Het Vrije Rusland De Aarde en haar Volken, 1873
Chapter 11
Tusschen Kholmogory en Kargopol, tusschen Kargopol en Wietegra, vindt men niets dan dorpen: op dezen ganschen langen weg van minstens vierhonderd mijlen lengte, ontmoet ge geene enkele verzameling van huizen, waaraan ge met eenigen schijn van waarheid den naam van stad zoudt kunnen geven. De heirbaan loopt maar altijd voort: nu eens langs de oevers der rivier, dan weder zich verliezende in de diepten van het woud; doch steeds onafgebroken, als een smal lint, voortgaande van het noorden naar het zuiden. Niets stuit dien eentonigen weg: hij steekt de rivieren over, hij vervolgt zijn loop over steenen, moerassen en veengronden; hij kruipt voort over gebroken rotsen; hij bestijgt de lage heuvelen, en daalt af in de vochtige valleien. De voerman, trotsch op zijn vier paarden, met touwen en kettingen naast elkander voor de tarantasse gespannen, jaagt rusteloos voort, als gold het een helschen wedloop met den booze, in de hoop, dat hij daarvoor een extra kop thee verdienen zal. Dit harde rijden is trouwens eene vaste gewoonte bij de russische koetsiers, die er zich op beroemen, dat zij het iemand, voor tien kopekken, groen en geel voor de oogen kunnen doen worden. Dag aan dag, van den vroegen morgen tot den laten avond, rennen wij voort door moerassen en dennenwouden. Nergens is een sloot, een dijk, een haag, een omheining te bespeuren: geen enkel teeken dat de grond aan iemand toebehoort. In vliegende vaart hollen wij voorbij een groot houtvuur, waar omheen een groep armelijk gekleede lieden zitten, die ons op onvriendelijken toon groeten, terwijl sommigen opstaan om ons na te oogen.
"Wat zijn dat voor lieden, Dimitri?"
"Landloopers. Waarschijnlijk zijn het vluchtelingen."
"Vluchtelingen? Waarvoor vluchten zij dan?"
"Ja, dat zijn zonderlinge lui, die niet werken willen, zich aan wet noch gebod storen, en zich nergens willen vestigen. Gij kunt ze hier overal in de bosschen vinden: het zijn ware wilden. Te Kargopol zult gij er wel meer van hooren."
In deze stad, aan de rivier de Onega, in het gouvernement Olonetz gelegen, vernam ik meer bijzonderheden omtrent deze landloopers, die inderdaad een lastig en gevaarlijk slag van menschen zijn. Ook in Nowgorod en in Kazan hoor ik van deze zwervende bevolking spreken, die in een groot deel des rijks verspreid is: een verschijnsel, op zich zelf reeds een kwaad, maar als teeken van den maatschappelijken toestand nog veel bedenkelijker. In de gouvernementen, Jaroslaw, Archangel, Wologda, Nowgorod, Kostroma en Perm, zwerven gansche benden dezer onrustige, weerspannige vagebonden rond. Zij zijn nomaden, in den waren zin des woords. Zij verlaten hunne huizen en landerijen, doen afstand van hunne rechten als boeren of burgers, kleeden zich in lompen, nemen den pelgrimsstaf ter hand, verbreken alle banden der familie, trekken zich in het diepst van het woud terug, en wonen in moerassen en zandwoestijnen, in openbare vijandschap met de maatschappij, de kerk en den staat. Sommigen doen inderdaad geen kwaad: zij brengen hunne dagen door in sluimering en hunne nachten in gebed, terwijl de boeren hen van spijs en drank voorzien; maar ook al bepaalt zich hun verzet tegen de gevestigde orde van zaken alleen tot zulk een lijdelijken wederstand, dan nog is dit een bedenkelijk verschijnsel. Deze lieden willen niet arbeiden voor de spijze, die vergaat; zij weigeren zich te onderwerpen aan de bevelen der overheid; zij erkennen de wet niet, waaronder zij leven. Zij beweren dat het tegenwoordige regeeringsstelsel een werk des duivels is; de tsaar is voor hen de vorst der duisternis; zijn raadslieden en de heeren van zijn hof zijn valsche getuigen en gevallen heiligen. Zij zelf willen niets gemeens hebben met de booze wereld, waarvan zij vlieden, zooals Abraham vlood van de ten ondergang gedoemde steden der vlakte.
