Het voedsel der Goden en hoe het op Aarde kwam

Part 20

Chapter 203,961 wordsPublic domain

Het was zoo duidelijk dat hij zelfs nù nog alles te leeren had. Hij wist niet dat er physieke en economische wetten waren, grootheden en reacties die de geheele menschheid, al stemt ze ook "nemine contradicente" niet kan weg-stemmen, en waaraan men alleen ten koste van algeheele vernietiging kan ongehoorzaam worden. Hij wist niet, dat er moreele wetten zijn, die niet verbogen kunnen worden door welk oogbedrog ook, of die slechts gebogen worden om met wrekende hevigheid terug te springen. Het werd Redwood duidelijk, dat deze man als hij voor schroot of den Dag des Oordeels gesteld werd, zich zou verschuilen achter de een of andere op eigenaardige manier verdraaide "stemming van het Lagerhuis."

Wat zijn geest zelfs op dit oogenblik het meest bezig hield, waren niet de machten die de sterkte ginds in het zuiden bezet hielden, niet nederlaag of dood, doch den indruk dien dit alles op zijne "Meerderheid" zou maken, (de eenige, groote werkelijkheid in zijn leven.) Hij moest de Reuzen verslaan of zelf van het politiek tooneel verdwijnen. Hij was nog geenszins geheel wanhopig. In dit uur van algeheel falen, met bloed en ramp op zijn geweten, en de rijke belofte van nog meer vreeselijke rampen; terwijl de reusachtige krachten der wereld zich hoog boven hem verhieven en over hem heen vielen, was hij nog in staat te gelooven dat als hij zijn stem maar uitzette, en uitlegde en nog eens weder uitlegde, hij zijn macht weder zou kunnen herstellen. Zonder twijfel zat hij in de klem, en was hij moe en lijdend, maar als hij zich er maar bovenop kon houden, als hij maar kon blijven sprèken--

Terwijl hij praatte leek het Redwood toe alsof hij naar voren trad en zich weder terugtrok, alsof hij zich uitzette en inkromp. Redwood's aandeel in wat er gezegd werd, was van zeer ondergeschikt belang, en niet anders als het ware dan wiggen, plotseling tusschen zijn phrases geschoven.

"Onzin mijnheer." "Neen." "Dàt voorstel geeft natuurlijk niets." "Waarom begon u er dan mee?"

Het is twijfelachtig of Caterham hem wel hoorde. Caterham's rede omvloeide dergelijke onderbrekingen als een snelle stroom een rots. Daar stond deze wonderbare man, op zijn officieele haardkleed, pratend, al maar pratend met enorme kracht en vaardigheid, pratend alsof een oogenblik rust in zijn rede, in zijne uitleggingen, in zijn voorstelling van een standpunt, van overwegingen en middelen, den een of anderen vijandigen invloed gelegenheid zou geven zich te doen gelden--zich in wóórden uit te drukken,--het eenige wat hij begrijpen kon. Daar stond hij temidden der lichtelijk verwelkte pracht van dat officieele vertrek waarin de eene man na den ander was ondergegaan door het geloof dat een zekere handigheid in het bemiddelen de beste manier was om een keizerrijk te regeeren...

Hoe meer deze man praatte, hoe sterker Redwood doordrongen werd van de verbazende oppervlakkigheid van dezen woordenvloed. Besefte deze man wel dat, terwijl hij daar stond te praten, de geheele groote wereld voortleefde; dat het niet te keeren getij van groei al maar voortstroomde, dat er nog andere uren bestonden dan die welke men in het Parlement doorbracht met praten, en dat de hand der Wrekers van het vergoten Bloed gewapend was? Buiten tikte één enkel reuzenblad van een Virginische meelbloem, dat het geheele vertrek verduisterde, tegen de ruiten, zonder dat iemand er op lette.

