Het voedsel der Goden en hoe het op Aarde kwam

Part 19

Chapter 193,862 wordsPublic domain

Doch de vensters lieten hem heel weinig zien van den gang der zaken buiten. Het was altijd al een stille straat geweest en dien dag was zij buitengewoon stil. Men zag er bijna geen enkel huurrijtuig, en dien geheelen morgen ging er bijna niets anders voorbij dan een winkeliers-karretje nu en dan. Af en toe gingen er menschen voorbij--zonder dat er iets bijzonders aan hen te zien was,--nu en dan een troepje kinderen, een kindermeisje en een vrouw die ging winkelen, en zoo voort. Ze kwamen de straat af links of rechts, met een tergenden schijn van onverschilligheid voor alles wat grooter en ruimer van zin was dan zijzelven, zij kregen het door de politie bewaakte huis met verbazing in het oog en verwijderden zich in tegenovergestelde richting, waar de groote ranken van een reuzen hydrangea over de straat hingen, en keken dan nog eens om en wezen.... Nu en dan ging er een man naar een van de agenten toe om dezen iets te vragen en kreeg dan een kort antwoord...

Aan den overkant schenen de huizen uitgestorven te zijn. Eenmaal verscheen er een werkmeisje aan een slaapkamerraam en bleef een tijdlang nieuwsgierig staan kijken, en het viel Redwood in, haar teekens te geven. Een poosje bleef zij naar deze gebaren kijken alsof zij haar interesseerden en maakte op haar beurt eenige gebaren terug, toen keek ze plotseling over haar schouder en ging heen. Een oude man kwam Nummer 37 uitstrompelen, de stoep af en ging zonder op te kijken de straat af. Het eenige wat er gedurende tien minuten in de straat te zien was, was een kat... En met dergelijke onbelangrijke gebeurtenisjes rekte zich die oneindige en toch zoo gewichtige morgen.

Tegen twaalf uur begonnen de courantenjongens in de straat daar dichtbij te schreeuwen; doch ook dit verstomde. Tègen hunne gewoonte kwamen zij niet door Redwood's straat en hij begon te vermoeden dat de politie het einde der straat had afgezet. Hij trachtte het raam op te schuiven, doch dit haalde hem onmiddellijk een agent op den hals.

De klok der naburige kerk sloeg twaalf, en na een zee van tijd--één uur.

Het was alsof ze hem wilden voor den gek houden met hem een lunch voor te zetten.

Hij at een stukje en strooide het voedsel wat rond opdat ze het maar weg zouden nemen, dronk nog al wat whiskey, nam een stoel en ging weder voor het venster zitten. De minuten rekten zich uit tot grijze oneindigheden, en een tijdlang sliep hij...

Hij werd wakker met een vagen indruk van verwijderde ontploffingen. Hij nam een trillen der vensterruiten waar als bij een aardbeving; dit duurde een minuut of zoo en hield weder op. Toen, na een tijdje stilte, herhaalde het zich nogmaals... Toen hield het weder op. Hij dacht dat het eenvoudig het voorbijgaan van het een of ander zware voertuig in de hoofdstraat zou zijn. Wat zou het anders kunnen wezen?...

Na eenigen tijd begon hij het te betwijfelen of hij dit geluid wel gehoord had.

Hij hield eindelooze redeneeringen met zichzelf.

Waarom hadden ze hem eigenlijk gevangen genomen? Caterham was pas twee dagen áán--juist lang genoeg--om zijn koe bij de horens te grijpen! Zijn koe bij de horens te grijpen! Zijn Reuzen Netel! Toen dit refrein hem eenmaal in zijn hoofd zat, kon hij het niet weder kwijtraken. Wat kon Caterham eigenlijk doen? Hij was een godsdienstig man. Hierdoor kon hij niet zonder geldige redenen geweld gebruiken.

