Het voedsel der Goden en hoe het op Aarde kwam

Part 3

Chapter 33,892 wordsPublic domain

Bensington stond een oogenblik het dons op de borst van het kuiken glad te strijken. "'t Zullen reusachtig groote hoenders worden," zei hij.

"Dàt zullen ze," zei Redwood nog steeds in den gloed starend.

"Zoo groot als paarden," zei Bensington.

"Gróóter," zei Redwood. "Wat ik je zeg, hoor!"

Bensington wendde zich van het exemplaar af.

"Redwood," zei hij, "deze hoenders zullen fureur maken."

Redwood knikte tegen het vuur.

"En waarachtig!" zei Bensington plotseling naderbij tredend met schitterende brilleglazen, "je kleine jongen óók!"

"Daar denk ik net aan," zei Redwood.

Hij liet zich achterover in zijn stoel vallen, zuchtte, wierp de nog-niet-opgerookte cigarette in het vuur, en stak zijn handen diep in zijne broekzakken. "Daar dacht ik juist over. Dit Herakleophorbia zal raar goedje worden om mee om te gaan. Denk toch es hoe hard dat kuiken gegroeid moet zijn--"

"Een kleine jongen, die zóó hard groeit," zei de heer Bensington langzaam, en keek naar het kuiken terwijl hij het zeide.

"Zeg!" zei Bensington, "wat een kerel zal dàt worden."

"Ik zal hem steeds kleiner wordende doses geven," zei Redwood. "Of liever gezegd, Winkles zal dit doen."

"'t Experiment is tè sterk."

"Jawel."

"Maar toch, weet je, moet ik zeggen--...Te een of andere tijd zal de een of andere baby 't tòch moeten slikken."

"O, zeker, we zullen er beslist proeven mee nemen op de een of andere baby.--"

"Precies," zei Bensington, kwam op het haardkleed staan en zette zijn bril af om hem schoon te maken.

"Ik geloof niet, Redwood, dat, vóór ik deze kuikens zag, ik begòn te beseffen--ook maar iets--van de mogelijkheid die er lag in wat wij gemaakt hadden. En zelfs nu begint het pas tot mij door te dringen... de mogelijke gevolgen..."

En zelfs op dat oogenblik had Bensington nog geen vaag besef van de mijn, die dat lontje zou doen springen.

IV.

Dit gebeurde in het begin van Juni. Gedurende een paar weken was Bensington verhinderd de Proef-Hoeve te bezoeken door een ernstige, doch zuiver denkbeeldige catarrh, en Redwood bracht er slechts een noodzakelijk overhaast bezoek aan. Hij kwam terug, als vader nog bezorgder kijkend dan vóór hij ging. Alles bij elkaar genomen, was het nu zeven weken dat de groei staag en ononderbroken voortging...

En toen begonnen de wespen hun loopbaan.

Het was achter in Juni, en bijna een week vóór de kippen uit Hickleybrow ontsnapten, dat de eerste der groote wespen gedood werd. Het bericht ervan verscheen in verscheidene bladen, maar ik weet niet of het nieuws den heer Bensington bereikte, en nog veel minder of hij het in verband bracht met het gebrek aan orde dat in alles op de Proef-Hoeve heerschte.

Er bestaat nu niet meer den geringsten twijfel aan, dat, terwijl de heer Skinner de kuikens van den heer Bensington opfokte met Herakleophorbia IV, een aantal wespen èven werkzaam--en misschien nòg werkzamer--bezig waren hoeveelheden van hetzelfde deeg te vervoeren naar hun vroege zomer-broedsels op de heuvelen achter de naburige pijnbosschen. En het is boven allen twijfel verheven, dat deze vroege broedsels precies evenveel baat vonden bij deze substantie als de kippen van den heer Bensington. Een wesp bereikt uitteraard vroeger den rijpen leeftijd dan een kip--en inderdaad waren van al de wezens die--door de gulle achteloosheid der Skinners--deelden in de geneugten waarmede de heer Bensington zijne kippen overlaadde--de wespen de eersten, die in de wereld op den voorgrond begonnen te treden.