Naar het schijnt hebben deze nomaden, althans in sommige provinciën, eene eigene organisatie, met opperhoofden aan wie zij gehoorzamen, als ook bepaalde plaatsen van bijeenkomst en gemeenschappelijke Godsvereering. Doorgaans vinden zij steun en hulp bij de boeren, hetzij dan uit werkelijke sympathie, hetzij uit vrees voor wraakoefening. Zeer zelden vinden zij de deur der hoeve voor zich gesloten; en bijna nooit wordt een aanklacht tegen hen bij de politie ingediend. Zelfs in die streken, waar zij, naar men zegt, nu en dan plunderen en gewelddadigheden plegen, valt het uiterst moeilijk iets omtrent hen te vernemen, en vindt vooral de politie niet de minste medewerking.
Niemand zal ontkennen dat, vooral in de ernstige crisis waarin de russische maatschappij thans verkeert, zulk een staat van zaken een wezenlijk gevaar oplevert. De geest, die deze benden avonturiers bezielt, en hen drijft zich aldus vijandig tegenover de maatschappij en hare inzettingen te plaatsen, en feitelijk tot den chaos der barbaarschheid terug te keeren, is zekerlijk een der moeilijkste hinderpalen, die eene waarlijk vrijzinnige en hervormingsgezinde regeering op haar weg ontmoeten kan. Tegenover dit onrustbarend verschijnsel rijzen ernstige vragen op. Is de russische boer inderdaad rijp voor vrijheid en zelfbestuur, alleen door de gehoorzaamheid aan de wet beperkt? Indien de ondervinding mocht bewijzen, dat een aanzienlijk deel der landelijke bevolking in Rusland zich over dezen hartstocht voor een zwervend nomadenleven laat vervoeren,--zooals sommigen hopen en velen vreezen--dan is de proeve van emancipatie, door den tegenwoordigen tsaar genomen, mislukt, en is de burgerlijke vrijheid misschien voor meer dan honderd jaren verloren. De keizer heeft eene bijzondere commissie benoemd, om de door de regeering ingewonnen berichten en rapporten betreffende deze zaak te onderzoeken. Dat onderzoek is nog niet afgeloopen; naar het schijnt heeft de commissie nog tot geen besluit kunnen komen, en geen middel aan de hand weten te doen om het voortwoekerend kwaad te stuiten.
Inmiddels gaat ons het eene dorp na het andere voorbij!
Deze russische dorpen gelijken zoozeer op elkander, dat wie er een gezien heeft, er honderden heeft gezien; hebt ge er twee verschillende gezien, dan kent gij ze allen. Het doet er weinig toe, of het model groot of klein is, van hout of van leem gebouwd, in het woud verscholen of te midden der naakte steppen geplaatst: gij zult overal dezelfde vormen en dezelfde groepeering van woningen vinden, duizende malen herhaald. Er zijn slechts twee verschillende typen van dorpen: die van Groot- en die van Klein-Rusland; van de eerste vindt ge de beste voorbeelden in de omstreken van Moskou; van de laatste in den omtrek van Kiew.
Een groot-russisch dorp bestaat uit twee rijen hutten, door eene breede en vuile straat gescheiden. Elk huis staat op zich zelf; het getal dezer woningen wisselt af van tien tot honderd. Van geheel gelijkvormige dennestammen opgetrokken, die op dezelfde wijze gehouwen en saamgevoegd zijn, zijn de huizen onderling volkomen gelijk, alleen behoudens het verschil in grootte. De woning van het dorpshoofd is grooter dan de anderen; daarop volgt die van den slijter, de brandewijnkroeg. Vier ruwe wanden, waarvan de gaten en spleten met mos zijn toegestopt, en waarin een paar deuren en eenige vensters zijn uitgehouwen; een schuin oploopend, vooruitstekend dak--ziedaar het uiterlijke. Van binnen geen andere vloer dan de naakte bodem; de zoldering bestaat uit dennen balken en planken. Verf is eene onbekende weelde; het duurt dan ook niet lang, of de wanden en de gevel zien bijna geheel zwart door den regen en den rook. De ruimte tusschen de huizen ligt geheel open: een vuile modderpoel, waarin de varkens zich welbehagelijk rondwentelen, en de nijdige wolfshonden grommen en vechten. De zoogenaamde straat is met planken bevloerd. Hier en daar prijkt eene enkele woning met een soort van balkon, een koestal, en zelfs met eene bovenverdieping. Nabij het dorp verrijst een kapel, eveneens van boomstammen gebouwd en met planken gedekt; maar hier vindt ge, zoo al niet verguldsel, dan ten minste eene mengeling van kleuren. De wanden der kapel zijn wit geschilderd, het dak is groen; en misschien heeft een of andere rijke boer, voor zijne rekening, het kruis laten vergulden.
