Het Vatikaan De Aarde en haar Volken, 1873
Part 4
Dit museum is rijk aan allerlei huisraad en voorwerpen van dagelijksch gebruik: zetels, bedden, spiegels, vazen, wapenen, potten, komfooren en gereedschap van allerlei aard. De opgravingen van Cerae, van Tarquiniës, van Volsci, van Bolsena, hebben boven verwachting een rijken oogst opgeleverd: te beginnen met de wel leesbare, maar in eene onbekende taal vervatte opschriften, tot de schoonste vazen uit het oudste tijdperk der etruskische kunst. Te Cerea heeft men in eene enkele grafkamer behalve aardewerk en een volledig stel keukengereedschap, ook al de sieraden van eene waarschijnlijk aanzienlijke familie gevonden: eene vondst, waaraan in den jongsten tijd, het ontstaan der mode van etrurische sieraden is te danken. Om den bezoeker een zoo volledig mogelijk denkbeeld van deze grafkamers te geven, heeft men hier, in het museum, de grafkamer van Cerae nagebootst. De juweelen en sieraden zijn in groote glazen kasten geplaatst, die beweegbaar zijn, en die ge zoo kunt draaien, dat ge alles onder een behoorlijk licht zien kunt. Eene zoo doelmatige inrichting zoekt men tot dusver, buiten de vatikaansche museums, vergeefs: hier is alles in de eerste plaats berekend voor het genoegen van den bezoeker, om een aangenamen, bevredigenden indruk te weeg te brengen; elders moeten dergelijke overwegingen in den regel wijken voor de onverbiddelijke eischen van eene of andere wetenschappelijke classificatie, indien al de voorwerpen niet, als in een winkel, op elkander zijn getast en door de opeenhooping zelve onzichtbaar worden.
VI.
De vatikaansche beeldengalerijen tellen eene bevolking, welke met die van eene onzer kleinere provinciesteden gelijk staat: dit alleen zal voldoende zijn om u te doen beseffen, dat, in dit overzicht, allerminst van eene eenigszins volledige beschrijving dezer geheel eenige verzameling sprake kan zijn. Dit zult ge nog te meer gevoelen, als ge bedenkt dat niet alleen de meesten dezer beelden en groepen eene afzonderlijke beschrijving ten volle verdienen, maar dat er daaronder ook velen zijn, die in den letterlijken zin eene eigen litteratuur van niet onbelangrijken omvang bezitten. Van eene eigenlijke beschrijving kan dus geene sprake zijn, veel minder van beschouwing en kritiek, die alleen zulk eene eenvoudige beschrijving tot iets meer dan eene dorre opsomming, een vervelenden catalogus, zou kunnen maken. Wij zullen er ons alzoo toe bepalen, u door deze museums rond te leiden, en slechts nu en dan op enkele zeer uitnemende of karakteristieke monumenten vluchtig uwe aandacht vestigen.
Dit weergaloos museum is het werk van eeuwen. Alle vorstelijke geslachten, wier zonen den heiligen stoel hebben bekleed, hebben hunne schatting bijgedragen tot verrijking dezer verzameling; ondanks de toenemende ongunst der tijden, is de offervaardige ijver in de laatste eeuw veeleer verdubbeld. Bovenal mogen wij niet vergeten, met dankbare hulde de namen te noemen van vier pausen uit den laatsten tijd, die, niettegenstaande tegenspoeden en hinderpalen van allerlei aard, het groote werk hunner voorgangers waardiglijk hebben voortgezet, en bekroond en zich reeds alleen daardoor aanspraak hebben verworven op den dank en de bewondering van allen, die kunst en waarachtige beschaving liefhebben. Deze pausen zijn Pius VI, Pius VII, Gregorius XVI en Pius IX. Nevens hen verdient ook Clemens XIV genoemd te worden, al heeft deze ook bij de stichting der mede naar hem genoemde galerij, meer gehandeld op aansporing van zijn schatmeester, den kardinaal Braschi, die weldra zelf, als Pius VI, den apostolischen stoel zou beklimmen.
Den toegang tot de beeldengalerijen vormt een lange overwelfde gang of corridor, door Bramante gebouwd, en door Pius VII tot museum voor de opschriften ingericht. Ter wederzijde van deze galerij, waarvan de wanden geheel met inscripties zijn bedekt, prijkt eene lange reeks van lijkbussen en sarkophagen: evenals ge, om Rome zelve te bereiken, den Appischen weg volgt, aan beide zijden door graftomben omzoomd, zoo treedt ge ook langs eene reeks van grafmonumenten naar het binnenste heiligdom der vatikaansche stad. Deze corridor is meer dan zeshonderd voet lang; de monumenten zijn gerangschikt naar tijdsorde, naar de eerediensten, naar hunne bijzondere bestemming. Aan de eene zijde ziet ge de grafschriften der familie boven elkander geplaatst; dan die van vrienden en bekenden, van consuls, leden der consulaire geslachten, van de patricische huizen, aan de keizerlijke dynastieën verwant; eindelijk van de leden der verschillende bedrijven en ambachtsvereenigingen. Die allen behooren tot het heidendom. Daar tegenover, aan uwe linkerhand, vinden de sarkophagen en grafschriften uit de eerste eeuwen der christelijke kerk eene plaats; zij zijn genoegzaam allen uit de katakomben afkomstig; de opschriften zijn in het grieksch of latijn, somwijlen in eene gemengde taal, en versierd met symbolische teekeningen; meestal zijn zij kort maar vol uitdrukking en door toon en inhoud zeer kennelijk van de heidensche grafschriften onderscheiden.