Redwood verlangde naar het slot van deze wondere alleenspraak, om te kunnen gaan naar een plaats waar hij weder gezonde rede en oordeel zou hooren, naar het belegerde kamp, naar de sterke vesting der toekomst, waar de Zonen nu bij elkaar waren, in al de glorie hunner grootheid. Om daarheen te kunnen gaan had hij al dit gepraat geduldig aangehoord. Hij kreeg het eigenaardige gevoel, dat zoo deze alleenspraak niet spoedig eindigde, hij er door zou meê gesleept worden, dat hij moest kampen tegen den indruk dien Caterham's stem op hem maakte, zooals men kampt tegen de werking van een slaapmiddel. De feiten waren veranderd, en vervormden zich nog steeds onder die betoovering.

Wat zei die man toch?

Daar Redwood het den Kinderen van het Voedsel moest overbrengen, begreep hij dat het tot op zekere hoogte van belang was ernaar te luisteren.

Hij zou beter moeten luisteren en zijn neiging om zich te laten afleiden door de dingen om hem heen, zoo veel mogelijk moeten beheerschen.

Hij hoorde veel praten over "bloedschuld." Dat was alleen maar terwille van de welsprekendheid. Dus dat kwam er minder op aan. En dan?

Hij stelde een verdrag voor!

Hij stelde voor, dat de nog overgebleven Kinderen van het Voedsel zouden capituleeren en ergens afzonderlijk zouden gaan wonen en een eigen maatschappij vormen. De geschiedenis kon op meer dergelijke maatregelen wijzen. "Wij zouden hun grondgebied kunnen aanwijzen--"

"Waar?" viel Redwood hem in de rede, zich verwaardigend om te praten.

Caterham greep naar de vraag als een concessie. Hij wendde zijn gelaat naar Redwood, en zijn stem werd overredend. Dat zou men later kunnen bepalen. Hij moest opmerken, dat dit een punt van ondergeschikt belang was. Toen ging hij voort met vaststellen: "En behalve over hetgeen zij zelf behoeven op de plaats waar zij zijn, moeten wij de absolute beschikking hebben over het Voedsel, en al de Vruchten van het Voedsel moeten verdelgd worden--"

Redwood bemerkte dat hij zelf ook aan het onderhandelen raakte: "En de Prinses?"

"Die staat erbuiten."

"Neen," zei Redwood, kampend om weder tot het oude standpunt terug te keeren. "Dat is belachelijk!"

"Daar spreken we later nog wel over. In elk geval zijn wij het er over eens, dat het fabriceeren van het Voedsel moet ophouden--"

"Ik heb niets toegegeven. Ik heb niets gezegd--"

"Maar het gaat toch niet aan, op één planeet twéé menschensoorten te hebben, een groot en een klein! Denk eens aan wat er gebeurd is! Bedenk dat het nog slechts een voorproefje is van wat er gebeuren zal als dit Voedsel ongestoord zijn gang gaat! Denk eens aan al wat u al over deze aarde gebracht hebt! Als er een ras van Reuzen moet zijn, dat steeds aangroeit en zich vermenigvuldigt--"

"Ik kan daar niet over gaan redeneeren," zei Redwood. "Ik moet naar onze kinderen. Ik wil naar mijn zoon. Daarom ben ik naar u toe gekomen. Zeg me kort en goed wat uwe voorwaarden zijn."

Caterham hield weder een redevoering over zijne voorwaarden.

Den Kinderen van het Voedsel zou een groot eigen grondgebied afgestaan worden--misschien in Noord-Amerika of in Afrika--waarop zij hun leven konden leven zooals zij dit zelven wenschten.

"Maar dat is onzin," zei Redwood. "Op dit oogenblik zijn er overal al Reuzen. Over geheel Europa--overal!"