Zijn Netel uitrukken! Misschien dat ze de Prinses zouden gevangen nemen en haar buitenslands sturen. Dan konden moeilijkheden volgen met zijn zoon. En in dàt geval--! Maar waarom was hijzèlf gearresteerd? Waarom was het noodzakelijk hem omtrent een dergelijk iets onwetend te laten? Het leek wel alsof er--iets meer--iets gewichtigs achterzat.

Misschien dat ze àl de reuzen wilden oppakken! Allemaal tegelijk. Daar was al op gedoeld in de verkiezingstoespraken. En dan?

Zonder twijfel hadden ze Cossar ook al opgepakt.

Caterham was een godsdienstig man. Dààr hield Redwood zich aan vast. Het was of de achtergrond van zijn brein een zwart gordijn was, en op dit gordijn verscheen en verdween telkens weder een woord--een woord, geschreven in vurige letters. Hij vocht voortdurend om het woord niet te zien. Het was alsof het telkens begon op het voorhangsel te komen en niet voleindigd werd.

Eindelijk zag hij het onder de oogen. "Slachting!" Daar stond het woord in zijn volle bruutheid.

Neen! Neen! Neen! Dat was onmogelijk! Caterham was een man met godsdienstige principes, een beschaafd man. En bovendien het kòn toch niet, dat het werk van al deze jaren, dat al deze hoop met één slag vernietigd werd!

Redwood sprong op, en liep de kamer op en neêr. Hij praatte in zichzelf; hij riep luide: "Neen!"

Zóó krankzinnig zou de menschheid toch zeker niet zijn--'t kòn niet! Het was onmogelijk, het was niet te gelooven, het kòn niet. Wat voor nut kon het hebben de menschen-reuzen te dooden, waar de tijd van het reusachtige in al de lager-staande dingen nu onherroepelijk aangebroken was? Zóó krankzinnig kònden ze niet zijn.

"Ik moet dit uit mijn hoofd zetten," zei hij luid, "ik moet dit denkbeeld absoluut uit mijn hoofd zetten!"

Hij zweeg plotseling. Wat was dat?

Nu was hij er toch zeker van dat de ruiten gerateld hadden. Hij ging naar het venster om in de straat te kijken. Aan den overkant zàg hij de onmiddellijke bevestiging van wat zijne ooren gehoord hadden. Voor een slaapkamerraam, op nummer 35 stond een vrouw, met een handdoek in de hand, en aan het venster van de eetzaal van nummer 37 zag hij een man staan achter een groote vaas overvoed venus-haar, en beiden keken ongerust en nieuwsgierig naar boven. Hij zag nu maar al te duidelijk dat de agenten op straat het ook gehoord hadden. Het kwam dus niet voort uit zijne verbeelding.

Hij wendde zich om naar de duisterwordende kamer.

"Kanonnen," zei hij.

Hij bleef staan peinzen.

"Kanonnen?"

Men bracht hem sterke thee, zooals hij die gewoon was te drinken. Blijkbaar had men zijn huishoudster hierin geraadpleegd. Nadat hij zijn thee had uitgedronken was hij te rusteloos om nog langer aan het venster te zitten, en hij liep de kamer op en neer. Hij begon langzamerhand geregelder te denken.

