Het voedsel der Goden en hoe het op Aarde kwam
Part 21
Hij en Cossar volgden een steil afgaanden weg die onder een boog van inelkaar sluitende machinerieën doorliep, en kwamen zoo in een groote diepe verschansing die dwars over den bodem der groeve liep. Deze verschansing, breed en ledig, en toch betrekkelijk smal, droeg er, met al het verdere om hem heen, toe bij om Redwood's gevoel van eigen kleinheid nog te verhoogen. Het begon hem als het ware een uitgegraven keel toe te lijken. Hoog boven zijn hoofd, van hem gescheiden door duistere rotsen, flikkerden en schenen hel de zoeklichten en de blinkende gedaanten gingen af en aan. Reuzen-stemmen riepen elkander daar boven toe, riepen de Reuzen ten Krijgsraad, om de voorwaarden te hooren die Caterham gesteld had. De verschansing helde steeds verder naar donkere ruimten, naar schaduwen en mysteriën en niet te begrijpen dingen, waarin Redwood langzaam afdaalde met aarzelende schreden en Cossar met vastberaden tred als van een, die dit alles reeds kende...
Redwood's gedachten gingen over allerlei dingen.
De beide mannen waren nu in de diepste duisternis gekomen, en Cossar vatte zijn metgezel bij den pols. Zij waren nu wel gedwongen langzaam voort te gaan.
Redwood voelde zich gedrongen te spreken.
"Dit alles is heel vreemd om te zien," zei hij.
"Groot," zei Cossar.
"Vreemd. En het is vréémd dat het mij vreemd toeschijnt--mij, die, tot op zekere hoogte, de schepper van dit alles ben. Het is--"
Hij zweeg, trachtende zijn bedoeling duidelijk te maken, en maakte een gebaar naar de klip boven, dat de ander door de duisternis niet kon zien.
"Ik heb er nooit zoo aan gedacht. Ik heb het druk gehad en de jaren zijn omgevlogen. Maar hier zie ik--Het is een nieuw geslacht, Cossar, met nieuwe aandoeningen en nieuwe behoeften. Dit alles, Cossar--"
Cossar zag nu zijn onduidelijk gebaar naar de dingen om hen heen.
"Dit alles is de Jeugd."
Cossar gaf geen antwoord, en zijn onregelmatige schreden gingen voort.
"Maar ònze jeugd is het niet, Cossar. Zij hebben alles overgenomen. Zij vangen nu aan met eigen aandoeningen, eigen ondervinding en eigen levenswijze. Wij hebben een nieuwe wereld gemaakt, die de onze niet meer is. Zij is mij zelfs niet--sympathiek. Deze groote ruimte--"
"Die heb ik ontworpen," zei Cossar, met strak gezicht.
"Maar nù?"
"Ah, ik heb haar aan mijn jongens gegeven."
Redwood kon den lossen zwaai van den arm dien hij niet zien kon, voelen.
"Juist, zoo is het. Wij hebben onzen tijd uitgediend--of tenminste bijnà."
"Je boodschap!"
"Ja. En dan--"
"Is 't gedaan met ons."
"Nu--? Natuurlijk staan wij buiten dit alles, wij twee oudjes," zei Cossar, met den welbekenden klank van plotselingen toorn in zijn stem. "Natuurlijk. Ligt voor de hand. Een ieder op zijn tijd. En nu--is het hùn tijd om te beginnen. Natuurlijk. Wij doen wat we doen moeten en dan gaan we heen. Snap je? Daar is de dood voor. Wij verwerken ons kleine verstand en onze kleine emoties en dan beginnen die na ons komen opnieuw. Met frisschen moed! Heel eenvoudig, niet waar? En wat is daar niet goed in?"
Hij zweeg even om Redwood naar een trap te leiden.
"Ja," zei Redwood, "maar ik voel toch--"
Hij voltooide den zin niet.
"Daar is de Dood voor." Hij hoorde 't Cossar beneden zich nogmaals met overtuiging zeggen: "Hoe zou 't ànders met de wereld moeten gaan? Dààr is de Dood voor."
III.
