Het voedsel der Goden en hoe het op Aarde kwam

Part 4

Chapter 43,971 wordsPublic domain

De kip schrok er van. Iederéén zou er van geschrokken zijn. Zij liet haar slachtoffer vallen in een Portugeeschen laurierstruik, (waaruit het een oogenblik later te voorschijn gehaald werd, gehavend doch heelshuids, op zijn minder fijne kleêren na), sprong fladderend naar het dak van Fulcher's stal, zakte met den poot door een zwakke plaats in de pannen, en daalde, om het zoo maar eens uit te drukken, uit de oneindige ruimte, in de contemplatieve rust van den heer Bumps, de lamme, die--en het is nu boven allen twijfel verheven door de bewijzen die voorhanden zijn--bij deze speciale gelegenheid in zijn leven, de geheele lengte van zijn tuin afliep, en zoo naar binnen zonder eenige hulp, de deur achter zich grendelde en toen zich onmiddellijk weder overgaf aan Christelijke berusting en algeheele afhankelijkheid van zijn vrouw...

De overige kuikens werden tegengehouden door andere crocketspelers, en gingen door den moestuin van den predikant het veld van den dokter in, waar de vijfde zich ook bij hen voegde, mistroostig klokkend na een mislukte poging om over de komkommerkassen te loopen in den tuin van meneer Witherspoon. Ze schijnen daar bij elkaar gestaan te hebben, zooals kippen dat doen kunnen, en een beetje gekrabd en peinzend geklokt te hebben, en toen pikte er een naar een bijenkorf van den dokter en wierp hem omver, en hierop gingen ze aan den haal met een zotten, hortenden, onregelmatigen gang, dwars de velden door in de richting van Urshot, en de straat te Hickleybrow zag ze niet weder. Bij Urshot schijnen ze werkelijk aan hun vraatzucht geëvenredigd voedsel gevonden te hebben in een veld koolrapen, en pikten hier een tijd met smaak aan, tot hun roem hen achterhaalde.

De voornaamste onmiddellijke reactie op dezen verbazingwekkenden inval van reuzen-hoenders op den menschelijken geest was het plotseling ontwaken van een eigenaardige onweerstaanbare neiging om te schreeuwen en hard te draven en met allerlei dingen te gooien, en in een bijzonder korten tijd was nagenoeg de geheele beschikbare mannelijke bevolking van Hickleybrow en verscheidene dames, er op uit met een merkwaardige verzameling van ratelende en klapperende dingen in de hand--om het verdrijven der reuzenkippen aan te vangen. Ze dreven ze Urshot binnen, waar een Landelijk Feest gehouden werd, en Urshot beschouwde ze als de kroon op een gelukkigen dag. Men begon op ze te schieten dicht bij Findon Beeches, doch in het begin slechts met een vogelroer. Natuurlijk kunnen vogels van deze grootte een onbeperkte hoeveelheid kleine hagel in zich opnemen zonder eenige nadeelige gevolgen. Zij raakten dicht bij Sevenoaks van elkaar en bij Tonbridge liep er een, al klokkend, een tijdlang buitengewoon opgewonden, naast den namiddagboot-express, en een eindje er voor uit,--tot groote verbazing van alle passagiers.

En tegen half vijf werden er twee zeer handig gevangen door een circuseigenaar te Tunbridge Wells, die ze in een kooi, welke leegstond door den dood van een tot weduwe geworden drommedaris, lokte, door koekjes en brood te strooien...

VIII.

Toen de ongelukkige Skinner dien avond te Urshot uit den Zuid-Ooster trein stapte, was het bijna schemer. De trein was laat--doch niet buitensporig laat--wat meneer Skinner dan ook tegen den stationschef opmerkte. Misschien zag hij het oog van den chef veelbeteekenend schitteren. Na een zeer korte aarzeling en met een vertrouwelijk handgebaar naar den kant van zijn mond vroeg hij of er dien dag ook "iets" gebeurd was.

"Wat bedòel je?" zei de chef, een man met een harde nadrukkelijke stem.

"Met die wethpen en dat tuig."

"We hebbe niet veel tijd gehad om aan wespe te denke," zei de chef vriendelijk. "We zijn veels te druk geweest met je pesterige kippen," en hij deelde hem mede wat er met de kuikens gebeurd was.

"Je hebt toch nikth ge'oord van juffrouw Thkinner?" vroeg Skinner, tusschen dien stortvloed van kernachtige woorden en aanmerkingen door...