Het was een boschwachter, Godfrey genaamd, op het buiten van luitenant-kolonel Rupert Hick, bij Maidstone, die het eerste dezer monsters ontmoette en het geluk had het te dooden. Hij liep tot aan zijne knieën in de brem, dwars over een open veld in de beukenbosschen, die verscheidenheid brengen in het park van luitenant-kolonel Hick, en hij droeg zijn geweer--gelukkig voor hem een dubbelloops--over zijn schouder, toen hij het ding het eerst in het oog kreeg. Het kwam, zegt hij, met het licht mee, zoodat hij het niet duidelijk kon zien, en terwijl het op hem afkwam, liet het een gesnor hooren "als een automobiel." Hij geeft toe dat hij bang werd. Het was blijkbaar zoo groot als, of nog grooter dan een kerkuil, en voor zijn geoefend oog moet de vlucht en in het bijzonder het nevelige gedwarrel der vleugels iets onheilspellend on-vogelachtigs geleken hebben. Bij het instinct van zelfverdediging, stel ik mij voor, kwam langdurige gewoonte, toen, zooals hij zegt, hij "het schot er aftrok."

Het vreemde van het geval had waarschijnlijk invloed op zijn mikken; het grootste gedeelte van zijn schot hagel miste tenminste, en het ding viel slechts een oogenblik neer met een nijdig "Wzzzz," dat het onmiddellijk kenmerkte als een wesp. Toen vloog het weder op, terwijl alle strepen tegen het licht glansden. Hij zegt dat het op hem af kwam. Hoe dan ook, hij ledigde zijn tweeden loop op nog geen twintig pas, en wierp zijn geweer weg, liep een paar pas ver weg, en bukte zich toen om het uit den weg te gaan.

Hij is er zeker van dat het hem op nog geen meter afstands voorbijsnorde, tegen den grond sloeg, weder opvloog, nogmaals neerviel, op misschien dertig meter afstand, en toen op zij rolde, met een zich krommend lichaam, terwijl de angel om zich heen stiet, in en uit, in zijn laatsten doodstrijd. Hij schoot er beide loopen nogmaals op af, vóor hij er zich dichtbij waagde.

Toen hij aan het meten ging, bevond hij dat het een vlucht van zevenentwintig en een halven duim had, en de angel was drie duim lang. De buik was hem schoon van het lijf weggeschoten, maar hij schatte de lengte van het ding van kop tot angel op achttien duim--wat ongeveer uitkomt. Zijn facetten-oogen waren zoo groot als guldens.

Dat is de eerste authentieke verschijning van deze reuzen-wespen. Den dag daarna scheelde het heel weinig of een fietsrijder, die met opgetrokken beenen den heuvel tusschen Sevenoaks en Tonbridge kwam afdalen, reed over een tweede dezer reuzen, die dwars over den weg kroop. Zijn voorbijkomen scheen het dier te verschrikken, en het vloog òp met een gedruisch als een zaagmolen. Zijn fiets hotste over den weg in de ontroering van het oogenblik, en toen hij in staat was òm te kijken, zweefde de wesp heen, hoog over de bosschen, in de richting van Westerham.

Na een tijdje onvast voortgereden te hebben, remde hij, stapte af--hij beefde zoo hevig, dat hij over zijn fiets viel terwijl hij het deed--en ging aan den kant van den weg zitten om bij te komen. Hij was van plan geweest naar Ashford te trappen, doch kwam niet verder dan Tonbridge dien dag...

Merkwaardig genoeg zijn er de eerstvolgende drie dagen geen berichten van groote wespen, die gezien werden. De weerberichten van die dagen raadplegend, bevind ik dat de lucht bedekt was, en het door plaatselijke buien te koud was om veel uit te vliegen, wat misschien deze tusschenruimte verklaart. Op den vierden dag was de hemel weder blauw, en scheen de zon prachtig en braken er zooveel wespen los, als de wereld voorzeker te voren nooit gezien had.

Het is onmogelijk te raden hoeveel groote wespen er dien dag te voorschijn kwamen. Er zijn minstens vijftig gevallen van hunne verschijning vermeld. Er viel één slachtoffer, een kruidenier, die een van deze monsters in een suikervat ontdekte en het onbezonnen aanviel met een spa, toen het opvloog. Hij sloeg het neêr voor een oogenblik, en het stak hem door zijn laars toen hij het een tweeden slag toebracht, en het lichaam van het dier in tweeën sneed. Hij was het eerste van hun tweeën dood...

