de brandewijn sterker, de liefde vuriger, de haat onverzoenlijker, dan elders in het groote rijk.

Evenals alle steden van zuidelijke Rusland, viel ook Kiew in de macht van Batoe-Khan, den mongoolschen veroveraar, en zuchtte eeuwen lang onder de ijzeren roede der aziatische begs. Deze begs waren afgodendienaars; en onder hunne heerschappij moesten de kinderen van Sint-Wladimir bittere beproevingen ondergaan: maar Kiew mag er zich op beroemen dat zij, ook in de donkerste dagen der vervolging, in haar nederige kerken en onderaardsche katakomben, het heilige vuur des geloofs voor volslagen vernietiging heeft bewaard.--Aan den voet van twee hooge heuvels, op drie mijlen afstands van Vitch-Gorod, waar Wladimir zijn harem bouwde en een standbeeld oprichtte ter eere van zijn heidenschen afgod, hadden eenige christelijke kluizenaars, Antonius, Feodosius en hunne volgelingen, zich in de rots cellen en woningen uitgehouwen, waar zij jaren lang een godzalig leven leidden en als heiligen stierven. De plaats waar deze onderaardsche woningen werden aangelegd, ontving den naam van Petchersk naar het woord petchera, dat kelder beteekent. Mettertijd verrezen twee kloosters boven die cellen, waar de vrome kluizenaars hadden geleefd; die kloosters werden aan Antonius en Feodosius gewijd, nu de beschermheiligen van Kiew geworden, en weldra alom vereerd als de vaders van allen, die in Rusland het kloosterleven omhelzen.

Met graszoden belegde en met boomen beplante glooiingen scheiden het eerste klooster, dat van Antonius, aan de eene zijde van de oude stad, en aan de andere zijde van het klooster van Feodosius. De beide groote kloosters, in een edelen stijl gebouwd, behooren wel tot de schoonste en statigste bouwgewrochten in oostelijk Europa. Vergulde koepels en torens verheffen zich boven ieder heiligdom; de muren zijn beschilderd met tafereelen uit de levens der heiligen. De grond zelf is hier heilig. Meer dan honderd kluizenaars sluimeren in de katakomben; en onder den grond, in al de vele nissen in den donkeren muur, rusten heiligen, wier lichamen, naar het zeggen der monniken, onverderfelijk zijn. In het klooster van Sint-Antonius toont men u den schedel van Sint-Wladimir: dat wil zeggen, een stuk fluweel, waarin zijn hoofd gewikkeld is. Men verzekert u, dat de huid nog ongerimpeld, de spieren nog veerkrachtig, het geheele hoofd nog ongeschonden en welriekend is. Het is natuurlijk voor een vreemdeling niet wel mogelijk, zich van de waarheid dezer bewering te overtuigen: hetzij ten aanzien van het hoofd van Sint-Wladimir, hetzij ten aanzien der honderde lijken, die in de onderaardsche gangen en gewelven worden bewaard. Ge bekomt toch niets anders te zien, dan een lijkkist, een fluweelen kleed en een opschrift in het Slavonisch; alles hangt dus af van de mate van geloof, die gij medebrengt. Vijftig duizend pelgrims, voornamelijk Ruthenen uit de volkrijke provinciën Podolië, Kiew en Wolhynië, trekken iederen zomer in bedevaart naar deze heilige plaatsen.

Toen Kiew het juk der Tartaren had afgeschud, maakten de wisselvallige kansen van den oorlog haar tot eene poolsche stad, in plaats van eene moskovische, zooals zij eigenlijk was. Losgerukt van den oostelijken tak van den grooten slavischen volksstam, werd zij bij den westelijken ingelijfd. Nooit was Kiew russisch geweest, zooals Moskou russisch was; eene ruwe, barbaarsche stad, met eene bevolking van handelaars en boeren, en de zetel van een half tartaarsch hof; en nu zij dus in rechtstreeksche verbinding met het Westen werd gebracht, werd zij gaandeweg een tweede Praag. Eeuwen lang kweekte zij in haar schoot de kunsten en wetenschappen der westersche beschaving; en toen zij door Peter den Groote weder met Rusland werd vereenigd, was zij niet alleen de schoonste parel in zijne kroon, maar ook een vereenigingspunt voor alle takken en afdeelingen der groote slavische nationaliteit.

