Het voedsel der Goden en hoe het op Aarde kwam

Part 10

Chapter 103,838 wordsPublic domain

De eerste die ontdekte wat er gaande was, was een zeker heer Lukey Carrington, buitengewoon leeraar in de natuurwetenschappen onder de Londensche Commissie van Onderwijs en, in zijn vrijen tijd, specialiteit in zoetwaterplanten, en zeer zeker behoeven wij hem zijn ontdekking niet te benijden.

Hij was van Keston Common gekomen om dien dag een aantal proef-buizen te vullen om later te onderzoeken, en hij kwam met, zeg een dozijn, gekurkte buisjes die zacht tegen elkaar klingelden in zijn zak, over den zanderigen heuveltop heen en zoo naar den poel, met den stok in de hand. Een tuinjongen, die op de bovenste trede der keukentrap stond en de heg van dokter Winkles aan het knippen was, zag hem in dit weinig bezochte hoekje, en vond hem en zijn bezigheid genoegzaam onverklaarbaar en interessant om hem nauwkeurig na te gaan.

Hij zag den heer Carrington zich voorover buigen naar den poel, met zijn hand tegen den stam van den ouden els, en in het water gluren, doch natuurlijk kon hij de verrassing en het genoegen niet apprecieeren, waarmede de heer Carrington de groote, ongewoon-lijkende knobbels en slingers der waterplanten op den bodem gadesloeg. Er waren geen donderpadden meer te zien--die waren nu allen gedood--en het schijnt, dat de heer Carrington niets ongewoons zag dan den buitengewoon weelderigen plantengroei. Hij stroopte zijn mouw op tot den elleboog, boog zich voorover, en stak den arm in het water om een exemplaar te bemachtigen. Zijn tastende hand ging steeds lager. Onmiddellijk schoot er iets uit de koele schaduw onder de boomwortels. Bliksemsnel had het zijn scharen diep in zijn arm begraven--een bizarre gedaante was het--een voet en meer lang, bruin en geleed als een schorpioen.

De leelijke verschijning en de plotselinge, scherpe pijn die de beet veroorzaakte, deden den heer Carrington het evenwicht verliezen. Hij voelde dat hij van den oever afgleed en gilde luid. Daar ging hij met zijn gezicht vooruit, plas! den poel in.

De jongen zag hem verdwijnen en hoorde hem spartelen in het water. Hij zag den ongelukkige weder bovenkomen, zonder hoed, druipend van het water en gillend!

De jongen had nog nooit te voren een màn hooren gillen.

Het leek wel alsof deze verbazingwekkende vreemde aan iets rukte aan den kant van zijn gezicht. Er vertoonden zich daar strepen bloed. Hij stak zijn armen op als in wanhoop, sprong in de lucht als een bezetene, liep razend tien of twaalf pas, viel toen op den grond en rolde al maar rond, tot de jongen hem niet meer zien kon. De jongen was in een oogwenk van de trap af en door de heg--gelukkig met de heggeschaar nog in de hand. Hij zegt, dat, toen hij bezig was door de bremstruiken te dringen, hij half en half zin had om terug te gaan, daar hij bang was met een krankzinnige te doen te hebben, doch het bezit van de heggeschaar stelde hem gerust. "Als ie me wat had willen doen, kon ik 'm altijd in z'n oogen gestoken hebben," legde hij uit. Zoodra de heer Carrington hem zag, begon hij zich te gedragen als iemand die wèl bij zinnen, doch wanhopig is. Hij krabbelde op de been, wankelde, stond op en kwam naar den jongen toe.

"Kijk es!" riep hij, "ik kan ze er niet afkrijgen!"

En met een rilling van ontzetting zag de jongen dat er aan de wang van den heer Carrington, aan zijn blooten arm en aan zijn dij, en verwoed slaand met hunne lenige bruine gespierde lichamen, zich drie van deze afschuwelijke larven hadden vastgeklemd, met hunne groote haken diep in zijn vleesch, en zich vastzogen alsof 't om hun leven ging. Zij hielden zich vast als buldoggen en de pogingen van den heer Carrington om de monsters van zijn gezicht los te maken, hadden tot eenig resultaat, dat hij het vleesch waaraan het beest zich vastgehecht had, afscheurde, en zijn gelaat, hals en jas met levend purper bedekte.

"'k Zal em d'r afknippe'; hou je goed, meneer."

