Het Vatikaan De Aarde en haar Volken, 1873

Part 5

Chapter 5 3,625 words Public domain Markdown

Schenk eenige oogenblikken uwe aandacht aan deze groep: de wegvoering van Europa, en bewonder de kunst, waarmede de beeldhouwer aan dien stier als het ware het merk van zijn goddelijke natuur heeft weten in te drukken. Zie dat prachtige, levensgroote, loopende hert, van half doorschijnend, gestreept en gevlakt albast, met sneeuwwitte hoornen: een meesterstuk, aangrijpend van leven en waarheid. Ziehier Herkules, den gedooden leeuw van Nemea achter zich voortsleepende; met hoe voortreffelijke kunst is de slappe inertie en machteloosheid dier van leven beroofde ledematen weergegeven.... Eigenlijk zou ik alles moeten noemen, want deze galerij is zoo belangrijk en heeft eene zoo bijzondere aantrekkelijkheid. In den regel verplaatsen de antieke beelden en groepen ons in eene ideale wereld, welke, hoezeer zij door hare uitnemende schoonheid ons boeien moge, ons toch altijd in den grond vreemd blijft, om dat zij het gewrocht is eener gansch van de onze verschillende wereld- en levensbeschouwing. Maar hier omringen ons bekende gestalten en beelden, ontleend aan eene wereld, waarin wij zelf ons bewegen; en bij uitnemendheid leerzaam is het na te gaan; hoe de dieren zich voor den blik der antieke kunstenaars vertoonden, en hoe die kunstenaars het aanlegden om ook het dier, met behoud zijner karakteristieke eigenaardigheid, binnen den tooverkring der ideale kunstwereld op te nemen. Ook hier, evenals bij het menschenbeeld, beijverde men zich niet in de eerste plaats om getrouw al de bijzonderheden, al de toevallige trekken van het individu weer te geven, maar het werkelijk kenmerkende, het vaste en blijvende in de soort. Men gaf, over het algemeen en in den besten tijd, niet zoozeer portretten, dan wel typen; en evenmin als ge in de goden- en heldenbeelden van Griekenlands uitnemendste kunstenaars, menschen in den gewonen zin des woords hebt te zien, evenmin moet ge u voorstellen, dat, bij voorbeeld, de paarden van het Parthenon nu inderdaad getrouw gevolgd zijn naar die, welke in de straten van Athene te zien waren.

Eer wij deze zaal verlaten, staan wij nog even stil voor een merkwaardig bas-relief, eene _Reiniging_ voorstellende: eene godsdienstige handeling, die de Romeinen waarschijnlijk van de Etrusken hadden overgenomen en die blijkbaar verwant is aan soortgelijke gebruiken bij de Semitische volken, met name bij de Joden. Deze reiniging of zuivering geschiedde door middel van water, vuur of reukwerk; niet alleen de vrouwen, na hare bevalling, maar ook de dieren, die jongen geworpen hadden, werden, evenals deze jongen zelf, op deze wijze gereinigd. Men besprengde hen met gewijd water, terwijl welriekende kruiden, met zwavel gemengd, werden gebrand; de herders gingen driemaal in plechtigen omgang rondom de schaapskooi en offerden vervolgens aan Pales wijn, zuivere melk en een koek van gerst. Ons bas-relief stelt nu de zuivering voor van eene jonge koe, die haar kalf zoogt: een even fraai als zeldzaam kunstwerk. Men ziet den tempel en zijne omwalling, de gewijde fontein onder den boom, het watervat en den kwispel: een olijftak; aan den staf van den herder hangen twee ganzen, zijne offergave. Terwijl alles zich voor de plechtige handeling gereed maakt, steekt de koe rustig haar kop in het watervat en lescht haar dorst met het gewijde vocht. Het geheele, echt landelijke tafereel maakt een hoogst weldadigen, verkwikkenden indruk: het is als eene episode uit Homerus, in marmer gebeiteld.

VII.

