Het voedsel der Goden en hoe het op Aarde kwam

Part 2

Chapter 23,993 wordsPublic domain

En mijnheer Bensington liep het vertrek op en neer, niet lettend op zijn eksteroogen, en praatte langen tijd met veel gedecideerdheid, en zelfs misnoegen in zijn stem, zonder het geringste effect. Hij opperde dat niets de Bevordering der Wetenschap in den weg behoorde te staan en zij zeide dat de Bevordering der Wetenschap allemaal heel goed en wel was, maar dat een hoop donderpadden op een bovenverdieping háár te machtig was; hij zei dat het in Duitschland een voldongen feit was, dat een man met een idee als het zijne onmiddellijk twintig duizend goed-ingerichte kubieke voet laboratorium tot zijn beschikking zou krijgen, en zij zei dat ze blij was, en altijd blij was geweest, dat ze geen Duitsche was; hij zei dat het hem voor altijd beroemd zou maken en zij zei dat er veel meer kans bestond dat het hem ziek zou maken, als hij een hoop donderpadden op een verdieping als de hunne hield; hij zei dat hij baas in zijn eigen huis was, en zij zei dat zij dan maar liever directrice van een school werd, dan te moeten zorgen voor een hoop enge jonge kikkers; en toen verzocht hij haar niet zulken onzin te praten en zij verzocht hem hetzelfde, en verzocht hem die ideeën over kikkers te laten varen; en hij zei dat ze wel een beetje meer respect voor zijn ideeën kon hebben, en zij zei dat zij dat niet kon of wilde als er zoo'n "luchtje" aan was--en toen--niettegenstaande de klassieke opmerkingen die Huxley over dit punt gemaakt heeft--verloor hij alle geduld en zei een goddeloos woord. Niet zoo heel goddeloos, maar toch plat genoeg. En toen was zij zeer beleedigd en hij moest excuus vragen, en het vooruitzicht het Godenvoedsel ooit op hun verdieping op kikkers te probeeren, verdween geheel in het excuus.

Derhalve moest Bensington er iets anders op zien te vinden om zijn proefnemingen op het gebied van voeding, die noodig zouden zijn om zijn ontdekking te demonstreeren, te kunnen uitvoeren, zoodra hij zijne zelfstandigheid afgezonderd en bereid had. Eenige dagen lang bepeinsde hij de mogelijkheid zijn kikkers bij den een of anderen vertrouwden persoon in den kost te doen en toen richtte het toevallig-zien van de uitdrukking in een courant zijne gedachten op een "Proef-Hoeve."

En kuikens. Direct toen hij er aan dacht, dacht hij eraan als aan een hoenderfokkerij. Plotseling kreeg hij een visioen van reusachtig-sterk groeiende kuikens. Hij zag voor zich een beeld van rennen, en hokken, hokken die àl grooter en grooter werden, en rennen die in grootte hier gelijken tred mede hielden. Kuikens zijn zoo gemakkelijk te naderen, zoo gemakkelijk te voederen en waar te nemen, zóóveel droger om te hanteeren en te meten, dat kikkers hem voor zijn doel nu erg wilde en onhandelbare beesten toeleken. Hij kon maar niet begrijpen hoe het kwam dat hij niet aan kuikens en wèl aan kikkers gedacht had van het begin af. Onder meer, zou het hem al dat gezeur met nicht Jane bespaard hebben. En toen hij het Redwood voorstelde, was deze het volkomen met hem eens.

