Het Vatikaan De Aarde en haar Volken, 1873

Part 7

Chapter 7 3,514 words Public domain Markdown

De volgende fresko verbeeldt de eerste zonde en hare onmiddellijke gevolgen: zij stelt den _Val en de Verdrijving uit het Paradijs_ voor. In het midden der schilderij staat de noodlottige boom der kennisse des goeds en des kwaads; aan den voet des booms zit Eva neergehurkt, en wendt het schoone gelaat om naar de slang, die haar den appel toereikt. Adam staat voor haar, en plukt met eigen hand de doodelijke vrucht. Maar deze slang--zie, de kunstenaar gaf haar eene dubbele gestalte: het hoofd en het bovenlijf eener vrouw, uitloopende in het lichaam eener slang. Begrijpt ge de diepzinnige gedachte, die deze beide vrouwengestalten--beiden, maar op verschillende wijze uitnemend schoon--dus naast elkander plaatste, en de onuitsprekelijk verheven, beteekenisvolle mythe van Genesis aldus in haar waren zin vertolkte? Waartoe deze raadselachtige gestalte? Is niet de vrouw, zelf eenmaal voor de verzoeking bezweken, zelf der zonde ten prooi geworden, eene sirene, die met onwederstaanbare macht werkzaam is tot verleiden? En heeft Michel-Angelo hier niet met onbedriegelijke waarheid voor alle tijden de dubbele type der vrouw geteekend: de reine Eva, die innig aan den man verbonden, hare ziele in aanbidding opheft tot den Schepper en in hare aanbidding den man zelf met zich opvoert; en de om den verleidelijken boom geslingerde sirene, wier vleiend, leugenachtig woord, wier vervoerende blik en verlokkende schoonheid den man in het verderf storten?--Onmiddellijk nevens de overtreding de straf: aan de andere zijde van den boom ziet ge Adam en Eva, door den engel met het wrekende zwaard uit het paradijs gedreven: de menschheid gaat haar langen, moeilijken pelgrimstocht beginnen, den bitteren tocht ter hervinding van het verloren paradijs.

De drie nu volgende tafreelen, de laatste van de reeks, verhalen van de eerste schreden op dezen weg der ballingschap; het zijn: _Noachs Offer_, de _Zondvloed_ en _Noachs Dronkenschap_, alle drie niet minder voortreffelijk van gedachte en uitvoering, al missen ze de diepzinnige verhevenheid der vorige fresko's, waarvoor ook ditmaal het onderwerp zich minder leende. Deze fresko's hebben natuurlijk eene symbolische beteekenis, evenzeer als de vier voorstellingen in de vier hoeken, de uitreddingen van het volk Gods afbeeldende. Hier ziet ge: de _Koperen slang in de Woestijn_, de _Verhooging van Esther_ (type van Maria) _en Hamans val: Judith met het af gehouwen hoofd van Holophernes_; en _David Goliath verslaande._

Ik heb gepoogd u eenigszins een denkbeeld te geven van den rijkdom en de schoonheid van dit wonderbare gewelf der Sixtijnsche kapel, maar gevoel zelf dat mijne woorden niet in staat zijn, ook maar van verre de heerlijkheid dezer kunstschepping nabij te komen. Doch welke woorden zouden dat vermogen? Het is onmogelijk, door enkele beschrijving den indruk te doen gevoelen, dien dit gewelf, een heerlijken marmeren tempel gelijk, op den aanschouwer maakt. Als langs de wanden van dien tempel geschaard, zitten daar de kolossale gestalten der zeven profeten en vijf sibyllen, de tolken en verkondigers, in de joodsche en de heidensche wereld, van het heil dat zij, in half begrepen droomen en visioenen, aanschouwden. En in den tempel zelf, tusschen zijn met de heerlijkste gestalten gesierde bogen, ontrollen zich daar, in bovenaardsche schoonheid en majesteit, de verschillende episoden van het groote werelddrama, waarin deze drie groote gedachten op den voorgrond treden: de schepping van den mensch naar gods beeld, de val, de aanstaande verlossing. Dit thema wordt dan verder opgevat en voortgezet in de fresko's langs den wand, om eindelijk zijne volkomene oplossing te vinden in het ontzaglijke wereldgericht, dat voor eeuwig scheiding maakt tusschen de kinderen des lichts en de kinderen der duisternis. En daar, beneden in de kapel, staat dat eenvoudige altaar, waarop dagelijks het groote mysterie der liefde wordt herdacht en symbolisch herhaald: God zich mededeelende aan de menschheid, zich zelf gevende om haar te behouden.... Waar elders is eene tweede plek te vinden, dus eerwaardig en gewijd? Waar elders heeft de arme, hopende, worstelende menschheid hare hoogste idealen, hare heiligste aspiratiën, haar innigst leven, in schooner vormen, in heerlijker symbolen, uitgesproken en veraanschouwelijkt? Voorwaar, ze is in dubbelen zin heilige grond, deze Sixtijnsche kapel!