Rondom deze akelige woningen strekken zich de weinig minder akelige velden en akkers uit, die de dorpelingen met hun zweet besproeien. Vlak, laag, zonder hagen of eenige afsluiting, missen die akkers, in hunne naakte eentonigheid, schier alle poëzie; nergens een welriekende rozenheg, nergens een boomgaard, niets dat aan een thuis, eene eigene woning, herinnert. De moestuinen hebben niets van tuinen: zij zijn niets meer dan regelmatig afgedeelde stukken grond, waarop groenten geteeld worden. Geen enkel bloempje verkwikt in deze wildernis uw oog.
In Klein-Rusland, in de oude poolsche provinciën van het westen en het zuiden, vindt ge een andere type van dorpen. In plaats van de vuile, berookte boomstammen, eene schilderachtige mengeling van groen en wit; in plaats van de regelmatig op eene rij gezette blokhuizen, eene groep woningen, te midden van het geboomte verspreid. De huizen zijn meest van aarde en biezen gebouwd; het dak is met stroo gedekt; de wanden zijn met kalk bestreken; een haag van biezen en doornen omgeeft die gansche groep. Is elk huis op zich zelf ook klein, het heeft toch zijn voorplaats en zijn tuin. Er zijn geen straten in het dorp; de haag heeft slechts twee openingen, eene ten noorden, en eene ten zuiden; en zoo ge van de eene opening naar de andere wilt gaan, moet ge een aantal paden of stegen doorkruisen, met doornen hagen en biezen omzoomd, en bevolkt door nijdige, gevaarlijke honden. Het schijnt wel, dat ieder hier volle vrijheid had om zijn huis te bouwen, waar hij wilde, alleen zorg dragende dat zijn erf binnen de algemeene omwalling bleef. Zulke dorpen, zonder eenig plan gebouwd, en waarin ieder huis door een tuin is omringd, beslaan natuurlijk eene aanzienlijke uitgestrektheid gronds; sommige dorpen der Kozakken doen in omvang voor geen matige stad onder. Natuurlijk heeft ieder dorp zijn kerk, wier rijke kleurenpracht en eigenaardige bouworde de bekoorlijkheid van het landschap verhoogen.
In de wijde landstreek tusschen Kiew aan de Dnjeper en Kalatsh aan den Don, behooren al de dorpen tot deze tweede type. Het verschil met de groot-russische dorpen ligt zoowel in het huis als in den tuin; en dit verschil wijst op eene andere opvoeding, misschien wel op een ander ras. De Groot-Russen zijn schroomvallig, zachtaardig en meegaand van karakter; zij sluiten zich gaarne aaneen, en trachten zooveel mogelijk bij elkander te blijven en in eene soort van gemeenschap van goederen te leven. De Klein-Russen daarentegen zijn levendig, prikkelbaar, ondernemend van aard; zij zijn gaarne hun eigen meester en heer, en staan liefst op zich zelf, ten einde gelegenheid te hebben om al hunne krachten en talenten te kunnen ontplooien. Een inwoner van Groot-Rusland voert zijne bruid naar de ouderlijke woning; een inwoner van Klein-Rusland geleidt haar liefst zijn eigen huis binnen.