"Ben je nou heelemaal!" zeide de chef--alsof zelfs hij de grens trok op het gebied van dingen-weten.

"Dan moet 'k er toch eth naar gaan onderthoeke," zeide meneer Skinner, zich zijdelings verwijderend buiten schot voor de algemeene opmerkingen over de verantwoordelijkheid, die iemand op zich nam door kippen te zwaar te voeden, waarmede de chef besloot...

Toen hij Urshot doorkwam werd hij aangeroepen door een kalkbrander uit de groeven in de buurt van Hankey, die hem vroeg of hij naar zijn kippen zocht.

"Je hebt bijgeval toch niksth gehoord van m'n vrouw?" vroeg hij.

De kalkbrander--wàt hij precies zeide gaat ons niet aan--gaf te kennen dat hij méér belang stelde in kippen....

Het was reeds donker--zoo donker als een nacht in de maand Juni in Engeland tenminste zijn kan--toen Skinner--of zijn hoofd liever gezegd--om de deur van "de Vroolijke Drijvers" kwam kijken, en zeide: "Ello! je 'ebt toch nikth ge'oord van die gesthchiedenith met mijn kippe, hè?"

"Zoo!" zeide Fulcher. "Nou, een gedeelte van die geschiedenis is door het dak van mijn stal komen zakken, en één hoofdstuk heeft een gat gestooten in de broeibak van de domineesche--neem me niet kwalijk--Broeikàst."

Skinner trad binnen. "Ik wil een troothtertje hebbe," zei hij "warme jenever met water, athjeblieft," en iedereen begon hem te vertellen omtrent de kuikens.

"Goeie god!" zeide Skinner. "Je 'ebt toch nikth ge'oord van juffrouw Thkinner?" vroeg hij toen het even stil was.

"Nee, dat niet!" zeide Witherspoon. "An haar hebbe we niet gedacht. Trouwens an jou evenmin, hoor."

"Ben je vandaag dan niet thuis geweest?" vroeg Fulcher, over zijn bierpul heen.

"As een van je verwenschte vogels d'r gepikt heeft," begon Witherspoon, en liet de gansche onuitgesproken verschrikking zijner woorden aan hun hulpelooze verbeelding over...

Het leek de vergadering op dat oogenblik interessant toe, als besluit van een gebeurtenis-vollen dag, om Skinner te vergezellen, en te zien of er iets gebeurd wàs met juffrouw Skinner. Je weet nooit wat meevallertjes je kunt hebben als er ongelukken op de baan zijn. Doch Skinner, die bij de toonbank stond en zijn warme jenever met water dronk, met één oog dwalend over de dingen achter het buffet en het andere gericht op het onbegrensde, miste het psychologische van dit moment.

"D'r ith vandaag toch niksth an de hand geweetht met een van die groote wepthen?" vroeg hij, met een bestudeerde losheid van manier.

"Veels te druk geweest met je kippe," zei Fulcher.

"Ik vertrouw dat the nou toch al wel binne thulle thijn, hè?" zei Skinner.

"Wat--de kippe?"

"Ik dacht an de wepthe," zei Skinner.

En toen, met een omzichtigheid die wantrouwen zou gewekt hebben in een kind van een week oud, en den klemtoon leggend op het meerendeel der woorden die hij zeide, vroeg hij, "níémand 'ééft toch ge'óórd van andere groote dingen, wel? Groote 'onde' of katte' of thóó ietsth? Ik thou thegge dat as d'r groote kippe en wepthe' thijn, dat--"

Hij lachte met een uitstekend nagebootst air alsof hij zoo maar wat zei.

Doch er kwam een peinzende uitdrukking op de gezichten der Hickleybrowers. Fulcher was de eerste die aan hun aller, steeds helderder wordende gedachte den concreten woorden-vorm gaf.

"'n Kat, die past bij die kippe'--" zei Fulcher.

"Net zoo!" zei Witherspoon, "'n Kat die past bij diè kippe'."

"Dat zou 'n tijger zijn," zei Fulcher.

"Nog erger dan 'n tijger," zei Witherspoon.

Toen Skinner eindelijk het eenzame voetpad volgde over het glooiende veld dat Hickleybrow scheidde van de sombere vallei, die overschaduwd werd door pijnboomen, in welker donkere schaduw de reusachtige kanarie-kruid-kruipplant in stilte zijn strijd uitvocht met de Proef-Hoeve, volgde hij het alléén.