Deze kamer was al vierentwintig jaar zijn studeerkamer geweest. Zij was gemeubeld bij zijn trouwen, en al de zwaardere meubels dateerden van dien tijd, de groote dubbele schrijftafel, de draai-stoel, de luie-stoel bij het vuur, de draaiende boekenstander, de vaste rij genummerde vakjes die de nis aan het eind van het vertrek vulden. Het kleurige Turksche tapijt, de kleeden uit den lateren tijd van Victoria's regeering, en gordijnen die nu verschoten waren tot een mooie waardige kleurschakeering, en het roode en gele koper blonk prachtig vóór den gloed van het vuur. Electrische lampjes hadden de plaats ingenomen van de petroleum-lamp van vroeger dagen; dit was de voornaamste verandering, die het oorspronkelijke meubilair ondergaan had. Doch tusschen al deze dingen had zijn omgaan met het Voedsel allerlei sporen achtergelaten. Langs den eenen wand, boven den dado, was een drukke groepeering van foto's en photogravures in lijsten, die zijn eigen zoon en Cossar's zonen en andere Bomvoedsel-kinderen voorstelden op verschillende leeftijden en temidden van verschillende omgevingen. Zelfs het peinzende gezicht van den jongen Caddles kon men weervinden in deze verzameling. In den hoek stond een bosje reusachtige grashalmen uit een weide bij Cheasing-Eyebright, en op de schrijftafel lagen ledige manekoppen zoo groot als hoeden. De gordijn-roeden waren grasstengels. En de reusachtige schedel van het groote varken van Oakham hing met den snuit naar beneden als een massieve ivoren schouw, met een Chineesche pul in elke oogholte, boven het vuur...

Redwood ging naar de foto's en keek in het bijzonder naar de foto's van zijn zoon.

Zij riepen hem tallooze herinneringen in het geheugen terug, die hij haast vergeten had, uit de dagen toen het Voedsel nog pas in de geboorte was; hij dacht aan Bensington's bloode verschijning, aan Bensington's nicht Jeanne, aan Cossar en aan den nachtelijken arbeid op de Proef-Hoeve. Deze dingen kwamen hem nu weder erg klein en helder en duidelijk voor den geest, als dingen die men op een zonnigen dag door een verrekijker ziet. En dan was er die reusachtige kinderkamer, de kindertijd van den reus, de eerste pogingen om te spreken, en de eerste duidelijke teekenen van affectie van het reuzen-kind.

Kanonnen?

Het drong zich aan hem op, onwederstaanbaar en overweldigend, dat daarbuiten, ver van deze vervloekte stilte en geheimzinnigheid, zijn zoon en Cossar's zonen en al deze heerlijke eerste vruchten van een grootscher eeuw aan het vechten waren--op dàt oogenblik zelfs--aan het vechten waren om het leven! Zelfs op dat oogenblik was het mogelijk dat zijn zoon in de een of andere groote moeilijkheid zat, gewond en vermeesterd....

Hij wendde zich plotseling van de foto's af en liep gesticuleerend het vertrek op en neer.

"Het kàn niet," riep hij uit. "Het is onmogelijk. Het kàn zoo niet eindigen!"

"Wat was dat?"

Hij bleef als verstijfd staan.

Het beven der ramen was weder begonnen, en toen was er plotseling een doffe plof gevolgd--een ontzettende ontploffing die het geheele huis deed dreunen. Dat moest erg dichtbij geweest zijn. Een oogenblik lang leek het hem alsof iets het huis boven hem geraakt had--een enorme drukking waarop een gerinkel van vallend glas volgde en toen een stilte die eindelijk eindigde in een duidelijk hoorbaar geluid van dravende voeten beneden op straat.

Deze voeten schudden hem uit zijne verstijving wakker. Hij wendde zich naar het venster en zag dat de ruiten gebarsten waren.

Zijn hart klopte hevig, als voelde hij dat nu de crisis, de eindbeslissing en de bevrijding gekomen was. En toen viel de plotselinge gedachte aan de gevangenschap, die hem machteloos maakte, weder om hem heen als een gordijn!