Na veel gedaal en geklim kwamen zij uit op een vooruitstekenden rand, vanwaar het mogelijk was het grootste gedeelte van de groeve der Reuzen te overzien, en vanwaar Redwood zich verstaanbaar kon maken voor de geheele vergadering. De Reuzen waren reeds verzameld, beneden hem en op verschillende hoogten, om de boodschap te hooren die hij zou brengen. Cossar's oudste zoon stond op den wal daarboven, gadeslaand wat de zoeklichten openbaarden, want zij vreesden dat de wapenstilstand verraderlijk zou verbroken worden. Zij die het groote instrument in den hoek bedienden, stonden daar hel verlicht door hun eigen licht; zij waren bijna geheel naakt; zij wendden hunne gezichten naar Redwood, doch keken telkens weder naar de gietvormen die zij niet konden verlaten. Hij zag degenen, die dichtbij stonden onduidelijk in het weifelende licht en zij die verder af stonden, nòg onduidelijker. Zij verschenen plotseling uit, en verdwenen weder in de diepten der duisternis, want deze Reuzen brandden niet méér licht dan absoluut noodig was in de groeve, opdat hunne oogen dadelijk elke aanvallende strijdmacht, die hen van uit de duisternis mocht bespringen, zouden kunnen zien.
Telkens als er toevallig een lichtstraal op hen viel, werd er de een of andere groep van lange reuzen-gestalten zichtbaar, de Reuzen van Sunderland gekleed in metalen platen die over elkaar heenvielen, en de anderen gekleed in leder, in gedraaid touw of in gevlochten metaal, al naar de omstandigheden hen hadden doen kiezen. Zij zaten tusschen, of lieten de handen rusten op, of stonden rechtop tusschen machinerieën en wapenen even machtig als zijzelven, en in hun aller oogen, als ze zichtbaar werden, lag vastberadenheid.
Hij probeerde te beginnen, doch kwam zoover niet. Toen, in een plotseling oplaaien van het vuur, zag hij het gelaat van zijn zoon naar hem geheven, vol liefde en toch sterk; en toen vond hij zijn stem weder om hem toe te spreken, en was het hem of hij dwars over een afgrond tot zijn zoon sprak.
"Ik kom van Caterham," zei hij. "Hij heeft mij tot u gezonden, om u de voorwaarden die hij u aanbiedt, mede te deelen."
Hij zweeg even. "Ik weet, dat zij onmogelijk zijn aan te nemen, nu ik u hier allen verzameld zie; het zijn onmogelijke voorwaarden, doch ik breng ze u over, omdat ik u allen wenschte te zien--en ook mijn zoon. Ik wilde mijn zoon--nog eens zien..."
"Zeg hun de voorwaarden," zei Cossar.
"Dit is wat Caterham aanbiedt: Hij wil, dat jullie van hier gaat en zijn grondgebied verlaat!"
"Waarheen?"
"Dat weet hij nog niet. Hij zei zoo iets van "een groot terrein ergens in de wereld reserveeren.... En gij moogt geen Voedsel meer maken, geen kinderen krijgen, ge moogt leven zooals ge wilt tot ge sterft, en dan is alles meteen uit."
Hij zweeg.
"Meer niet?"
"Meer niet."
Er volgde een diepe stilte. De duisternis die de Reuzen omhulde leek hem peinzend aan te staren. Hij voelde dat iemand zijn elboog aanraakte, en Cossar schoof hem een stoel toe--een typisch stukje poppenspeelgoed temidden van deze op elkaar gestapelde reuzen-dingen. Hij ging zitten en sloeg de beenen over elkaar, legde vervolgens het eene been dwars over de knie van het andere, en hield zenuwachtig zijn laars vast, en voelde zich erg klein en alleen, en scherp zichtbaar en belachelijk misplaatst temidden van dit alles. Toen klonk er plotseling een stem en vergat hij zichzelven weder.
"Ge hebt het gehoord, Broeders," zei deze stem vanuit het duister.
En een tweede antwoordde: "Wij hebben het gehoord."
"En het antwoord, Broeders?"
"Aan Caterham?"
"Is "Neen!"
"En dan?"
Er volgde een stilte van eenige seconden.