Zeer duidelijk zag men hem rijzen tegen de lucht--want zoover volgde de publieke belangstelling hem--en weder afdalen in den nacht, in een duisternis waaruit hij nooit weder zal te voorschijn komen. Hij verdween--in één groot mysterie. Tot op dezen dag weet niemand wat er met hem gebeurde, nadat hij de helling over was.

Toen later de beide Fulchers en Witherspoon, aangevuurd door hun eigen verbeelding, den heuvel beklommen, en naar hem uitstaarden, had de nacht hem geheel verzwolgen.

De drie mannen stonden dicht bij elkaar. Er kwam geen enkel geluid tot hen vanuit de duisternis van het bosch, dat de Hoeve aan hunne oogen onttrok.

"'t Zal wel in orde zijn," zeide de jonge Fulcher, een lang stilzwijgen verbrekend.

"Ik zie geen lichten," zei Witherspoon.

"'t Is dampig," zei de oudste van de Fulchers.

Zij bleven een oogenblik in gedachten verzonken staan.

"Hij zou wel teruggekomme zijn as d'r iets niet in den haak was." zei de jonge Fulcher, en dit leek zóó voor de hand liggend en afdoend, dat een oogenblik later de oude Fulcher zei "kom," en zij alle drie naar huis en te bed gingen--ik moet toegeven, wel wat nadenkend...

Een herder, die buiten was in de buurt van Huckster's boerderij, hoorde een gejank in den nacht, dat hij dacht van vossen afkomstig te zijn, en den volgenden morgen was een van zijn lammeren gedood, halverwege naar Hickleybrow gesleept en gedeeltelijk verslonden...

Het onverklaarbare van het geval is, dat er geen onbetwistbare overblijfselen van Skinner gevonden werden!

Verscheidene weken daarna, werd er tusschen de verkoolde ruïnen der Proef-Hoeve iets ontdekt, dat een menschelijk schouderblad kon geweest zijn, maar het ook evengoed nièt kon geweest zijn, en in een ander gedeelte der ruïnen een lang been, erg afgekloven, en eveneens van twijfelachtige herkomst. Dicht bij den opstap van het hek, op de helling naar Eyebright, werd een glazen oog gevonden, en verscheidene lieden ontdekten naar aanleiding hiervan, dat Skinner veel van zijn persoonlijke bekoring te danken had aan dit artikel. Het staarde de wereld aan met hetzelfde air van los zijn van al het aardsche, dezelfde strenge zwaarmoedigheid, die de redders waren geweest van zijn gelaat, dat anders wereldsch had kunnen lijken.

En om de ruïnen bracht een ijverig onderzoek de metalen ringen en verkoolde omtrekken van twee linnen knoopen, en drie onaangetaste beenen knoopen aan het licht, en een van die metalen soort die gebruikt worden voor de minder in het oog vallende naden der menschelijke kleedij. Deze overblijfselen zijn door personen, die het weten konden, beschouwd als zonder eenigen verderen twijfel, wijzend op een verslonden en verstrooiden Skinner, doch terwille van mijn eigen overtuiging, en zijn zeer sterk aangeboren slordigen aard in aanmerking nemend, moet ik zeggen dat ik voor mij liever wat minder knoopen en wat meer beenderen had wenschen te zien.

Na het vinden van het glazen oog is het natuurlijk zeer moeilijk de eerste meening te weerleggen en deze heeft dan ook allen schijn van waarheid, doch als het werkelijk het oog van den heer Skinner is,--en zelfs juffrouw Skinner wist nooit zeker of zijn onbeweeglijk oog van glas was--dan moet het een of ander het veranderd hebben van zacht bruin tot helder en geprononceerd blauw. Dat schouder-blad is een zeer twijfelachtig bewijsstuk, en ik zou het wel eens willen leggen naast de afgeknaagde schouderbladen van enkele van de meer gewone huisdieren, vóor ik toegeef dat het aan een mensch toebehoorde.

En waar waren Skinner's schoenen dan wel, bijvoorbeeld?

Verdorven en vreemd als de vraatzucht van een rat moge zijn, is het dan nog aan te nemen dat dezelfde wezens een lam half-opgegeten zouden laten liggen, en Skinner oppeuzelen met haar, beenderen, tanden en laarzen?

Ik heb zooveel mogelijk lieden ondervraagd die Skinner zeer persoonlijk gekend hadden, en als één man zijn zij het er over eens, dat zij zich niet konden voorstellen dat ièts, wat dan ook, Skinner zou opeten. Hij behoorde tot het soort van menschen,--zooals een ex-zeeman die in een woning van den heer W. W. Jacobs te Dunton Green woonde, mij vertelde, met een voorzichtige gewichtigheid in zijn optreden, niet ongewoon in die streken--die tòch eenmaal "naar de haaien gaan," en wat betreft die verscheurende dieren, dat Skinner in staat was "om een vuur het licht uit te blazen."

