Het Vatikaan De Aarde en haar Volken, 1873
Part 6
De geheele achtergrond der kapel wordt ingenomen door de groote schilderij van Michel-Angelo, het _Laatste Oordeel_. De kunstenaar begon dien arbeid in 1533 en was daarmede acht jaren bezig: op Kerstdag 1541 werd de schilderij voor het publiek tentoongesteld. Paus Clemens VII wilde aanvankelijk de versiering der Sixtijnsche kapel voltooien door twee groote tafereelen, die als het ware de inleiding en de eindelijke ontknooping zouden voorstellen van het groote drama der menschelijke geschiedenis, reeds aan het gewelf afgebeeld: de Val der Engelen en het Jongste Gericht. Na den dood des pausen, in 1534, werd echter van de volvoering van dat groote plan afgezien, en werd alleen het laatste gedeelte van het programma uitgevoerd.
In de _Ecole des Beaux-Arts_ te Parijs bevindt zich eene kopie van deze reusachtige schilderij, door Sigalon vervaardigd, eene kopie, die tamelijk getrouw den toon van het origineel weergeeft. Zoo ge noch het oorspronkelijke stuk, noch de kopie mocht kennen, is het mij niet wel mogelijk u eene voldoende beschrijving van deze aangrijpende schepping des grooten meesters te geven, althans zulk eene beschrijving, die u eene eenigszins heldere voorstelling kan geven van den indruk, dien deze compositie maakt. Als ge haar aanziet, behoeft ge niet te vragen, of deze schilder Dante heeft bestudeerd: de _Inferno_ en de Apocalypsis van Johannes hebben hem de stoffe geleverd voor zijne voorstelling van het laatste oordeel.--In de benedenste helft der schilderij ziet ge dooden uit hunne graven opstaan, en de zielen der verdoemden, door de duivelen medegevoerd naar de hel, die het onderste gedeelte inneemt, en waar de smarten en folteringen der rampzaligen zijn afgebeeld met trekken, die u dadelijk aan den _Inferno_ van Dante herinneren; ook Charon met zijn boot ontbreekt niet. Hier is alles vol leven en dramatische beweging. De bovenste helft maakt een minder gelukkig effect. Vooreerst is de overgang tusschen de beide deelen van het stuk niet geleidelijk; maar bovendien maakt het opzettelijk gemis van alle perspectief een zonderlingen indruk. Deze in de lucht zwevende figuren verschijnen allen op den voorgrond, hetgeen, gevoegd bij de kolossale afmetingen, haar iets fantastisch, bijna iets verschrikkelijks geeft.
Het _Laatste Oordeel_ wordt doorgaans als het meesterstuk van Michel-Angelo geroemd, en kan toch volstrekt niet op gelijke lijn worden gesteld met zijne fresko's aan het gewelf dezer zelfde Sixtijnsche kapel. In deze laatste werken toont de betrekkelijk nog jeugdige kunstenaar zich nog in al zijne liefelijkheid, in al de reine, frissche, heilige poëzie van zijn verheven geest: hier ziet ge nog den leerling van Ghirlandajo, den kweekeling der innig-religieuse ombrische school met hare hemelsche visioenen, den hoog begaafden kunstenaar, die de heilige traditiën en diepzinnige legenden van Genesis vertolkt in vormen, wier schoonheid aan de antieke herinnert. In het _Laatste Oordeel_ echter ziet ge bovenal den onovertroffen meester in de lijnen en proportiën, den teekenaar, die het in de wetenschap der anatomie, in de techniek, in de juiste kennis der standen van het menschelijk lichaam, tot eene hoogte gebracht heeft als wellicht geen ander, die de zwaarste moeielijkheden zegevierend, als spelend, overwint; maar die nu ook juist daardoor, zich ten volle zijner titanische kracht bewust, in het scheppen en overwinnen van die moeielijkden, in het tentoonspreiden zijner doorwrochte wetenschap en zijner bewonderenswaardige bekwaamheid, het hoofddoel zijner kunst zoekt. Nergens wellicht komen de fouten en gebreken van Michel-Angelo's manier sterker uit, dan juist in deze schilderij, die men, niet zonder recht, eene synoptische voorstelling van alle denkbare _tours de force_ heeft genoemd. Wat bijkans onmogelijke standen, wat gewaagde houdingen, wat verwringingen en buigingen van het lichaam, wat geweldige werking van zenuwen en spieren, onverholen in het oog vallend, daar bijna al deze kolossale figuren geheel of zoogoed als geheel naakt zijn. Het is welhaast een anatomisch museum. Voorzeker is dat alles met de grootste kennis en met onvergelijkelijke meesterschap geteekend, en laat de schilderij, uit dit oogpunt, niets te wenschen over: maar wat slechts middel behoorde te zijn, is hier doel geworden. Michel-Angelo heeft zich zelf voorbijgeloopen; en het door hem gegeven voorbeeld heeft allernoodlottigst gewerkt, niet alleen op zijne leerlingen, maar ook op de geheele ontwikkeling der kunst, die, door het misbruik van 's meesters leeringen, een weg is opgegaan, welke haar ten verderve voeren moet.