Voor de majesteit van het werk, voor de diepe gedachten en aandoeningen die het opwekt, treedt de werkman terug: toch vergeten wij ook hem niet. De groote meester, de titan der Renaissance, bracht niet minder dan twaalf jaren van zijn leven in deze kapel door: vier jaren lang arbeidde de jonge man in de volle frissche kracht des levens aan het gewelf; acht jaren lang arbeidde, ruim twintig jaren later, de nog onverzwakte grijsaard aan zijn wereldgericht. En hoe hij arbeidde, hoe hij zijne gansche ziel daarin uitstortte, in welke mate zijn arbeid hem ernst, heilige ernst was: een enkele blik bijna is reeds voldoende om u daarvan te overtuigen, en dieper studie zal het u steeds meer doen gevoelen. Voorwaar, voor dezen man en voor zijne tijdgenooten en geestverwanten, was de kunst iets meer dan een spel, meer dan eene gedachtelooze streeling der zinnen!

IX.

De bovenverdieping van den zuidelijken vleugel van het vatikaan behoort aan Raphaël en zijne leerlingen. De kamers of _Stanze_ zijn de slecht ingerichte en onbewoonbare vertrekken, die Julius II, boven de appartementen Borgia, voor zich in orde liet brengen; de loges of _Loggie_, door Bramante begonnen, zijn eene lange, in dertien vakken verdeelde galerij, sedert 1515 onder toezicht van Raphaël voltooid en door hem en zijne leerlingen beschilderd. Alvorens wij de loges binnentreden, wenden wij ons echter naar eene soort van voorzaal, de _Stanza de' Chiaroscuri_ genoemd, en daar naar eene smalle deur, bijna altijd gesloten, maar die een _custode_ ontsluiten zal: zij geeft den toegang tot eene kleine kapel, die de meeste reizigers ongemerkt voorbijgaan, en die toch de oudste fresko's der florentijnsche school bevat, welke nog in het vatikaan zijn overgebleven. Aan welk gelukkig toeval heeft deze aan San-Lorenzo gewijde kapel het te danken, dat Julius II, die in de aangrenzende appartementen de schilderijen van Luca Signorelli en Perugino, op eene enkele na, liet vernietigen, haar spaarde? Waarom hebben Leo X, Clemens VII en hunne opvolgers het werk van den Beato Angelico, dat toch met den toen heerschenden smaak zoozeer streed, ontzien? Ik weet het niet, maar ben dankbaar dat het aldus geschied is.

Fra Angelico da Fiesole begon zijn arbeid in die kapel onder de regeering van Eugenius IV. Het was dus wel waarschijnlijk in deze kapel, dat de paus, die als aartsbisschop van Siëna met fra Giovanni in Toskane kennis had gemaakt en zijn vriend was, zich in de aanschouwing van den arbeid des vromen kunstenaars kwam verpoozen van de zorgen en beslommeringen zijner moeitevolle, onrustige regeering. Zoo gebeurde het ook eens op zekeren dag, nadat de aartsbisschop van Florence overleden was, dat de heilige vader den monnik-schilder kwam opzoeken, en hem persoonlijk de verrassende tijding mededeelde, dat hij hem tot aartsbisschop van Florence had benoemd. Ge ziet in uwe verbeelding den nederigen kunstenaar, zijne eigene krachten wantrouwende en aan zijne kunst gehecht, zijne penseelen van schrik uit de handen latende vallen, en haastig van zijne stellage afdalende, om zich aan de voeten van den paus te werpen, en hem met tranen in de oogen te smeeken, een zoo zwaren last niet zijn zwakken schouderen op te laden.... De heilige vader hield vol, en gaf niet toe, dan nadat de monnik hem een ander had aangewezen, zoo hooge eere beter waardig, een man, uitmuntende in vroomheid en liefde tot de armen, een ouden medebroeder uit het klooster van San-Marco te Florence, fra Antonio Perozzi, de roem van het klooster.... En Eugenius volgde dien raad op, en plaatste op den bisschoppelijken zetel van Florenze den vriend van fra Angelico, dien Adriaan VI later onder de heiligen der kerk opnam.