Hij beschouwde Skinner even veilig op een ronddrijvende balk als overal elders. De ex-zeeman voegde erbij dat hij niks van Skinner zou zeggen, hoor, maar feiten waren feiten, en dat hij, wat hem betreft, nog maar liever de bak in ging dan zijn kleeren bij Skinner te laten maken. Deze opmerkingen stellen Skinner voorzeker niet in een erg appetijtelijk daglicht.

Om volkomen eerlijk spel met den lezer te spelen, moet ik voor mij verklaren, niet te gelooven dat hij ooit naar de Proef-Hoeve terugkeerde. Ik geloof dat hij lang en aarzelend bleef rondzwerven in de velden om Hickleybrow, en dat hij eindelijk, toen dat gejank begon, den kortsten weg nam om uit zijne verlegenheid te geraken, en zoo het onbekende in.

En in het onbekende, hetzij van deze wereld of van het hiernamaals, is hij hardnekkig en zonder eenigen twijfel gebleven tot op den huidigen dag...

HOOFDSTUK III.

DE REUZEN-RATTEN.

I.

Twee nachten na het verdwijnen van den heer Skinner, reed de dokter van Podbourne nog laat in zijn tilbury in de buurt van Hankey. Hij was den geheelen nacht bezig geweest een onaanzienlijken jongen burger onze vreemde wereld in te helpen, en nadat zijn taak volbracht was, reed hij slaperig naar huis.

Het was ongeveer twee uur in den morgen en de afgaande maan kwam op. De zomernacht was kil geworden, en er hing een lage bleeke mist, die de dingen onduidelijk zichtbaar maakte. Hij was geheel alleen--want zijn koetsier lag ziek te bed--en er was aan weerszijden van den weg niets te zien dan een erg-mysterieus-uitziende heg, die voor het gele licht zijner lantarens heentrok, en er was niets te hooren dan het getrappel van zijn paard en de scherpe echo's die door de heg weerkaatst werden. Zijn paard was even betrouwenswaardig als hijzelf en het is dan ook niet te verwonderen dat hij dommelde...

Gij kent dat afwisselende indutten en met schrik wakker worden wel, dat knikkebollen van het hoofd, het knikken op het rhytmisch geluid der wielen, nu eens met de kin op de borst en dan het plotseling weder opschrikken.

"Klep, klep, klep."

"Wat was dat?"

Het leek den dokter toe alsof hij een zacht, schril gejank vlak bij zich hoorde. Een oogenblik lang was hij klaar wakker. Hij zeide een paar onverdiende verwijtingen tegen zijn paard en keek om zich heen. Hij trachtte zichzelven gerust te stellen. 't Zou 't verwijderde geblaf van een vos wel zijn,--of misschien een jong konijn dat door een fret gepakt was.

"Rikke-tikke-e-tik-tik-tik...."

"Wat was dat dan toch?"

Hij voelde dat zijn verbeelding hem parten begon te spelen. Hij schurkte es met de schouders en jeude zijn paard aan. Hij luisterde, doch hoorde niets meer.

"Of zou het niets geweest zijn?"

Hij had een vaag idee dat er even iets naar hem gegluurd had over de heg, een rare, groote kop. Met ronde ooren! Hij tuurde ingespannen, maar zag niets.

"Onzin," zei hij.

Hij ging rechtop zitten met de overtuiging dat hij de nachtmerrie gehad had, gaf zijn paard een heel zacht tikje met de zweep, sprak het toe en tuurde weer over de heg. Het helle licht van zijn lantaarn, samen met den mist, maakte de dingen schimmig, en hij kon niets onderscheiden. Het kwam toen plotseling in hem op, zegt hij, dat daar niets kòn zijn, want als er iets geweest was, zou zijn paard wel schichtig geworden zijn. Doch hoe hij zichzelf ook trachtte gerust te stellen, bleven zijn zinnen toch zenuwachtig waakzaam.

Toen hoorde hij heel duidelijk een zacht gepetter van voeten achter zich aan, op den weg.