"Wij zouden een internationaal verdrag kunnen sluiten. Het is niet onmogelijk. Iets dergelijks is al besproken... Doch op dit terrein kunnen zij hun leven leven zooals zij dit zelven wenschen. Zij mogen doen wat zij willen; zij mogen maken wat zij willen. Wij zullen het apprecieeren, als zij allerlei dingen voor ons willen maken. Zij kunnen er zeer gelukkig zijn. Bedenk dit eens!"

"Mits er niet meerdere Kinderen komen?"

"Juist. De Kinderen zijn voor ons. En op deze wijze, mijnheer, zullen wij de wereld redden, wij zullen haar geheel vrijwaren voor de vruchten uwer vreeselijke ontdekking. Het is nog niet te laat voor ons. Doch tevens willen wij gaarne deze practische noodzakelijkheid verzachten met wat toe te geven. Op dit oogenblik reeds zijn wij bezig de plaatsen waar hunne granaten gisteren insloegen, uit te branden en dicht te maken. We zullen het overwinnen. Geloof me, we zullen het onderdrukken. Doch op die wijze, zonder wreedheid, zonder onrechtvaardigheid--"

"En als de Kinderen hier eens niet in kunnen treden?"

Voor de eerste maal keek Caterham Redwood recht in de oogen.

"Zij moèten!"

"Ik geloof niet dat zij het doen zullen."

"Waarom zouden zij niet toestemmen?" vroeg Caterham, met warm-geschakeerde verbazing.

"En als ze het eens niet doen?"

"Wat rest ons dan nog behalve strijd? Wij mògen het zóó niet voort laten gaan. Wij mógen niet, mijnheer. Hebben jullie, mannen der wetenschap dan geen verbeeldingskracht? Hebt ge geen mededoogen? Wij kunnen onze aarde niet laten vertrappen door een steeds aangroeiende kudde van zulke monsters en door monsterachtigen plantengroei zooals uw Voedsel veroorzaakt heeft. Wij kùnnen niet, en ik herhaal nog eens, wij mógen het niet! Ik vraag u, mijnheer, wat rest ons dan nog dan oorlog? En bedenk wel--wat nu gebeurd is was nog pas een begin! Dit was een schermutseling. Niets anders dan een gevecht met politie. Gelooft u me, niets anders dan een gevecht met de politie. Laat u niet misleiden door perspectief, door de grootheid van deze nieuwere dingen en wezens. Achter ons staat de natie--staat de menschheid. Achter de duizenden die gevallen zijn, staan millioenen. Zoo ik niet teruggedeinsd was voor nog meer bloedvergieten, mijnheer, zouden zich achter onze eerste aanvallen, nieuwe aanvallen vormen, zelfs op dit oogenblik. Of wij dit Voedsel al of niet kunnen uitroeien, zonder eenigen twijfel kunnen wij uwe zonen dooden! U bouwt te veel op de dingen die gisteren gebeurd zijn, op de gebeurtenissen van een twintig jaren, op één slag. U hebt geen begrip van den langzamen gang der Geschiedenis. Ik stel u dit verdrag voor terwille van de menschenlevens, nièt omdat het het onvermijdelijk einde kan afwenden. Zoo u denkt dat uw armelijke paar dozijn Reuzen de geheele kracht van ons volk en van al de met ons verbonden natiën die ons ter hulp zullen snellen, kunnen weerstaan; als u denkt dat u de Menschheid kunt veranderen in één slag, in één enkele generatie, en den aard der natuur en de lichaamsbouw van den Mensch--" Hij stak een arm uit. "Ga naar hen toe, Mijnheer! Nù dadelijk! En zie hoe zij, om al het kwaad dat zij aangericht hebben, neerhurken tusschen hunne gewonden--"

Hij zweeg, alsof hij toevallig een blik op Redwood's zoon geslagen had.

Een tijdlang zwegen de beide mannen.

"Ga naar hen toe," zei hij.

"Ja, dat is juist wat ik wil."

"Ga dan nù..."