Buiten zag hij niets behalve dat de kleine electrische lamp aan den overkant niet brandde; hij hoorde niets na de eerste aanduiding van wilde verwarring. En hij kon niets verders gewaar worden om dit mysterie te verklaren of nog te vergrooten, behalve dat er een oogenblik later een roodachtig, heen en weer bewegende gloed in de lucht zichtbaar werd in het zuid-oosten. Dit licht werd telkens helder en verdween weder. Als het verdween twijfelde hij eraan of het eerst wel opgekomen was. Het was langzamerhand in de kamer gegleden met het schemerduister. Het werd het voornaamste feit in dien langen nacht, vol spanning. Soms leek het hem dat het beefde als flikkerende vlammen en dan weder verbeeldde hij zich dat het niets anders was dan de gewone reflectie der avond-lantarens. Het groeide aan en werd weder minder, al die uren lang, en verdween niet éér voor het vervloeide in den aanbrekenden dageraad. Beteekende dit--? Wat hàd het te beduiden? Hij was er bijna zeker van dat het een brand was, dichtbij of verwijderd, doch hij kon zelfs niet zeggen of het rook was of wolken die langs de lucht zeilden. Doch tegen één uur begonnen er zoeklichten te flikkeren door dien rossigen schijn, die den geheelen nacht bleven heen en weder glijden. Dit óók kon allerlei beteekenen. Wat kòn het beduiden. Wat betéékende het? Het eenige wat hij had om zijn geest bezig te houden, waren deze vuilgevlekte rustelooze lucht en de indruk van een geweldige ontploffing. Verder deed zich geen geluid vernemen, geen verder heen en weer gedraaf, niets dan geschreeuw dat evengoed van dronken lieden op een afstand kon komen....

Hij draaide zijn lichten niet op; hij bleef voor zijn tochtige gebroken ruiten staan, en leek den agent, die telkens eens in de kamer kwam kijken en hem aanried om wat te gaan rusten, een kommervol, klein donker omlijnd mannetje toe.

Den geheelen nacht bleef Redwood voor het venster staan, keek op naar het verwarde voorbijdrijven der wolken, en niet vóór den dageraad, gaf hij aan zijne vermoeidheid toe en ging hij liggen op het veldbed dat men voor hem gespreid had tusschen zijn schrijftafel en het steeds lager vlammende vuur in den haard, onder den kop van het groote varken.

III.

Zesendertig uur lang bleef Redwood opgesloten in zijn kamer en afgesloten van het groote drama der Twee Dagen, waarop de kleine menschenkinderen, in den dageraad der grootheid, tegen de Kinderen van het Voedsel streden. En toen ging plotseling het ijzeren gordijn weder op en bevond hij zich dichtbij het centrum van den strijd. Laat in den middag werd hij naar het venster getrokken door het rollen van een huurrijtuig dat buiten stilhield. Een jonge man sprong eruit en een oogenblik later stond er voor hem in de kamer, een tenger gebouwde jonge man van misschien dertig jaren, gladgeschoren, goed gekleed en welgemanierd.

"Mijnheer Redwood, mijnheer," begon hij, "zoudt u genegen zijn bij mijnheer Caterham te komen? Hij verzoekt u zeer dringend bij hem te komen."

"Verzoekt mij dringend!"... Er kwam plotseling een vraag in Redwood's hoofd op, die hij niet kon uiten. Hij aarzelde. En toen vroeg hij met bevende stem: "Wat heeft hij met mijn zoon gedaan?" en wachtte ademloos op het antwoord.

"Uw zoon, mijnheer? Uw zoon maakt het goed. Ten minste dat vertrouwen wij."

"Maakt hij het goed?"

"Hij werd gisteren gewond, mijnheer. Hebt u dat dan niet gehoord?"

Redwood wierp deze huichelarijen omver door te zeggen, met een stem waarin nu niet langer vrees, doch toorn klonk: "U weet heel goed dat ik dit niet vernomen heb. U weet heel goed dat ik niets vernomen heb."

"Mijnheer Caterham was bang, mijnheer--Het was een tijd van opstand. Iedereen--overrompeld. Hij arresteerde u om uwe veiligheid te verzekeren, Mijnheer."

"Hij arresteerde mij om te voorkomen, dat ik mijn zoon zou waarschuwen of hem raadgeven. Maar ga voort. Vertel mij wat er gebeurd is. Zijn uwe pogingen geslaagd? Hebt gij ze allen gedood?"