Doch er is nog eene andere grieve tegen dit stuk: dit is niet het wereldgericht, zooals de christelijke kerk zich dat denkt: dit is eene schrikkelijke wraakoefening; van genade en vergeving, ja zelfs van gerechtigheid is hier geen spraak: alleen van hartstocht en geweld. Dit is, in waarheid, een dag des toorns en der wrake: het _Dies irae, dies illa!_ dreunt u in de ooren. Deze Christus, met opgeheven hand, dreigend, ontzaglijk, daar op de wolken, onbewogen door de jammerkreten der verdoemden, onbewogen ook door de smeekbeden zijner nevens hem staande moeder:--dat is niet de barmhartige Menschenzoon, maar een wrekende god, die bliksems slingert; dat is niet de Christus des Evangelies, maar een toornende Zeus, die de titanen in den afgrond nederwerpt.--Wat mag er wel zijn omgegaan in dien machtigen, hoogbegaafden, strengen, ascetischen geest, gedurende de acht jaren dat de sombere kunstenaar, in bijna volslagen afzondering, met dezen arbeid, waarin hij zijne gansche ziel heeft gelegd, bezig was? Waarom heeft deze eindelijke ontknooping van het werelddrama hem bij voorkeur, bij uitsluiting bijna, aangetrokken door hetgeen zij vreeselijks en ontzettends heeft, en hem bewogen juist die zijde met alle kracht in het volle licht te stellen? Wie zal daarop antwoorden! Dit eigenaardig, onkerkelijk en onevangelisch karakter der compositie trof sommigen zijner tijdgenooten zoodanig, dat zelfs zijn vriend Aretino aan Enea Vico schreef, dat deze schilderij haar vervaardiger wel tot de Lutheranen kon doen rekenen; wat in den mond van Aretino natuurlijk beteekende dat het kunstwerk niet de hand van een geloovigen zoon der kerk, maar veelmeer die van een ketter verried. Dit oordeel moge nu, wat Michel-Angelo persoonlijk aangaat, onjuist zijn: de grondgedachte, die aan deze kenschetsing der schilderij ten grondslag ligt, is dit zeker niet.
Mocht nu iemand, na al het gezegde, meenen dat dit _Laatste Oordeel_ als kunstwerk mislukt is, dan zou hij zich toch ten eenenmale vergissen. Michel-Angelo is zoo ontzaglijk groot, dat ook zijne gebreken en dwalingen die van een zeldzaam genie zijn, en dat iedere schepping, waarop hij het merk van zijn machtigen geest heeft gedrukt, daardoor alleen reeds tot iets buitengewoons, iets geheel en al _hors ligne_, wordt gestempeld. Ook hier gaat zoowel de conceptie als de uitvoering zoozeer de gewone perken van menschelijke kunstvaardigheid te boven, getuigt alles van zoo gansch en al buitengewone kracht en oorspronkelijkheid, dat ook deze schilderij, ondanks al hare zeer ernstige gebreken, buiten eenigen twijfel tot de verhevenste scheppingen der kunst behoort, en op iederen aanschouwer een indruk maakt, dien hij zijn gansche leven niet weder vergeten zal.
