Het voedsel der Goden en hoe het op Aarde kwam
Part 9
"Als een jonge reus, lieve, en je hoeft je heusch niet over hem te schamen."
"Je hebt iets aan hem gedaan, Dandy," zei zij. "Ik kan het aan je gezicht zien."
"Nu, in ieder geval heeft hij toch niet opgehouden te groeien," zei Redwood harteloos.
"Ik wist het wel," zei mevrouw Redwood en frommelde haar zakdoek tot een bal in haar eene hand. Zij keek hem plotseling streng aan. "Wat heb je aan ons kind gedaan?"
"Wat is er dan met hem?"
"Hij is zoo groot. 't Is een monster."
"Onzin. Hij is zoo recht van lijf en leden en zoo gladjes als je maar wenschen kunt. Wat is er dan met hem?"
"Zie dan toch eens hoe groot hij is."
"O, dat is volkomen in orde. Kijk liever eens om je heen naar die kleine, sukkelende kinderen van anderen. Hij is de flinkste baby--"
"Hij is tè flink," zei mevrouw Redwood.
"Dat gaat zoo niet door," zei Redwood geruststellend, "'t is zoo maar een groeischeut."
Maar hij wist zeer goed, dat het wèl zou doorgaan. En dat deed het dan ook. Toen deze baby een jaar oud was, waggelde hij heen en weer, juist een duim onder de vijf voet lang, en woog honderd vijftien pond; hij was inderdaad even groot als een cherubin in de Sint Pieters "in Vaticano", en zijn speelsche greep naar het haar en de gelaatstrekken der bezoekers werd het onderwerp van den dag in West-Kensington. Zij hadden een invalide-stoel om hem naar boven en beneden te dragen naar zijn kinderkamer, en zijn speciale ziekenzuster, een stevig jong vrouwspersoon die juist haar proeftijd achter den rug had, ging met hem wandelritten doen in een Panhard-ziekenstoel-auto van 8 paardekracht, in staat heuvels van een hoek van vijftien graden te beklimmen, en speciaal gemaakt ten zijnen dienste. Het was in ieder opzicht gelukkig dat Redwood bij zijn professorschap nog verstand van dergelijke dingen had ook. Als men over den schok van de enorme grootte van den kleinen Redwood heen was, zoo hebben wij lieden die hem dagelijks langzaam Hyde-Park zagen rond-tuf-tuffen hooren zeggen, was hij een wonder-vroolijke en lieve baby. Hij schreeuwde zelden en behoefde niet gesust te worden. Doorgaans omklemde hij een grooten ratel, en soms riep hij onder het voorbijgaan de omnibus-koetsiers en de politie-agenten langs den weg buiten het hek toe met "Dadda" en "Babba!" op een sociaaldemocratische manier.
"Daar gaat dat groote kind, dat met Bomvoedsel gevoed wordt," zei de omnibus-koetsier dan.
"Ziet er gezond uit," zei de passagier, die naast hem op den bok zat.
"Opgevoed met de flesch," legde de koetsier dan uit. "Ze zeggen dat er zoowat vier liter ingaat, en dat ie speciaal voor 'm gemaakt moest worden."
"'Eel gezond kind, 'oe dan ook," besliste de passagier voorop.
Toen mevrouw Redwood tot het besef kwam, dat de groei onbepaald en logisch voortging--en dit deed ze werkelijk voor de eerste maal toen de motor-kinderwagen voor de deur reed--gaf ze toe aan een wilde smart. Ze verklaarde, dat ze nooit weder in de kinderkamer wilde komen, dat ze wenschte dat ze dood was, en dat haar kind dood was, dat iedereen dood was, wenschte dat ze Redwood nooit getrouwd had, dat ze niemand getrouwd had, en trok zich in haar eigen kamer terug, waar zij gedurende drie dagen bijna uitsluitend van kippesoep leefde. Toen Redwood kwam om haar tot andere gedachten te brengen, gooide zij met de sofakussens, weende en bracht haar haar in wanorde.
"O, hij is zoo gezond als een visch," zei Redwood. "Waarachtig, hij is er niet slechter aan toe omdat hij groot is. Je zoudt toch niet willen, dat hij kleiner was dan de kinderen van anderen?"