De jonge man deed een schrede in de richting van het venster en wendde zich toen om.

"Neen, mijnheer," zei hij kortaf.

"Waarvoor komt u hier?"

"Het is ons bewijs, mijnheer, dat wij dit gevecht niet begonnen zijn. Zij vonden ons--geheel onvoorbereid.

"U bedoelt?"

"Ik bedoel, mijnheer, dat de reuzen zich tot op zekere hoogte hebben--staande gehouden."

Redwood zag nu alles in een ander licht. Een oogenblik leek het alsof eene zenuwaandoening de spieren van Redwood's gelaat en keel deed schokken. Toen uitte hij een diep "Ah!" En zijn hart sprong in hem op van vreugde. "De reuzen hebben zich staande gehouden."

"Er is vreeselijk gevochten--en er zijn vreeselijke verwoestingen aangericht. Alles komt voort uit een afgrijselijk misverstand... In het Noorden en in het midden van het land zijn er Reuzen gedood... Overal."

"Wordt er nù nòg gevochten?"

"Neen, mijnheer. Er werd een wapenstilstand gevraagd."

"Door hen?"

"Neen, mijnheer. Mijnheer Caterham zond een witte vlag en vroeg een wapenstilstand aan. Alles komt voort uit een vreeselijk misverstand. Daarom wenscht hij met u te spreken, en u zijn geval voor te leggen. Zij staan erop, dat u als bemiddelaar zult optreden--"

Redwood viel hem in de rede. "Weet u ook wat er met mijn zoon gebeurd is," vroeg hij.

"Hij werd gewond!"

"Vertel het mij, vertel het mij!"

"Hij en de Prinses stuitten--nog vóór de beweging om het kamp der Cossar's--de groeve der Cossar's te Chislehurst--te omsingelen geheel uitgevoerd was, plotseling op een colonne infanterie toen zij door een dicht kreupelbosch van reuzen-haver kwamen breken... De soldaten waren den heelen dag al erg zenuwachtig geweest en dit veroorzaakte een paniek."

"Hebben ze hem doodgeschoten?"

"Neen, mijnheer. Zij vluchtten. De een of ander schoot in het wilde op hem--tegen de bevelen in."

Redwood gaf te kennen dat hij dit niet geloofde.

"Het is zoo, mijnheer. Ik wil niet beweren dat 't om uw zoon was, maar terwille van de prinses."

"Juist, dàt is het."

"De twee reuzen renden schreeuwend naar het kamp. De soldaten liepen wild door elkaar en toen vuurde er een. Men zegt, dat ze hem zagen wankelen--"

"Hu!"

"Ja, mijnheer. Maar wij weten ook dat hij niet ernstig gewond is."

"Hoè weet u dat?"

"Hij zond bericht, mijnheer, dat hij wel was!"

"Aan mij?"

"Aan wien anders, mijnheer?"

Redwood stond bijna een minuut lang met over elkaar geslagen armen om dit alles te omvatten. En toen gaf de verontwaardiging hem zijn stem weder.

"Omdat jelui krankzinnig waren dit alles te doen, omdat jelui je misrekend en een stomme fout gemaakt hebt, zou je mij willen doen gelooven, dat jelui geen moordenaars in voorbedachten rade zijt. En bovendien--Hoe is het met de anderen?"

De jonge man keek hem vragend aan.

"De andere Reuzen?"

De jonge man wendde niet langer voor hem niet te begrijpen. Zijn stem daalde.

"Er zijn er dertien gesneuveld, mijnheer."

"En nog anderen gewond?"

"Ja, mijnheer."

"En Caterham," hijgde hij, "wil hebben, dat ik hem ga opzoeken!... Waar zijn de anderen?"

"Enkelen bereikten het kamp onder het gevecht, mijnheer.... Zij schijnen geweten te hebben dat--"

"Natuurlijk wisten ze dat. Als Cossar er niet geweest was--Is Cossar daar ook?"