Hij wilde zijn ooren niet gelooven. Hij kon niet omkijken, want de weg nam daar juist een scherpen draai. Hij legde de zweep over zijn paard en keek nogmaals op zijde. En toen zag hij heel duidelijk, waar een straal van zijn lantaarn over een laag eindje heg heengleed, den gekromden rug van--het een of ander groot dier, hij kon niet bepalen wat het was, dat met snelle, schokkende sprongen voortliep.

Hij zegt dat hij dacht aan de oude heksen-verhalen--het beest leek zoo absoluut niet op eenig ander dier dat hij kende, en hij vatte de teugels steviger beet uit vrees voor den angst van zijn paard. En man van opvoeding als hij was, geeft hij toch toe, dat hij zichzelven afvroeg of dit iets was dat zijn paard niet kon zien.

Voor hem uit, en steeds dichterbij komend zag hij tegen de opkomende maan, de silhouet van het kleine gehucht Hankey. Dit was geruststellend, al zag hij ook geen enkel licht en hij klapte met de zweep en zei nog eens wat tegen zijn paard, en toen schoten plotseling als een bliksemstraal de ratten op hem toe!

Hij kwam een hek voorbij, en terwijl hij dit deed, sprong de voorste rat erover op den weg. Het ding besprong hem van uit het duister, en was nu zeer duidelijk te zien, het scherpe, felle, rond-oorige gezicht, het lange lichaam dat nòg langer leek door de bewegingen die het maakte; en wat hem vooral trof waren de roode, van vliezen voorziene voorpooten van het dier. Wat het nog vreeselijker moet gemaakt hebben, was, dat hij geen vaag idee had of het beest, hetwelk hem aanviel, wel een áárdsch beest was. Hij herkende het niet als een rat, doordat het zoo groot was. Zijn paard sprong opzij toen het wezen naast hem op den weg neerkwam. Het smalle laantje was plotseling vol gerucht door het klappen van de zweep en den schreeuw dien de dokter gaf. Alles ging plotseling snel.

"Rrr-klr-pats--."

Het schijnt dat de dokter opstond en zijn paard aanvuurde, en er uit alle macht op los sloeg. De rat deinsde terug en sprong opzij onder zijn slag--wat den dokter geruststelde omtrent het aardsche van het dier--bij het schijnsel der lantaarn was de voor, die de zweep in het haar gehaald had, duidelijk zichtbaar--en hij sloeg telkens weder, onbewust dat er aan de andere zijde een tweede vervolger staag veld won.

Hij vierde de teugels, keek om, en zag de derde rat, hem achtervolgend...

Het paard sprong vooruit. De tilbury sprong hoogop bij een kruisspoor. Een krankzinnig oogenblik lang leek alles hem met rukken en sprongen te gaan...

Het was puur geluk dat het paard nog in Hankey kwam te vallen, en niet vóór zij aan de huizen kwamen of ze achter zich gelaten hadden.

Niemand weet hoè het paard kwam te vallen, of het struikelde, of dat de rat van de andere zijde het werkelijk een van die kervende beten van boven naar beneden gaf met haar tanden (die zij aanbrengen en kracht bijzetten met hun volle zwaarte); en de dokter werd niet gewaar dat hij zelf gebeten was, vóór hij in het huis van den metselaar was, en nog veel minder had hij gemerkt wannéér de beet was toegebracht--hoewel hij gebeten was en erg ook--een lange snede, als de snee van een dubbelen tomahawk, die twee evenwijdigloopende reepen vleesch van zijn linker schouder gerukt had.

Hij stond op een gegeven oogenblik rechtop in zijn tilbury en het volgende was hij op den grond gesprongen, met een erg verstuikten enkel, hoewel hij dit toen niet bemerkte, en sloeg woest naar een derde rat, die direct op hem kwam aanvliegen. Hij kan zich den sprong dien hij gedaan moet hebben boven over het rad, toen de tilbury kantelde, haast niet meer herinneren, zoo snel en verward werd hij bestormd door indrukken.

Ik voor mij geloof dat het paard steigerde toen de rat het in den strot beet, opzij viel en de heele geschiedenis meesleepte; en dat de dokter als het ware instinctmatig er uit sprong. Toen de tilbury viel, sprong het oliereservoir van de lantaarn, en smakte plotseling een hellen gloed van brandende olie en witten vlammengloed temidden van den strijd.

Dit was het eerste wat de metselaar zag.