Wanneer er in de kapel geen dienst is, verhindert u niets in de beschouwing der kunstwerken; de ruime, langwerpige zaal, waar doorgaans eenige schilders aan den arbeid zijn, heeft dan veeleer het voorkomen van een atelier. De trappen voor het altaar, en die welke naar de _stalles_ van het _presbyterium_ voeren, zijn met een groen tapijt bedekt, waartegen des zondags de lange sleepen der purperen mantels zoo goed uitkomen, en dat op de andere dagen uw oogen een zoo welkom rustpunt biedt, waaraan zij wel behoefte hebben te midden van deze opeenstapeling van schilderijen. Want vergeet dit niet: behalve het schilderwerk aan de zoldering, de friesen en tegen den achterwand, zijn de zijwanden geheel ingenomen door twaalf groote fresko's, door geschilderde pilasters en arabesken van elkander gescheiden. De nabuurschap van Michel-Angelo is niet gunstig voor deze werken, die toch ten volle de aandacht verdienen: want zij zijn van de hand der uitnemendste meesters uit het tijdvak, onmiddellijk aan den bloeitijd der renaissance voorafgaande, en tusschen 1475 en 1500, onder de regeering van de pausen Sixtus IV, Innocentius VIII en Alexander VI vervaardigd.
Het is niet meer dan billijk dat wij met deze kunstwerken beginnen. De beide reeksen van zes fresko's aan iedere zijde, staan met elkander in nauw verband; er is tusschen hen een zeker parallellisme: zij dienen om elkander aan te vullen en te verklaren. De zes voorstellingen, aan uwe linkerhand, aan de boeken van Mozes ontleend, vinden hare toelichting en hoogere duiding in de schilderijen daar tegenover, waarvoor het Evangelie de stof leverde: het is de profetie en de vervulling.
Ziehier, nabij het altaar, een stuk van Perugino, de _Doop van Christus_, en daartegenover _Mozes en zijne vrouw Sippora_, op weg naar Egypte. De schilder, Luca Signorelli, heeft het oogenblik gekozen, waarop de engel verschijnt, die Mozes dooden wil, maar wiens toorn door Zippora wordt afgewend. Zippora is hier de type der madonna. De uitnemendste onder de leerlingen van Filippo Lippi, Sandro Botticelli, heeft in een zelfde kader vier episoden uit Mozes leven saamgevat: gij ziet hem, _een Egyptenaar doodende:--de schapen van Jelhro hoedende;--de midianitische herders verjagende;--en voor het brandende braambosch staande._ Als tegenhanger heeft dezelfde schilder de _Verzoeking van Jezus_ afgebeeld.--Verderop ziet ge de _Roeping der apostelen Petrus en Andreas_, een prachtig stuk van Cosimo Rosselli; en daartegenover _Mozes, zijn broeder Aäron en de hoofden der stammen om zich vereenigende:_ een niet minder voortreffelijk werk van Domenico Ghirlandajo, den eersten leermeester van Michel-Angelo. Aan de _Aanbidding van het gouden kalf_ van Rosselli, beantwoordt de _Bergrede_ van denzelfden meester, met dat heerlijk schoone landschap, naar men zegt van de hand van Piero die Cosimo. Hier bewondert ge de stoute schilderij van Botticelli: de _Ondergang van Korach, Dathan, en Abiram_, om dan in heiligen eerbied te staren op dat edele meesterstuk van den laatsten vertegenwoordiger der mystieke ombrische school Perugino, _Christus de sleutels aan Petrus overreikende._--De indrukwekkende reeks wordt gesloten, aan de eene zijde door de _Afkondiging der wet_ en de _Dood van Mozes_, van de hand van Signorelli; aan de andere zijde door de _Instelling van het Avondmaal_ en de _Kruisiging_, door Cosimo Rosselli.
Deze fresko's worden doorgaans weinig opgemerkt, en zijn toch zoo merkwaardig: niet alleen om de uitvoering en wijze van behandeling, hoe voortreffelijk die ook veelszins mogen zijn, maar vooral omdat ge hier als de laatste scheppingen voor u ziet eener school, nog geheel doordrongen van de mystiek-poëtische inspiratie der middeleeuwen, doch die straks zal worden overvleugeld en in de schaduw gesteld door de Heroën der renaissance, wier leerlingen zoo spoedig zullen afdwalen op noodlottige wegen. Dat zulke uitnemende kunstwerken hier geen andere bestemming schijnen te hebben dan om als omlijsting, bijna had ik gezegd als _repoussoir_, te dienen voor de scheppingen van dien titan Michel-Angelo: ziedaar eene inderdaad weemoedige gedachte.
En nu--strekken wij ons uit op het groene tapijt der kardinalen, maken wij ons een hoofdkussen van hunne voetbank, en laat ons, als Jacob, in den geopenden hemel staren.