Redwood zei overtuigd te zijn dat experimenteele physiologen een grooten misslag begingen met proeven te doen op noodeloos-kleine dieren. Het stond precies gelijk met experimenteeren in de scheikunde met een onvoldoende hoeveelheid materiaal; fouten in opmerking en behandeling worden onevenredig groot. Het was, juist in dezen tijd, van buitengewoon groot gewicht, dat de wetenschappelijke mannen hun recht lieten gelden op groot materiaal. Dat was dan ook de reden waarom hij zijn tegenwoordige experimenten aan het Bond-street College verrichtte op jonge stieren, niettegenstaande zekere mate van ongerief voor de studenten, en professoren die in andere vakken college gaven, door de lichtzinnigheid en het gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel van deze dieren in de corridors nu en dan. Doch de kromme lijnen, die hij kreeg, waren buitengewoon belangwekkend en zouden, zoo ze uitkwamen, zijn keuze ten volle rechtvaardigen. Wat hemzelf betrof, zoo de wetenschap niet zoo stiefmoederlijk bedeeld ware geweest in dit land, zou hij nooit, als het niet hoefde, experimenteeren op iets kleiners dan een walvisch. Maar een Publiek Vivarium, van voldoende grootte om dit mogelijk te maken, was, vreesde hij, op dit oogenblik in dit land tenminste, een Utopistische eisch. In Duitschland--enz.

Daar Redwood's jonge stieren zijn dagelijksche zorg vereischten, kwam het kiezen en uitrusten der Proef-Hoeve grootendeels op Bensington neer. Ook werd overeengekomen dat alle kosten zouden bestreden worden door Bensington, tot zij voldoende van buitenaf gesteund werden om het experiment voort te zetten. Derhalve wisselde hij zijn werk in het laboratorium op zijn verdieping af met de jacht naar een pachthoeve langs de spoorweglijnen, die van London naar het zuiden loopen, en zijn glurende bril, zijn vriendelijke kaalhoofdigheid, en zijn opengewerkte linnen schoenen, vervulden de eigenaars van tallooze onverhuurbare eigendommen met ijdele hoop. En hij adverteerde in verscheidene dagbladen en in "de Natuur," om een verantwoordelijk paar (gehuwd) dat nauwgezet en handig was, en gewoon met hoenders om te gaan, om het algeheele beheer van een Proef-hoeve van een grooten bunder op zich te nemen.

Hij vond de plaats die hij noodig had te Hickleybrow, dicht bij Urshot in Kent. Het was een eigenaardige, afgelegen plek, in een vallei, omzoomd door pijnbosschen, die des avonds donker en ongastvrij waren. Een hooge heuvel sneed het af van den zonsondergang en een grillige put met een uit elkaar hangend afdak deed het gebouw kleiner lijken dan het was. Tegen het kleine huis klommen geen klimplanten op, er waren verscheidene ruiten gebroken, en de wagenschuur wierp zelfs in den middag een donkere schaduw. Het lag op anderhalven mijl van het laatste huis van het dorp en de eenzaamheid ervan werd op twijfelachtige wijze vervroolijkt door een rondwandelende familie van echo's.

De plaats leek Bensington bijzonder geschikt voor wetenschappelijk onderzoek. Hij liep het erf rond, hokken en rennen teekenend met een zwaaienden arm, en bevond dat de keuken zonder veel verandering te behoeven te ondergaan een aantal broedtoestellen en kunstmoeders kon bergen.

Hij nam de plaats onmiddellijk; en op den terugweg naar Londen stapte hij uit te Dunton Green, en engageerde een geschikt paar dat op zijn advertenties geschreven had, en nog dien zelfden avond slaagde hij erin een voldoende hoeveelheid Herakleophorbia I te isoleeren om deze schikkingen meer dan te rechtvaardigen.

Het geschikte paar, dat onder Bensington de eerste aalmoezeniers op aarde van het Voedsel der Goden zou zijn, was niet alleen zeer merkbaar op jaren, maar ook buitengewoon vuil. Bensington merkte dit laatste niet op, omdat niets het algemeene opmerkingsvermogen zoozeer afstompt als een leven van experimenteele wetenschap. Zij heetten menheer en juffrouw Skinner, en de heer Bensington interviewde hen in een klein vertrek mat hermetisch gesloten vensters, een verweerden spiegel boven den schoorsteenmantel en een paar kwijnende calceolaria's.