Geen andere binnenlandsche stad van Rusland is zoo schilderachtig en zoo gunstig gelegen. Van haar hooge heuvelen overziet zij de wijd uitgestrekte steppe, en beheerscht zij den statigen, koninklijken stroom. Zij is de hoofd- en havenstad van de Ukraine; zij raakt Polen met haar rechter-, Rusland met haar linkerhand; zij steunt tegen Gallicië en Moldavië, en keert haar aangezicht naar Servië en Bulgarije. Zij is, als het ware, een kort begrip der geheele Slavische wereld. Haar bevolking bestaat voor een derde uit Moskovieten, voor een derde uit Russen, voor een derde uit Polen; zij herbergt in haar schoot de belijders der orthodoxe kerk, benevens katholieken en Vereenigde-Grieken. Meer dan eenige andere stad in Europa, zou Kiew aanspraak hebben op den rang van hoofdstad van het groote Slavische rijk, wanneer de droom van het Panslavisme immer voor verwezenlijking vatbaar was.

Op dit oogenblik schijnt die verwezenlijking verder verwijderd dan ooit. Tot voor korten tijd vormden de panslavistische droomers eene afzonderlijke partij in den staat; en nog op dit oogenblik hebben zij aan het hof vermogende vrienden. Hun leus is, Panslavonië voor de Slavoniërs; of liever, de verschillende stammen van den grooten slavischen stam,--één staat, onder één hoofd: de slavische eenheid alzoo. Twee jaren geleden, riepen de leiders van deze partij te Moskou een congres bijeen, waarop zij in de eerste plaats hunne landgenooten uitnoodigden, van de Witte- tot de Zwarte-zee, van den Weichsel tot den Amoer; en voorts vertegenwoordigers van alle slavische stammen, die onder vreemden schepter leven:--de Czechen van Praag, de Polen van Krakau, de Bulgaren van Sjoemla, de Montenegrijnen van Cettinje, de Serviërs van Belgrado; maar juist deze algemeene vergadering te Moskou deed de oogen van verstandige en gematigde mannen opengaan voor de onpraktische en zelfs gevaarlijke zijde van dit panslavistisch streven. Op den bodem ligt een diep gewortelde afkeer van het eigenlijke russische leven, zooals het in den loop des tijds geworden is. Deze droomers zien verlangend uit naar andere vormen, die, zooals zij zeggen, door een hooger en edeler nationaal leven zullen worden bezield.

Evenals de oud-geloovigen, willen ook de Panslavisten niets weten van den keizer, en kennen zij alleen den tsaar. Ook voor hen is Peter de Groote de Antichrist, en het welslagen zijner doortastende hervormingen beschouwen zij als een tijdelijke zegepraal van den booze. Daarom kanten de Panslavisten zich tegen alles wat Peter heeft gedaan, en tegen bijna alles wat zijne opvolgers op den troon hebben verricht. Zij wenschen alle vreemde elementen uit hun midden weg te doen: zij verlangen hunne oude nationale hoofdstad terug; zij vragen vrijheid om hunne baarden te laten groeien, om bonte mutsen en hooge laarzen te dragen, zonder deswege bespot of gekweld te worden. Zoowel de oud-russische als de jong-russische partij verzet zich echter tegen het streven dezer panslavistische dweepers, die, terwijl zij breken met het verleden van Rusland sedert de laatste anderhalve eeuw, tegelijk alle denkbeelden en vorderingen der westersche beschaving hardnekkig verwerpen, en een onmogelijke hersenschim najagen, waaraan zij alle wezenlijke en praktische verbeteringen en hervormingen opofferen.

XVII.

DE BALLINGSCHAP.--DE SIBERIËRS.

