Het voedsel der Goden en hoe het op Aarde kwam
Part 8
"Och, enkele voor de hand liggende onbeduidende dingen. Maar zooals je ziet--hij neemt het in vollen ernst op. Zegt dat er zonder dit ook al geld genoeg verknoeid wordt aan de openbare scholen. Vertelt weer de oude geschiedenissen over piano-lessen--weet je. Niemand, zegt hij, wil de kinderen uit het volk verhinderen een opvoeding te genieten, die overeenkomt met hun stand, maar door ze dergelijk voedsel te geven, zou je hun besef van verhoudingen absoluut vernietigen. Heeft 't onderwerp nog verder uitgewerkt. Welk nut heeft het, zegt hij, arme lieden zes en dertig voet lang te maken? Hij gelooft werkelijk, zie je, dat ze zes en dertig voet lang zullen worden."
"Dat zouden ze ook," zei Bensington, "als je ze ons voedsel geregeld gaf. Maar niemand heeft iets gezegd van--"
"Jawel, ik zei iets."
"Maar m'n beste Winkles--!"
"Ze zullen natuurlijk nòg Grooter worden," viel Winkles hem in de rede, met een air van "'k weet er alles van," en verachtelijk over de onrijpe ideeën van Bensington heenloopend. "Ontegenzeggelijk Grooter. Maar luister eens naar wat hij zegt! Zal het hen gelúkkiger maken? Dat is de quaestie. Zullen ze meer eerbied hebben voor de over hen gestelde machten? Is het wel billijk tegenover de kinderen zelf?" Grappig hoe bezorgd lui van zijn slag zijn voor de rechtvaardigheid--voor zoover het schikkingen in de toekomst betreft. Zelfs heden ten dage, zegt hij, bedragen de kosten van kleeding en voeding meer dan menig ouder voor zijn kinderen kan betalen, en als dit nieuwe wordt toegelaten!--He?"
"Je ziet dat hij mijn terloops gegeven wenk tot een positief voorstel maakt. En dan berekent hij verder hoeveel een broek zal kosten voor een groeienden jongen van twintig voet ongeveer. Alsof hij werkelijk geloofde--Honderd twintig gulden berekent hij, en dan is nog alleen maar de naaktheid van den jongen bedekt. Grappige kerel, die Caterham. Zoo concreet! En op den braven en hard-werkenden belastingbetaler zal 't neerkomen, zegt hij. Hij zegt dat wij rekenschap hebben te houden met de Rechten der Ouders. Hier staat het allemaal. Twee kolommen. Ieder ouder heeft het recht zijne kinderen groot te brengen naar zijn eigen lengte..."
"Dan komt de quaestie van de inrichting der scholen, kosten van vergroote banken en lessenaars voor ons tòch al tè zwaar belaste Rijksscholenbudget. En wat krijg je dan nòg?--een proletariaat van hongerige reuzen. En hij eindigt met een heel ernstige passage; hij zegt dat, zelfs al komt er niets van dat alle perken overschrijdende voorstel--ik greep 't zoo maar uit de lucht, moet je weten en heelemaal verkeerd uitgelegd bovendien--van die scholen, dat dan de quaestie daar nog niet mee uit is. Dit is een eigenaardig voedsel, zóo eigenaardig, dat het bijna kwaadaardig lijkt. Het is roekeloos rondgestrooid--zoo zegt hij--en niets waarborgt, dat het niet nogmaals zal worden rondgestrooid. Als men er eenmaal van genomen heeft, is het gif, tenzij men er mee doorgaat. ("Dat is het ook," zei Bensington). En om kort te gaan, hij stelt voor een "Nationaal Genootschap ter Behoud van de Normale Verhoudingen der Dingen" op te richten. Zot, he? En heel veel lui voelen er veel voor. Maar wat denken ze te doèn?"