Juffrouw Skinner was een heel klein oud vrouwtje, zonder muts, met vuil-wit haar dat erg plakkerig was weggekamd van een gezicht dat oorspronkelijk al bestond uit, en nu, door het verlies van tanden en kin, en het rimpelen van wat er verder was, eindigde met bijna uitsluitend te zijn--neus. Zij was gekleed in lei-kleurige kleedij (voor zoover haar japon tenminste nog kleur had), die op een plaats gelapt was met een strook rood flanel. Zij liet hem binnen en praatte zeer bedachtzaam tegen hem, en gluurde naar hem om en over haar neus, terwijl ze hem in vertrouwen mededeelde dat Skinner eenige wijziging in zijn toilet aan het aanbrengen was. Zij bezat één tand, die haar uitspraak in den weg stond, en zij hield haar lange gerimpelde handen zenuwachtig saamgeperst. Zij vertelde den heer Bensington dat zij al jaren met hoenders had omgegaan, en alles wist omtrent broedmachines; ja, zij zelven hadden eens een hoenderpark gedreven, en het was eindelijk alléén failliet gegaan door gebrek aan leerlingen.

"Ziet u," zeide juffrouw Skinner, "de leerlingen, die brenge de cente in."

Meneer Skinner bleek bij zijne verschijning te zijn een man met een groot breed gezicht, die lispelde en zóó erg scheel zag, dat hij over uw hoofd heenkeek; hij had opengesneden pantoffels aan, die Bensington dadelijk voor hem innamen, en hij zat erg schaars in zijn knoopen. Hij hield met één hand zijn jas en hemd bij elkaar, en trok, met den wijsvinger van de andere, modellen op het zwart-met-goud tafelkleed, terwijl zijn eene oog dat hiernaar niet keek, Bensington's zwaard van Damocles (om het zoo maar eens uit te drukken), gadesloeg met een eenigszins droevige los-van-de-wereld-zijnde uitdrukking: "U wilt dethe boerderij niet drijven om de winst. Neen, meneer. 't Komt alleth op 't zelfde neer, mijnheer. Proeven! Net thoo!"

Hij zeide dat ze dadelijk naar de boerderij konden vertrekken. Hij deed niets te Dunton Green dan een beetje kleermaken. "'t Ith niet zoo'n voordeelige plaatsth als ik dacht, en wat ik daar maak, ith haastht niet de moeite waard," zeide hij, "thoodat, als 't u beter thchikt, wij dadelijk..."

En binnen een week waren meneer en juffrouw Skinner op de boerderij geïnstalleerd, en de karwei-timmerman van Hickleybrow wisselde de taak van kippehokken-timmeren en rennen-maken af met een systematisch gesprek over den heer Bensington.

"Ik heb hem nog niet veel gethien," zeide de heer Skinner. "Maar voorzoover als ik uit hem wijth heb kunnen worden, lijkt hij mij een stomme ouwe dwaath."

"Ik dacht wel dat er een van z'n vijf op den loop was," zei de timmerman van Hickleybrow.

"Hij denkt, dat ie wat weet van hoenderth," zeide de heer Skinner. "Heerem'ntijd! Als je 'm hoorde, zou je denken dat niemand wat van hoenderth wisht dan hij."

"'IJ ziet er zelf uit as een 'en," zeide de timmerman van Hickleybrow; "misschien door z'n bril."

De heer Skinner kwam wat dichter bij den timmerman van Hickleybrow staan, en sprak vertrouwelijk met hem, en het eene treurige oog keek naar het verwijderde dorp, en het andere schitterde en keek kwaadaardig. "Moete èlke dag gemete worde,--iedere kip, thegt ie. Om te thien of the goed groeie. Nou theg,--he? Iedere kip, thowerachtig, iedere dag."

En de heer Skinner stak zijn hand op om er achter te lachen op een beschaafde, en aanstekelijke manier, en haalde de schouders erg hoog op--en alleen zijn andere oog deelde niet in den lach. Toen, eraan twijfelend of de timmerman het fijne van de zaak wel gesnapt had, herhaalde hij met een doordringend gefluister: "gemète!"