En met het behagen, dat jongens op dien leeftijd in dergelijke dingen scheppen, scheidde hij de koppen der aanvallers van den heer Carrington een voor een van hunne lichamen. "Yoep," zei de jongen met een beetje benauwd gezicht, telkens als er een voor hem neerviel. En zelfs toèn nog was hun greep zoo vast en taai, dat de afgesneden koppen nog een tijdlang woest bleven toebijten en zuigen, terwijl het bloed achter uit hun halzen stroomde. Doch de jongen maakte hier een eind aan met nog een paar happen van zijn schaar--waarvan de heer Carrington zelf er ook nog een mee kreeg.

"Ik kon ze er niet afkrijgen!" herhaalde Carrington en bleef een tijdje lang staan, wankelend en hevig bloedend. Hij bette met slappe handen zijne wonden en keek naar zijn handpalmen. Toen zonken zijn knieën onder hem uit en hij viel voorover zoo lang als hij was voor de voeten van den jongen in zwijm, tusschen de nog steeds opspringende lichamen zijner verslagen vijanden. Gelukkig viel het den jongen niet in water op zijn gezicht te sprenkelen,--want er waren nog meer van deze monsters onder de wortels van den els--, en inplaats hiervan ging hij om den vijver heen, den tuin door, om hulp te halen. En daar kwam hij den tuinman-koetsier tegen en vertelde hem het geheele geval.

Toen zij samen den heer Carrington weder bereikten, zat hij op, versuft en zwak, doch met genoeg bewustzijn om hen te waarschuwen voor het gevaar in den poel.

II.

Dusdanig waren de omstandigheden, waardoor de wereld voor de tweede maal bemerkte, dat het Voedsel weder losgebroken was. Binnen een week was Keston Common in volle werking, en werd wat de natuurkundigen een "verspreidings-centrum" noemen. Ditmaal waren er geen wespen of ratten, geen oorwormen en geen netels, doch er waren tenminste drie water-spinnen, verscheidene larven van waterjuffers, die weldra zelf waterjuffers werden, en geheel Kent verblindden met hun zwevende saffier-kleurige lichamen; en dan was er nog een vieze, gelei-achtige vegetatie, die over den rand van den vijver heengroeide, en zijn glibberige groene massa's halverwege het tuinpad naar dokter Winkles' huis opstuwde. En er begonnen reuzen-biezen, en equisetum en potamogeton te groeien, die eerst gestuit werden toen zij den vijver hadden doen opdrogen.

Het werd het publiek spoedig duidelijk, dat er ditmaal niet één verspreidings-centrum was doch een heele màssa centrum. Er was er een te Ealing--dat lijdt nu geen twijfel meer en hieruit ontstonden de vliegen- en de roode spinnenplaag; er was er een te Sunbury, die vraatzuchtige palingen voortbracht, die aan land konden komen, en schapen doodden; en er was er een te Bloomsbury, die de wereld een nieuw ras van kakkerlakken van een vreeselijke soort gaf, welke met allerlei ander gespuis een oud huis in Bloomsbury bewoonden. Plotseling, zonder voorteekenen, stond de wereld weer tegenover al de verschijnselen van Hickleybrow, met allerlei vreemde buitensporig-vergrootte monsters, (die men tot nu toe als doodgewone onschadelijke dieren gekend had), inplaats van de reuzen-hennen, ratten en wespen.

Ieder centrum brak uit met zijn eigen karakteristieke plaatselijke fauna en flora...

Wij weten nu, dat elk van deze centra in verband stond met een der patienten van dokter Winkles, doch dit was niet bekend te dien tijde. Dokter Winkles was de laatste om onder verdenking te vallen. Natuurlijk ontstond er een paniek, een woedende verontwaardiging, doch tegen het Voedsel en nog niet zoozeer tegen het Voedsel als wel tegen den ongelukkigen Bensington, wien de publieke verbeeldingskracht van het begin af hardnekkig had beschouwd als de eenige persoon die voor deze nieuwe zaak aansprakelijk was.

De poging om hem te lynchen, die volgde, is niet meer dan een van die plotselinge uitbarstingen van volkswoede welke in de geschiedenis zoo menigvuldig voorkomen, en die in werkelijkheid wel de onbelangrijkste aller gebeurtenissen zijn.