Winkles haalde de schouders op en stak zijn handen uit. "Een vereeniging vormen," zei hij, "en lawaai maken. Ze willen het onwettig doen verklaren, dit Herakleophorbia te fabriceeren--of tenminste het algemeen bekend maken van het bestaan ervan. Ik heb er een beetje over geschreven naar dit en dat blad, om aan te toonen, dat Caterham's begrip van de zaak schromelijk overdreven is--schròmelijk overdreven, maar mijn geschrijf schijnt hem niet tegen te houden. Grappig, he, hoe de menschen er zich tegen gaan kanten. En de Nationale Matigheids-Bond heeft een afdeeling opgericht voor Matigheid in Groei."
"Hm," zei Bensington en streek zich over den neus.
"Na al wat er gebeurd is kan dat lawaai slecht uitblijven. Oppervlakkig beschouwd is de quaestie werkelijk wat--onrustbarend."
Winkles liep een tijdje de kamer op en neer, aarzelde en vertrok.
Het was duidelijk, dat hij iets verborgen hield, iets dat op twee manieren van belang voor hem was en dat hij nog niet wenschte te laten zien. Op zekeren dag toen Redwood en Bensington samen op Bensington's kamers zaten, liet hij even doorschemeren wat het was, dat hij in reserve hield.
"Hoe staan de zaken?" zei hij, zich in de handen wrijvend.
"Wij zijn bezig een soort van rapport samen te stellen."
"Voor het Koninklijk Genootschap?"
"Juist."
"Hm," zei Winkles, heel gewichtig doend, en ging naar het haardkleed. "Hm. Maar--De quaestie is maar, mag je dat wel doen?"
"Mogen we--wat?"
"Mag je dat wel publiek maken?"
"Wij leven niet meer in de middeleeuwen," zei Redwood.
"Dat weet ik wel."
"Zooals Cossar zegt, "kennis ruilen,"--dat is de ware wetenschappelijke methode."
"In de meeste gevallen wel, ja. Maar--Dit is een exceptioneel geval."
"Wij zullen het Koninklijk Genootschap de geheele zaak behoorlijk voorleggen," zei Redwood.
Winkles kwam bij een latere gelegenheid hier op terug.
"In veel opzichten is 't een merkwaardige uitvinding."
"Dat verandert niets aan de zaak," zei Redwood.
"Maar dit is een soort van wetenschap die heel licht aanleiding kan geven tot ernstige misbruiken,--"tot ernstige gevaren,"--zooals Caterham het uitdrukt."
Redwood zei niets.
"Zelfs achteloosheid, weet je--Als we een commissie van betrouwbare lieden vormden om het vervaardigen van Bomvoedsel, Herakleophorbia bedoel ik, te controleeren--zouden we kunnen--"
Hij zweeg, en Redwood, met een heimelijk onaangenaam gevoel, deed alsof hij de vraag in Winkles' woorden niet opmerkte.
Buiten de vertrekken van Redwood en Bensington werd Winkles, niettegenstaande de onvolledigheid van zijn kennis ervan, een leidend autoriteit op het gebied van Bomvoedsel. Hij schreef brieven waarin hij het gebruik ervan verdedigde; hij schreef korte stukjes en artikelen waarin hij het nut ervan verklaarde; hij sprong op oogenblikken dat het heelemaal niet te pas kwam op in de vergaderingen der wetenschappelijke en medische genootschappen om erover te praten; hij vereenzelvigde er zich mede. Hij gaf een pamflet uit, getiteld "De waarheid omtrent Bomvoedsel," waarin hij het geheele voorval te Hickleybrow nagenoeg tot niets reduceerde. Hij zei, dat het onzinnig was te zeggen dat Bomvoedsel de menschen zeven en dertig voet lang zou maken. Het "lag voor de hand," dat dit overdrijving was. Natuurlijk zou het hen Grooter maken, maar meer niet...
In dat intieme kringetje van twee zag men maar al te duidelijk, dat Winkles dolgraag wilde helpen bij het maken van Herakleophorbia, en helpen bij het corrigeeren van de proeven van het een of ander artikel dat voorbereid werd over dit onderwerp, ja alles te doen waaruit hij de bizonderheden van het vervaardigen van Herakleophorbia kon te weten komen. Voortdurend vertelde hij hen beiden, dat hij voelde, dat het "een Groot Ding" was, en dat er enorme mogelijkheden in verscholen lagen. Als ze maar eerst op de een of andere manier ongestoord hun gang konden gaan. En eindelijk vroeg hij op zekeren dag ronduit, of ze hem niet zeggen konden hoe het gemaakt werd.