Toen zei een stem: "Deze menschen hebben gelijk. Dat wil zeggen, van hùn standpunt en naar het verstand dat zij gekregen hebben. Zij hadden gelijk alles te dooden wat grooter was dan zijzelven--dier en plant, en alle groote dingen die opschoten. Zij hadden gelijk, toen zij ons trachtten om te brengen. En ook nù hebben zij gelijk als zij zeggen, dat wij niet mogen huwen met anderen die even groot zijn als wij. Zij beseffen--en het wordt tijd, dat wij dit ook inzien--dat reuzen en dwergen niet tezamen in één samenleving passen. Caterham heeft dat telkens en telkens weder herhaald--heel duidelijk--òf aan hun of aan òns de wereld."
"Maar wij zijn geen vijftig man sterk," zei een ander, "en zij tallooze millioenen."
"Dat is mogelijk. Maar het is zooals ik gezegd heb."
Toen volgde er weder een lange stilte.
"En moeten wij dan sterven?"
"God beware ons daarvoor!"
"Zij dan?"
"Neen."
"Maar dàt zegt Caterham! Hij wil hebben, dat wij ons leven uitleven, éen voor éen sterven, totdat er slechts één over is, en die eene zal eindelijk ook sterven, en zij zullen alle reuzen-planten en onkruid omhakken, de lager-staande reuzen-dierenwereld uitroeien, alle sporen van het Voedsel uitbranden--ook aan ons en aan het Voedsel een einde maken voor altijd. Dan eerst zal de dwergen-wereld weer veilig zijn. Zij zullen voortgaan--voor altijd veilig,--hun kleine leventjes te leven, dwergen-vriendelijkheidjes bewijzend, en dwergen-wreedheidjes begaand tegenover elkaar; ze zouden het misschien zelfs wel tot een dwergen-heilstaat kunnen brengen, een eind maken aan allen krijg, een eind maken aan overbevolking, en zich neerzetten in een de geheele wereld omvattende stad om aan dwerg-kunst te doen, elkaar vereerend tot de wereld begint te bevriezen...."
In den hoek viel een ijzeren plaat met donderend geraas op den grond.
"Broeders, wij weten wat wij willen."
Bij een plotseling flikkeren der zoeklichten, zag Redwood ernstige jeugdige gezichten zich naar zijn zoon wenden.
"Het is nu gemakkelijk het Voedsel te maken. Wij zouden gemakkelijk Voedsel voor de geheele wereld kumnen fabriceeren."
"Je bedoelt, Broeder Redwood," zei een stem uit de duisternis, "dat de kleine menschjes het Voedsel moeten eten."
"Wat valt er anders te doen?"
"Maar wij zijn geen vijftig man sterk en zij vele millioenen."
"Maar wij hebben ons staande gehouden.''
"Tot nu toe, ja."
"Als God het wil, kunnen wij dit nògmaals."
"Ja, maar denk eens aan de dooden!"
Toen vervolgde een andere stem: "De dooden. Denk aan de nog niet geborenen...."
"Broeders," zei de stem van den jongen Redwood, "wat rest ons nog, dan hen te bevechten, en àls wij hen verslaan, hen te dwingen om van het Voedsel te eten? Zij moèten het nu wel nemen. Veronderstel, dat wij ons erfdeel zouden afstaan en dezen nonsens die Caterham ons aanbiedt, aannemen! Gesteld dat wij dit kònden! Gesteld dat wij al dit groote opgeven dat in ons leeft, en al wat onze vaders voor ons gedaan hebben,--dat gìj vader--voor ons gedaan hebt--en als onze tijd daar is, in het niet verzinken en rotten! Wat dan? Zal deze kleine wereld dan zijn zooals zij tevoren was? Zij mogen kampen tegen grootheid in ons die menschenkinderen zijn, maar zullen zij overwinnen? Zelfs al doodden zij ons een voor een, wat zou dit dan nog? Zou dit hen redden? Neen! Want er is Grootheid opgestaan, niet alleen in ons, niet alleen in het Voedsel, maar in het willen van alle dingen. Het uit zich in den aard van alles; het is een deel geworden van tijd en ruimte. Te groeien, al maar te groeien, dit is het doel--dit is de Levenswet. Welke andere wet kan daarnaast nog bestaan?"
"Om anderen te helpen?"