Nog een andere opperpriester, Nicolaas V, de ware grondlegger der heerlijkheden van het vatikaan, heeft menig uur in dit bidvertrek gesleten, mede in gezelschap van fra Angelico, zijn voormaligen medebroeder bij de dominikanen van Florence. Terwijl de monnik zijne penseelen hanteerde, werden daar de veelomvattende plannen besproken voor den herbouw van Sint-Pieter, voor de stichting der vatikaansche bibliotheek, voor de vereeniging van alle intellectueele krachten van het westen in de eeuwige stad. Daar is zeker menige zucht uit den beklemden boezem opgerezen, wellicht menige traan geschreid bij de gedachte aan de jammerlijke verdeeldheid der kerk, aan de dreigende teekenen des tijds, aan het geweldig voortdringen van den islam, door het christelijk Europa, in werkelooze en machtelooze verbazing, aangezien. Ach, de heerlijke dagen der kruistochten, de dagen van geloof en heilige geestdrift, waren voor immer voorbij! De pausen waren bijna de eenigen, die den ontzettenden ernst van het oogenblik begrepen; toen hij, in 1450, deed wat hij kon om de onderling verdeelde vorsten tot eene katholieke ligue te vereenigen, voorspelde Nikolaas aan de Grieken, dat, zoo binnen drie zomers de vijgeboom geen vruchten droeg, hij bij den wortel zou worden afgehouwen.... Drie jaren later hield Mahomed II zijn intocht in Constantinopel: de paus alleen had eene kleine vloot derwaarts gezonden, die den val der stad niet beletten kon.... Ziehier eene treffende anecdote, die dezen paus,--zoo groot een minnaar en kenner der oude letteren, dat hij nog op zijn sterfbed God dankte, die hem deze liefde in het hart had gestort--teekent in al zijne beminnelijke eenvoudigheid. Op zekeren dag verlieten de beide vrienden, de paus en de schilder, te zamen dit atelier om het middagmaal te gaan gebruiken: een geïmproviseerd feest, want er stonden vleeschspijzen op de tafel, en die mocht de dominikaner monnik niet gebruiken zonder vergunning van zijn prior. Groote verlegenheid bij de aanzittenden! Eindelijk maakte een der kamerlingen de opmerking, dat de heilige vader, uit de volheid zijner macht, deze vergunning zelf geven kon.... Het is niet kwaad zich deze verhalen en herinneringen voor den geest te roepen, als ge voor de fresko's van den voortreffelijken broeder staat: ge zult ze er te beter om begrijpen.

Zo zijn hier ten getale van elf: zes daarvan zijn gewijd aan het leven van Sint-Stephanus; de vijf anderen aan dat van Sint-Laurens. De zes eersten stellen voor; de wijding van Stephanus tot diaken, door Petrus, in tegenwoordigheid der apostelen; de uitdeeling der aalmoezen; Stephanus' prediking voor het volk; zijn verhoor voor den joodschen raad; zijn gang naar de strafplaats en de steeniging. De vijf fresko's, waarop episoden uit het leven van Sint-Laurens zijn voorgesteld, zijn de tegenhangers der vorigen. Zij stellen voor: de wijding van Laurentius tot diaken door paus Sixtus II; de overgave van den schat der kerk, door den in de gevangenis geworpen paus aan den diaken; Sint-Laurentius, dezen schat onder de armen verdeelende; het verhoor van Sint-Laurens voor keizer Decius; en zijn marteldood. Deze fresko's zijn waarschijnlijk later dan de anderen vervaardigd; de bijkans zestigjarige kunstenaar toont zich hier nog in zijne volle, onverzwakte kracht; zij zijn met vaste hand uitgevoerd; de _mise-en-scène_ is uitvoeriger en de invloed der studie van de antieken is onmiskenbaar. De meerdere zorg aan de uitvoering, aan de techniek, aan de, om het zoo eens te noemen, uitwendige zijde der kunst besteed, schaadt bij dezen meester echter niet aan de verheven, weldadige uitdrukking, aan de zachte, teedere, innig-mystieke poëzie, aan de frissche naïeveteit, die over al zijne scheppingen als een geurige morgendauw ligt verspreid. Michel-Angelo vertegenwoordigt de kracht van het genie; Raphaël de harmonie der volkomen schoone vormen; fra Angelico het godsdienstig ideaal.