"'IJ is nog erger dan onze ouwe baas; verdompeld as 't niet waar is," zei de timmerman van Hickleybrow.

II.

Experimenteeren is het langzaamste werk ter wereld; (de rapporten erover in de "Philosophische Verhandelingen" zijn misschien nòg vervelender) en het leek den heer Bensington erg lang toe, vóór zijn eerste droom van enorme mogelijkheden vervangen werd door een kruimpje verwerkelijking. Hij had de Proef-Hoeve in October gekocht, en het was al Mei voor het eerste succès begon te dagen. In dien tijd moesten Herakleophorbia I, II en III geprobeerd worden, en mislukten; er ontstond last met de ratten op de boerderij en óók met de Skinners. De eenige manier om Skinner ertoe te krijgen te doen wat hem gezegd werd, was hem te dreigen met ontslag. Dan placht hij met zijn vlakke hand over zijn ongeschoren kin te wrijven--hij was steeds op de meest wonderbaarlijke manier ongeschoren en toch had hij nooit een baard--en naar den heer Bensington te kijken met één oog, en over hem heen met het andere en te zeggen: "O, natuurlijk, meneer--als 't u ernst ith...!"

Doch eindelijk brak de dageraad aan. En zijn heraut was een brief in het lange spichtige handschrift van den heer Skinner.

"Het nieuwe Broeisel is uit," schreef de heer Skinner, "en ik kan niet zeggen dat ze me bijzonder bevallen. Groeien erg spichtig op--heelemaal niet zooals dat andere toom was, vóór u uw laatste orders gaf. De anderen, vóór de kat ze te pakke kreeg, waren flinke, tierige kuikens, maar deze groeie als distels. Nooit zoo iets gezien. Ze pikken zóó hard, dat ik onmogelijk de juiste maat van ze kan geven. 't Zijn ware Reuzen en eten net zooveel. We zulle heel gauw weer graan noodig hebbe want nooit heb je kuikens zóó zien ete'. Grooter dan Bantams. Als ze zoo dóor gaan, zullen ze, al zijn ze ook spichtig, gauw groot genoeg zijn voor een tentoonstelling. Plymouth Rocks zijn er niks bij. Gisteren avond ben ik erg geschrokken, omdat ik dacht dat de kat achter ze zat, en toen ik uit het raam keek zou ik er op hebben kunnen zweren dat ik 'em onder het ijzerdraad door in het hok zag kruipen. De kuikens waren allemaal wakker, maar ik kon geen kat ontdekken. Daarom gaf ik ze maar wat koren, en sloot alles goed toe. Wees zoo goed me te melden of ik met het voer moet doorgaan zooals u gezegd heb. Het voeder dat u mengde is bijna allemaal op en ikzelf meng liever niets meer, na het ongeluk met de pudding. Met onze vriendelijke groeten, en ons in uwe gunst aanbevelend verblijf ik,

Hoogachtend,

Alfred Newton Skinner.

De toespeling aan het einde sloeg op een melkpudding waar op de een of andere onverklaarbare wijze wat Herakleophorbia II in geraakt was, met pijnlijken en bijna noodlottigen afloop voor de Skinners.

Doch de heer Bensington, die tusschen de regels doorlas, zag in den weligen groei de bereiking van zijn lang gezocht doel. Den volgenden morgen stapte hij uit te Urshot en in de tasch in zijn hand droeg hij, goed verzegeld, in drie bussen, een voorraad Voedsel der Goden, voldoende voor alle kuikens in Kent.