De geschiedenis van dezen opstand is in het duister gehuld. De groote massa van de menigte kwam ongetwijfeld uit een Anti-Bomvoedsel Meeting in Hyde-Park, georganiseerd door drijvers van Caterham's partij, doch er schijnt niemand geweest te zijn die het eerst voorstelde, en niemand die ook maar doelde op de gewelddadigheid waaraan zooveel menschen meededen. Het is een probleem voor den heer Gustave le Bon [5]--een mysterie in de psychologie der menigten. Het blijkt dat des Zondagsmiddags tegen drie uur een merkwaardig groote en kwaadaardige Londensche menigte, die niet meer te regeeren was, Thursday Street kwam afstroomen, bedacht op des heeren Bensington's exempleerlijken dood als afschrikwekkend voorbeeld voor alle wetenschappelijke navorschers, en dat deze menigte dichter bij het volvoeren van haar plan kwam dan eenig andere menigte ooit gekomen is sedert de hekken van Hyde-Park omver gehaald werden in de ver achter ons liggende tijden van het midden van Victoria's regeering. Deze menigte kwam zelfs zoo dicht bij haar doel, dat gedurende een uur een enkel woord het lot van den ongelukkigen Bensington zou beslist hebben.

Hij bemerkte het eerst wat er gaande was aan het rumoer dat het volk buiten maakte. Hij ging naar het venster en gluurde naar buiten, niet bevroedend wat hem boven het hoofd hing. Een minuut lang misschien zag hij het aan hoe de menigte zich om den ingang verdrong, een dozijn politieagenten die haar den weg versperden, uit den weg ruimend, vóór hij ten volle de rol begreep die hij in de zaak speelde. Toen ging hem plotseling een licht op en begreep hij dat die brullende, deinende menigte het op hem gemunt had. Hij was geheel alleen op de verdieping--misschien gelukkig nog--daar zijn nicht Jeanne naar Ealing op de thee was bij een familielid van moeder's kant, en hij had even weinig begrip hoe zich onder dergelijke omstandigheden te gedragen, als van de etiquette van den Dag des oordeels. Hij was bezig door de kamers te hollen, aan de meubelen vragend wat hij beginnen moest, sleutels in sloten omdraaiend en ze dan weder ontsluitend, naar deur, raam en slaapkamer vliegend--toen de beambte van de verdieping binnenkwam. [6]

"Geen oogenblik te verliezen, meneer," zei hij. "Ze hebben uw nummer gevonden op het bord in den gang! Ze komen recht hier naar toe!"

Hij sleepte den heer Bensington mee den corridor op, die reeds weerklonk van het naderend tumult op de groote trap, draaide de deur achter hen op slot en ging Bensington voor naar de tegenoverliggende kamers, die hij binnenging door middel van een duplicaat sleutel.

"Dat is onze eenige kans nog," zei hij.

Hij wierp het venster open dat uitkwam op een ventilatie-koker en vanuit dit venster zagen zij dat in den muur een rij krammen op gezetten afstand onder elkaar waren geslagen die een zeer ruwe en gevaarlijke ladder vormden, welke als brandladder moest dienen om uit de bovenste verdiepingen te komen. Hij duwde den heer Bensington zachtjes het raam uit, toonde hem hoe hij zich vast moest houden, en kwam achter hem de ladder op, hem in zijne beenen porrend en prikkend met een bos sleutels zoodra hij even met klimmen ophield. Het leek Bensington soms of hij die verticale ladder verder tot in alle eeuwigheid zou moeten blijven beklimmen. Boven, was de goot nog onbereikbaar ver--'t leek wel een mijl--; beneden--Hij durfde niet denken aan wat er beneden wachtte.

"Vooruit!" riep de klerk, en pakte hem bij den enkel. Het was vreeselijk zoo bij den enkel gepakt te worden en de heer Bensington greep de ijzeren kram boven zich zóó stevig beet alsof hij op 't punt was te verdrinken, en slaakte een onderdrukten kreet van angst.

Het bleek dat de klerk een ruit ingedrukt had, en toen leek het hem alsof hij zijdelings een enorm eind gesprongen was, en toen drong het geluid van een venster, dat neergeschoven werd tot zijn besef door. Hij brulde allerlei dingen. De heer Bensington wendde voorzichtig het hoofd tot hij den klerk kon zien. "Kom zes treden naar beneden," beval deze.

Al dit beweeg leek hem erg dwaas toe, maar heel, heel behoedzaam liet hij toch een voet zakken.