"Ik wil dat hij nèt is als andere kinderen, niet kleiner en niet grooter. Ik had gehoopt dat hij een aardig klein ventje zou worden, net als Georgina Phyllis een aardig klein meisje is, en ik wilde hem grootbrengen zoodat hij lief werd, en kijk nù eens"--en de stem van de ongelukkige vrouw brak weder--"hij draagt schoenen van nummer vier voor volwassenen, en wordt rondgereden door--boeboe!--Petroleum! Ik kan hem nooit liefhebben," klaagde zij. "Hij is me tè groot! Ik kan nooit een moeder voor hem zijn, zooals ik had willen zijn!"
Doch eindelijk kregen ze haar er toe naar de kinderkamer te gaan, en daar zat Edward Monson Redwood ("Pantagruel" was pas later zijn bijnaam) te schommelen in een speciaal versterkten hobbelstoel, en glimlachte en zeide "yoe en wou." En het hart van mevrouw Redwood ging weder uit naar haar kind, en zij nam hem in haar armen en weende.
"Ze hebben iets aan je gedaan," snikte zij, "en je zult al maar doorgroeien, liefje, maar wat ik voor je kan doen om je fatsoenlijk groot te brengen, dat zàl ik doen, wat je vader er ook van mag zeggen."
En Redwood, die geholpen had haar naar de deur te brengen, ging erg verlucht de gang af.
("Hè, maar 't is een min zaakje een man te zijn--tegenover vrouwen tenminste!")
VI.
Vóór er een jaar verstreken was, waren er, behalve Redwood's pionier-voertuig, een heel aantal motor-kinderwagens te zien in het westen van Londen. Men heeft mij verteld, dat er wel zeven waren; doch een zeer nauwkeurig onderzoek wijst uit, dat er slechts zes waren in de Hoofdstad te dien tijde. Het scheen dat het goedje verschillend werkte op verschillende constituties. In het begin leende Herakleophorbia zich niet tot inspuiten, en het is boven allen twijfel verheven dat er een groot aantal menschelijke wezens niet in staat zijn deze stof in zich op te nemen en op de normale wijze te verteren. Het werd bijvoorbeeld gegeven aan den jongsten zoon van Winkles; doch hij schijnt even weinig in staat geweest te zijn tot groeien, als,--zoo Redwood tenminste gelijk had--, zijn vader tot kennis in zich opnemen. Weer anderen werden er, volgens de "Vereeniging tot Algeheele Onderdrukking van Bomvoedsel," op de een of andere onverklaarbare wijze door verdorven, en stierven reeds in het begin aan kinderkwaaltjes. De jongens van Cossar namen het in zich op met verbazingwekkende gulzigheid.
Natuurlijk komt iets als dit nooit in het leven van een mensch met absolute eenvoudigheid van toepassing; groei, in het bijzonder, is een ingewikkeld iets, en alle generalisaties moeten uit den aard der zaak een weinig onnauwkeurig zijn. Doch de algemeene regel van het Voedsel leek dèze te zijn: dat als het organisme het in zich kòn opnemen op de een of andere manier, het dit in alle gevallen nagenoeg even sterk stimuleerde. Het vermenigvuldigde het groeicijfer van zes tot zeven malen, en daar bòven ging het niet, hoeveel van het Voedsel ook verder genomen werd. Te groote hoeveelheden van Herakleophorbia, toegediend boven het noodige minimum, leidden, zooals men bevond, tot ziekelijke storingen in de spijsverteringsorganen, tot kanker en gezwellen, beenverhardingen en dergelijke. En als de groei eenmaal op groote schaal begonnen was, bleek het weldra dat men er slechts op denzelfden voet mede kon doorgaan, en dat het onafgebroken toedienen van kleine doses Herakleophorbia dringend noodig was.
Hield men er mede op, terwijl de groei nog in gang was, dan vertoonde zich eerst een onbestemde rusteloosheid en benauwdheid, dan een tijdperk van abnormaal veel eten,--zooals in het geval der jonge ratten te Hankey--en dan kreeg het groeiende wezen een soort van erge bloedarmoede, ging kwijnen en stierf. Planten leden op een dergelijke wijze. Doch dit alles was alleen toepasselijk op het groei-tijdperk. Zoodra de mannelijke staat bereikt was--in planten openbaarde zich dit door de vorming van de eerste bloemknoppen--werd de behoefte aan, en de lust naar Herakleophorbia minder, en zoodra de plant of het dier volkomen volwassen was, hield alle behoefte aan elken verderen toevoer van het Voedsel op. De plant of het dier was dan als het ware geheel gevormd op de nieuwe basis. Het was zoo gehéél hiernaar gevormd dat, zooals de distels van Hickleybrow en het gras aan den duinkant reeds gedemonstreerd hadden, het zaad van dit dier of deze plant reuzen-nakomelingschap voortbracht, even groot als de ouders.