"Jawel, mijnheer. En al de nog overgebleven reuzen bevinden zich daar--die welke het kamp niet konden bereiken onder het gevecht, zijn verdwenen, of zijn nu veilig onder de vlag der wapenstilstand."

"Dat wil dus zooveel zeggen, als dat jelui verslagen zijt," zei Redwood.

"Wij zijn nièt verslagen, mijnheer. Neen, mijnheer. Dàt kunt u niet zeggen. Maar uwe zonen hebben tegen de krijgsgebruiken gehandeld. Eenmaal gisterenavond en vandaag wèder. Nadat onze aanvallende colonnes zich teruggetrokken hadden. Vanmiddag begonnen zij Londen te bombardeeren--"

"Dat is volkomen gewettigd!"

"Zij vuurden bommen af, gevuld met--vergif."

"Vergif?"

"Ja. Vergif. Het Voedsel--"

"Herakleophorbia?"

"Ja, mijnheer. Mijnheer Caterham, mijnheer--"

"U zijt verslagen! Natúúrlijk kunnen jelui dáár niet tegen op. Dat is het werk van Cossar! En wat rest jullie nu nog? Wat geeft het of je de hemel weet wat ook begint? Jelui zult het inademen met het stof van de straten. Waarom zouden jelui nog dóórvechten? Jawel, krijgsregelen! En nu wil Caterham mij zoover overduvelen dat ik hem zal helpen onderhandelen. Goeie God, man? Waarom zou ik meegaan naar jelui uitelkaar gespatte zak met wind? Hij heeft zijn kaart uitgespeeld... gemoord en de boel wanhopig in de war gestuurd. Waarom zou ik nù nog meegaan?"

De jonge man stond daar in een houding van eerbiedige waakzaamheid.

"Mijnheer, het is zooals ik u zei," viel hij Redwood in de rede; "de reuzen staan er op u te zien. Zij willen geen anderen bemiddelaar dan u. Ik vrees dat, zoo u niet naar hen toegaat, er nog meer bloed zal vloeien."

"Aan úw kant misschien."

"Néén, mijnheer--aan beide zijden. De wereld heeft vast besloten, dat er een einde aan moet komen."

Redwood keek zijn studeervertrek rond. Zijn oog bleef een oogenblik rusten op de foto van zijn zoon. Hij wendde zich om en antwoordde den in spanning verkeerenden jongen man:

"Ja, ik zal meegaan."

IV.

Zijn ontmoeting met Caterham was geheel anders dan hij verwacht had. Hij had den man slechts tweemaal in zijn leven gezien, eenmaal aan een diner, en eens in de corridors van het Parlementsgebouw, en zijn verbeeldingskracht had zich beziggehouden, niet met den màn, doch met de creatie der nieuwsbladen en karikaturen, met den Caterham uit de legende, "Jack de Reuzendooder," "Perseus" en al die andere nonsens. Doch nu kwam de persoonlijkheid van vleesch en bloed dit alles omverwerpen. Dit was niet het gelaat uit de caricaturen en afbeeldingen, doch het gelaat van een afgewerkt man die aan slapeloosheid leed, gerimpeld en lusteloos, en met geel in het wit zijner oogen, en een beetje verzwakt om den mond. Zeker, dit waren de roodbruine oogen, het zwarte haar, het gepronunceerde arends-profiel van den grooten volksman, doch hier was eveneens iets dat alle vóór-opgevatte geringschatting en rhetorica wegdreef. Deze man was lijdende; hij leed acúut; en zijne zenuwen waren tot het uiterste gespannen. Van het eerste oogenblik af aan zag hij eruit als de man die zijn rol speelt. Een oogenblik later zag Redwood aan een enkel gebaar, en aan een lichte beweging, dat hij zich met artsenijen op de been hield. Hij bracht zijn duim naar zijn vestzak en na nog even doorgepraat te hebben, wierp hij alle geheimhouding terzijde en liet het tabletje tusschen zijn lippen doorglijden.