Het was een heldere, mooie morgen, laat in Mei en zijne likdoorns waren zooveel beter, dat hij besloot door Hickleybrow naar zijn boerderij te wandelen. Het was goed drie en een halve mijl, door het park en het dorp, en dan langs de valleien van de Hickleybrowsche afgesloten jachtgronden. De boomen waren allen als met een waas van groene loovertjes bedekt, de heggen waren vol kamille en paaschbloemen, en de bosschen vol blauwe hyacinthen en roode orchideeën; en overal was gerucht van vogels, grijze lijsters, merels, roodborstjes, vinken en vele andere soorten en in een warmer hoekje van het park ontvouwde zich wat brem, en renden en sprongen vaalroode herten rond.

Deze dingen deden Bensington terugdenken aan het vroegere en nu vergeten genot dat hij in het leven vond; voor zijne oogen werd de belofte zijner ontdekking levend en vreugdevol, en het scheen hem werkelijk toe dat hij den gelukkigsten dag zijns levens bereikt had. En toen hij in den door de zon verlichten ren bij het zandheuveltje onder de schaduw der pijnboomen de kuikens zag die van het voedsel dat hij voor hen gemengd had, hadden gegeten, reusachtig en onbeholpen, nù al grooter dan menige kip die getrouwd en gezet is, en nog steeds groeiend, nog in hun eersten zachten gelen dos (licht getint met bruin over den rug), toen begreep hij ten volle dat zijn gelukkigste dag was aangebroken.

Op aandrang van meneer Skinner ging hij den ren binnen, doch nadat hij een of tweemaal door de spleten in zijn schoenen gepikt was, kwam hij er maar weer uit, en sloeg deze monsters gade door het traliewerk. Hij bracht het hoofd heel dicht erbij, en volgde al hunne bewegingen, alsof hij nooit tevoren een kuiken gezien had.

"Je kunt er haath niet inkomme hoe ze d'er zulle uitzien as ze volwasse benne," zei de heer Skinner.

"Groot als een paard," zei de heer Bensington.

"Thal niet veel thchelen," zei Skinner.

"Verscheiden menschen zouden hun maal kunnen doen van één vleugel!" zeide de heer Bensington. "Zij zouden aan stukken te snijden zijn als rundvleesch."

"The thullen anderth wel niet doorgaan met tho hard te groeien," zeide Skinner.

"Niet?" zei de heer Bensington.

"Nee," zei de heer Skinner. "Ik ken dit thoort. Thij beginne geil, maar the thcheijen er gauw mee uit!"

Er volgde een oogenblik stilte.

"'t Ith nikth anderth dan de behandeling, die 't em doet," zeide de heer Skinner bescheiden.

De heer Bensington wendde plotseling zijn bril naar hem toe.

"We fokten ze haatht net tho groot op onthe eigen sthtee," zeide meneer Skinner, zijn goede oog vroom ten hemel slaand, en een beetje loskomend; "ik en m'n vrouw."

Bensington deed zijne gewone ronde over het erf, doch keerde spoedig naar den ren terug. Het was werkelijk meer dan hij had durven hopen. De gang der wetenschap is zoo kronkelig en zoo langzaam; na de duidelijke beloften en vóór de verwerkelijking komt, zijn dikwijls jaren en jaren van ingewikkeld gescharrel noodig en hier--hier droeg het Voedsel der Goden reeds vrucht na weinig meer dan één proefjaar! Het leek hem alles tè mooi--tè mooi. De uitgestelde verwachting die het dagelijksch voedsel is der wetenschappelijke verbeelding, zou nu niet langer zijn deel zijn!

Zoo leek het hem tenminste toèn. Hij kwam telkens weder naar den ren en staarde verbaasd naar zijn wondere kuikens.

"Laat ik eens kijken," zeide hij. "Ze zijn nu tien dagen oud. En ik zou denken dat ze, vergeleken bij een gewoon kuiken, ongeveer zes of zeven maal zoo groot zijn..."

"'t Wordt tijd dat we opthlag van loon vrage," zeide Skinner tot zijne vrouw. "Hij ith tho lekker ath wat, dat we die kuikes in de tweede ren tho ver gekrege hebbe,--zoo lekker ath wat."