"Te groeien. Anderen te helpen is óók groei. Tenzij wij hen helpen te falen...."
"Zij zullen hun uiterste best doen om ons te verslaan," zei een stem.
En weer een andere: "Wat zou dat?"
"Zij zullen vechten," zei de jonge Redwood. "Als wij deze voorwaarden niet aannemen, twijfel ik er niet aan of zij zullen vechten. Ik hoop werkelijk, dat zij er open en rond mee voor den dag zullen komen en ons bevechten. Als zij ons bij slot van rekening vrede aanbieden, zal hun dit des te beter in staat stellen ons onverhoeds aan te vallen. Begaat geen fout, Broeders; op de een of andere wijze bestrijden zij ons tòch. De strijd is begonnen en wij moeten strijden tot het einde. Als wij niet wijs zijn, zullen wij nog bevinden, dat wij slechts geleefd hebben om hun beter wapenen tegen onze kinderen en ons geslacht in handen te geven. Tot nu toe hebben wij slechts den dageraad van den strijd gezien. Ons geheele leven zal één strijd zijn. Eenigen van ons zullen gedood worden in den strijd, anderen zullen belaagd worden. Er zal geen gemakkelijke overwinning volgen--geen overwinning, die niet half een nederlaag voor ons is. Weest daar zeker van. Doch waarom zou ons dit afschrikken? Als wij ons slechts staande houden, zoo wij slechts achterlaten een groeiende menigte, om den strijd voort te zetten als wij heengegaan zijn!"
"En morgen?"
"Zullen wij het Voedsel overal verspreiden; wij zullen de wereld verzadigen van het Voedsel."
"En als zij eens nieuwe en meer aannemelijke voorwaarden mochten stellen?"
"Onze voorwaarden zijn het Voedsel. Nooit kunnen klein en groot naast elkander leven in een duurzamen vrede. Of het één, of het ànder. Met welk recht zouden onze ouders zeggen: "Mijn kind zal geen ander licht hebben dan ik gehad heb, zal niet grooter worden dan ik geworden ben." Zijt gij het met mij eens, Broeders."
Een goedkeurend gemompel antwoordde hem.
"En voor de kinderen die vrouwen zullen worden, zoowel als voor de kinderen die mannen zullen worden," zeide een stem uit het duister.
"Méér nog--die moeders zullen worden van een nieuw geslacht..."
"Doch voor het volgend geslacht moet er nog groot en klein zijn," zei Redwood met de oogen op het gelaat van zijn zoon gevestigd.
"Nog vele geslachten lang. En het kleine zal het groote steeds in den weg staan en het groote zal het kleine onderdrukken. Dit mòèt zoo zijn, vader.
"Er zal strijd heerschen.
"Strijd zonder einde. Eindeloos misverstand. Het geheele leven is zoo. Groot en klein kunnen elkaar niet begrijpen. Doch in elk kind dat uit menschen geboren wordt, Vader Redwood, schuilt een zaadje grootheid--dat op het Voedsel wacht."
"Dan zal ik naar Caterham moeten gaan en hem zeggen, dat--"
"Gij blijft bij ons, Vader Redwood. Bij het aanbreken van den dageraad gaat ons antwoord naar Caterham."
"Hij zegt, dat hij jullie zal bevechten tot...."
"Zoo zij het," zei de jonge Redwood, en zijne broederen mompelden goedkeurend.
"Het ijzer wacht," mompelde een stem, en de twee reuzen die in den hoek aan het werk waren, begonnen rythmisch te hameren, wat bij dit tooneel klonk als een begeleiding van een machtige muziek. Het metaal gloeide heller dan het tevoren had gedaan, en liet Redwood het kamp duidelijker zien dan hij het tot nu toe had kunnen waarnemen.
Om hem heen stonden de jonge reuzen, torenhoog en schoon, glanzend in hun maliën, temidden der toebereidselen voor den dag van morgen. Zijn hart sprong op van vreugde toen hij hen zoo zag. Hun kracht kwam zoo gemakkelijk! Zij waren zoo groot en gracelijk! Hunne bewegingen waren zoo vast! En daar stond zijn zoon tusschen hen, met de eerste van alle reuzen-vrouwen, de Prinses naast zich....