Korten tijd na den dood van Sixtus IV, liet een paus van grieksche afkomst en geboortig van Genua, Innocentius VIII, zich binnen den omtrek van het vatikaan een landhuis bouwen, dat door het penseel van Mantegna en Pinturicchio, beiden geholpen door hunne leerlingen, werd getooid. Uit deze villa zond deze paus, naar alle koninkrijken der christenheid, zijne heftige bullen en dreigende brieven tegen de Turken; en daar ook ontving hij geregeld het jaargeld van veertigduizend kroonen, hem door sultan Bajazet toegelegd voor het bewaren van zijn broeder Zizim, dien de sultan voor zijne rust en veiligheid gevaarlijk achtte.--Maar de oudheid, die meer en meer het gansche vatikaan inneemt, heeft, reeds sedert de regeering van Clemens XIV, de landelijke woning van den natuurminnenden Innocentius in beslag genomen. De villa werd in een museum herschapen, dat reeds onder Pius VI moest worden vergroot, en weldra bevolkt werd door eene gansche schaar van goden- en heldenbeelden. Deze prachtig versierde galerij, met haar marmeren wanden, haar met arabesken getooide gewelven, hare bas-reliefs, haar fresko's, haar mozaïekvloer en haar dubbele reeks van meesterstukken, is door geheel de beschaafde wereld bekend als de galerij _Pio-Clementina_.

Ook hier is het onmogelijk, aan al deze kunstgewrochten ook maar de helft te schenken der aandacht en belangstelling, die zij zoozeer verdienen. Er schiet niets anders over, dan vluchtig te midden dier monumenten rond te wandelen, en slechts nu en dan een oogenblik stil te staan. Al bezoekt ge deze galerij voor de tiende of twaalfde keer, telkens zult gij nieuwe ontdekkingen doen; het aantal opmerkelijke gewrochten bedraagt stellig twee- a driehonderd. Ziehier een paar navolgingen naar Praxiteles: een torso van Eros, met die fijne, geestige uitdrukking op het schoone gelaat; en de Apollon-Sauroktonos (hagedissendooder), waarvan ge eene andere, nog wel zoo fraai bewerkte kopie in de galerij Borghèse kunt vinden.--Ik ga vele andere meesterstukken voorbij, aangetrokken door die twee zittende figuren aan het eind der galerij: Posidippus en Menander, twee dichters, aan wier roem de nijdige kritiek niet knagen zal. Van den tweeden bezitten wij niets dan eenige korte fragmenten uit twee of drie zijner tweehonderd blijspelen; Posidippus, van wiens geboorteplaats en leeftijd men niets weet, zou ons wel geheel onbekend zijn gebleven, indien de _Anthologie_ niet een vijftiental zijner epigrammen had overgenomen, en indien hem niet daarbij het zonderlinge voorrecht ware te beurt gevallen der onsterfelijkheid, door eene afbeelding, die eene eervolle plaats inneemt onder de meesterstukken der eeuwen. Het hoogst eenvoudig bewerkte beeld is bekleed met de tunika; het pallium is over den linkerschouder geworpen. De dichter--een echt akademische kop, met de zichtbare sporen van ouderdom, maar met eene fijne en geestvolle uitdrukking op het peinzende gelaat--houdt een rol in de hand; zijne vingers zijn met ringen versierd. Menander is jeugdiger van voorkomen: trouwens hij stierf op omstreeks vijftigjarigen ouderdom. Aan de gelijkenis met het beroemde portret in de Farnesina, herkende Quirinio Visconti dezen griekschen blijspeldichter, die waarschijnlijk vóór Posidippus heeft geleefd. De houding is levendiger; de dichter rust met den linkerarm op den rug van zijn zetel; zijn hoofd is een weinig voorover gebogen, als om scherp waar te nemen wat om hem voorvalt; hij heeft geheel het voorkomen van een man naar de wereld, die het leven heeft genoten en daarvan ten volle verzadigd is. Vroeger zag men deze beide figuren aan voor de portretten van Marius en Sylla.

Wij keeren op onze schreden terug, na een blik te hebben geworpen op dat eenigszins koude beeld van Jupiter, zittende op zijn troon, met den schepter in de hand; en gaan eenige andere opmerkelijke gewrochten voorbij, om die reusachtige badkuip van oostersch albast te bezien, die hier zulk eene gelukkige uitwerking doet; zij werd onlangs, bij het herstellen van een waterbuis, op de piazza Santi-Apostoli opgedolven;--de grond van Rome bergt overal schatten in zijn schoot. Vlak tegenover, nabij een Esculaap, een standbeeld van Hygieia, de godin der gezondheid; eene allerliefste figuur, maar die als kunstwerk ver moet onderdoen voor gindschen prachtigen Faun, tegen een boomstam geleund, eene kopie naar Praxiteles. Daar ginds, tusschen twee zuilen van geelachtig marmer, geflankeerd door twee prachtige marmeren kandelabres, lokt u reeds het beroemde beeld van de verlaten Ariadne, vroeger voor eene Cleopatra gehouden. Hoe verwonderlijk schoon ligt die figuur daar, met den arm boven het hoofd gevouwen, op de rots van Naxos neergezonken; de half losgewoelde tunika, de droevige, vermoeide uitdrukking van het gelaat, de van het hoofd afvallende sluier, de kunstige en toch zoo geheel natuurlijke wanorde der kleeding: dit alles teekent volkomen de half wezenlooze smart, die op de heftige aandoeningen volgt. De sarkophaag, die tot voetstuk van dit prachtig beeld dient, en waarop strijdende reuzen zijn afgebeeld, die in slangen en draken worden veranderd, is van later tijd en veel minder kunstwaarde.