Hij boog zich vertrouwelijk naar haar over.

"'IJ denkt dat 't dat goedje van 'em ith," zeide hij achter zijn hand, en deed een onderdrukt gelach hooren in zijn keelholte...

De heer Bensington was wèl een gelukkig man dien dag. Hij was niet in de stemming om te vallen over kleinigheden in het beheer. Het heldere daglicht deed weliswaar de groeiende slordigheid en vuilheid der Skinners duidelijker dan ooit zien, doch zijn aanmerkingen waren zeer zacht. De schotten van verscheidene hokken waren in staat van verval, doch hij scheen den uitleg van Skinner zeer geldig te vinden, toen deze hem in vertrouwen mededeelde, "dat 't 'n hond of een foth of ietsth dergelijkth wath dat 't dee."

Bensington wees hem er op, dat de broedmachine niet schoongemaakt was.

"Dat is ie ook niet, meneer," zei juffrouw Skinner met over elkaar geslagen armen, en zedig glimlachend achter haar neus. "'t Is as of we geen tijd gehad hebbe, om 'em schoon te make sints we hier zijn..."

Hij ging naar boven om naar de rattenholen te zien, waarvoor Skinner een val wilde hebben--zeer zeker waren ze enorm groot--en ontdekte dat het vertrek, waarin het Voedsel der Goden vermengd werd met meel en zemelen, in schandelijke wanorde verkeerde. De Skinners behoorden tot het slag van lieden, die gebarsten schotels, oude bussen, en flesschen van ingemaakte augurken en mosterdpotjes nog wel ergens voor weten te gebruiken, en het vertrek was er mee bezaaid. In een hoek lag een groote hoop appels, die Skinner bijeengegaard had, te rotten en aan een spijker aan het afloopend gedeelte der zoldering hingen verscheidene konijnenvellen, waarop hij zijne vaardigheid als bontwerker wilde beproeven. ("The kunne mìjn niet veel meer leere van bont en tho," zeide Skinner).

De heer Bensington haalde weliswaar critisch den neus op voor deze wanorde, doch hij maakte geen noodeloos kabaal, en zelfs toen hij een wesp zich vond te goed doen in een medicijnpot, half vol Herakleophorbia IV, merkte hij eenvoudig kalm op, dat ze zijn substantie liever moesten afsluiten voor de vocht, dan het zóó aan de lucht bloot te stellen.

En hij wendde zich af, om op te merken, wat hem al eenigen tijd in het hoofd gezeten had: "ik geloof, Skinner--dat ik maar een van de kuikens zal slachten,--eenvoudig om een exemplaar te hebben. Ik denk dat we 't vanmiddag nog kunnen slachten, dan neem ik 't mee naar Londen."

Hij deed alsof hij in een anderen medicijnpot keek en nam toen zijn bril af om die schoon te wrijven.

"Ik zou graag," zeide hij, "ik zou erg graag een reliquie--een aandenken juist van dìt broedsel en speciaal op dèzen dag--hebben."

"Tusschen twee haakjes," zei hij, "je geeft die kuikens toch geen vleesch?"

"O, nee, meneer," zei Skinner, "dàt kan ik je verthekere, meneer, dat we nog tè veel afwete van hoenderthfokke, van welken aard dan ook, om thóó ietsth te doen."

"Dus je weet zeker dat je geen restantjes van je middageten werpt in--ik meende de beenderen van een konijn te zien liggen in den versten hoek van de ren--"

Doch toen zij ze eens bekeken, bevonden zij dat het de grootere beenderen van een kat waren, erg goed schoongepikt, en al erg droog.

III.

"Dàt is geen kuiken," zei Bensington's nicht Jane. "Denk je dat ik geen kuiken ken," zei Bensington's nicht Jane heftig. "'t Is véél te groot voor een kuiken, en bovendien, je kunt héél goed zien, dat 't geen kuiken is. Het lijkt meer op een trapgans dan op een kuiken."