"Ik heb nog es nagedacht over wat je zei," zeide Redwood.
"Nu, en?" zei Winkles, plotseling oplevend.
"Het is een soort van kennis die heel licht aanleiding zou kunnen geven tot ernstige misbruiken." zei Redwood.
"Maar ik zie niet in waar dat op slaat," zei Winkles.
"'t Is tòch zoo," zei Redwood.
Winkles dacht er een paar dagen over na. Toen kwam hij bij Redwood en zei dat hij er aan twijfelde of hij aan Redwood's kleinen jongen wel langer poeders mocht geven, waarvan hij niets wist; het leek hem toe erg veel te hebben van lichtvaardig verantwoordelijkheid op zich te nemen. Dit stemde Redwood tot nadenken.
"Heb je gezien, dat de "Vereeniging tot Algeheele Onderdrukking van Bomvoedsel" al verscheidene duizenden leden telt?" zei Winkles van het onderwerp afstappend.
"Ze hebben een petitie op touw gezet," zei Winkles. "En de jonge Caterham zal haar de Kamer voorleggen. 't Gaat meenens worden, hoor. Zij zijn bezig plaatselijke comité's te vormen om invloed te oefenen bij verkiezingen. Zij wenschen het vervaardigen en het in voorraad hebben van Herakleophorbia zonder speciale vergunning, strafbaar te stellen, en het toedienen van Bomvoedsel--zoo noemen ze het--aan eenig persoon onder de eenentwintig, als landverraad aan te merken, met gevangenisstraf zonder boete. Maar er zijn nog andere vereenigingen weet je. De "Vereeniging tot Behoud van de Oude Lichaamsgrootte" wil den heer Frederic Harrison in den raad zien te krijgen, zeggen ze. Je weet dat hij er een verhandeling over geschreven heeft; hij zegt dat het absoluut niet harmonieert met die Openbaring van het Menschelijk Geslacht die gevonden wordt in de leeringen van Comte. Dat het iets is, dat zelfs de achttiende eeuw in hare ergste tijden niet zou hebben kúnnen voortbrengen. De gedachte aan dit Voedsel is nooit in het hoofd van Comte opgekomen--wat wel een bewijs is, dat het werkelijk uit den booze is. Niemand, zegt hij, die Comte werkelijk heeft begrepen..."
"Maar je wilt toch niet zeggen--" zei Redwood, die van schrik over zijn verachting voor Winkles heenraakte.
"Nou, ze zullen dat nu allemaal wel niet doen," zei Winkles. "Maar de publieke opinie is nu eenmaal de publieke opinie, en stemmen zijn stemmen. Iedereen kan wel zien dat jullie een lastig ding in de wereld geschopt hebt. En het menschelijk instinct stelt zich onmiddellijk tegenover dingen die de rust verstoren.
"Niemand schijnt te gelooven in Caterham's denkbeeld van menschen van zeven en dertig voet lang, die geen kerk of vergaderlokaal kunnen binnenkomen, of eenig andere maatschappelijke of menschelijke inrichting. Maar toch zijn ze er niet zoo heel gerust op. Ze zien wel dat dit iets is,--iets dat meer is dan een gewone ontdekking--"
"Dat zit er in iedere ontdekking," zei Redwood.
"Hoe dan ook, ze worden--schichtig. Caterham zeurt maar steeds over wat er gebeuren kàn, als het weer losbreekt. Ik herhaal telkens en telkens weer dat het dat niet zàl, en dat 't dat niet kàn. Maar--je staat er voor!"
En hij liep een tijd lang lawaaiërig in de kamer op en neer, alsof hij het onderwerp van het geheim weder wilde op de proppen brengen, bedacht zich en ging heen.
De beide geleerden keken elkaar aan. Een tijdlang spraken alleen hunne oogen.
"In het ergste geval," zei Redwood, met gemaakt-kalme stem, "zal ik het Voedsel mijn kleinen Teddy eigenhandig toedienen."