In zijn hoofd kwam plotseling een allervreemdst contrast op, het terugdenken aan Bensington, heel levendig en klein--Bensington met zijn hand in het zachte borstdons van dat eerste groote kuiken, staande in zijn conventioneel gemeubileerde kamer, en weifelend over zijn bril heenkijkend naar Nicht Jane, die de deur dichtsmeet...
Het was alles gebeurd in een gisteren van een en twintig jaren.
Toen werd hij plotseling bevangen door een vreemden twijfel: dat deze plaats en al de grootheid die hij om zich zag, slechts een droomweefsel was; dat hij zelf droomde en straks zou ontwaken, en zich weder in zijn studeerkamer bevinden, de Reuzen vermoord, het Voedsel geheel vernietigd en hij zelf gevangen en opgesloten.
Als je daar op neer kwam; wat was het leven dan anders dan een voortdurende gevangenschap! Dit was het hoogtepunt en het einde van zijn droom. Hij zou ontwaken temidden van bloedvergieten en strijd, en zijn Voedsel het dwaaste aller hersenschimmen bevinden, en zijn hoop op en geloof aan een beter wereld zouden evenmin verwezenlijkt worden als het kleurige vliesje op een poel vol rottende stoffen. Onverwinbare kleinheid!...
En zoo hevig en diep was deze neerslachtigheid, deze vrees voor ontnuchtering, dat hij opsprong; Hij stond daar en drukte de gebalde vuisten tegen zijne oogen en bleef zoo een oogenblik staan, bang, als hij ze opende, te zien, dat de droom reeds in het niet vergaan was.....
De stemmen der reuzenkinderen spraken tot elkaar, als een zachteren klank door de galmende melodie der smeden. Zijn twijfel verminderde. Hij hoorde de reuzenstemmen; hij hoorde hunne bewegingen nog om zich heen. Het was werkelijk, ongetwijfeld was het werkelijkheid--even werkelijk als spijtige daden! Inderdaad méér werkelijk, want mogelijk zijn deze groote dingen, de dingen die komen zullen; en de kleinheid, bestialiteit, en de zwakheid der menschen zijn dingen die voorbijgaan. Hij opende de oogen.
"Klaar!" riep een der twee smeden, en zij wierpen hunne hamers neer.
Er klonk een stem hoog boven Redwood. De zoon van Cossar, die op de groote aarden wal stond, had zich omgewend en sprak hun nu allen toe.
"Het is niet ons opzet om het kleine volk de wereld uit te dringen," zei hij, "opdat wij die slechts één stap verder zijn van hun kleinheid, de wereld voor altijd zouden kunnen bezitten. Het is de trap waarlangs wij moeten opklimmen, waarvoor wij strijden, en niet voor onszelven.... Hier zijn wij, Broeders, en met welk doel? Om getrouw te zijn aan het leven en het Doel waarvoor wij geboren zijn. Wij strijden niet voor onszelven--want wij zijn slechts de handen en oogen van het Leven der wereld. Dit hebt gij, Vader Redwood, ons geleerd. Uit ons, zoowel als uit het kleine volk, spreekt de Geest. En van ons moet hij, door woord, geboorte en daad overgaan--op nòg gróótere levens. Deze aarde is geen rustplaats, deze aarde is geen speelplaats; als dit zoo was, ja, dan zouden wij onze keel het mes van het kleine volkje kunnen voorhouden, daar wij dan niet méér recht om te leven zouden hebben dan zij. En dan zouden zij op hun beurt moeten onderdoen voor mieren en ongedierte. Wij strijden niet voor onszelven, doch voor den Groei--groei die steeds dóórgaat. Morgen, hetzij wij blijven leven of sterven, zal de Groei door ons overwinnen. Dat is de wet van den Geest voor altijd. Te groeien zooals God het wil! Deze spleten en holen, schaduwen en duisternis te ontgroeien, naar grootheid en licht! Grooter," zei hij, het woord langzaam en met nadruk uitsprekend,--"steeds grooter. Al maar te groeien--. Groeien tot wij eindelijk groot genoeg zijn om bij God te leven. Groeien... tot de aarde niet meer is dan een voetbank onzer voeten... Tot de geest de vrees geheel zal verdreven hebben en zich over alles zal hebben verspreid"... Hij zwaaide zijn arm hemelwaarts:--"Daar!"