"Ik moet zeggen," zei Redwood, aarzelend, Bensington noode toestaand hem in het dispuut te betrekken, "ik moet bekennen, dat, de bewijzen in aanmerking genomen--"

"O, als u dát doet," zei nicht Jane, "in plaats van uw oogen te gebruiken als een verstandig man--"

"Nee maar, heusch, juffrouw Bensington--!"

"Och, loop heen!" zei nicht Jane. "Jullie mannen zijn allemaal 't zelfde."

"De bewijzen in aanmerking nemend, valt dit dier toch zeker onder dit soort--ongetwijfeld is het abnormaal, en overvoed, maar tòch--vooral daar het gekomen is uit het ei van een normale kip--geloof ik toch, juffrouw Bensington, te moeten toegeven, dat dit, voor zoover men het ièts kon noemen, een kuiken is."

"Dus u denkt dat dit een kuiken is?" zei nicht Jane.

"Ik gelóóf dat dit een kuiken is," zei de heer Redwood.

"Wat een onzin!" zei Bensington's nicht Jane, en "och," (dit gericht tegen Redwood's hoofd) "jullie met je onzin," en toen keerde zij zich plotseling om, ging de kamer uit en sloeg de deur achter zich dicht.

"En 't is een heele opluchting, ook voor mij, het te zien, Bensington," zei Redwood, toen de nagalm van het dichtslaan der deur weggestorven was. "Al moet ik zeggen dat 't erg groot is."

Zonder dat Bensington hem hiertoe behoefde uit te nooden, ging hij in den lagen leunstoel bij het vuur zitten en bekende dingen bedreven te hebben, die zelfs voor een leek ongepast zouden zijn geweest.

"Je zult het wel wat overhaast van me vinden, Bensington," zei hij, "maar de quaestie is, dat ik een klein beetje--niet erg veel--maar toch, een beetje--in de flesch van baby gedaan heb, nu zoowat een week geleden!"

"Maar als nu--!" riep Bensington uit.

"Jawel, dat weet ik," zeide Redwood, en keek naar het reuzenkuiken op den schotel op tafel.

"'t Is gelukkig goed afgeloopen," en hij zocht in zijn zak naar zijne cigaretten.

Bij stukjes en beetjes gaf hij de bijzonderheden:

"Arme kleine kerel, kwam maar niet vooruit in gewicht... vreeselijk ongerust. Winkles, een vent van niks... vroegere leerling van me... deê niks... m'n vrouw, onbeperkt vertrouwen in Winkles... Je weet wel, een man met een optreden als een rots... overdonderend... Niets geen vertrouwen in mìj, natuurlijk... Gaf Winkles les... mocht nauwelijks in de kinderkamer komen... moest toch ìets gedaan worden... sloop naar binnen toen de zuster zat te ontbijten... en kreeg de flesch in handen."

"Maar dan zal het aan 't groeien gaan," zei de heer Bensington.

"Het gróéit al. Zevenentwintig ons verleden week... Nu moet je Winkles 'es hooren. "Ligt alleen aan de behandeling," zei hij.

"Wel allemachtig! precies 't zelfde zei Skinner!"

Redwood keek nog eens naar het kuiken. "'t Moeilijke van de zaak is, om het aan den gang te houden. Ze vertrouwen mij niet meer alleen in de kinderkamer, omdat ik probeerde een groei-lijn van Georgina Phyllis te krijgen--en hoe moet ik em nu een tweede dosis geven--"

"Is 't noodig?"

"Hij schreit al twee dagen--hoe dan ook, met zijn gewone voedsel kàn hij niet doorgaan. Moet nu méér hebben."

"Zeg 't aan Winkles."

"Winkles kan naar den duivel loopen!" zei Redwood.

"Je kondt Winkles in den arm nemen, en hem poeders geven om aan het kind te geven--"

"Ja, daar zal wel niets anders op zitten," zeide Redwood, zijn kin op zijn vuist latend rusten en in het vuur kijkend.