En het duurde niet lang of de kleine Redwood, pionier van het nieuwe geslacht, en het eerste kind van allen dat het voedsel at, begon in de kinderkamer rond te kruipen, meubels te breken, te bijten als een paard, te knijpen als een nijptang en reuzen-babytaal te stamelen tegen zijn "paatje," en "maatje," en tegen zijn tamelijk onthutsten en van ontzag vervulden vader, die dit kwaad in de wereld geschopt had.
Het kind was geboren met goede voornemens. "Padda zoet zijn, zoet zijn," placht hij te zeggen, terwijl alles wat maar breekbaar was voor hem uit vloog. "Padda" was zijn overzetting van Pantagruel, den bijnaam dien Redwood hem gegeven had. En Cossar, zich niet storend aan eenige Oude Oorkonden die hem zeer spoedig in moeilijkheden brachten, ging, na een conflict met de plaatselijke bouw-verordening, op een braakliggend stuk grond, dat grensde aan Redwood's huis, aan het bouwen van een heerlijke, goed-verlichte speelkamer, schoollokaal en kinderkamer voor hun vier jongens--zestig voet in het vierkant, en veertig voet hoog.
Redwood vatte een ware passie op voor deze groote kinderkamer terwijl hij en Cossar haar bouwden, en zijne belangstelling in kromme lijnen ging aan het tanen, zooals hij nooit gedroomd had dat zij kòn tanen, en maakte plaats voor belangstelling in de dringende behoeften van zijn zoon. "Er zit heel wat in het behoorlijk in orde brengen van een kinderkamer. Heel wat. De wanden, de dingen die er in zijn, dit alles zal tot onzen nieuwen geest spreken, hier een beetje meer, daar een beetje minder welsprekend, en hem al of niet duizenderlei dingen leeren."
"Ligt voor de hand," zei Cossar, haastig naar zijn hoed grijpend.
Zij werkten eenstemmig samen, doch Redwood zorgde voor het grootste gedeelte der opvoedkundige theorie die noodig was... Zij lieten de wanden en het houtwerk verven met prettige, heldere kleuren; voor het meerendeel voerde een, door een andere kleur wat warmer gemaakt, wit den boventoon, doch er waren ook strepen heldere zuivere kleur om de eenvoudige lijnen der constructie beter te doen uitkomen. "We moèten zuivere kleuren hebben," zei Redwood, en liet op een plaats een aardigen horizontalen rand ruiten aanbrengen, waarin purper en karmozijn, oranje en geel, blauw en groen prijkten. Deze ruiten moesten de reuzen-kinderen schikken en herschikken naar eigen genoegen. "Er moeten versieringen volgen," zei Redwood; "laat ze eerst de rij van al de tinten in hun hoofd prenten, dan kan dit weg. Er is geen reden waarom wij hen zouden doen overhellen naar een bepaalde kleur of dessin."
Vervolgens zei Redwood: "Het lokaal moet overal voor hen belangwekkende dingen bevatten. Belangstelling is voedsel voor een kind en leegheid kwelling en verhongering. Hij moet massa's prenten hebben!" Er werden geen vaste prenten opgehangen in het vertrek, doch blanco lijsten werden aangebracht, waarin steeds nieuwe afbeeldingen konden gezet worden en van daar in een portefeuille gelegd, zoodra hunne belangstelling erin begon te tanen. Er was één venster van waaruit men de geheele lengte eener straat kon afzien, en dan had Redwood, om hunne belangstelling nog te verhoogen, boven op het dak der kinderkamer een camera obscura aangebracht, die uitzag op Kensington High Street en op een deel van het Kensington Park.