Hij wendde zich af, drukte op het knopje van een schel; en buiten klonk, als antwoord, onmiddellijk een geluid van deuren die zich openden en voeten die kwamen aansnellen.

Het gesprek was geëindigd. De comedie was afgespeeld. En plotseling scheen Caterham in te krimpen, te verschrompelen tot een man, met een geel gezicht, uitgeput, van middelbare lengte en van middelbaren leeftijd. Hij deed een schrede voorwaarts, alsof hij uit de lijst van een schilderij trad, en met een voorwenden van die vriendelijkheid die loert achter al den openlijken strijd van ons ras, stak hij Redwood de hand toe.

En alsof dit zoo van zelf sprak, drukte Redwood hem ten tweeden male de hand.

HOOFDSTUK V.

DE REUZEN-LEGERPLAATS.

I.

Eenigen tijd later zat Redwood in een trein die zuidwaarts over den Theems ging. Hij zag in het voorbijgaan even de rivier, die schitterde onder de lichten, en de rook die nog opsteeg van de plaats op den noordelijken oever waar de granaat neergekomen was, en waar een groote menigte mannen aan het werk gezet was om de Herakleophorbia uit den grond te branden.

De zuidelijke oever was duister, en om den een of anderen reden waren de straten zelfs niet verlicht, en het eenige wat duidelijk zichtbaar was, waren de omtrekken der hooge alarm-torens en de duistere massa's van bovenverdiepingen en scholen, en na een minuut lang naar buiten gegluurd te hebben ging hij met den rug naar het raampje zitten en verzonk in gepeins. Er was niets meer te doen of te zien vóór hij de zonen zag...

Hij was moe van de spanning der laatste twee dagen. Het leek hem toe dat zijne emoties nu uitgeput moesten zijn, doch hij had zich versterkt met sterke koffie voor hij op weg ging en nu dacht hij weder helder. Hij dacht na over velerlei dingen. Hij ging nog eens na,--doch nu in het licht van de gebeurtenissen die voorgevallen waren--, de wijze waarop het Voedsel het eerst in de wereld was gekomen en hoe het zich ontwikkeld had.

"Bensington meende, dat het een uitstekend Voedsel voor kleine kinderen zou zijn," fluisterde hij bij zich zelven, flauwtjes glimlachend. En toen kwam in zijn brein weder op, alsof hij nog onbeslist was, de pijnigende twijfel nadat hij het Voedsel aan zijn eigen kind gegeven had. En hierna, met een stagen, niet aarzelenden gang, niettegenstaande elke poging der menschen om het te bevorderen of het tegen te houden, had het Voedsel zich verspreid over de geheele menschenwereld. En nu?

"Al dooden zij hen allen," fluisterde Redwood, "dan is de zaak tòch geschied."

Het geheim van het maken ervan, was nu heinde en ver bekend. Dit was zìjn werk geweest. Planten, dieren, een menigte ontzettend-sterk groeiende kinderen zouden onwederstaanbaar samenspannen om de wereld te dwingen toch weder tot het Voedsel terug te keeren, wat er ook uit den huidigen strijd mocht voortvloeien. "De zaak is niet meer te veranderen," zei hij, terwijl zijn geest, niettegenstaande alle pogingen om het te verhinderen, toch weder begon na te denken over het tegenwoordige lot der Kinderen en dat van zijn zoon. Zou hij hen uitgeput vinden van de vermoeienissen van den strijd, gewond, omkomend van honger, op het punt verslagen te worden, of zou hij hen nog krachtig en vol hoop vinden, gereed voor den nog meer verwoeden strijd van morgen?... Zijn zoon was gewond! Doch hij had een boodschap gezonden!

Hij begon weder te denken over zijn interview met Caterham.

Hij werd uit zijne overpeinzingen opgeschrikt door het stoppen van den trein aan het station te Chislehurst. Hij herkende de plaats aan den reusachtigen ratten-alarmtoren die op den top van den heuvel te Camden stond, en de rij bloeiende reuzen-klavers die langs den weg groeiden.