"Niet trekken!" riep hij uit, toen de klerk hem wilde helpen vanuit het open venster.

Het leek hem toe dat het bereiken van het raam van de ladder af een heel respectabel feit zou zijn voor een vliegenden vos, en het was meer met het idee van een fatsoenlijken zelfmoord, dan in de hoop hem te volbrengen, dat hij den stap eindelijk waagde en de klerk heesch hem meedoogenloos naar binnen.

"U zult hier moeten blijven," zei de klerk; "mijn sleutels helpen hier niet. 't Is een Amerikaansch slot. Ik zal naar buiten gaan en de deur achter me dichtslaan, en zien of ik 't mannetje van deze verdieping kan vinden. U zult zoolang opgesloten moeten blijven. 't Eenigste is, ga niet naar 't raam. 't Is de kwaadaardigste menigte die ik ooit gezien heb. Als ze maar eerst denken dat u uit is, zullen ze zich waarschijnlijk wel tevreden stellen met uw boeltje in mekaar te slaan--"

"De indicator wees "Tehuis" aan," zei Bensington.

"Dat zal je de drommel halen! In ieder geval, ze moeten mij hier niet vinden--"

Hij verdween, de deur achter zich dichtslaand.

Bensington was weder aan zijn eigen initiatief overgelaten. En dit initiatief dreef hem onder het bed. Daar werd hij een oogenblik later gevonden door Cossar.

Bensington was bijna versuft van angst toen hij gevonden werd, want Cossar had de deur met zijn schouder ingeloopen door er van den overkant van den gang op toe te springen.

"Kom er onderuit, Bensington," zei hij. "'t Is goed volk. Ik ben 't. We moeten zien hier vandaan te komen. Zij steken het huis in brand. De portiers gaan er allemaal vandoor. De bedienden zijn al weg. 't Is gelukkig dat ik den man, die van dit zaakje afwist, te pakken kreeg."

"Kijk es hier."

Toen Bensington onder het bed uit gluurde, zag hij eenige zonderlinge kleedingstukken over Cossar's arm hangen, en wat het belachelijkste van alles was, een zwarten vrouwenmuts in diens hand!

"Ze zoeken het heele huis af," zei Cossar. "Als ze het niet in brand steken, komen ze beslist hierheen. Troepen kunnen er niet binnen een uur zijn. Vijftig percent "Hooligans" [7] onder de menigte, en hoe meer gemeubileerde kamers ze binnenkomen, hoe meer ze den smaak er van beet zullen krijgen. Ligt voor de hand... Trek dezen rok aan en zet dien muts op, Bensington, en snij uit met mij."

"Bedoel je--?" begon Bensington, een hoofd onder het bed uitstekend, op de manier van een schildpad.

"Ik bedoel, maak er wat mee voort, en kom mee."

En met plotselinge heftigheid trok hij Bensington onder het bed uit, en begon hem zelf aan te kleeden als een oud vrouwtje uit het volk. Hij sloeg zijn broek op, liet hem zijn pantoffels uittrekken, deed zijn boord, das, jas en vest uit, schoot een zwarten rok over zijn hoofd en deed hem een rood-flanellen keurslijf aan en een lijf van dezelfde stof. Hij liet hem zijn al te karakteristieken bril afzetten en drukte hem de muts vast op het hoofd. "Je kondt waarachtig als ouwe vrouw geboren zijn," zei hij, terwijl hij de linten der muts onder Bensington's kin samenbond. Toen kwamen de elastieke laarzen aan de beurt--een pijnlijk getrek voor de likdorens--en de shawl, en de vermomming was voltooid.

"Loop es op en neer," zei Cossar, en Bensington gehoorzaamde.

"'t Zal gaan," zei Cossar.

En in deze vermomming, onbeholpen struikelend over zijn ongewone rokken, en een vloed van vrouwelijke verwenschingen doend neerdalen op zijn eigen hoofd, met een schrille falsetto om in zijn rol te blijven, en temidden van het brullen eener menigte die er op uit was om hem te lynchen, kwam de oorspronkelijke ontdekker van Herakleophorbia IV, den corridor der Chesterfield-Mansions af, midden tusschen die verwoede wanordelijke menigte, en verdween aldus geheel van het tooneel der gebeurtenissen die ons verder verhaal vormen.