Het woud duikt achter ons weg in eindeloos verschiet, en wordt dunner en dunner. Wij ontmoeten eene vrouw, alleen in haar eenvoudige kar gezeten; straks komt ons een wagen tegemoet, door soldaten te voet begeleid, en waarmede gevangenen, die deels geboeid zijn, onder opzicht van eene oude vrouw worden vervoerd. De zorg voor de dienst langs de wegen is, bij wijze van heeredienst, aan de dorpen opgelegd; wanneer een reisgezelschap in een dorp aankomt, moet de oudste of hoofdman zorgen voor het noodige--wagens, paarden, voerlieden--zooals in de podorodjna staat geschreven. Maar zeer dikwijls gebeurt het, dat er in het dorp geen andere mannen te vinden zijn dan knapen of grijsaards. De volwassen mannen zijn verre, verre weg: zij zwerven als visschers door de Poolzee; zij hakken hout in de wouden rondom Kargopol; zij zijn op de bever- en vossenjacht in het Oeralgebergte, en laten hunne vrouwen maanden lang alleen achter.
Dorpen, dorpen en nog eens dorpen! Wij ontmoeten nogmaals een boerewagen, door soldaten begeleid en waarin een gevangene geboeid ligt; uit het kreupelhout gluurt ons een wolf aan; een pelgrim gaat ons voorbij, op weg naar Solowetsk; wij rennen langs een troep spelende jongens, wier kleederen op dit oogenblik in de wasch schijnen te zijn; daar staat, half omvergevallen, een gebroken wagen; straks doet het woeste geblaf van eenige honden ons opschrikken; en dan gaat het weer, uren achtereen, door het stille zwijgende woud. Toch komt een straal van liefelijkheid en poëzie ook deze eenzame streken verhelderen en bezielen. Een geurige, frissche koelte doet de bladeren zachtkens ritselen; de lucht is helder; en zijn de lijnen ook bijna allen vlak en effen, de hemel is blauw, en de zon giet haar gouden stralen over het landschap uit. Dikwerf prijken de oude boomstammen met de fraaiste kleurschakeeringen, en de zwevende koeltjes ruischen als muziek door de hooge dennen. Hier en daar groet u van verre, in het lommer verscholen, een schilderachtig klooster. Daar ginds is een boschbrand uitgebarsten; de bleekroode vlammen verheffen zich hoog in de lucht, half gehuld in dikke wolken van purperkleurigen rook. Een open plek, getuige van een vroegeren brand, straalt in al de kleurenpracht der liefelijkste herfstbloemen. Een aanvallig kind, met blonde krullen en zachte blauwe oogen, staat langs den weg, en groet ons met bijna oostersche bevalligheid. Daar ritselt en klatert een beek dwars door de afgevallen bladeren. Nieuwe groepen: eene vrouw, met eene kom melk in de hand; meisjes, die in het heldere riviertje haar linnengoed spoelen, onder het oog van het Onze-Lieve-Vrouwenbeeld. Overal zijn de lieden wel is waar eenigszins plomp en ruw, maar inderdaad godsdienstig en wellevend; in hunne donkere wouden richten zij kruisen en kapellen op, en maken alzoo de sombere vervelende wegen tot lichtende sporen, die de gedachten ten hemel heffen.
Wij houden stil in een dorp, aan den oever van een klein donker meer.
XV.
PATRIARCHALE ZEDEN.--EEN STAAT IN DEN STAAT.
"Hoe nu, kan ik hier vóór den avond geen paarden krijgen?"
"Zoo als gij ziet," antwoordde de oudste glimlachend, "het is hier feest vandaag; er wordt eene bruiloft gevierd, en de patriarch geeft, eene groote partij ter eere van het huwelijk van Vanka met Nadia."
"Nadia! Dat 's een mooie naam! Dus kunnen we toch van avond paarden krijgen, niet waar?--Wie zijn dat daar? Aha, de kerk! Komt, laat ons daarheen gaan en de kroning zien. Is die Vanka een flinke, knappe jongen?"
"Ja; of liever hij zal het eenmaal zijn. Vanka is een knaap van zeventien jaar, die voor achttien doorgaat--de bij de wet vereischte leeftijd. Maar och, hij telt bij dit alles weinig mede."
"Maar waarom trouwt hij dan?"
"Omdat de patriarch het verlangt. Daniël heeft hulp noodig in zijn huishouding. De oude Daan, moet ge weten, is Vanka's vader; en het oude moedertje is zoo afgesloofd, dat zij niet veelmeer is dan vel over been. Zij is tien jaar ouder dan hij, en de patriarch heeft eene jonge vrouw noodig, die hij naar hartelust bevelen kan, eene die vlug en bij de hand is, die zijne koe kan melken, zijn kachel aanmaken en zijn thee zetten."