In een hoek wachtte dat waardige werktuig, een rekentafel,--vier voet in het vierkant, een speciaal versterkt stuk ijzer met afgerande hoeken--, de eerste rekensommen der jonge reuzen. Er waren weinig wollen lammeren en dergelijke speeldingen, doch inplaats hiervan had Cossar op zekeren dag, zonder verderen uitleg, met drie vigilanten een groot aantal speeldingen aangebracht (allen natuurlijk net iets te groot om doorgeslikt te worden door de kinderen); deze dingen konden worden opgestapeld, op rijen gerangschikt, in het rond gegooid; er kon in gebeten worden, er waren er die konden klepperen en ratelen, die tegen elkaar geslagen konden worden, die ze konden bevoelen, uittrekken en opendoen, sluiten en verminken en proeven op nemen tot in het oneindige. Er waren veel blokken hout in verschillende kleuren, ovale en kubieke, blokken van glanzend porcelein, blokken doorschijnend glas en blokken gomelastiek; er waren leien en griffels; kegels en afgeknotte kegels, en verlengde spheroïden, ballen van verschillende grondstof, massieve en holle, veel doozen van verschillende grootte en vorm, met hengsel-deksels en deksels die er op moesten vastgeschroefd worden, en een paar om op slot te draaien; er waren riemen van leer en van elastiek, en een aantal grove en stevige voorwerpen, alle even groot, die stevig konden staan, en de gedaante van een mensch voorstelden. "Geef ze deze," zei Gossar. "Eén tegelijk."
Deze dingen schikte Redwood in een kist in een hoek. Langs den eenen wand in het vertrek, op een behoorlijke hoogte voor een zes- of acht voet lang kind, was een bord, waarop de kinderen konden teekenen met wit en gekleurd krijt, en daar dichtbij een soort teeken-bloknoot, waarop zij met houtskool konden teekenen, en dan was er een kleine lessenaar, voorzien van groote timmerman's potlooden van verschillende hardheid en een ruime voorraad papier, waarop de jongens eerst konden krabbelen en daarna netter konden teekenen. En bovendien bestelde Redwood, (want zóóver liep zijne verbeelding vooruit) bijzonder groote tuben verf en verfdoozen, tegen den tijd dat zij noodig zouden zijn. Hij sloeg een vat modelleer-klei in. "Eerst zullen hij en zijn leeraar tezamen modeleeren," zei hij, "en als hij wat meer kent, zal hij gipsen en misschien dieren namaken. En à propos, ik moet ook een kist met gereedschap voor ze laten maken!"
"En dan nog boeken. Ik zal 'n massa boeken moeten uitzoeken, en wat 'n druk zal dàt moeten zijn. Wat genre van boeken zullen ze noodig hebben? Hun verbeelding moet gevoed worden. Want deze is bij slot van rekening toch maar de kroon van alle opvoeding. De kroon--zooals gezonde gewoonten van geest en leven de troon zijn. Heelemaal geen verbeelding staat gelijk met een dierlijken staat; een lage verbeelding is wellust en lafheid; doch een edele verbeelding is God die weder op aarde wandelt. Zij moeten ook droomen van een heerlijk sprookjesland en van al de typische kleine dingen van het leven, als ze zoover zijn. Doch hoofdzakelijk moeten zij hun geest voeden met de heerlijke werkelijkheid; zij zullen verhalen hebben van reizen, de geheele wereld door, reizen en avonturen, en hoe de wereld veroverd werd. Zij zullen dierengeschiedenissen hebben, groote, duidelijke, prachtige boeken over dieren en vogels, planten en kruipende wezens, groote boeken over de eindeloosheden der lucht en de mysteriën der zee; ze zullen de geschiedenis en kaarten hebben van al de rijken, die de wereld heeft zien komen en gaan, afbeeldingen en verhalen van al de stammen en de gewoonten en gebruiken der menschen. En dan nog moeten ze boeken en prenten hebben om hun schoonheidsgevoel te ontwikkelen, fijne Japansche afbeeldingen, om hen de fijnere schoonheid van vogel en bloemenrank te doen liefhebben, en ook westersche afbeeldingen, van mooigevormde mannen en vrouwen, lieve groepeeringen, en wijde vergezichten van land en zee. Zij zullen boeken hebben van huizen en paleizen; zij zullen zelven vertrekken ontwerpen en steden uitdenken"--
"Ik denk ze een klein theater te geven."
"En dan is er de muziek nog!"
Redwood dacht hier over na, en besloot dat zijn zoon het beste deed te beginnen met een zuiver-klinkend harmonicon van één octaaf, dat misschien later kon vergroot worden. "Hiermee zal hij eerst spelen, er bij zingen en namen aan de noten geven," zei Redwood, "en daarna--?"
Hij keek op naar de vensterbank daarboven, en mat de grootte van het vertrek met zijn oog.
"Ze zullen zijn piano hierbinnen in elkaar moeten zetten," zei hij. "Haar in stukken hier binnenbrengen."