III.
Slechts enkele dagen na dit gesprek, sloeg Redwood, zijn courant open en zag, dat de Eerste Minister een "Koninklijke Commissie ter onderzoek van Bom-Voedsel" had toegezegd. Dit deed hem, met de courant in de hand, naar Bensington's kamer snellen.
"Ik geloof, dat Winkles de zaak aan het bederven is. Hij maakt het Caterham gemakkelijk. Hij praat er al maar over en wat het nog uitwerken zal, en jaagt de menschen vrees aan. Als hij zoo doorgaat, geloof ik vast dat hij onze navorschingen onmogelijk zal maken. Zelfs zoo als de zaken nu staan--met dit gedoe over mijn kleinen jongen--"
Bensington zei dat hij wenschte dat Winkles er mede ophield.
"Heb je wel opgemerkt, dat hij de gewoonte heeft aangenomen het Bomvoedsel te noemen. Ik mag dien naam niet," zei Bensington, over zijn bril heenkijkend.
"Maar 't drukt precies uit wat 't is--voor Winkles."
"Waarom blijft hij er zich toch zoo voor interesseeren. Hij is de uitvinder toch niet!"
"Ja, ik begrijp 't ook niet," zeide Redwood. "Maar al is hij de uitvinder niet, iedereen is toch mooi op weg te denken, dat hij 't wel is. Niet dat 't er véél op aankomt, hoor!"
"Maar als deze domme, belachelijke agitatie--eens--ernstig wordt," begon Bensington.
"Mijn kleine jongen kan er niet meer buiten," zei Redwood. "Ik zie niet in wat me ànders te doen staat. In 't ergste geval--"
Een licht bonzend geluid duidde de komst van Winkles aan. Hij stond plotseling midden in de kamer, zich in de handen wrijvend.
"Ik zag graag, dat je in 't vervolg aanklopte," zei Bensington, kwaadaardig over de gouden randen van zijn bril kijkend.
Winkles putte zich uit in excuses. Toen wendde hij zich tot Redwood. "Goed dat je hier bent," begon hij, "de quaestie is--"
"Heb je gelezen van die Koninklijke Commissie?" viel Redwood hem in de rede.
"Ja," zei Winkles, van zijn stuk gebracht. "Ja."
"Wat is jouw opinie daarover?"
"Uitstekend iets," zei Winkles. "Moèt een eind maken aan al dit lawaai. Licht laten schijnen over de geheele zaak. Caterham zijn mond snoeren. Maar daarom ben ik niet hierheen gekomen, Redwood. De quaestie is--"
"Ik moet zeggen, dat ik niet erg òp heb met die Koninklijke Commissie," zei Bensington.
"Ik kan je verzekeren, dat dàt zaakje in orde is, hoor. Ik kan je wel zeggen--ik geloof niet dat 't een misbruik van vertrouwen is--dat ik er hoogst waarschijnlijk zitting in zal nemen--"
"H'm," zei Redwood, in het vuur starend.
"Ik zal dat zaakje wel in orde brengen. Ik kan het in de eerste plaats volkomen duidelijk maken, dat het goedje zeer wel in bedwang te houden is, en ten tweede, dat er wel een wonder zou moeten gebeuren als die quaestie te Hickleybrow nog eens voor zou vallen. Dat is wat ze noodig hebben, een verzekering van iemand die het weten kan. Natuurlijk zou ik met meer zelfvertrouwen kunnen spreken als ik wist--Maar dat zeg ik maar zoo, hoor. En nu dat ik toch hier ben, wou ik je meteen wel even raadplegen in een ander zaakje. Ahem. De quaestie is--nu--Ik verkeer in een kleine moeilijkheid en jij kunt me daaruit helpen."
Redwood trok de wenkbrauwen op, en was heimelijk verheugd.
"De quaestie is--zeer confidentieel."
"Ga voort," zei Redwood. "Je kunt op me vertrouwen."
"Nu dan, onlangs is er een kind onder mijn behandeling gesteld--het kind van--van een Verheven Personage."
Winkles kuchte.