Het bezoek dezer kleine, stille kapel, waar alles vrede en kalmte des gemoeds ademt, is eene voortreffelijke voorbereiding voor het bezoek in de loges en stanzen waar ge Raphaël zult zien in bijna al zijne heerlijkheid.

De _Loggia_ is, zooals de naam aanduidt, eene groote, oorspronkelijk opene galerij, die op het binnenplein van Sint-Damasus uitziet; zij is door arkaden in dertien vakken of afdeelingen verdeeld, die met even zoovele koepels zijn gedekt. Tegenwoordig zijn de vroeger open nissen tusschen de bogen van vensters voorzien, hetgeen eenigermate aan het karakter der galerij schaadt. Door deze groote vensters stroomt een zee van licht binnen, die de onbeschrijfelijke kleurenpracht der _Loggie_ in bijkans oogverblindende heerlijkheid schitteren doet. Want de gansche lange, hooge galerij is van onder tot boven bedekt met schilderwerk, ornamenten, bas-reliefs, stucco's, die eene inderdaad tooverachtige uitwerking doen. Het is een overstelpende overvloed van lijnen en kleuren, in den weelderigsten rijkdom, in de veelzijdigste verscheidenheid: medaillons, arabesken, bloemen, vruchten, vogelen, stucco's, bas-reliefs; eene bonte mengeling, en toch te zamen eene harmonische eenheid vormende.

De wonderschoone decoratie dezer _Loggie_ is het werk, deels van Raphaël zelf, maar voor verreweg het grootste gedeelte van zijne leerlingen, die evenwel onder zijne onmiddelijke leiding werkten. Deze leerlingen, waaronder kunstenaars als Giulio Romano, Giovanni da Udine, Pierino del Vaga, Francesco Penni, die zelf uitnemende meesters en hoofden van scholen zijn geworden, waren zeer talrijk: Vasari verzekert ons, dat Raphaël door een stoet van vijftig leerlingen omringd was. Het is dus niet te verwonderen, dat de uitvoering der rijke kunstwerken in deze _Loggie_ niet altijd even voortreffelijk is: maar voorzeker pleit het voor de macht van Raphaëls genie en de bezieling, die hij op zijne leerlingen wist uit te oefenen, dat de gansche prachtige decoratie zoo in éénen geest is opgevat, van ééne gedachte doordrongen. Men had niet lang te voren de baden van Titus opgegraven, en daar tot dusver onbekende proeven gevonden van de decoratieve kunst der ouden; de motieven, hem hier aan de hand gedaan, heeft Raphaël met het grootste geluk en met fijnen takt weten te gebruiken, en daarbij eene geestvolle oorspronkelijkheid, eene uitdrukking en teederheid des gevoels aan den dag gelegd, waarvan men in de oudheid misschien vergeefs het voorbeeld zou zoeken.

In elk der dertien koepels zijn vier fresko's aangebracht, die allen aan de bijbelsche geschiedenis zijn ontleend; van deze twee-en-vijftig fresko-schilderijen bevatten acht-en-veertig voorstellingen uit het Oude Testament; alleen voor de vier laatsten is het onderwerp aan de Evangeliën ontleend. De plaatsing dezer fresko's tegenover elkander, aan de vier zijden des koepels, waarvan het middelste ledig blijft, is zeer ondoelmatig en maakt de bezichtiging uiterst moeilijk. Wilt ge iets zien, dan zijt ge verplicht, met het hoofd zoover mogelijk in den nek, u twee-en-vijftig maal om te draaien! Daar komt bij dat de schilderijen in de loges, evenals die in de kamers, veel geleden hebben, toen, zeven jaren na Raphaëls dood, Rome door den Connétable de Bourbon werd bestormd en ingenomen. De soldaten van Bourbon, voor het grootste deel Duitschers en Lutherschen, gedroegen zich als echte barbaren; zonder eenigen eerbied voor de heerlijke kunstwerken, beschadigden zij de prachtige galerij met hunne pieken en hellebaarden, en legden vuur aan in de loges, in de _Stanze_! De restauratie der schilderijen in de loges werd aan Sebastiaan del Piombo toevertrouwd, en viel zoo slecht uit, dat Titiaan, toen hij in 1545 de _Loggie_ bezocht, onder geleide van zijn landgenoot Sebastiaan del Piombo, verontwaardigd vroeg, welke barbaar zoo heerlijke werken had onteerd? Sebastiaan bleef het antwoord schuldig, en, zegt Benvenuto Cellini in zijne gedenkschriften: "_rimase veramente_ DEL PIOMBO."