De meest dramatische van die vijftig verschijningen was wel die van de wesp die het Britsch Museum bezocht, tegen den middag, en die uit het blauwe luchtruim neerschoot op een der tallooze duiven die op het plein vóór dat gebouw gevoederd worden, en ermee naar de kroonlijst vloog om zijn slachtoffer op zijn gemak te verslinden. Daarna kroop zij een tijdlang over het dak van het museum, kwam door een vallicht den koepel der leeszaal binnen, gonsde hier eenigen tijd in rond--er ontstond een paniek onder de lezers--vond eindelijk een raam en verdween plotseling in stilte weder uit de menschelijke waarnemingssfeer.

Het meerendeel der andere berichten behelsde niets anders dan dat ze langs, of neergekomen waren. Een picnic werd te Aldington Heuvel uiteengejaagd en alle lekkernijen en de jam verorberd, en een jonge hond werd gedood en aan stukken gescheurd dicht bij Whitstable, voor de oogen van zijn meesteres...

De straten weerklonken dien avond van den roep over de wespen, de plakkaten der nieuwsbladen wijdden zich in de vetste letters uitsluitend aan de "Reusachtige Wespen in Kent!" Opgewonden hoofdredacteurs en redacteuren holden wenteltrappen op en af en brulden allerlei over "wespen." En Professor Redwood, die uit zijn college in Bondstreet kwam, opgewonden door een warm dispuut met zijn comité over den prijs van jonge stieren, kocht een avondblad, opende het, verschoot van kleur, dacht geen oogenblik langer aan zijn jonge stieren en zijn comité, en reed zoo hard het paard maar loopen wilde in een bakje naar Bensington's kamers.

V.

De verdieping werd in beslag genomen, leek het hem toe--met buitensluiting van alle andere voelende dingen--door meneer Skinner en zijn stem, zoo ge tenminste een van beiden een voelend iets kunt noemen!

De stem was héél hoog, baggerend in de angsttonen.

"We kunne onmogelijk blijve, meneer, we thijn d'r gebleve in de hoop dat 't beter thou worden, en 't wordt hoe langer hoe erger, meneer. 't Thijn niet alleen de wethpen, meneer--d'r thijn groote oorwormen, meneer, thóó groot, meneer." (Hij stak zijn geheele hand en nog ongeveer drie duim vette, smerige pols uit). "M'n vrouw krijgt er haatht een beroerte van angtht van, meneer. En de brandnetelth bij de kippenloopen, meneer, diè groeie ook al, meneer, en het kanariekruid, meneer, dat we bij de thinkput thaaiden, meneer--dat sthak z'n ranke door het raam 'th nachts, meneer, en greep m'n vrouw bijna bij d'r beene, meneer. Dat komt door dat voeder van u, meneer. Overal waar we wat gemortht hebbe, meneer, ith alles wèliger an 't groeie gegaan, meneer, dan ik dacht dat mogelijk wath. 't Ith onmogelijk, meneer, om nog 'n maand te blijve, meneer. We thoue d'r niet levend van daan komme, meneer. Al stheke de wespen onth niet, dan thulle we gethmoord worde door de thlingerplant, meneer. Je kunt je d'r geen denkbeeld van make, meneer--alth je thelf niet komt kijke, meneer--"

Hij richtte zijn verheven oog naar de kroonlijst boven Redwood's hoofd. "Wie thal thegge, meneer, of de ratte 't ook al niet te pakke hebbe, meneer! En daar ben ik 't bangthste voor, meneer. Tot nog toe heb ik geen groote rat gethien, meneer, maar wie thal 't thegge, meneer? We thijn dage lang in de war geweetht van thchrik toen we die oorwurme thage--alth kreefte, meneer--twee, meneer--en dan dat kanariekruid; en tho gauw toen ik de wethpen hoorde, meneer, thnapte ik 't. Ik wachtte geen oogenblik langer, dan om 'n knoop antethette die 'k verlore had, en toen ben ik maar gauw hierheengekomme. En nou ben ik half buite methelf van angst over m'n vrouw, meneer. Dat kanariekruid kruipt over de heele plaatth alth een thlang, meneer--terwijl je d'r naar kijk, meneer! en dan die oorwurme, die hoe langer hoe grooter worde, en de wepthe--ze heeft thelfths geen thakjethblauw [2], meneer,--alth d'r wat overkwam, meneer!"

"Maar de kippen," zeide de heer Bensington; "hoe gaat het met de kippen?"