Caterhams privaat-secretaris kwam naar hem toe uit het andere rijtuig en zei hem, dat de lijn een half uur verder opgebroken was, en dat het overige der reis afgelegd zou moeten worden in een auto. Redwood stapte uit, op het perron, dat slechts verlicht werd door een handlantaarn en waarover de nachtwind koel aanwoei. De stilte van deze verlaten, met hout begroeide, en door onkruid overdekte buitenwijk--want al de bewoners hadden den vorigen dag de wijk genomen naar Londen, zoodra de strijd een aanvang nam--was indrukwekkend. Zijn geleider voerde hem den trap af naar de plaats waar een automobiel stond te wachten met helle lantaarns aan--de eenige lichten die te zien waren--beval den chauffeur goed zorg voor hem te dragen en zei hem vaarwel.

"Zult u uw best voor ons doen?" zei hij, zijns meesters wijze van optreden zoo getrouw mogelijk nabootsend, terwijl hij Redwood's hand gevat hield.

Zoodra Redwood goed in het bont gestopt was, reden zij het nachtelijk duister in. Een oogenblik stond de auto stil en toen vloog hij zacht en snel het stationsplein af. Zij draaiden een hoek om en daarna nog een, volgden de kronkelingen van een met villa's afgezette laan en toen lag de weg voor hen. Het gesnor van den auto klonk al luider en luider, tot hij zijn grootste snelheid bereikt had en de donkere nacht vloog hen voorbij. De geheele omgeving lag zeer duister onder het licht der sterren uitgespreid en het gansche drukke leven lag daar, geheimzinnig stil, volkomen geluidloos. Er voer geen zuchtje door de boomen en struiken waar zij langs vlogen; de verlaten, bleek-witte villa's aan weerszijden, met hunne donkere vensters waarachter geen licht brandde, deden hem denken aan het geruischlooze voorbijtrekken van een processie skeletten. De chauffeur naast hem was een zwijgzaam man, of misschien dat hij zich niet tot spreken geneigd voelde door de omstandigheden van den tocht. Hij antwoordde op de korte vragen van Redwood met monosyllaben en tamelijk barsch. Langs de zuiderlucht schoten geruischloos zoeklichten; de eenige vreemde teekenen van leven in die geheele verlaten wereld, die zich overal om de voortsnellende machine uitstrekte.

Een oogenblik later stonden er overal langs den kant van den weg reusachtige sleedoorn-twijgen die het erg donker maakten, en dan stonden er nog hoog gras en pijpkruid, reusachtige doove netels, zoo hoog als boomen, wier duistere silhouetten boven hunne hoofden voorbijschoten. Toen zij Keston voorbij waren, kwamen zij aan een heuvelhelling en reed de chauffeur langzamer. Toen hij den top bereikt had, stopte hij. De machine dreunde en zweeg. "Daar," zei hij, en zijn groote gehandschoende hand schoof al wijzend, als een zwarte vormlooze massa voor Redwood's oogen.

Hij meende in de verte de groote schans, gekroond door den gloed waaruit de zoeklichten schoten, tegen de lucht te zien afsteken. Deze stralen kwamen en gingen tusschen de wolken en het heuvelland om hen heen alsof zij geheimzinnige tooverformules trokken.

"Verder weet ik niet," zei de chauffeur eindelijk en het was duidelijk dat hij bang was verder te gaan.

Daar schoot een zoeklicht uit de lucht naar hen neer, bleef plotseling, als met schrik, staan, bekeek hen nauwkeurig, een verblindende blik die nog eerder verscherpt dan verzacht werd door den stengel van het een of ander reuzen-onkruid, dat zich tusschen hen en dit licht plaatste. Zij zaten daar met hunne handschoenen voor de oogen, trachtende er onderdoor te kijken, tegen het licht in.

"Rij door," zei Redwood na eenigen tijd.