Het was eene gevaarlijke taak om, na Michel-Angelo, den Bijbel te willen illustreeren, en met name de scheppingsgeschiedenis: toch heeft Raphaël die taak ondernomen, en mag zijn werk naast dat van den grooten meester worden genoemd. Hij had daarbij te worstelen met de kleine afmetingen zijner schilderijen, maar vermocht nogthans inderdaad groot te zijn en verheven composities te scheppen. De twee-en-vijftig fresko's zijn evenwel maar voor een gering deel van zijne hand, al mogen wij aannemen dat hij voor bijkans allen de oorspronkelijke schetsen ontwierp, die dan verder door zijne leerlingen werden uitgewerkt. Het is hoogst moeilijk met juistheid te bepalen, wie de vervaardigers der verschillende fresko's zijn: Giulio Romano, Penni, Pellegrino da Modena en Pierino del Vaga zijn wel de voornaamste medearbeiders van den meester geweest; vooral de eerste, van wien eenige der beste stukken afkomstig zijn.

Er kan natuurlijk geene sprake van zijn, deze twee-en-vijftig schilderijen, de zoogenaamde Bijbel van Raphaël, stuk voor stuk, te gaan beschrijven; ook eene beschrijving van sommigen zou, zonder afbeelding, niet veel baten. De onderwerpen zijn toch meest allen algemeen bekend; de voortreffelijkheid ligt in de wijze van uitvoering, meer nog dan in de diepe gedachte; en om aan deze recht te laten wedervaren is aanschouwing, zoo niet van het origineel, dan toch van eene goede kopie, noodig. Bovendien mogen wij ons te eer ontslagen rekenen van de uitvoerige beschrijving dezer loges, daar wij langer denken te vertoeven in de _Stanze_ of kamers, het eigenlijke heiligdom van Raphaëls kunst, voor hem, wat de Sixtijnsche kapel voor Michel-Angelo is. Laat ons derwaarts gaan.

Beginnen wij met de zaal, aan welke, zoowel uit een chronologisch als uit een artistiek oogpunt, de eerste plaats toekomt: de dusgenaamde _Stanza della Segnatura_. Toen Raphaël in 1508 te Rome kwam, droeg paus Julius II den toenmaals vijf-en-twintigjarigen kunstenaar in de eerste plaats de versiering dezer zaal op, aldus geheeten omdat een der hoogere geestelijke gerechtshoven daar zijne zittingen hield, en de paus daar de stukken, die hem werden voorgelegd, door zijne onderteekening bekrachtigde. Het was om niets minder te doen dan om eene symbolische voorstelling van geheel het geestelijk leven der menschheid, zich ontwikkelende onder de hoede en leiding der moederkerk en medewerkende tot hare heerlijkheid: eene taak, waarbij de jeugdige meester zijn eigen weg moest gaan en geen voorbeelden had, die hij volgen kon. Zien wij, hoe hij zich van die taak gekweten heeft.