Hij had het geratel van de naderende tilbury gehoord en--hoewel de dokter zich hier niets van herinnert --het wilde geschreeuw dat de dokter deed hooren. Hij was haastig uit bed gekomen, en terwijl hij dit deed, hoorde hij den vreeselijken smak, en zag dien gloed buiten opschieten door het half-opgehaalde gordijn. "'t Was nog helderder dan de dag," zegt hij. Hij bleef met het gordijnkoord in de hand staan en staarde met open mond het venster uit naar den welbekenden weg, die een verandering had ondergaan als in een nachtmerrie. De donkere gestalte van den dokter met zijn om zich heen slaande zweep rees en daalde tegen de vlam. Hij zag het paard staan, half verborgen door den gloed, met een rat aan zijn keel. In de duisternis, die tegen den kerkhofmuur opstond, schitterden de oogen van een tweede monster kwaadaardig. Een derde--niets meer dan één brok vreeselijke duisternis met rood-gloeiende oogen en vleeschkleurige handen--klemde zich onvast aan den rand van den muur, waar het tegen opgesprongen was bij het oplaaien van den uit-elkaar-springende lantaarn.

Ge kent wel den scherpen snuit van een rat, met die twee scherpe tanden en de meedoogenlooze oogen. Ongeveer zes maal vergroot en nog meer vergroot door duisternis en verbazing en de plotseling opschietende schimmen van een grilligen gloed, moet dit alles iets vreeselijks geweest zijn om aan te zien voor den metselaar--die nog meer dan half sliep.

Toen had de dokter de gelegenheid, die het oplaaien der vlam hem een oogenblik aanbood, te baat genomen, en verdween uit het gezicht van den metselaar, en stond beneden op de deur te rameien met den knop van zijn zweep....

De metselaar wilde hem niet binnenlaten vóór hij licht aangestoken had.

Er zijn lieden die dat in den man gelaakt hebben, maar ik aarzel om mij aan hun zijde te scharen, tot ik mijn eigen moed beter heb leeren kennen.

De dokter gilde en hamerde op de deur...

De metselaar zegt dat hij huilde van angst toen de deur eindelijk openging.

"Grendel," zei de dokter, "grendel"--hij kon niet zeggen "grendel de deur." Hij probeerde te helpen maar kon niet. De metselaar grendelde de deur en de dokter moest eerst een poosje op den stoel naast de klok zitten voor hij den trap kon opkomen...

"Ik weet niet wàt 't zijn!" herhaalde hij verscheidene malen. "Ik weet niet wat het zijn,"--en zijn stem ging de hoogte in, telkens als hij aan "zijn" kwam.

De metselaar wilde hem whiskey geven, doch de dokter wilde niet alleen gelaten worden met niets dan een flakkerend licht.

Het duurde geruimen tijd voor de metselaar hem ertoe kon bewegen naar boven te gaan...

En toen het vuur uit was, kwamen de reuzenratten terug, sleepten het doode paard dwars het kerkhof over naar het veld waar het puin neergeworpen werd en aten ervan tot de dageraad aanbrak, en zelfs toèn durfde nog niemand hen storen.

II.

Redwood liep den volgenden morgen tegen elf uur bij Bensington aan, met de "tweede edities" van drie avondbladen in de hand.

Bensington, die in moedeloos gepeins verzonken zat boven de vergeten bladzijden van den meest afleidenden roman, dien de boekhandelaar op den Bromptonweg voor hem had kunnen vinden, keek op. "Iets nieuws?" vroeg hij.

"Twee menschen gestoken bij Chatham."

"Zij moesten ons dat nest laten uitrooken. 't Is hun eigen schuld."

"Zeker is 't hun eigen schuld," zei Redwood.

"Heb je ook iets gehoord--omtrent den aankoop van de boerderij?"

"De huizen-makelaar," zei Redwood, "is een wezen met een grooten mond en gemaakt van ondoordringbaar hout. Het wezen geeft voor, dat er een ander zin in het huis heeft--dat is zoo z'n vaste taktiek, snap je--en wil maar niet begrijpen dat er haast bij is. "Maar dit is een kwestie van leven of dood," zeide ik, "begrijpt u dat dan niet?" Het wezen sloot zijn oogen half en zeide: "waarom is u dan niet genegen die overige tweehonderd pond er bij te geven?"

"Ik moet zeggen dat ik liever in een wereld van reuzenwespen leef, dan dat steenen-metselende brok stomheid zijn zin te geven. Ik--"

Hij zweeg even, voelend dat een dergelijke zin licht bedorven kon worden door zijn samenhang.

"'t Is te veel om te durven hopen," zei Bensington, "dat er een van die wespen--"

"De wesp heeft niet meer idee van algemeen nut dan een--dan een makelaar in huizen," zei Redwood.