Hij bleef nog wat wijlen tusschen zijne voorbereidende maatregelen, en leek temidden van al deze grootheid een peinzende, donkere, kleine gestalte. Als ge hem daar hadt kunnen zien, zou hij u een tien-duims' mannetje hebben toegeleken temidden van gewone kinderkamer-dingen. Een groot dekkleed--in werkelijkheid was het een Turksch tapijt--van vierhonderd vierkante voet, en waarop de jonge Redwood weldra zou rondkruipen, strekte zich uit tot den met een rooster afgeschutten electrischen radiator, die het geheele gebouw verwarmen zou. Een van Cossar's mannen hing heel hoog tusschen de palen van een steiger, om de groote lijst op te hangen waarin de te verwisselen schilderijen zouden geschoven worden. Een vloeiboek voor plantensoorten, zoo groot als een huisdeur, leunde tegen den wand, en uit dit boek stak een reusachtige stengel, een rand van een blad en een bloem van het vogelkruid, allen van die reusachtige grootte die Urshot weldra beroemd zoude maken, de geheele botanische wereld door...
Een soort van ongeloovigheid beving Redwood, terwijl hij temidden dezer dingen stond.
"Als het werkelijk doorgáát--" zei hij, naar het plafond daàr heel hoog starend.
Uit de verte kwam een geluid, als het loeien van een Mafficking stier, alsof het een antwoord op zijne gedachten was.
"Blijkbaar gaat alles nog geregeld zijn gang," zei Redwood. Er volgden dreunende slagen op een tafel, gevolgd door een luiden kraaienden kreet "Goeloe, Boezoe! Bzz...." "'t Beste wat ik doen kan," zei Redwood, een anderen gedachtengang volgend, "is dat ik zelf hem onderwijs."
Het geklop werd hoe langer hoe heviger. Een oogenblik lang leek het Redwood alsof er 't rythme inkwam van het dreunen eener machine--als de machine van een zwaren langen trein van gedachten die op hem afkwamen. Toen verbrak een opeenvolging van lichtere vluggere slagen dezen gedachtengang, en werd eenige malen herhaald.
"Binnen," riep hij uit, bemerkend dat er iemand tikte, en de deur die groot genoeg voor een kathedraal was, ging langzaam een eindje open. De nieuwe kruk hield op te knarsen en Bensington verscheen in den kier, goedaardig glimlachend onder zijn sterk-uitkomende kaalhoofdigheid en over zijn bril.
"Ik heb 't er maar es op gewaagd om es te komen zièn," fluisterde hij, op vertrouwelijken toon.
"Kom binnen," zeide Redwood, en dit deed hij, terwijl hij de deur achter zich sloot.
Hij kwam naar Redwood toe met de handen op den rug, deed een paar stappen en gluurde naar boven met een vogelachtige beweging van den hals. Hij streek zich nadenkend over de kin. "Telkens als ik binnen kom," zei hij op ingehouden toon, "treft het me als--"Groot".
"Ja," zei Redwood, zijn oog eveneens nog eens over alles latend dwalen, alsof hij trachtte den zichtbaren indruk vast te houden. "Ja, gróót zullen ze worden, daar kun je van op aan."
"'k Geloof het ook," zei Bensington, met iets bijna eerbiedigs in zijn stem. "Héél groot."
Zij keken elkander aan, bijna angstig.
"Ja, héél groot," zei Bensington, zich over den rug van zijn neus strijkend, en met één oog Redwood twijfelachtig aankijkend, alsof hij verwachtte op zijn gelaat nog een bevestiging te zien zijner eigen woorden. "Allemaal--vrééselijk groot. 't Is me alsof ik 't me niet kan voorstellen--zelfs al zie ik dit--hoe groot ze allemaal wel zullen worden."
HOOFDSTUK V.
HET IN HET NIET VERDWIJNEN VAN DEN HEER BENSINGTON.
I.