Zijn stem zweeg. De witte gloed van een der zoeklichten straalde neer, en viel een oogenblik op hem, en hij stond daar, reusachtig, met één hand ten hemel geheven.
Eén oogenblik straalde hij, en keek onbevreesd in de met sterren bezaaide hemeldiepten; gekleed in maliën, jong en sterk, vastberaden en kalm. Toen gleed het licht heen en was hij nog slechts een groote donkere omtrek, die tegen den sterrenhemel afstak,-- een groote zwarte omtrek, die met een machtig gebaar het firmament en al die sterrenscharen bedreigde.
INHOUD.
Boek I.
De ontdekking van het voedsel.
Pag. Hoofdstuk I. De ontdekking van het Voedsel 5 Hoofdstuk II. De Proef-Hoeve 19 Hoofdstuk III. De Reuzen-Ratten 58 Hoofdstuk IV. De Reuzen-Kinderen 102 Hoofdstuk V. Het in het niet verdwijnen van den heer Bensington 138
Boek II.
Het voedsel in het dorp.
Hoofdstuk I. De komst van het Voedsel 153 Hoofdstuk II. De reusachtige Telg 179
Boek III.
De oogst van het voedsel.
Hoofdstuk I. De veranderde wereld 201 Hoofdstuk II. De Reuzen-Geliefden 232 Hoofdstuk III. De jonge Caddles in Londen 256 Hoofdstuk IV. Redwood's Twee Dagen 273 Hoofdstuk V. De Reuzen-Legerplaats 298
AANTEEKENINGEN
[1] Brock is dè vuurwerkmaker in Engeland en bij Brock's Benefiet, eenmaal per jaar in het "Crystal Palace", wordt een eindeloos getal rakketten enz. opgelaten.
(Noot van Vertaler.)
[2] Reckitt's zakjes-blauw wordt geacht uitstekend te helpen als men door een wesp etc. gestoken is, en dit op de oploopende plaats legt.
[3] Sponsachtige uitwas van het genus fungales.
[4] Roman van de veelschrijfster Marie Corelli. (Red.)
[5] Fransch schrijver van werken over "de zielkunde der menigte", evenals Sighele. (Red.)
[6] In Amerika heeft, in de groote hôtels, iedere verdieping haar eigen beambte of klerk. Wells schijnt dit overgebracht te hebben op de groote particuliere huizen, die in verdiepingen verhuurd worden.
[7] Hooligans zijn de ruwste, meest bandelooze soort van straatslijpers.
[8] Pyracanthus is een soort hagedoorn.
[9] Climacterisch, letterlijk: naar zekere tijdperken. Volgens oud-medische beschouwing wordt een menschenleeftijd verdeeld in tijdperken, die aan het eind levensgevaarlijk zouden zijn. Vooral het 63e jaar, waarbij een zekere sufheid intreedt. Men zou, als van een vrucht, kunnen zeggen, dat de mensch "beurs" wordt.
[10] West-End is het deftigere gedeelte van Londen.
[11] De hooge huizen van twintig en meer verdiepingen in Londen.
[12] "Verandert niet".
[13] "Overstap".--Waar in Engeland een voetpad over partikulier land loopt, dat omheind is, zijn bij de kruisingen en afscheidingen overal zoogenaamde "stiles" aangebracht; soms draaiende hekken, soms eenige treden, om over te stappen.
[14] Wolfsveest: kampernoelje, paddenstoel--latijn: Lycoperdon.
[15] Het "ei van Koning Rock" speelt een rol in de geschiedenis van Aladdin en de Wonderlamp, waar de broeder van den vermoorden toovenaar Aladdin doet overhalen de geesten van de lamp om dat ei te vragen. (Zie onze uitgave van dit verhaal.)
[16] Anders dan hier te lande worden de nieuwsbladen, onmiddellijk nadat zij uitgegeven zijn, rondgevent op straat door jongens, die tevens groote reclame-biljetten bij zich hebben, waarop het meest sensationeele van den dag te lezen staat.
[17] Kennington Oval: het bekende cricket-veld bij Londen.