Na deze ontsnapping bemoeide hij zich nooit weder met de wonderbaarlijke ontwikkeling van het Voedsel der Goden, dat het eerst aan hem zijn ontstaan te danken had.

III.

Het mannetje dat de geheele zaak op touw zette, verdwijnt uit deze geschiedenis en na eenigen tijd verdween hij heelemaal uit de wereld der zichtbare en vertelbare dingen. Doch omdat bij de zaak aan den gang bracht, lijkt het mij niet meer dan billijk, aan zijn uitvaart een extra bladzijde te wijden. Gij kunt hem u wel voorstellen in later tijd, zooals Tunbridge Wells hem leerde kennen. Want te Tunbridge Wells dook hij weder op, na een tijdelijke verdwijning, zoodra hij ten volle begreep hoe voorbijgaand, hoe exceptioneel en onbeduidend die oproerige woede der menigte was. Hij verscheen weder onder de hoede van nicht Jeanne, om zijn geschokt zenuwgestel te restaureeren, en hiervoor werden alle verdere belangen terzijde gesteld. Hij scheen ook volkomen onverschillig te zijn geworden voor den strijd die toen juist woedde om deze nieuwe centra van verspreiding, en voor de Kinderen van het Voedsel.

Hij nam zijn intrek in het Mount-Glory Hydro-Geneeskundig Hotel, dat werkelijk bijzonder goed ingericht is op het gebied van gecarbonneerde Baden, Creosoot-Baden, Galvanische en Faradische Baden-Behandeling, Massage, Dennen-Baden, Stijfsel- en Kervel-Baden, Radium-Baden, Licht-Baden, Hitte-Baden, Zemel- en Naalden-Baden, Teer- en Vogeldons-Baden--alle mogelijke soorten van baden; en hij gaf al zijn denken aan de ontwikkeling van dat systeem van geneeskundige behandeling, dat nog niet volmaakt was toen hij stierf. En soms reed hij in een huurrijtuig, met een met zeehondenleer gevoerde jas naar de Pantiles, of als zijne voeten het hem permitteerden liep hij er ook wel heen, en dan slurpte hij daar ijzerhoudend water onder toezicht van nicht Jeanne.

Zijn gebogen schouders, zijn roode gezicht, zijn schitterende bril, dit alles werd een van de typische dingen van Tunbridge Wells. Niemand was ook maar in het minst onvriendelijk tegen hem, en het plaatsje en het Hotel schenen zelfs erg met zijne tegenwoordigheid vereerd te zijn. En hoewel hij liever den verderen loop zijner uitvinding niet volgde in de dagbladen, was het, als hij de Promenade vóór het Hotel overstak, of de Pantiles afliep, en hij hoorde fluisteren "dat is 'em, dat is 'em!"--toch geen ontevredenheid die een zachter trek om zijn mond bracht en een oogenblik in zijn oog schitterde.

Deze kleine figuur, deze heel kleine gestalte, zond het Voedsel der Goden de wereld in! Men weet werkelijk niet wat verbazingwekkender is, de grootheid of de kleinheid dezer mannen der wetenschap en filosofie. Ge ziet hem voor u, op de Pantiles, in den met bont gevoerden overjas. Hij staat onder dat steenen kozijn waar de fontein opspringt, en houdt het glas met ijzerhoudend water, waaruit hij nu en dan een teug neemt, in de hand. Eén helder oog is, over den vergulden rand van zijn bril gevestigd op nicht Jeanne, met onverbiddelijke strengheid. "Mm," zegt hij en slurpt.

En wij maken ons souvenir voor hem, in deze houding, zóó richten wij onze camera op hem, en "nemen" dezen ontdekker voor de laatste maal, en laten hem achter, als een spikkel op onzen voorgrond, en gaan verder naar het grootere schilderij dat zich om hem gevormd heeft, naar het verhaal van zijn Voedsel, hoe de verspreide Reuzen-Kinderen met den dag grooter werden en opgroeiden temidden eener wereld die zóóveel te klein voor hen was, en hoe het net der Bomvoedsel-wetten, en Bomvoedsel-conventies die de Bomvoedsel-commissie aan het weven was, zich ieder jaar al dichter en dichter om hen samentrok. Totdàt--

BOEK II.

HET VOEDSEL IN HET DORP.

HOOFDSTUK I.

DE KOMST VAN HET VOEDSEL.

I.