De jongste opstand in Polen was gedempt, en wederom werden gansche scharen van gevangenen naar de uiterste grenzen van het rijk, naar Archangel, naar den Kaukasus en Siberië gevoerd. Echter heeft de tegenwoordige regeering het deportatie-stelsel aanmerkelijk verzacht; en de openbare werken van Archangel hebben voor een poos de plaats ingenomen, die vroeger, in de publieke opinie, aan de beruchte mijnen van Siberië toekwam. Meen echter niet dat de groote aziatische wildernis als plaats van verbanning is opgegeven: nog altijd worden vele groote misdadigers en ook enkele ongelukkige staatkundige overtreders naar gene zijde van den Oeral gezonden. Maar het stelsel is in den laatsten tijd aanmerkelijk gewijzigd en verzacht; en de naam van Siberië boezemt ook niet meer dien geheimzinnigen schrik in, die vroeger daaraan onafscheidelijk was. Het is volstrekt geen zeldzaamheid, geheele scharen van jongelieden te ontmoeten, die van Mesen en Archangel uitgaan om de hellingen van den Oeral te beklimmen, en hunne fortuin te gaan beproeven in Siberië.

De wetenschap heeft, immers voor een groot deel, de gewaande verschrikkingen, die Siberië als een duistere nevel omhulden, verdreven. Gemeenschapswegen zijn geopend en hebben met de inlandsche stammen nadere betrekkingen aangeknoopt. Tomsk, waarvan de naam alleen vroeger het bloed in de aderen verstijven deed, is nu gebleken eene fraaie, aangename stad te zijn, schilderachtig gelegen in eene groene vallei, aan den voet van statige heuvelen. Zij ligt niet ver van Perm, dat bijna als eene verwijderde voorstad van Kazan kan worden beschouwd. Binnen weinige maanden zal de spoorweg, die Perm met Tomsk moet verbinden, gereed zijn.

Ook is men langzamerhand tot de overtuiging gekomen, dat aan eene strafkolonie geen lang leven is bereid, of althans dat zij vrij spoedig haar eigenlijk karakter verliezen moet. De mensch kan zich overal eene woning bereiden: en zoodra die woning inderdaad de zijne is, zijn eigen huiselijke haard, heeft zij ook daardoor opgehouden zijn kerker te zijn. Het ligt in den aard van iedere strafkolonie, dat zij eindelijk een gevaar oplevert voor het moederland: en een door Polen bevolkt Siberië zou voor het russische rijk eene voortdurende bedreiging zijn, een tweede Polen in het oosten. Zelfs nu zien sommige al te bezorgde lieden met bekommering den tijd te gemoet, dat de zonen der staatkundige ballingen alle invloedrijke posten in Azië zullen bekleeden, en verbeelden zij zich dat Siberië eenmaal Rusland behandelen zal, zooals de Vereenigde-Staten Engeland hebben behandeld.

De ballingen, die naar de grenzen gezonden worden, behooren tot alle rangen en standen der maatschappij: edelen en burgers, geestelijken en leeken, staatkundige misdadigers, moordenaars, bandieten, ketters, valsche munters, scheurmakers; zij zijn of door den keizer, of door de rechtbanken, of door de kerk veroordeeld. Zij, die op bevel van den minister van politie of van den gouverneur eener provincie worden gedeporteerd, worden niet in de gevangenis geworpen en ook niet tot dwangarbeid verplicht. Zij staan tot op zekere hoogte onder toezicht der politie; hunne namen worden in bijzondere registers ingeschreven, en van tijd tot tijd moeten zij zich aan het politiebureau aanmelden. Verder zijn zij vrij. Gij ontmoet hen in gezelschap, en niets verraadt dat zij ballingen zijn, tenzij de meerdere ontwikkeling van hun geest, en zekere voorzichtige terughouding in hunne gesprekken. Zij die geen eigen middelen bezitten, oefenen het beroep uit, waarvoor zij zijn opgeleid. Sommigen geven onderwijs in muziek of talen; anderen vestigen zich als geneesheer of advokaat; zeer velen zijn als secretarissen of klerken op de regeeringsbureaux werkzaam. Ook bekleeden een aantal dezer gedeporteerden verschillende betrekkingen in de dorpsbesturen. Op een mijner rijtoertjes bezocht ik een twaalftal dorpen, waar al de vrederechters Polen waren.