De chauffeur aarzelde nog steeds; hij trachtte zijn aarzeling onder woorden te brengen, doch het eenige wat hij zeggen kon was: "verder weet ik niet."

Eindelijk waagde hij het verder te gaan. "Nou, vooruit dan maar," zei hij, en bracht weder leven in zijn machine, zorgvuldig gevolgd door dat groote helle oog.

Het leek Redwood geruimen tijd toe dat zij niet langer op aarde waren, doch in een toestand van zenuwachtigen haast door een lichtende wolk schoten. Tuf, tuf, tuf, tuf, ging de machine en telkens--gehoorzamend, ik weet niet aan welke zenuwachtige aandrift--liet de chauffeur zijn hoorn toeteren.

Zij schoten de welkome duisternis eener met hooge schuttingen afgezette laan in, een vallei binnen, en zoo voorbij eenige huizen weder in dat verblindende licht. Toen liep de weg een tijdlang over een onbegroeiden heuvel, en zij schenen dreunend in de oneindige ruimte te hangen. Toen vertoonde zich weder reuzen-onkruid om hen heen en schoot langs hen. En toen stond er plotseling vlak voor hen de gestalte van een reus, helder blinkend waar liet zoeklicht van onderen op hem viel en donker afstekend tegen de lucht daarboven. "Hallo daar!" riep hij. "Stop! verder gaat de weg niet... Is dat Vader Redwood?"

Redwood stond op en schreeuwde flauwtjes ten antwoord, en toen stond Cossar plotseling naast hem op den weg, zijne beide handen stevig drukkend en hem uit den auto trekkend.

"Hoe is 't met mijn zoon?" vroeg Redwood.

"O, goed," zei Cossar. "Hèm hebben ze niet erg geraakt."

"En jouw eìgen jongens?"

"Goed in orde, allemaal. Maar 't is een warm dagje geweest gisteren."

De reus zei iets tot den chauffeur. Redwood ging op zij toen de auto omdraaide en toen verdween Cossar plotseling, alles verdween, en hij stond een tijd lang in absolute duisternis. Het zoeklicht volgde den auto weder terwijl deze terugreed naar den top van den heuvel van Keston. Hij zag het kleine rijtuig zich verwijderen temidden van dien witten stralenkrans. En het eigenaardige van de zaak was dat het net was alsof het voertuig zelf stilstond en de stralenkrans zich voortbewoog. Een groep, door den krijg gehavende, reuzen-elzen werd plotseling zichtbaar met hunne grillige verkoolde takken, en werd weder verzwolgen door de duisternis... Redwood wendde zich weder naar de duidelijk-zichtbare gestalte van Cossar en drukte hem de hand: "Ze hebben me opgesloten en van alles totaal onwetend gehouden, twee volle dagen lang," zei hij.

"Wij vuurden het Voedsel op hen af," zei Cossar. "Ligt voor de hand! Dertig schoten. Hè!"

"Ik kom van Caterham."

"Dat weet ik." Hij lachte en er klonk iets bitters in dien lach. "Ik vertrouw dat hij bezig is 't op te vegen, he?"

II.

"Waar is mijn zoon?" zei Redwood.

"O, daar is alles mee in orde, hoor. De Reuzen wachten op je boodschap."

"Jawel, maar mijn jongen--"

Hij ging met Cossar een lange, hellende tunnel af die een oogenblik rood verlicht en toen weder duister werd, en uitkwam op de groote veilige groeve die de reuzen gemaakt hadden.