"We hebbe the tot githtere gevoederd, 't ith waar," zei de heer Skinner, "maar vanmorge dòrthte' we niet meer, meneer. 't Lawaai dat de wethpe' maakte'--vreethelijk, meneer. The vloge net uit--dothijne. Tho groot ath kippe. Ik theg tege d'r "naai me eve 'n paar knoope' aan," theg ik, "want ik kon toch thò niet naar Londen," theg ik, "en dan ga ik naar meneer Benthington," zeg ik, "om 'em alleth te vertelle. En jij blijf in dethe kamer tot ik terugkom," theg ik, "en hou de rame' tho dicht alth je maar kan," theg ik."

"Als jelui niet zoo vervloekt slordig waart geweest"--begon Redwood.

"O, theg dàt niet, meneer!" zeide Skinner. "Noù niet meneer, nou dat ik tho in angthst thit over m'n vrouw, meneer! Athjeblìéft, meneer. Ik kan nou nikth tegenthegge. Waarachtig, meneer, 't gaat niet! Ik moet al maar an die ratte denke--wie weet of the m'n vrouw al niet beet hebbe, terwijl ik hier ben?"

"En heb je dan niet één enkele opmeting van al die heerlijke groei-lijnen!" zeide Redwood.

"'k Ben te veel in de war geweetht, meneer," zeide meneer Skinner. "Alth je witht, wat wij doorgethtaan hebbe--ik en m'n vrouw. We withte niet wat er van te denke, meneer. Doordat die kippe tho groeiden, en de oorwurme, en het kanarie-kruid..."

"Ja, ja, dat heb je nou allemaal al verteld," zeide Redwood. "Maar wat moeten we aanvangen, Bensington?"

"Wát moeten wij aanvange?" vroeg meneer Skinner.

"Jij zult natuurlijk terug moeten naar je vrouw," zeide Redwood. "Je kunt haar daar niet alleen laten den geheelen nacht."

"Maar alléén ga 'k nièt, meneer, al ware d'r 'n dothijn juffrouwen Thkinner. 't Ith meneer Benthington --"

"Onzin," zeide Redwood, "'s Avonds zijn d'r geen wespen, en de oorwurmen gaan je wel uit den weg--"

"Maar de ratten dan?"

"Er zìjn geen ratten," zeide Redwood.

VI.

De heer Skinner had zich zijn voornaamste punt van bezorgdheid kunnen besparen. Juffrouw Skinner bleef zelfs niet tot den avond.

Tegen elf uur begon het kanariekruid, dat den geheelen morgen ijverig werkzaam geweest was, over het raam heen te klimmen, en dit sterk te verduisteren, en hoe donkerder het werd, hoe duidelijker het juffrouw Skinner werd, dat haar toestand heel spoedig onhoudbaar zou zijn. En ook, dat 't was alsof zij eeuwen doorleefd had sedert Skinner heenging. Zij gluurde een tijdje uit het duister wordende raam, door de steeds verder reikende ranken, ging toen zeer behoedzaam de slaapkamerdeur open doen en luisterde... Alles scheen rustig, en aldus haar rokken bij elkaar houdend, holde zij de slaapkamer binnen en nadat zij eerst onder het bed had gekeken en de deur op slot gedraaid had, begon zij met de stelselmatige vlugheid van een vrouw van ondervinding aan het pakken om te vertrekken. Het bed was nog niet opgemaakt en de vloer der kamer was bezaaid met stukken der kruipplant die Skinner den vorigen avond afgehàkt had om het venster te kunnen sluiten, doch aan deze wanorde stoorde zij zich niet. Zij pakte alles in een fatsoenlijk laken. Zij pakte haar geheele eigen garderobe in en een velveteen jas die Skinner droeg als hij er eens héél netjes wou uitzien, en zij pakte een pot augurken in, die nog niet aangebroken was, en tot zoover was haar pakken volkomen in orde. Doch zij pakte ook in twéé van de hermetisch-gesloten bussen met Herakleophorbia IV, die de heer Bensington bij zijn laatste bezoek had medegebracht. (Zij was wel eerlijk, 't goeie mensch,--maar zij was toch ook grootmoeder en haar hart bloedde als zij zulk een heerlijk groeimiddel zag verspillen op een troep van die verwenschte kuikens.)

En toen ze al deze dingen ingepakt had, zette zij haar hoed op, deed haar schort af, bond een nieuwen schoenveter om haar parapluie en na langen tijd aan de deur en het venster geluisterd te hebben, opende zij de deur en trad naar buiten om de gevaarlijke buitenwereld in te gaan. Zij hield de parapluie onder den arm en zij omklemde het pak met twee beenige handen, die niet los zouden laten. Het was haar beste zondagsche hoed en de twee klaprozen die hunne hoofden opstaken midden uit de pracht van lint en kraal, schenen bezield met denzelfden huiverigen moed, die haarzelf vervulde.