Ik moet, hoezeer onwillig, de galerijen, waar de kunstschatten der oude wereld zijn bijeengebracht, verlaten: nog zooveel schoons en heerlijks van later tijd wacht ons. Ik weet zeer goed, dat ik veel, zeer veel heb overgeslagen, dat mijn overzicht hoogst onvolledig is, en ik u niet dan een zeer gebrekkig denkbeeld van den rijkdom dezer vatikaansche museums gegeven heb: maar het kan wel niet anders. Het vatikaan is eene wereld op zich zelve; om deze wereld eenigermate naar den eisch te beschrijven, zou een gansch boekdeel noodig zijn: en ik mag slechts over enkele bladzijden beschikken. Daarom--geen woord over de prachtige galerij der kaarten, met hare reusachtige afbeeldingen der italiaansche gewesten, op de wanden geschilderd; over de galerij der tapijten (_Arezzi_), waar de tapijten bewaard worden, oorspronkelijk voor de Sixtijnsche kapel, naar kartons van Raphaël, te Atrecht vervaardigd; over de zoogenaamde galerij der Kandelabres, met haar vazen en beelden, haar bas-reliefs en sarkophagen, allen antiek; geen woord ook over de heerlijke tuinen van het vatikaan, in den oud-italiaanschen smaak aangelegd, met hun rijkdom van standbeelden, urnen, vazen, sarkophagen, marmeren paviljoenen, terrassen, ruischende fonteinen, geurige hagen, ondoordringbare berceaux: een waar paradijs, waar de kunst zoo gelukkig der natuur de hand biedt. Geen woord over dit alles, en over nog zooveel meer. Eer wij onze schreden elders richten, volg mij nog even naar de ronde zaal, zekerlijk eene der schoonste en merkwaardigste van geheel het vatikaan, zoowel om haar bouwstijl, als om de kunstgewrochten, die zij bevat. De _Sala Rotonda_ verplaatst u geheel in den tijd van het romeinsche keizerrijk: zoo moet de kunstgalerij van een Maecenas, een Cicero, een Agrippa, een Titus er hebben uitgezien. En dit is geen wonder: de schepper van dit heerlijk monument, de eerwaardige en kunstlievende paus Pius VI, heeft het voorbeeld gevolgd der tijdgenooten van Augustus: hij heeft de schatkamer opzettelijk doen opbouwen voor en in overeenstemming met de schatten, die hij bijeenverzameld had. Bij ons--ik merkte het reeds vroeger op--doet men juist het tegenovergestelde: men stopt de kunstwerken in de eerste de beste ledige ruimte, of richt hoogstens een of ander karakterloos gebouw op, dat even zoogoed voor verkoophuis of leeszaal of kolfbaan als voor museum dienen kan.--De paus bezat acht fraaie groote beelden, tien bustes, een reusachtig bekken van rood porfier, en den mozaïeken vloer van eene antieke rotonde. Gevolgelijk richtte hij een koepel op, gedragen door tien gegroefde pilasters van carrarisch marmer; tusschen deze welfde hij groote nissen, waarin de standbeelden, op voetstukken van grieksch marmer, konden worden geplaatst; vóór de pilasters vonden de borstbeelden, op schachten van rood porfier, hunne eigenaardige plaats; de mozaïekvloer beantwoordde op nieuw aan zijne aloude bestemming; het kolossale bekken van een-en-veertig voet in omtrek, in de baden van Diocletianus opgegraven, nam het midden in der zaal, voor deze kunstwerken gesticht. Zoo vormt alles te zamen een harmonisch geheel, waarin niets uwe aandacht stoort, niets den indruk verzwakt of vervalscht: de zaal en de kunstwerken schijnen natuurlijk bij elkander te behooren, en allen uit denzelfden tijd te zijn.