"Het is hem dus eigenlijk te doen om eene goede dienstmeid?"
"Ja, juist, eene goede dienstmeid: en die zal hij in Nadia gevonden hebben."
"Het is dus geen huwelijk uit liefde?"
"Och, zooals doorgaans. De knaap, hoe jong ook, is naar men zegt toch verliefd geweest; want de jongens zijn mal en de meisjes zijn slim; maar hij was niet verliefd op de vrouw, die zijn vader voor hem gekozen heeft."
"Woonde zijne beminde hier in het dorp?"
"Ja; zij heet Lousha: eene aardige flinke meid, met ronde blauwe oogen en lippen om te kussen, maar zonder een roebel in de wereld. Nadia daarentegen brengt vijf koperen samovars en vijftien zilveren lepels ten huwelijk. Die zilveren lepels veroverden het hart van den ouden Daan."
"En wat zegt Vanka wel van dit huwelijk?"
"Niets; wat kan hij zeggen? De patriarch heeft alles beredderd, de lepels gekeurd, de bruid aangenomen, het feest aangelegd en den dag voor het huwelijk bepaald."
"Rusland is wel het beloofde land voor vaders!"
"Ieder op zijn beurt; eerst de vader, later de zoon. Te zijner tijd zal Vanka ook een patriarch zijn. De zoon is niets, zoolang zijn vader nog leeft."
"Zelfs niet, als het er op aankomt zich eene vrouw te kiezen?"
"Neen; juist het minst als hij eene vrouw moet kiezen. Zooals gij ziet, zijn onze zeden nog ouderwetsch en eenvoudig, zooals die in den bijbel beschreven zijn. De huisvader is koning in zijne eigene woning, als de patriarchen van ouds; en hebt gij ooit gelezen dat, in de dagen der aartsvaders, de jonge lieden het land afliepen, om zich naar eigen begeerte eene vrouw te zoeken? Onze patriarch regelt dat; hij en de koppelaarster."
"De koppelaarster! Wie is dat?"
"Eene oude vrouw, die in gindsche hut nabij de brug woont; een arm oud wijf, die waarzegt en uit kaarten de toekomst voorspelt; die als tusschenpersoon optreedt in de liefdesgeschiedenissen der jonge meisjes, huwelijken bekonkelt, en door allen als een tooverheks gevreesd wordt."
"Is er in ieder dorp zulk eene koppelaarster?"
"Neen; sommige dorpen zijn daarvoor te arm; want deze oude wijven laten zich goed betalen. Die het wat verder in de kunst gebracht hebben, vestigen zich in de steden, waar zij nog voordeeliger zaken kunnen doen. Die tooverheksen in de steden hebben macht over de planeten; de onzen moeten zich met kaarten behelpen."
"Gelooft ge waarlijk dat zij macht hebben over de planeten?"
"Wie zal dat uitmaken? Wij zien dat zij macht hebben over mannen en vrouwen: en toch heeft ieder mensch zijn eigen planeet en zijn eigen beschermengel. De meisjes, die de hulp der koppelaarster inroepen, geven haar een lijst van al wat zij bezitten--zooveel samovars, zooveel linnen, zooveel huisraad. Het gebeurt niet dikwijls dat zij ook zilveren lepels bezitten. De patriarchen gaan naar de tooverheks, om die lijsten in te zien. Een slimme kwant, zooals die oude Daan, gaat liefst 's avonds tegen de schemering, als niemand hem ziet, naar hare woning, zet zijn flesch brandewijn op de tafel, en noodigt de oude tot drinken. "Kom, moedertje," meesmuilt hij, "haal uw lijst eens voor den dag, en laat ons wat praten."--"Wat zoekt ge, vader Daniël?" grijnst het wijf.--"Een vrouw voor Vanka, moedertje, een vrouw. Kom, drink eens, dat zal je goed doen; en nu--met het boek voor den dag. Ik wil eene flinke meid met een aardig duitje."--"Aha," zegt de heks, met haar hand aan het glas; "ge wilt mijn boek zien! Wel, vadertje, ik heb hier twee knappe deerns--aardige meisjes, en niet onbemiddeld ook; zij zijn beiden juist voor Vanka geschikt. Hier is Lousha: een aardig ding, maar geen huisraad; blauwe oogen, maar nog geen twintig; tandjes als parelen, maar..... Blieft ge er niet van gediend? Waarom niet?--Nu, zooals ge wilt; ik prijs mijn waren aan; het staat u vrij, die al of niet te nemen. Lousha is een aardige meid--gij behoeft niet zoo laag op haar neer te zien!--Zie hier, hier is Dounia; welgemaakt, een fiksche, stevige meid; zij gaf nooit stof tot praten, en had maar één vrijer in haar leven, eens buurmans zoon. Wat ze meebrengt? Dounia is zelf een lot uit de loterij--zij eet heel weinig, en werkt als een paard. Zij heeft vier samovars.--Niet gediend? Wel nu, gij treft het bijzonder van avond, vadertje. Hier is Nadia;"--en nu volgt de geschiedenis van haar samovars en haar zilveren lepels."