De lijnen om haar neuswortel trokken rimpels van vastberadenheid. Nu had zij er genoeg van! Heelemaal alleen daar te zitten! Als Skinner zin had kon die daar terugkomen, maar zij moest er niks meer van hebben.

Zij ging de vóórdeur uit, niet omdat zij naar Hickleybrow wilde gaan (haar doel was Cheasing Eyebright, waar haar getrouwde dochter woonde), maar omdat zij door de achterdeur er niet meer uit kon door de slingerplant, die zoo woest aan het groeien gegaan was, nadat zij de bus met voeder dicht bij de wortels bij ongeluk omgegooid had. Zij luisterde een poosje, en sloot de voordeur zeer behoedzaam achter zich dicht.

Bij den hoek van het huis bleef zij staan en nam poolshoogte.

Een lang litteeken van zand op de helling van den heuvel achter het pijnbosch, duidde op de nabijheid van het Reuzen-wespen-nest, en dit litteeken sloeg zij aandachtig gade. Het uitvliegen en terugkomen van 's morgens was gedaan, toevallig was er geen enkele wesp in het zicht, en behalve een geluid dat weinig meer hoorbaar was dan een stoom-houtzaag in volle werking tusschen de denneboomen zoude geweest zijn, was alles stil. Wat de oorwormen aangaat, zij zag er geen enkele. Weliswaar zag ze onder in de kool iets bewegen, doch dat kon evengoed een kat zijn die op vogels loerde. Zij keek hier een tijdje naar. Zij verwijderde zich enkele schreden van den hoek, kreeg den ren met de reuzen-kuikens in het zicht en bleef weder staan. "Ach!" zeide zij, en schudde langzaam het hoofd toen zij ze zag. Zij waren nù ongeveer zoo groot als een casuaris, doch natuurlijk veel breeder van lijf--heelemaal veel grooter. Het waren allen hennen, vijf stuks, nu dat de twee jonge hanen elkaar gedood hadden. Ze aarzelde een oogenblik toen zij ze in zulke neerslachtige houdingen zag staan. "Arme sukkels!" zeide zij, en legde haar pak neer; "ze 'ebbe' geen water. En ze 'ebbe' in vierentwintig uur geen ete' gehad! En dan met zoo'n eetlust!" Zij bracht een magere vinger aan hare lippen en ging met zichzelve te rade.

En toen deed deze slordige vrouw wat mij tenminste werkelijk een heldhaftige, barmhartige daad toelijkt. Zij liet haar buidel en parapluie midden op het klinkerpad liggen, ging naar den put en putte niet minder dan drie emmers water voor den ledigen drinkbak der kuikens, en toen, terwijl zij zich daar allemaal om verdrongen, deed zij stilletjes de deur van den ren open. Daarna werd zij bijzonder actief, nam haar pak weder op, klom over de heg achter in den tuin, stak dwars de welige weiden (om het wespennest te vermijden) over en beklom moeizaam het kronkelende pad naar Cheasing Eyebright.

Al hijgend ging het tegen den heuvel op, en onder het gaan bleef zij telkens even staan, om uit te rusten, op adem te komen en nog eens om te kijken naar het kleine huis naast het pijnbosch daar beneden. En toen zij eindelijk bijna den top van den heuvel bereikt had, zag zij in de verte drie wespen van elkaar verwijderd vliegen, en log naar het westen afdalen, en dat maakte haar beenen een boel vlugger.

Zij had nu weldra het open terrein achter zich gelaten, en kwam aan de met hooge bermen afgezette laan (die haar een veiliger plaats toeleek) en zoo over Hickleybrow Coombe naar de heuvels. En daar aan den voet der heuvels, waar een dikke boom haar een schuilplaats aanbood, rustte zij een oogenblik uit op een hek.

Toen weder vastberaden voorwaarts...

Gij ziet haar al, hoop ik, met haar witten bundel, zelf een soort van op-de-achterste-pooten-loopende mier, zich voortreppend langs het kleine witte pad-lint dwars over de hellingen der heuvels, in de felle zon van den zomernamiddag. Zij sukkelde voort, haar vastberaden, onvermoeibaren neus achterna, en de papavers op haar hoed trilden zonder ophouden, en haar elastieken schoenen werden al witter en witter door het mulle zand. Flip-flap, flip-flap petterden haar schoenen door de stille hitte van den dag, en voortdurend trachtte haar parapluie ondeugend weg te glijden van onder den elleboog die 'm vasthield. De mond-rimpel onder haar neus was nu saamgetrokken tot de uiterste vastberadenheid, en telkens beval zij haar parapluie weder naar boven te komen of gaf een nijdigen ruk aan haar bundel. En soms mompelden hare lippen gedeelten van een wel-te-wachten twistgesprek tusschen haarzelf en Skinner.