Bovendien, niettegenstaande zijne overspanning, niettegenstaande het feit dat hij ongelijk had, en een dozijn jaren jonger dan Redwood, voelde Redwood toch in hem die vreemde hoedanigheid, dat onverklaarbaar iets--men zou het bij gebrek aan een beteren naam "persoonlijk magnetisme" kunnen noemen--nog aanwezig hetwelk hem deze noodlottige hoogte had doen bereiken. En ook hièrop had Redwood niet gerekend. Van het eerste oogenblik af aan, overheerschte Caterham Redwood voor zoover het den loop en de leiding van hun gesprek betrof. De aard van het eerste gedeelte van hun samenspreking, de toon en de leiding er van gingen van hem uit. En dat gebeurde alsof het zoo vanzelf sprak. Al Redwood's verwachtingen gingen in rook op toen hij voor hem stond. Zij hadden elkaar de hand gedrukt vóór Redwood zich nog goed bewust was, dat hij deze familiariteit had willen afwijzen; hij gaf van het begin den toon van het gesprek aan, zeker en duidelijk, alsof zij samen naar middelen zochten om een gemeenschappeltjke ramp te bezweren.

Als hij al eens een fout beging, was het wanneer zijne vermoeidheid zijne aandacht een oogenblik de baas werd, en de gewoonte in het publiek te spreken hem meêsleepte. Dan richtte hij zich op--gedurende hun geheele conferentie stónden de beide mannen--en staarde hij langs Redwood heen, en begon zich te verweren en zich te rechtvaardigen. Eenmaal zei hij zelfs: "Mijne heeren!" Rustig uiteenzettend, begon hij te praten...

Op sommige oogenblikken vergat Redwood zelfs, dat hij tegenover dezen man stond als ondervrager, en werd hij niets dan de toehoorder van een monoloog. Hij werd de begunstigde toeschouwer van een buitengewoon verschijnsel. Hij voelde bijna iets van een specifiek verschil tusschen zich zelf en dit wezen welks mooie stem als het ware om hem heenvloeide, al maar doorpratend. Deze geest, die zich hier voor hem uitte, was zoo machtig en toch tegelijk zoo klein. De naar zijn doel stuwende energie, het persoonlijke gewicht, het onverbeterlijke over het hoofd zien van zekere dingen, deden in Redwood's geest een belachelijk en vreemd beeld geboren worden. Inplaats van als een tegenstander, die een medemensch was, een man dien men moreel verantwoordelijk kon stellen, en tot wien men redelijke verzoeken kon richten, zag hij Caterham als iets, ja, als een monsterachtigen rhinoceros, als het ware een beschaafden rhinoceros, voortgekomen uit de wildernis van het democratische leven, een monster welks aanval en verdediging onwederstaanbaar en onoverwinbaar waren. In al de tegen elkaar indruischende woordenwisselingen van die netelige zaak was hij de eerste. En verder? Deze man was een wezen, bij uitnemendheid geschikt om zich een weg te banen door menigten van menschen. Voor hem bestond er geen grover fout dan zelftegenspraak, geen wetenschap zóó belangrijk als het verzoenen van met elkaar strijdige "belangen." Economische werkelijkheid, topografische behoeften, de nauwelijks aangeraakte mijnen van wetenschappelijke hulpmiddelen bestonden voor hem evenmin, als spoorwegen of geweren of land- en volkenkunde bestaan voor den rhinoceros waarop hij in Redwood's verbeelding geleek. Wat alléén voor hem bestond waren vergaderingen en kiesvereenigingen en stemmen--ja bovenal, stèmmen. Hij was de geïncarneerde stem--millioènen stemmen.

En nu, in deze geweldige crisis met de Reuzen, die wel geleden hadden, doch niet verslagen waren, praatte dit stem-monster.