De illusie is zoo volkomen, ge gevoelt u zoo geheel in de oude wereld verplaatst, dat ge niet zonder een gevoel van godsdienstigen eerbied nader treedt om de buste te bezien van Jupiter, _Optimus_, _Maximus_, den zeer goede en zeer groote--zeer groot bovenal, want geene woorden kunnen de majesteit wedergeven, die over dit gelaat ligt uitgespreid, die het als met een aureool omstraalt. Het is de beroemde en bekende _Zeus van Otricoli_--aldus genoemd naar de plaats der opgraving--die bijna als type der Zeuskoppen gelden kan. Ongetwijfeld hebben wij hier slechts eene kopie voor ons, waarvan het origineel waarschijnlijk zelfs niet tot het schitterendste tijdperk der grieksche plastiek behoorde: maar toch mogen wij veilig aannemen, dat in dezen heerlijken kop nog iets althans is overgebleven der goddelijke inspiratie, die Phidias bezielde, toen hij zijn olympischen Zeus schiep, waarvoor de gansche oudheid als in aanbidding nederknielde. Onvergetelijk inderdaad is de indruk, dien de aanschouwing van dit gelaat op u maakt. Dat machtige voorhoofd, die sterk vooruitspringende wenkbrauwen, waaronder de groote oogen als lichtend te voorschijn treden, de oogen, die met een enkelen blik de gansche wereld omvatten; de kalme, mannelijke schoonheid van dat eeuwig bloeiende gelaat; die volle, een weinig geopende lippen, waarom een glimlach schijnt te zweven en die niet anders dan orakels kunnen spreken; die ontzaglijke haardos, in breede lokken ter wederzijde het gelaat omlijstend: dat alles vervult u met ontzag en wekt onwederstaanbaar de gedachte aan een groot, bovenmenschelijk wezen, vreemd aan alle aandoeningen en hartstochten, en voor wien de menschen niets meer zijn dan de wormen des velds. Er is in deze bovenaardsche, onbewogen, zich zelf bewuste, ideale schoonheid toch iets huiveringwekkends; uit die trekken--hoe heerlijk ze wezen mogen--spreekt geen hart; wij voelen het, tusschen dien Zeus Olympios en ons, arme, zwoegende, worstelende stervelingen, is weinig of niets gemeens; wij kunnen bewonderend, aanbiddend, huiverend van eerbied tot hem opzien: maar hij, zal hij zich in zijn olympische rust ooit laten storen, om zich tot ons neder te buigen? Plaats naast dezen Zeus een crucifix of een Ecce-Homo:--er ligt een afgrond tusschen beiden, niet waar? De afgrond, die de oude wereld van de moderne, de antieke wereldbeschouwing van de christelijke scheidt.

Nog onder den indruk van deze wonderschoone buste, hebt ge nauwelijks aandacht voor gindschen kolossalen Bacchus, voor dien Hermes, voor die beelden en busten van keizers en keizerinnen, ook hier, als in de andere vatikaansche museums, broederlijk met de goden en godinnen vereenigd;--en waarom ook niet: was niet de Caesar in het eind de eenige god, in wien de oude wereld nog geloofde, omdat zij zijn ijzeren voet op haar nek gevoelde? Maar ge moogt van hier niet scheiden zonder een laatsten blik te hebben geworpen op dat prachtige Juno-beeld, onder den naam van Juno-Barberini beroemd, dat zeker tot de uitnemendste kunstgewrochten van de vatikaansche galerijen behoort; en vooral ook op het beeld van Muemosyné, de godin der herinnering, half-levensgroot, een meesterstuk van echte kunst, ten volle deze eereplaats waardig.