"En zoo wordt de zaak beklonken?"
"Men betaalt den pope het verschuldigde; de dag voor de huwelijksplechtigheid wordt bepaald, en alles is gedaan--uitgenomen het feest, het drinken en de hoofdpijn als napret."
"Vertel mij nu eens iets van Nadia."
"Vindt ge Nadia zulk een mooie naam? Ik geef de voorkeur aan Marfousha. Mijne vrouw heet Marfa; als kind werd zij Marfousha genoemd."
"Is Nadia jong en mooi?"
"Jong? Ze is negen-en-twintig jaar. Mooi? Ze is zoo bruin als leer."
"Negen-en-twintig, en Vanka zeventien!"
"Maar zij is groot en fiksch gespierd; sterk als een muilezel, en kan den heelen dag, met weinig eten, blijven doorwerken."
"Dat zou goed zijn, als er een slaaf werd verlangd, om het land om te spitten of een wagen te besturen."
"Maar dat wil de patriarch ook: eene dienstmeid voor zich zelven, en eene echtgenoote voor zijn zoon."
"Hoe kwam Vanka er toe, haar aan te nemen?"
"Daniël toonde hem haar zilveren lepels; haar blinkende trekpotten, en haar kist vol huisraad. De jongen ziet al die fraaiigheden met begeerige oogen aan. Lousha is afwezig, en de oude man geeft een wenk. De bruid omhelst Vanka--en de zaak is in orde."
"Arme Lousha! waar is zij vandaag?"
"Zij blijft op het veld om nog wat te groeien. Zij is nog niet sterk genoeg om te trouwen. Zij zou voor haar man en voor haar schoonvader niet kunnen werken, zooals eene vrouw behoort te doen. Het is veel beter voor haar, nog wat te wachten. Op haar negen-en-twintigste jaar zal zij evengroot en sterk zijn als Nadia; dan zal zij geschikt zijn voor het huwelijk, want dan zullen de wilde haren er wat uit zijn."
Wij wandelen over de met planken bevloerde straat, van het posthuis naar de kerk, die geheel opgevuld is met mannen en vrouwen in hun zondagskleed: de vrouwen en meisjes in roode jurken met bont omzoomd, en soms wel met zilvergalon versierd; de mannen in nette overjassen en ronde bonte mutsen, met gouden kwasten en een roode punt. De plechtigheid is bijna voleindigd; de priester heeft het huwelijk, in den naam van God, gesloten; de jonggehuwden treden uit het heiligdom met hunne kronen van klatergoud op het hoofd. De koning geleidt zijne koningin, die er zeker oud genoeg uitziet om zijne moeder te zijn. Men hoort hier in Rusland zooveel spreken van de rechten van den echtgenoot, en van de zonderlinge eigenaardigheid der vrouwen, die het als een bewijs van liefde beschouwen, wanneer hare mannen haar slaan,--dat onwillekeurig de vraag oprijst, hoelang het nog wel duren moet eer ook Vanka zijne vrouw zal kunnen slaan. Vooreerst gaat dat nog niet, dat is duidelijk; men zou daarom kunnen twijfelen aan hun echtelijk geluk, wisten wij niet dat, bij gebreke van Vanka, de patriarch niet verzuimen zal van zijn zweep gebruik te maken.
De forsch gespierde bruid, met haar vergulde kroon op het hoofd, in stijf brokaat gehuld en zich blijkbaar van de waarde harer vijftien zilveren lepels bewust, wandelt statig langs de slijkerige straat, naar hare nieuwe woning.