Om orde en regelmaat te brengen in de verschillende tafereelen en figuren die hij ontworpen had, om ruimte en perspectief te verkrijgen, heeft Michel-Angelo zijn toevlucht genomen tot een kunstgreep, dien ik met geen anderen naam dan van bouwkundig _trompe-l'oeil_ kan noemen. Hij heeft namelijk het plafond der kapel beschilderd met pilasters, kroonlijsten, bogen en andere architectonische ornamenten, die zoo uitnemend zijn uitgevoerd, en met zoo treffende waarheid, met zoo kunstige verdeeling van licht en schaduw, dat de platte zoldering op den aanschouwer den indruk maakt van een rijk gewelf, of liever van een tempel. Geheel in overeenstemming daarmede, is, met niet minder meesterschap over den vorm, de grootte der verschillende figuren berekend, waarvan sommigen, die als op den achtergrond verschijnen, niet minder dan zeven tot acht voeten hoog zijn; door deze kolossale afmetingen en de uitnemende schikking van beelden en groepen ontsnapt u geen enkel detail van deze wonderschoone beeldengalerij, aan Genesis ontleend.
Langs den wand, boven en tusschen de vensterbogen, zijn de _Profeten_ en de _Sibyllen_ afgebeeld: zonderlinge, machtige figuren, in welke antieke vormenschoonheid en kracht zich paart aan de uitdrukking van een nieuwen geest, van dieper gedachten, dan de oudheid kende. Zie hen aan, in hunne majesteit, in hun eenvoud, in hunne schier bovenmenschelijke schoonheid,--want hier is Michel-Angelo nog getrouw aan de traditie der schoonheid in den meer gewonen zin des woords;--bovenal merk op de uitdrukking van hun gelaat. Is het niet of de geest Gods over al deze zieners vaardig is geworden, of eene innerlijke kracht hen verteert en drijft, en hun woorden op de lippen legt, waarvan zij zelven de beteekenis nauwelijks ten halve begrijpen? Aanschouw deze heerlijk schoone Sibylle van Erythrea; bovenal de Sibylle van Delphi, over wier aanvallig gelaat eene onbestemde half droomende uitdrukking zweeft, wier starende blik zich als in de oneindige ruimte verliest, om de verklaring te vinden van het groote raadsel, dat haar geest vervult.
Nog aangrijpender zijn de figuren der _Profeten_, wien ge het aan kunt zien dat het goddelijk mysterie voor hen wel niet geheel onthult, maar toch ook niet in zulke ondoorzichtbre nevelen is gehuld als voor de Sibyllen. Wat krachtige, schier bovenaardsche gestalten; wat verhevene majesteit spreekt uit die trekken, die zoo onmiskenbaar den stempel dragen van peinzend worstelen met de gedachte, van indringend vorschen der geheimenissen des levens en der wereld, den onuitwischbaren stempel des geestes. Hier ziet ge mannen voor u van een ander geloof, van een anderen stam dan die van Griekenland; even krachtig, maar doorademd en doordrongen van een hoogeren geest; schoon, maar met eene geheel bijzondere, intellectueele schoonheid, die nog meer in de afwisselende sprekende uitdrukking dan in de onberispelijke zuiverheid der trekken ligt. Wel herkent ge in dezen arbeid den geloovigen kunstenaar, die in zijne jeugd aan de voeten van Savonarola gezeten had, den vurigen bewonderaar en vereerder van Dante, wiens waardige mededinger hij zich hier toont. De alleszins bevoegde schrijver van _L'Art Chrétien,_ de heer Rio, zegt van de _Profeten:_ "Van alle bijbelsche personen waren zij het meest verwant aan het eigenaardig genie van Michel-Angelo, stond hunne gemoedsstemming hem het naast. Zijne ziel begreep de hunne. Daarom teekende zijne machtige hand geene stoute en ongevoelige tolken van de goddelijke raadsbesluiten, maar herauten, wier hart bezwijkt onder het gewicht hunner zending, die spreken omdat de nood hun is opgelegd en met verscheurde ziel de naderende gerichten verkondigen. Jezaia, wiens gebogen gelaat de uitdrukking draagt van moedelooze berusting, schijnt aan den engel, die hem het gericht verkondigt, weemoedig te vragen, of zijn last nog verder reikt.... Jeremia, die met zoo heete tranen de rampen beschreide welke hij voorzegde, is geheel door zijne droefheid overweldigd, en schijnt al zijn moed, al zijne zelfverloochening op te roepen om zonder duizelen in den duisteren afgrond der toekomst neder te zien.--Daniël daarentegen toont, in zijn stand, in de krachtvolle uitdrukking van zijn blik en zijn gebaar, het dubbele karakter, dat hem onderscheidt: hij is de onverschrokken belijder van het geloof zijner vaderen, on de begunstigde profeet, die verwaardigd werd met eene duidelijken aanschouwing der aanstaande verlossing. Er is in deze figuur eene jeugdige kracht, eene _verve,_ een fierheid en zelfbewustzijn, die wel schijnen aan te duiden dat de kunstenaar zelf zich om persoonlijke redenen meer bijzonder tot dezen profeet getrokken gevoelde."