"Nou, nou, je raakt mooi op weg," zei Redwood.
"Ik moet bekennen, dat het grootendeels te danken is aan jouw poeders--en de reputatie van mijn succes met je kleine jongen--'t Is waar, ik kan het niet verhelen, de publieke opinie is erg tegen het gebruik ervan. En toch merk ik, dat onder de meer intellectueele--Je moet niet te hard van stapel loopen met dergelijke dingen--langzaam aan. En toch, in het geval van Hare Doorluchtig--ik bedoel dit nieuwe patientje van mij. Feitelijk kwam het voorstel van haar vader, of ik zou nooit--"
Het kwam Redwood voor dat hij niet goed wist, hoe zich te houden.
"Ik dacht dat je er aan twijfelde of het wel raadzaam was deze poeders te gebruiken," zei Redwood.
"O, die twijfel was van voorbijgaanden aard."
"Je bent toch niet van plan er mee uit te scheiden--"
"Wat jouw kleine jongen betreft? Beslist niet!"
"Voor zoover ik er kijk op heb, zou ik 't tenminste als moord beschouwen."
"Nee, en voor de wereld zou 't óók niet gaan er mee op te houden."
"Je zult de poeders hebben, hoor," zei Redwood.
"Je zoudt me zeker niet kunnen zeggen--"
"Nee, nee," zei Redwood. "Er bestaat geen recept. Vergeef mij m'n openhartigheid, Winkles, maar probeer 't maar niet uit me te krijgen. Ik zelf zal je de poeders maken."
"Misschien nog wèl zoo goed," zei Winkles, na Redwood een oogenblik strak te hebben aangekeken--"misschien nog wèl zoo goed." En vervolgens: "ik kan je verzekeren dat ik er absoluut niets tegen heb."
IV.
Toen Winkles weg was, kwam Bensington op het haardkleed staan en zag op Redwood neer.
"Hare Doorluchtigheid!" merkte hij op.
"Hare Doorluchtigheid!" zei Redwood.
"Het is de prinses van Weser Dreiburg!"
"Niet verder dan een nicht in den derden graad."
"Redwood!" zei Bensington, "'t is natuurlijk gek dat ik 't zeg, maar--geloof je dat Winkles 't begrijpt?"
"Wat?"
"Wàt het is dat wij gemaakt hebben."
"Zou hij werkelijk begrijpen," zei Bensington, zijn stem latende dalen, en zijn blik op de deur gericht houdend, "dat in de Familie--de Familie van zijn nieuwe patiente--"
"Ga door," zei Redwood.
"Die altijd een beetje onder--onder--"
"De middelbare lengte?"
"Juist. En zoo bijzonder tactvol onberoemd als hij is op elk mogelijk gebied, gaat hij nu een koninklijk personage te voorschijn brengen--een te langzaam groeiend koninklijk personage--van diè grootte. Weet je, Redwood, ik ben er niet zeker van of er niet iets bijna--verraderlijks in schuilt...."
Hij wendde zijn oogen van de deur naar Redwood.
Redwood maakte een gebaar--met gestrekten wijsvinger--in de richting van het vuur. "Bij den hemel!" zei hij, "hij weet 't níét!"
"Die man," zei hij, "weet nièts. Dat was reeds zijn meest tergende eigenschap als student. Letterlijk niets. Hij kwam door al zijn examens, hij had al zijn feiten bij elkaar--en hij had evenveel kennis als een draaiende boekenplank waarop de "Times Encyclopedie" staat. En nù weet hij nog evenmin iets. Hij is Winkles en niet in staat om werkelijk iets in zich op te nemen en te verwerken, wat niet in onmiddellijk verband staat met zijn oppervlakkig, pedant eigen-ik. Alle verbeeldingskracht ontbreekt hem en als een gevolg daarvan, is hij ongeschikt voor kennis. Niemand kan zonder juist diè ongeschiktheid, door zooveel examens komen, en zoo goed gekleed gaan, en zooveel succes hebben als dokter. Dat is de geheele quaestie. En niettegenstaande alles wat men hem verteld, en wat hij gehoord en gezien heeft, heeft hij nòg geen vaag begrip van wat hij aan den gang gebracht heeft. Hij heeft een goed zaakje aan de hand, dat hij opkweekt met Bomvoedsel, en de een of ander heeft hem die koninklijke baby in handen gespeeld. En het feit, dat Weser Dreiburg over eenigen tijd zal staan voor het reuzen-probleem van een dertig en idem zooveel voet lange prinses, is niet alleen niet in zijn hoofd opgekomen, maar kòn het ook niet--kòn het ook niet."