Redwood's eerste indruk was die van een enorme arena, die omzet was met heel hooge rotsen, en welker vloer bestrooid was met allerlei dingen. Het eenige licht dat dit alles deed zien was het schijnsel der zoeklichten die voortdurend hoog over de groeve heenschoten, en een gloed die nu eens aanlaaide dan weder verflauwde, vanuit een hoek, waar twee reuzen samen werkten temidden van metaal-geklank. Toen deze gloed weder oplaaide zag hij tegen de lucht de bekende omlijningen der oude werkloodsen en speelgebouwen die daar gemaakt waren voor de jongens van Cossar. Zij hingen nu, als het ware, aan den rand van een rots, en waren eigenaardig vervormd en gehavend door het bombardement van Caterham's geschut. Hij zag daar boven iets dat op stellingen voor reusachtig geschut geleek, en dichter bij lagen groote pyramiden kolossale cylinders opgestapeld die misschien ammunitie voorstelden. Over de geheele ruime uitgestrektheid beneden lagen groote machinerieën en massa's, waarvan hij het gebruik niet kon gissen, in wanorde door elkaar. De reuzen verschenen en verdwenen weder tusschen deze massa's en in het onzekere licht; allen groote gestalten doch niet buiten verhouding met de dingen waartusschen zij zich bewogen. Enkelen waren druk bezig, anderen zaten en lagen alsof zij den slaap zochten, en een, die zich vlak bij Redwood bevond en wiens lichaam verbonden was, lag op een ruw leger van dennetakken en sliep vast.

Redwood keek verbaasd naar deze nauwelijks te onderscheiden gedaanten; zijn oogen dwaalden van den eenen bewegenden omtrek naar den anderen.

"Waar is mijn jongen, Cossar?"

En toen zag hij hem.

Zijn zoon zat in de schaduw van een grooten stalen muur. Hij was niet anders dan een groote zwarte gedaante, slechts te herkennen aan zijn houding--zijn gelaat was onzichtbaar. Hij zat met de kin in de hand, alsof hij moê of in gedachten verdiept was. Naast hem ontdekte Redwood de gestalte der Prinses, of liever, hij meende uit de donkere gestalte die naast zijn zoon stond, te kunnen opmaken dat zij het was, en toen, toen de gloed van het ijzer, een eind verder, weder oplichtte, zag hij een oogenblik haar rood-verlichte zachte gezicht. Zij keek op haren minnaar neer, terwijl haar hand tegen het staal van den muur rustte. Het scheen dat zij tot hem fluisterde.

Redwood wilde naar hen toe gaan.

"Straks," zei Cossar. "Eerst je boodschap."

"Ja," zei Redwood, "maar--"

Hij hield plotseling op. Zijn zoon keek nu op en zei wat tot de Prinses, doch te zacht om het te verstaan. De jonge Redwood hief zijn gezicht op en zij boog zich tot hem over, en wendde haar gelaat af voor zij begon te spreken.

"Maar als wij nu eens verslagen worden," hoorde hij de stem van zijn zoon fluisteren.

Zij zweeg even, en de roode gloed liet haar oogen zien die glansden van ongestorte tranen. Zij boog zich nog meer naar hem over en sprak nog zachter. Er was iets zóó intiems en innigs in hun houding, in hun fluisteren, dat Redwood--Redwood die twee dagen lang aan niets anders dan zijn zoon gedacht had--zich hier te veel voelde. Hij bleef plotseling staan. Voor het eerst in zijn leven misschien besefte hij, hoeveel méér een vader zijn zoon kan liefhebben dan een zoon ooit zijn vader; hij besefte ten volle de heerschappij der toekomst over het verleden. Tusschen deze twee was geen plaats voor hem. Hij had zijn rol gespeeld. Hij wendde zich tot Cossar, terwijl dit besef hem nog vasthield. Hunne oogen ontmoetten elkaar. Zijn stem klonk nu heel anders met een toon van kleurlooze vastbeslotenheid erin.

"Ik wil mijn boodschap nù afleveren," zei hij. "Daarna--....Dan kan 't altijd nog wel."

De groeve was zoo enorm en lag zoo bezaaid met allerlei, dat de weg naar de plaats vanwaar Redwood de Reuzen kon toespreken, lang en kronkelig was,