Vier groote tafereelen bedekken de vier wanden. Het eerste en voornaamste, het hart en het bezielend middelpunt van al de anderen, van geheel de heerlijke decoratie, is de verkeerdelijk dusgenaamde _Disputa del Sacramento_: het geldt hier immers geen twist, maar veelmeer eene volkomene harmonie. Hoe zal ik u een getrouw denkbeeld van deze wonderschoone conceptie geven? De grondgedachte der schilderij is de op verschillende wijze zich openbarende geloovige gemeenschap met het heilig sacrament, als de geestelijke vereeniging van het goddelijk Wezen met de gemeente: het beeld van de levende tegenwoordigheid Gods in de strijdende en de triomfeerende kerk. Dunkt u deze gedachte te abstract, te metaphysisch, ongeschikt voor de plastische kunst? Het ware niet te verwonderen, gewoon als wij zijn dat de kunst, in onze dagen en vooral in ons land, zich maar weinig verheft boven de meest gewone sfeer des alledaagschen levens en zich vooral zorgvuldig verre houdt van hetgeen, hetzij van den kunstenaar, hetzij van den aanschouwer, eenige inspanning der gedachte vorderen zou. Maar in de zestiende eeuw, toen de dingen der geestelijke wereld nog niet door de zoogenaamde werkelijkheden des praktischen levens waren verdrongen en naar het schemerend gebied der mogelijkheden en hypothesen verwezen; toen de menschen nog voor dusgenaamd metaphysische vragen zin en hart hadden, die verstonden en ze gewichtig genoeg achtten om daaraan een voornaam deel hunner belangstelling te schenken;--in de zestiende eeuw bestond noch deze schroom, noch deze onvatbaarheid. De tijdgenooten van Michel-Angelo en Raphaël, al mocht hun ook de beteekenis van enkele bijzonderheden, de symboliek van sommige details ontsnappen, begrepen zeer goed de hoofdgedachte, die in de diepzinnige scheppingen dezer groote meesters was nedergelegd. En zoo voor ons deze taal veel van hare duidelijkheid verloren heeft,--welnu, laten wij ons voor een enkele maal losmaken van de beschouwing van rookende boeren en visschers, van keukenmeiden en kameniers, van hofjesjuffrouwen en aangekleede poppen, van koeien en katten en kippen; en trachten wij eens te begrijpen, wat een genie als Raphaël ons ten aanzien van de hoogste levensvragen te zeggen heeft.

In het midden, boven aan den rand der schilderij, ziet ge God den Vader, wiens woord scheppend en herscheppend de gansche stoffelijke en geestelijke wereld draagt, vervult, bezielt; engelen omzweven hem. Iets lager, Christus, God de Zoon, met de teekenen van zijn verzoenend lijden en sterven, ter wederzijde, in aanbiddende houding, omgeven door de twee eerste getuigen van zijn leven op aarde: de heilige-maagd en Johannes de Dooper. Wederom iets lager, God de Heilige Geest, in de gedaante eener Duive, nederzwevende naar de aarde, en omgeven door vier bevallige engelenfiguren, die de vier geopende Evangeliën dragen. Deze goddelijke groep in de wolken blijft daar niet afgezonderd: een straal van het licht des Heiligen Geestes daalt neder op het sacrament, op het altaar geplaatst, dat van onderen het midden der schilderij inneemt. Het is onmogelijk het schijnbaar zoo abstracte en--ook voor wien er niet aan gelooft--zoo verheven diepzinnige leerstuk der Eucharistie, op eenvoudiger en aangrijpender wijze voor te stellen. De Jacobsladder, die den hemel met de aarde verbindt, staat opgericht: God woont onder de menschen. En zie, velen reeds zijn langs dien ladder opgestegen; velen hebben reeds in die gemeenschap met God de kiem des nieuwen levens ontvangen, die zich eerst daarboven, in de hoogere wereld, ten volle ontplooit. Nevens de heerlijke groep der goddelijke Drieëenheid, scharen zich, door lichtende wolken gedragen, de patriarchen en profeten, de apostelen en martelaars des ouden en nieuwen verbonds. Ter linkerzijde: Petrus met de sleutelen des Hemelrijks; nevens hem Adam, de eerste zondaar; dan Johannes, de Apostel der liefde, de blijde boodschap opteekenend: dan David, de stamvader van Christus; dan Stephanus, de eerste bloedgetuige; en eindelijk nog een heilige, half door de wolk omhuld. Ter rechterzijde: Paulus met het zwaard; nevens hem Abraham, de vader der geloovigen; Jacobus, de Apostel der hoop; Mozes met de tafelen der wet; Sint-Laurens, de diaken; en eindelijk Sint-George, de schutspatroon der ridderschap, wier eerste plicht de verdediging der kerk was. Zij allen, reeds der hemelsche heerlijkheid deelachtig, vertegenwoordigen de zegepralende kerk:--dit gansche indrukwekkende gedeelte der schilderij is als het ware eene vertolking van de eerste strofen van dien prachtigen alouden hymnus _Te Deum laudamus_....