Geniën, zinnebeeldige figuren, vol bevalligheid omlijsten en vergezellen deze kolossale figuren; terwijl tusschen de reeks der Profeten en Sibyllen, die u als in een hoogere wereld verplaatsen, een andere reeks is ingevlochten van huiselijke idyllische tooneelen, aan het familieleven ontleend, waar ge altijd een man, eene vrouw en een kind, in verschillende standen, groepeering en bedrijf aanschouwt: volgens sommigen, zouden deze tafreelen de _Voorouders van Christus_ voorstellen. Op de geschilderde kroonlijsten zijner nagebootste pilasters en in de vakken zijner bogen heeft Michel-Angelo, in de meest verschillend houdingen en standen, zittende, gebogen, half-liggende, die modellen--ik weet ze niet beter te noemen--geschilderd, die onder den naam van de _Ignudi_ (Naakten) bekend zijn, en vooral door Vasari zoo buitensporig geprezen worden. Onder de grootsten telt men er negentien, die wat uitvoering aangaat, als studiën, meesterstukken zijn: maar toch lag daar de klip, die zelfs de groote kunstenaar niet altijd wist te ontwijken en waarop zijne navolgers reddeloos zijn gestrand. Tot dusverre had de schilderkunst niets opgeleverd, dat met de beeldhouwkunst der antieken wedijveren kon. Michel-Angelo was de eerste, die het menschelijk lichaam in al zijne schoonheid, in al de verscheidenheid en volle ontplooiing zijner rijke vormen, tot voorwerp zijner studie maakte, althans die het aldus wist weder te geven: hem was de eigen zin voor, het welgevallen aan den plastischen vorm, aan de zinnelijke verschijning ingeboren, die den griekschen kunstenaar eigen was; en in zijne latere periode moest maar al te dikwijls de hoogere geestelijke opvatting, de ideale mystieke zijde der kunst voor dezen plastischen zin op den achtergrond treden. In zijn _Laatste Oordeel_ is dit in sterke mate het geval: hier bespeurt ge nog slechts de kiemen, de eerste aanvangen dezer richting, die in hare verdere ontwikkeling, de groote monumentale kunst ten verderve heeft gevoerd. Uit dit oogpunt beschouwd, maakt deze grootsche schepping van Michel-Angelo, schier het verhevenste kunstwerk, ooit door menschenhanden vervaardigd, een bijna tragischen indruk.
De ruimte van het eigenlijke plafond heeft de kunstenaar verdeeld in negen vakken, ongelijk in grootte--groote en vijf kleinere--die even zoovele voorstellingen bevatten, aan de eerste hoofdstukken van het boek Genesis ontleend. Deze compositiën zijn bijna met niets te vergelijken; door hare wondervolle grootheid hebben zij inderdaad iets bovenmenschelijks: de volle wetenschap en kunstvaardigheid van een Phidias, gepaard aan de hooge bijbelsche inspiratie en den onnavolgbaren eenvoud der oorspronkelijke conceptiën. Al had de gewijde schrijver van deze weergalooze eerste hoofdstukken van Genesis zelf zijn scheppingsverhaal geïllustreerd, hij zou het niet anders hebben kunnen doen; ja, bij het aanschouwen dezer werken gevoelt ge, meer dan ooit, dat de waarachtige kunstenaar een schepper is onder God, de vertolker der verborgen Godsgedachte in aanschouwelijken vorm. De moderne kunst heeft misschien niets opgeleverd, wat met deze fresko's op eene lijn kan worden gesteld, zeker niets wat daarboven staat.