"'t Zal een ontzettende herrie geven," zei Bensington.
"Ja, binnen een jaar of zoo al."
"Zoodra ze zien dat het kind al maar blijft dóórgroeien."
"Tenzij zij, zooals dat doorgaans in dergelijke kringen gedaan wordt, 't doodzwijgen."
"'t Is anders wel wat véél om stil te houden."
"Ja, nog al!"
"'t Zal me benieuwen wat ze zullen doen?"
"Zij dòèn nooit iets--Koninklijke tact."
"Maar ze moeten toch ièts doen."
"Misschien dat zij dat wel zullen doen."
"O, Heer, ja."
"Zij zullen haar achterbaks houden. Dat is meer gebeurd."
Redwood barstte in een onbedaarlijk gelach uit.
"Het overtollige koningskind--de niet te stuiten baby met het IJzeren Masker!" zei hij.
"Ze zullen haar in den hoogsten toren van het oude kasteel Weser Dreiburg moeten zetten, en gaten in de plafonds maken, naarmate zij van verdieping tot verdieping groeit!"...
"Nu, ik verkeer in 't zelfde geval. En Cossar en zijn drie jongens net zoo. En--nu ja."
"'n Ontzettende herrie zal dat geven," herhaalde Bensington, niet mede lachend. "Ontzettend."
"Ik vertrouw dat je de quaestie goed overdacht hebt, Redwood. Maar weet je zeker dat 't niet wijzer zoude zijn Winkles te waarschuwen, jouw kleine jongen er langzamerhand zien af te brengen--en--ons te vergenoegen met de Theoretische Overwinning die we behaald hebben?"
"Ik wou waaràchtig dat je eens een half uur doorbracht in mijn kinderkamer als het Voedsel een beetje laat is," zei Redwood, met een ongeduldigen klank in zijn stem, "dan zou je wel anders praten, Bensington. Bovendien--stel je voor, Winkles waarschuwen!... Nee hoor! De opkomende vloed van deze quaestie heeft ons onverhoeds overvallen en of we bang zijn of niet--we zullen moèten zwemmen!"
"Ja, daar zal wel niet anders opzitten," zei Bensington, naar zijn teenen starend. "Ja, we moeten zwemmen. En jouw jongen zal moeten zwemmen en Cossar's jongens--hij heeft het aan alle drie gegeven. Niets halfs in Cossar--alles of niets. En Haar Doorluchtigheid. En al het verdere. Wij gaan voort met het Voedsel te maken."
"Cossar ook. Wij zijn pas in den dageraad van het begin, Redwood. Het is duidelijk, dat er allerlei dingen volgen zullen. Monsterachtig groote dingen. Maar ik kan me ze niet goed voorstellen, Redwood. Behalve--"
Hij keek vorschend naar zijn nagels. Toen keek hij Redwood aan met zachte oogen door zijn bril.
"Ik geloof half en half," waagde hij te zeggen, "dat Caterham gelijk heeft. Soms. Het zal wèrkelijk de normale afmetingen der dingen omverwerpen. Het zal in de plaats komen van--Ja, wat zal het niet verplaatsen?"
"Wat het ook doet," zei Redwood, "mijn kleine jongen moet het Voedsel hebben."
Zij hoorden iemand vlug tegen de trap optuimelen. Toen stak Cossar zijn hoofd om de deur. "Hallo!" zei hij, toen hij hun gelaatsuitdrukking zag en binnenkomend: "Wel?"
Zij vertelden hem de quaestie met de prinses.