Het was in den tijd toen de Koninklijke Commissie tot onderzoek van het Bomvoedsel haar rapport opmaakte, dat Herakleophorbia werkelijk begon te laten zien hoe geschikt het was om ergens uit te lekken. En deze te vroege uitbarsting kwam des te ongelegener, tenminste van Cossar's standpunt, omdat de schets van het rapport, die nog bestaat, aantoont dat de commissie, onder voogdijschap van dat hoogstbekwame lid, Doctor Stephen Winkles (Lid van het Koninklijk Genootschap, Medicinal Doctor, Vrederechter, Litterarum Doctor enz.) er reeds eenstemmig over was, dat dergelijke toevallige ontsnappingen onmogelijk waren, en gereed was te verklaren dat zoo men de contrôle erover in handen stelde van een bevoegde commissie (vooral Winkles), met een onbeperkte contrôle over den verkoop ervan, dit meer dan voldoende was om aan alle redelijke bezwaren, die geopperd konden worden tegen de vrije verspreiding ervan, te gemoet te komen. Het comité zou een onbeperkt monopolie hebben. En zonder twijfel moet het beschouwd worden als een deel van de ironie des levens, dat de eerste en ernstigste dezer tweede serie van ontsnappingen plaats greep op nog geen vijftig pas van een klein landhuis in Kent, dat voor de zomermaanden door dokter Winkles betrokken was.
Er kon geen twijfel meer aan bestaan, dat Redwood's weigering om Winkles in te wijden in de samenstelling van Herakleophorbia IV, in laatstgenoemden heer een hem tot dan toe vreemde en hevige belangstelling had gewekt voor analytische chemie. Hij was geen erg zaakkundige werker, en juist hierdoor zag hij waarschijnlijk kans om te werken, niet in de uitstekend uitgeruste laboratoria in Londen, die ter zijner beschikking waren, doch zonder iemand te raadplegen, en steelsgewijze, in een klein laboratorium, dat in een verwaarloosd tuintje van zijn huis te Keston stond. Hij schijnt bij zijne onderzoekingen geen al te groot blijk van energie of groote bekwaamheid gegeven te hebben; ja, het is slechts al te duidelijk, dat hij zijn onderzoek opgaf, na er met tusschenpoozen gedurende een maand aan gewerkt te hebben.
Dit tuin-laboratorium, waarin hij werkte, was zeer elementair uitgerust, voorzien van een standpijp met water, dat afliep door een pijp, die uitkwam in een drassigen, met biezen afgezetten poel onder een elzenstruik in een afgelegen hoekje van de weide, die zich aan de andere zijde van den heg bevond. De pijp was gebarsten en het overblijfsel van het Voedsel der Goden ontsnapte door de scheur in een kleinen plas, te midden van bosjes biezen, juist vóór het ontwaken der lente.
Het leven in dat vuile, kleine hoekje was uit zijn winterslaap ontwaakt. Er dreef kikkerdril, sidderend van donderpadjes, die juist door hun geleiachtig omhulsel braken; er waren kleine waterslakken die uitkropen; en onder den groenen bast van het riet, deden de larven van den grooten waterkever al hun best om uit hunne eieren te komen. Ik weet niet of de lezer de larven kent van den kever, die (ik weet niet waarom) Dytiscus genoemd wordt. Zoo'n tor is een geleed, vreemd beest, erg gespierd, en plotseling in haar bewegingen, en heeft de gewoonte om met haar kop naar beneden te zwemmen, met haar staart uit het water; zij is zoo lang als het bovenste lid van een mannenduim, en misschien nòg langer--wel twee duim (dat wil zeggen, diè torren, die niet van het Voedsel gegeten hebben)--en zij heeft twee scherpe kaken die vóór haar kop samenkomen--cylinder-vormige kaken met scherpe punten,--waardoor zij 't bloed harer slachtoffers opzuigt... De eerste wezens die de ronddrijvende kruimels van het Voedsel te pakken kregen, waren de donderpadden en de kleine waterslakken; de kleine kronkelende donderpadden in het bijzonder, kregen er veel trek in, toen zij er eenmaal den smaak van beet hadden.
Doch nauwelijks begon er een van hen een in het oog loopende positie te bereiken in dat kleine donderpaddenwereldje, en een kleinen broeder of zoo te nuttigen als aanvulling van een vegetarisch diëet, of kip! daar sloeg een van de Tor-larven haar kromme bloedzuigende scharen in zijn hart, en met dien rooden stroom ging Herakleophorbia IV, in een staat van oplossing of ontbinding, in het organisme van een nieuwen cliënt over. Het eenige, dat, naast deze monsters, nog iets van het Voedsel kon te pakken krijgen, was het riet en het slijmerige groene schuim op het water en de pas ontkiemde waterplanten in de modder op den bodem. Een schoonmaak van de studeerkamer kort daarop, wiesch een nieuwen vloed van het Voedsel in den poel, deed hem overstroomen, en voerde deze geheele onheilspellende vermeerdering in den strijd om het bestaan naar den aangrenzenden poel onder de wortels van den els...