Ons thema, dat zoo beknopt begon in de studeerkamer van den heer Bensington, heeft zich reeds uitgebreid en vertakt, tot het nu dezen, dan genen kant uitwijst en van nu aan zullen de gebeurtenissen in ons verhaal op verschillende plaatsen voorvallen. Het Voedsel der Goden verder te volgen, staat gelijk met de vertakkingen van een voortdurend lotenschietenden boom na te gaan; in korten tijd, in het vierde gedeelte van een menschenleven, was het voedsel uit zijn eersten bron te Hickleybrow op de kleine boerderij, gelekt en had zich verspreid--het voedsel, en ook de faam en schaduw van zijn kracht--de geheele wereld over. Zeer spoedig had het zich ook buiten Engeland verspreid. Weldra werkte het in Amerika, op het geheele vasteland van Europa, in Japan, in Australië, eindelijk de geheele wereld over, naar het gezette doel. Steeds werkte het langzaam, langs indirecte kanalen en tegen de verdrukking in. Het was de grootheid die in opstand gekomen was. Niettegenstaande vooroordeelen, ten spijt van wet en verordening, niettegenstaande al de koppige vasthoudendbeid, die ten grondslag ligt aan de formeele orde der menschheid, ging het Voedsel der Goden, als het eenmaal losgelaten was, zijn onnaspeurlijken en niet te stuiten gang. Gedurende al deze jaren groeiden de kinderen van het Voedsel staag; dit was de belangrijkste factor van dien tijd. Doch het zijn juist de gevallen waarin het uitbrak, die het tot historie maken. De kinderen die ervan gegeten hadden, groeiden, en weldra waren er nog andere kinderen die ook begonnen te groeien; en de beste voornemens ter wereld konden niet verhoeden dat het telkens en telkens maar weer aan uitlekte. Het Voedsel volhardde in het losbreken, alsof het een levend iets was. Als het met bloem van meel vermengd geraakte, werd het Voedsel, bij droog weder, als bij opzet tot fijn poeder en stoof voor het lichtste briesje uit. Nu eens was het een of ander insect dat tot tijdelijke noodlottige ontwikkeling kwam, dan weder een nieuw uitbreken der rattenplaag uit de riolen, en dergelijk ongedierte. Eenige dagen lang had het dorp Pangbourne in Berkshire te kampen met reuzenmieren. Drie mannen werden gebeten en stierven. Er placht een paniek te ontstaan, er werd gekampt en dan was de losgebroken plaag weder aan banden gelegd, doch liet steeds iets na in de minder op den voorgrond tredende dingen des levens--die voor altijd veranderd waren. Dan was het weder een acute en onrustbarende uitbarsting, een snel opgroeien van monsterachtig kreupelhout, een vertakking over de aarde van onredelijk-sterk groeiende distels, van torren die door de menschen bevochten werden met jachtgeweren, of een plaag van reusachtige vliegen.

Hier en daar werd op vreemde en wanhopige wijze gekampt in obscure plaatsen. Het Voedsel verwekte helden in de zaak der kleinheid...

En in de levens der menschen kwamen allerlei, tot nu toe ongekende, gebeurtenissen en zij traden ze tegen zooals zij het beste konden, en zeiden tegen elkaar, dat er eigenlijk in de orde der dingen niets veranderd was. Na de eerste groote paniek werd Caterham, niettegenstaande zijn groote welsprekendheid, een minder belangrijke figuur in de politieke wereld, en bleef slechts in de heugenis der menschen hangen als de voorstander van een zeer geavanceerde opvatting.

Slechts zeer langzaam veroverde hij zich een op den voorgrond tredende positie. "Er had geen verandering in de essentieele orde der dingen plaats gegrepen"--die eminente leider der moderne gedachte, Dokter Winkles zei hier zeer duidelijke dingen over,--en de voorstanders van wat men in die dagen Progressief Liberalisme noemde, werden werkelijk sentimenteel over de essentieele onoprechtheid hunner vooruitstrevendheid. Het blijkt dat hunne droomen uitsluitend liepen over natietjes, taaltjes, huishoudentjes, elk zichzelf bedruipend op zijn eigen kleine hoeve. Er ontstond plotseling een mode van het kleine en nette. Groot-zijn was "vulgair", en sierlijk, net, mignon, miniatuur "minitieus-volmaakt" werden de grond-woorden voor critischen bijval.