En nu gaan wij de prachtige zalen en galerijen verlaten, waar de kunst der oude wereld zich in hare rijkste weelderigheid, in hare hoogste heerlijkheid bijna, voor ons vertoonde; waar zich, in deze weergalooze scheppingen, eene wereld voor ons openbaarde, ons zoo nabij en toch wederom zoo ver; ons zoo machtig aantrekkend, met wondere toovermacht ons beheerschend, en toch wederom ons afstootend en haar diepst geheim noode en niet dan langzaam voor ons ontsluierend. Zoo menigmaal als ik door deze galerijen dwaalde, en deze marmeren goden en godinnen, deze heroën en caesars in het aangezicht staarde, kwam de gedachte bij mij op: weten zij wel wat zij doen, zij, die in onzen tijd deze ondergegane wereld weder in het leven trachten te roepen; zij, die te midden der ontzaglijke beweging dezer negentiende eeuw, de geschokte en geslingerde, de doodkranke maatschappij onzer dagen trachten te redden door haar het ideaal der klassieke schoonheid, als het hoogste doel van haar streven, voor te houden?.... Ach, dit middel is beproefd, meer dan eens beproefd; en met welke uitkomst? En de oude wereld zelf--heeft deze eredienst van het schoone, dit streven naar het aesthetisch ideaal, haar kunnen behoeden voor de verzinking in den poel der afzichtelijkste verdorvenheid? Nu dan, wat deze oude wereld zelf, ondanks een zoo bijzonder gunstigen samenloop van omstandigheden, als niet meer te verwachten is, ondanks al de frischheid en kracht der jeugd, der naïeve oorspronkelijkheid;--wat haar toch niet baatte, hoe zou het ons kunnen baten, ons, voor wie deze dingen immers nooit meer de beteekenis kunnen hebben, die zij voor haar hadden? Want, vergeet het niet--en al poogt ge het voorbij te zien, loochenen kunt ge het niet, en wegnemen nog minder:--tusschen haar en ons staat nu eenmaal, op dien somberen heuvel, dat kruis geplant, dat voor immer scheiding maakt tusschen oud en nieuw; dat--ge moogt het erkennen of niet, roemen of betreuren--eene andere wereld in het leven heeft geroepen, anders in denken en gevoelen, anders in zin en leven en streven. Ge kent de zinrijke en schoone woorden van Lenau, die mij hier zoo dikwerf in de gedachte kwamen:

Die Künste der Hellenen kannten Nicht den Erlöser und sein Licht; D'rum scherzten sie so gern und nannten Des Lebens tiefsten Abgrund nicht.

Dasz sie am Schmerz, den sie zu trösten Nicht wusste, leicht vorüberführt, Erkenn' ich als der Zauber grössten, Womit uns die Antike rührt.

Zij wisten niet beter, al zagen ze smachtend naar iets beters en hoogers uit; maar wij, die beter weten, althans behoorden te weten, wat bedoelen wij met onzen terugkeer naar dit machteloos gebleken ideaal....

VIII.

Op allerheiligen van het jaar onzes Heeren 1509 werden, op last van paus Julius II, de drie eerste fresko's van Raphaël, in de kamer _della Segnatura_, en de nog onvoltooide schilderijen aan het plafond der Sixtijnsche kapel--waaraan Michel-Angelo, sedert 8 Mei 1508, met gesloten deuren arbeidde--voor de bewonderende blikken der hovelingen en der schare tentoongesteld. De tijdgenooten van den paus hadden nog nimmer iets gezien, dat eenigszins kon gelijk gesteld worden met deze kunstwerken, die ook in later eeuw niet zijn overtroffen. Deze eerste November mag dus met volle recht een gewichtige dag in de geschiedenis der kunst worden genoemd. Het was een schoone, een gedenkwaardige morgen, niet alleen voor de beide roemrijke mededingers, die den palm der overwinning deelden, maar ook voor Julius II zelf, die deze beide groote, schoon zoo ongelijke geniën had weten te waardeeren en aan zich te verbinden; voor dien hooghartigen kerkvorst, wien het gegeven was in vollen bloei te aanschouwen, wat de ontwikkeling van meer dan drie eeuwen had voorbereid.