En, mijlen ver weg, groeiden een torenspits en een bosch ongemerkt op uit het ijle blauw, zoodat het vreedzame uithoekje waar Cheasing Eyebright veilig verborgen lag voor het gedruisch der wereld, steeds duidelijker zichtbaar werd, zich zeer weinig bekommerend om het Herakleophorbia dat verborgen lag in dien witten bundel, die zoo volhardend op de kalme rust van het plaatsje toesukkelde.

VII.

Zoover als ik kan nagaan, kwamen de kuikens in Hickleybrow 's middags tegen drie uur. Hun komst schijnt heel wat levendigheid meegebracht te hebben, hoewel er toevallig niemand op straat was om ze te zien aankomen. Het geweldige gekrijsch van den kleinen Skelmersdale schijnt de eerste aanduiding te zijn geweest dat er iets niet in den haak was. Juffrouw Durgon van het postkantoor stond als gewoonlijk voor het raam, en zag de kip, die het ongelukkige kind beetgepakt had, met groote passen de straat afrennen met haar slachtoffer, dicht op de hielen gezeten door twee anderen. Ge kent wel die waggelende groote passen van het geïmproviseerde athletische kuiken van heden ten dage! Gij kent wel het vinnige vasthouden van de hongerige kip! Er zat bloed van Plymouth Rocks in deze kippen, heb ik hooren zeggen, en zelfs zonder Herakleophorbia, is dit een mager, hardloopend ras.

Het is mogelijk dat juffrouw Durgon niet zoo heel erg verrast was. Niettegenstaande het aandringen van den heer Bensington op geheimhouding, liep er toch reeds sinds eenige weken in het dorp een gerucht rond omtrent het groote kuiken, dat Skinner aan het opfokken was. "Goeie hemel!" riep zij uit, "net wat ik dacht."

Zij schijnt zich met groote tegenwoordigheid van geest gedragen te hebben. Zij greep den verzegelden zak met brieven, die lag te wachten om door te gaan naar Urshot, op, en rende hiermede onmiddellijk de deur uit. Bijna op hetzelfde oogenblik verscheen de heer Skelmersdale, een gieter krampachtig bij de tuit houdend, en erg bleek. En het spreekt vanzelf, dat binnen een minimum van tijd iedereen in het dorp naar de deur of het venster holde.

Het schouwspel dat juffrouw Durgon aanbood, den weg afhollend, met de geheele correspondentie van dien dag in de hand, bracht het kuiken, dat in bezit was van den jongenheer Skelmersdale, tot nadenken. Het bleef één oogenblik besluiteloos staan, en wendde zich toen naar het open hek van de plaats van Fulcher. Dit oogenblik was noodlottig. Het tweede kuiken kwam gezwind aanloopen, kreeg het kind te pakken door een goedgerichte pik, en vloog over den muur in den tuin van den dominé.

"Charawk, chawk, chawk, chawk, chawk, chawk!" riep de achterste hen, netjes geraakt door den gieter van den heer Skelmersdale, en fladderde in wilde haast over het landhuis van mevrouw Glue, en zoo op het terrein van den dokter, terwijl de overige van die Gargantuaansche vogels dwars over het grasveld der pastorie het kuiken achtervolgden, dat op dàt oogenblik in bezit was van het kind.

"Goeie hemel!" riep de hulpprediker uit (zooals enkelen beweren, zei hij iets veel manlijkers) en liep toe, zijn crocket-hamer zwaaiend en schreeuwend om de jacht te keeren.

"Halt, schurk!" riep de hulpprediker, alsof reuzen-kippen doodgewone dingen waren.

En toen, bevindende dat hij het met geen mogelijkheid kon tegenhouden, wierp hij zijn hamer met alle macht het dier achterna, en in een sierlijken boog vloog hij rakelings langs het hoofd van jongenheer Skelmersdale en door de glazen lantaarn van de broeikas. Krak! De nieuwe broeikas! De prachtige nieuwe broeikas van de domineesche!