--Dit heldendicht in negen zangen begint aan het einde der kapel, boven het _Laatste Oordeel,_ met de _Schepping van het licht_, gevolgd door de _Schepping van zon en maan en van het veldgewas en het geboomte,_ en door eene voorstelling van den _Geest Gods zwevende over de wateren._ Eene eigenlijke beschrijving van deze wonderbare compositiën is onmogelijk: Michel-Angelo heeft zich hier gewaagd aan hetgeen, naar alle berekening, boven het bereik der menschelijke kracht scheen te liggen en wat dan inderdaad ook alleen door een genie van zijne gehalte kon worden beproefd. Laat de overweldigende indruk dezer stoute scheppingen getuigen hoe hij slaagde. Voor zoover het mogelijk is, de eeuwige Godheid in menschelijke gedaante af te beelden, menschelijk voor te stellen, heeft Michel-Angelo dit gedaan: hij heeft een beeld geschapen, dat althans door zijne onuitsprekelijke verhevenheid en majesteit, toch zoo ver verwijderd van olympische onverschilligheid en zelfgenoegzaamheid, niet al te zeer beneden de voorstelling blijft, die de geest zich van den Vader in de hemelen vormt.--Dan volgt, als vierde zang van dezen hemelschen epos, de _Schepping van Adam_, den eersten mensch. Daar ligt hij, uitgestrekt tegen de helling eens heuvels, als aan den zoom der jonge planeet, naakt op den naakten bodem, waaruit hij zooeven geboetseerd werd; daar ligt hij, in zijne onvergelijkelijke, onvergankelijke schoonheid de type der hoogste menschelijke volkomenheid: een beeld, zoo heerlijk dat, volgens de uitspraak van Cornelius, na Phidias geen tweede daaraan gelijk is vervaardigd geworden. Wat treffende uitdrukking op dat gelaat, waarop ge de kiemende gedachte leest, waar de dankbare bewondering zich aanvankelijk oplost in een gebed; dat gelaat, met zoo kinderlijken eenvoud, zoo roerend naïeve teederheid gekeerd naar den God, die den geest des levens in dezen volheerlijken vorm uitstortte. Door eene donkere, wuivende draperie omgeven, gedragen door een groep engelen, zweeft God de Vader door de oneindige ruimte; de aarde naderende zonder haar aan te raken, strekt Hij zijne hand uit naar den mensch, die van zijne zijde evenzeer de hand naar zijn Schepper uitstrekt, zoodat de beide vingers elkander genoegzaam raken: symbool van de mededeeling des geestelijken levens. De liefelijke, beminnelijke figuren der engelen, heerlijke, lachende, naïeve kinderkopjes, met roerende teederheid rondom den Almachtige gegroept en door dezelfde draperie omgeven--het is als scholen zij vertrouwelijk in een nest--verhoogen niet alleen de heerlijke majesteit van den Schepper, maar melden tevens en op de roerendste wijze de groote liefde des Vaders. Deze levensvolle, dramatische groep in de lucht doet nog te treffender de volstrekte eenzaamheid uitkomen van Adam, den eersten bewoner der aarde, daar nederliggende op die kale naakte helling, die door niets de aandacht afleidt van de eerste harmonische beweging, den eersten zielvollen blik, de eerste kiemende gedachte van den eersten mensch, alleen tegenover zijn God.... De oude schilders en de meesters onzer hollandsche school zouden hier ongetwijfeld eene gansche menagerie en een volledigen plantentuin hebben aangebracht: Michel-Angelo, niets dan den Schepper en zijn beelddrager.... Niet zonder grond hebben de meest bevoegde kunstrechters deze fresko als het uitnemendste gewrocht der schilderkunst geroemd, onvergelijkelijk door den adel der gedachte, den verheven stijl, de machtige, aangrijpende poëzie der voorstelling.--Maar niet minder schoon, niet minder diepzinnig is de volgende zang: de _Schepping der vrouw_, die, uit den slapenden Adam genomen, zich met eene onbeschrijfelijke bevallige beweging, tot den Schepper neigt en haar saamgevouwen handen biddend tot Hem opheft. God de Vader, in een wijden mantel gedrapeerd, staat voor haar, ernstig, peinzend: op dat verheven gelaat zweeft eene uitdrukking van weemoed, van smart bijna: de gansche toekomst, aan de daad dier vrouw vastgeknoopt, ontrolt zich voor den goddelijken blik, de gansche lange reeks der eeuwen met al haar jammeren en ellenden, die vast naderen, terwijl de eerste mensch in argeloozen slaap verzonken ligt.