"Moeilijk geval?" merkte hij op. "Geen quaestie van. Zij zal groeien, jouw jongen zal groeien. Al de anderen waaraan je 't gaf, zullen groeien. Alles. En hard ook. Waar steekt het moeilijke van de zaak? Alles in orde, hoor. Een kind kan je dat zeggen.... Waar zit de moeilijkheid?"
Zij trachtten hem dat duidelijk te maken.
"Er niet mee doorgaan!" gilde hij bijna. "Maar--! Jullie staat machteloos. Daar ben jelui voor op de wereld. Daar is Winkles voor. Alles in orde, hoor! Heb me dikwijls verwonderd waar Winkles eigenlijk voor was. Nù ligt 't voor de hand. Herrie. Natúúrlijk. Dingen in de war brengen? Zal àlles in de war brengen. En eindelijk zal het àlle menschelijke aangelegenheden omverwerpen. Helder als de dag, niet waar! Ze zullen probeeren 't tegen te houden, maar ze zijn er te laat bij. Dat zijn ze meestal. Jullie gaat er mee door en verspreidt er zoo veel van als je maar kunt. Dank God dat hij je ergens voor gebruiken wil!"
"Maar de strijd die er uit volgen moet!" zei Bensington, "de spanning! Ik weet niet of je je wel een denkbeeld gevormd hebt--"
"Jij behoorde de een of andere stronk groente geweest te zijn, Bensington," zei Cossar--"dat moest je. Iets dat groeide op een kunstrotsje in 'n tuin. Daar zit je nu, wonderbaarlijk geformeerd, en jij denkt dat 't eenige waar je voor op aarde bent, is om hier en daar wat om te hangen en je malen te gebruiken. Denk je dat deze wereld gemaakt is voor ouwe wijven om wat in te luiwammissen? Maar hoe dan ook, jelui staat er machteloos tegenover--je moèt er wel mede doorgaan."
"Ik vertrouw 't ook," zei Redwood. "Langzaam."
"Neen!" zei Cossar, met een geweldigen kreet. "Neen! Maak er zooveel van als je kunt en zoo vlug je maar kunt. Strooi het overall"
Hij werd geïnspireerd tot een vlaag van geestigheid. Hij parodieerde een van Redwood's kromme lijnen met een breeden zwaai omhoog van zijn arm. "Redwood!" zei hij, om zijn beweging duidelijker te maken, "maak het Zoo!"
V.
Er schijnt een lengte-grens te zijn voor moedertrots, en deze werd in mevrouw Redwood's geval bereikt, toen haar spruit de zesde maand van zijn aardsch bestaan volbracht, zijn uiterst soliede bassinet-kinderwagen in elkaar deed zakken, en thuis gebracht werd op den melkwagen. De jonge Redwood woog te dien tijde vijf en negentig en een half pond, mat acht en veertig duim in de lengte en kon ongeveer zestig pond opbeuren. Hij werd naar de kinderkamer boven gedragen door de keukenmeid en de werkmeid. Na deze gebeurtenis was ontdekking nog slechts een quaestie van dagen. Op zekeren middag kwam Redwood uit zijn laboratorium thuis en vond zijn ongelukkige vrouw verdiept in de boeiende bladzijden van "Het Machtige Atoom," [4] en toen zij hem zag, legde zij haar boek terzijde, liep driftig op hem toe en barstte in tranen uit, terwijl zij tegen zijn schouder leunde.
"Zeg mij toch wat je aan hem gedaan hebt," klaagde zij. "Zeg me toch wat je gedaan hebt."
Redwood vatte haar hand, en leidde haar naar de sofa, terwijl hij nadacht hoe hij zich het best verdedigen kon.
"O, 't is niets, lieve," zei hij; "'t is niets hoor. Je bent alleen wat overspannen. 't Komt door dien goedkoopen kinderwagen. Ik heb een man, die altijd achter een ziekenstoel loopt, besteld om morgen hier te komen met iets stevigers."
Mevrouw Redwood keek hem door haar tranen heen aan over de punt van haar zakdoek.
"Een baby in een ziekenstoel?" snikte zij.
"Nu, waarom niet?"
"Dan is het net of hij kreupel is."