Toen Julius II den pauselijken stoel beklom, wilde hij de vertrekken, waaraan de herinnering der Borgia's als een smet kleefde, niet bewonen; hij liet dus voor zich, op eene hoogere verdieping, andere appartementen in orde maken. Ook vatte hij het voornemen op, om ter eere van zijn oom Sixtus IV, het gewelf der door dezen paus gestichte kapel, met schilderwerk te versieren. Met den juisten takt van een man van smaak, droeg bij de versiering der vertrekken op aan Raphaël van Urbino, dien Bramante hem had voorgesteld, en beval hij tevens dat het ruime en grootsche gewelf der Sixtina, een waar slagveld, zou worden toegewezen aan Buonarotti, die zich aanvankelijk daartegen verzette, die nooit een fresko geschilderd had, en die zich als een schooljongen moest laten onderwijzen, eer hij, bij wijze van proefstuk, wellicht het uitnemendste kunstgewrocht leverde, dat ooit uit de handen eens meesters te voorschijn kwam. Voor dit reuzenwerk had Bramante, naar men zegt, door min edele bedoelingen gedreven, Michel-Angelo aanbevolen; Michel-Angelo, misschien dit vermoedende, weigerde en wilde Raphaël in zijne plaats doen optreden. Julius II hield echter voet bij stuk; de kunstlievende, krijgshaftige opperpriester toornde zoo geducht, dat zelfs de kloeke Buonarotti eindelijk toegaf. Als schilder nog onbekend, had de reeds met roem gekroonde beeldhouwer toen den ouderdom van vier-en-dertig jaren bereikt; Raphaël was eerst vijf-en-twintig jaren oud. Beiden hadden zich reeds vroegtijdig gelaafd aan de onuitputtelijke bron der poëzie van Dante, zich doordrongen van den geest diens koninklijken zangers; beiden hadden ten volle den invloed ondervonden van dien echt godsdienstigen en vrijen geest, die, ook door Savonarola, de oude, mystiek-poëtische traditiën der ombrische school als met een nieuw leven had bezield.

De eerste maal dat ik de Sixtijnsche kapel bezocht, was zij vol menschen: de paus zou bij de mis tegenwoordig zijn. De banken van het heilig college, door eene hooge balustrade van de overige ruimte afgescheiden, waren geheel met kardinalen, in hunne purperen of grijze mantels, met hermelijn of marter gevoerd, bezet. Wat mij bovenal trof, was de eenvoudigheid van het gebouw: eene hooge, langwerpige zaal; vier muren, zonder eenige architectonische versiering; eenvoudige rechthoekige vensters, en boven aan de fries eene galerij. Rechts, eene half getraliede tribune voor de zangers; op den achtergrond, op eene verhevenheid van vier met een tapijt bedekte trappen, een hoogst eenvoudig altaar, waarop slechts zes kaarsen brandden; links van dit altaar, een troonzetel voor den paus. Ziedaar de Sixtijnsche kapel. Zij heeft geene andere decoratie dan het schilderwerk, waarmede zij, te beginnen van omstreeks vijftien voet boven den grond, geheel overdekt is. Voor dit onderste gedeelte waren de tapijten bestemd, die, op last van Leo X, naar kartons van Raphaël werden vervaardigd.

Gedurende de dienst had ik natuurlijk geene gelegenheid om de wonderen, die mij omringden, behoorlijk waar te nemen. Bovendien was mijne aandacht toen geheel ingenomen door hetgeen voor mijne oogen geschiedde. Het was voor de eerste maal, dat ik hier de dienst bijwoonde; ik wachtte op de komst van den paus, dien ik nog niet gezien had. De heraldieke livereien der zwitsersche garden, met hunne gepluimde helmen, hunne stijve kragen, hunne geel en zwart gestreepte wambuizen; de verschillende, schilderachtige kostumes van de hoofden der onderscheidene orden; de prachtige kleeding van den dienstdoenden kardinaal: dit alles maakte op mij een diepen indruk. Toen de paus, omstuwd door zijn half geestelijk, half koninklijk gevolg, de kapel binnentrad, begroet door het onbeschrijfelijk welluidend gezang; toen daar de schitterende processie zich voortbewoog langs het Laatste Oordeel van Michel-Angelo; toen ik mijn blik liet dwalen langs de fresko's der wanden, langs dat ontzaglijk plafond, langs die aangrijpende voorstelling van het alles beslissende werelddrama daar op den achtergrond;--om dan in het eind weder op dien paus te zien, met de driedubbele kroon op het hoofd, heerlijk gedrapeerd in zijne indrukwekkende kleeding, op dien koning zonder leger of aardsche macht, op dien eerwaardigen grijsaard, die daar zetelt als opvolger van Petrus, van Gregorius den Groote, van Sint-Sylvester, van Julius II; toen de schitterendste, de hartverheffendste herinneringen van een onuitsprekelijk grootsch verleden hier als levend voor mij optraden, hier, waar ik, kind van den dag, stond tegenover den drager van het eeuwen- en eeuwenoude pausdom en tegenover de verhevenste scheppingen van den grootsten meester der Renaissance;--ja, toen gevoelde ik, dat ik mij in het edelste heiligdom der gansche wereld bevond.