Als ge aan het eind dezer galerij gekomen zijt, treedt ge door een fraai ijzeren hek, in eene honderdvijftig el lange, breede zaal, die door vijftien vensters in het hooge, met fresko's versierde gewelf haar licht ontvangt en ter wederzijde is bezet met eene dichte reeks van groepen, busten, beelden, bas-reliefs: deze laatsten deels op de voetstukken aangebracht, deels in de muren gemetseld. Deze eerste galerij van het museum Chiaramonti, aldus genoemd naar den geslachtsnaam van den stichter Pius VII, bevat meer dan achthonderd kunstwerken: beelden van goden en helden, busten van keizers, veldheeren, redenaars, vorstinnen, graftomben, urnen:--eene ideale geschiedenis van Rome, maar in het grieksch geschreven. Geen dezer werken is eigenlijk oorspronkelijk romeinsch: wat de romeinsche wereld aan beeldhouwkunst heeft opgeleverd, is, men mag welhaast zeggen zonder uitzondering, van griekschen oorsprong. De kunstenaars, die in den keizertijd de uitmuntende gewrochten schiepen, waarvan wij er hier zoovelen bijeen zien, deels oorspronkelijk, deels in navolging van oude echtgrieksche modellen, waren Grieken. De Romeinen hadden weinig aanleg en zin voor kunst, uitgenomen architektuur; hunne roeping was eene andere: zij moesten de wereld veroveren, organiseeren, bewoonbaar maken, den bodem bereiden waarop eene latere, hoogere ontwikkeling ontstaan en bloeien kon. Zij waren bij uitnemendheid praktische lieden: het echt aesthetische leven der Grieken bleef hun altijd vreemd ook al namen zij, bij toenemenden rijkdom en beschaving, voor het uiterlijke den schijn aan van zin en liefde voor de kunst.
Ter herinnering aan deze galerij wijzen wij u op een paar monumenten. Zie hier een borstbeeld van Julius Caesar, in het plechtgewaad van _pontifex maximus_ (opperpriester). Caesar is hier voorgesteld in de laatste jaren zijns levens; zijn mager, van diepe rimpels doorploegd gelaat teekent vermoeidheid, uitputting, levenszatheid: de koude uitdrukking van een man naar de wereld, die alles heeft genoten wat het leven bieden kan en de ijdelheid van alles geproefd. Het is onmogelijk, den indruk te beschrijven, dien de aanschouwing van dit strenge, verheven, en toch wederom zoo vervallen gelaat op u maakt: die verplettende majesteit, gepaard aan zedelijk verderf, die hooge adel nevens zelfzucht en een zweem van pedanterie. Bij een blik op dezen prachtigen kop gaat ons een helderder licht op over het eigenlijke karakter van den zeldzaam grooten man, dan de lezing van vele geschiedwerken ons kan geven.--Wij gaan een gansche reeks van beelden, sarkophagen, busten voorbij--hoe gaarne wij ook bij de meesten afzonderlijk verwijlen zouden--en staan voor een beeld van Tiberius, blijkbaar uit het begin zijner regeering. De keizer is zittende voorgesteld, in grieksch kostuum; de chlamyde is op den rechter schouder vastgehecht, zijn hoofd is met eikenloof omkranst; in de rechterhand houdt hij een langen schepter. Ge herinnert u de huiveringwekkende karakterschets, die Tacitus van dezen Caesar geeft: en met verbazing slaat ge een blik op dat schoone, echt aristokratische gelaat, waarover eene uitdrukking van welwillendheid en vroolijke geestigheid zweeft; en onwillekeurig vraagt ge u af, of wellicht de romeinsche geschiedschrijver aan de waarheid ontrouw is geworden. Heeft Tacitus, de vertegenwoordiger en uitnemendste woordvoerder der oude aristokratisch-republikeinsche partij, ons de daden der keizers, wier zwaard de republiek had gedood, inderdaad naar waarheid, onpartijdig medegedeeld? Aan de zeldzame kunst, waarmede deze meester zijne portretten geteekend heeft, valt niet te twijfelen: ook niet aan de getrouwheid? De vraag is geoorloofd; ja, meer dan dat: aan een onvoorwaardelijk bevestigend antwoord zullen, geloof ik, weinigen zich wagen. Doch het is hier de plaats niet, daarover uit te weiden; al dringen die gedachten zich telkens bij ons op, bij het aanschouwen dezer portretten, die toch ook eene openbaring zijn.--Toeven wij nu nog een oogenblik voor deze groep, het sieraad dezer galerij: _Ganymedes_, door den adelaar weggevoerd. Dit voortreffelijk kunstwerk, dat u onwederstaanbaar boeit, is eene kopie naar den griekschen beeldhouwer Leochares, een tijdgenoot van Praxiteles. De schoone herdersknaap is voorgesteld op het oogenblik, dat de arend van Zeus hem van de aarde opheft om hem naar den Olympus te dragen; de figuur zweeft reeds boven den grond, gedragen door de klauwen van den machtigen vogel, die hem in de zijde heeft gevat. Zulk eene voorstelling nadert de grenzen der plastiek, overschrijdt ze bijna: maar juist daarom bewondert ge te meer de uitnemende kunst, waarmede deze groep bewerkt is, zoodat niets den indruk stoort, niets zelfs de rust verbreekt, die aan elk beeldwerk behoort eigen te zijn. Van de fijne, meesterlijke behandeling dezer liefelijke, voortreffelijke groep kan echter geene beschrijving, kan, bij gebreke van eigen aanschouwing alleen eene getrouwe afbeelding u een denkbeeld geven.
Na de galerij Chiaramonti ten einde te hebben doorwandeld, keeren wij op onze schreden terug, gaan op nieuw het hek door en treden den _Bracchio Nuovo_ (nieuwen vleugel) binnen, door Pius VII gebouwd. Wat aan deze galerijen eene eigenaardige bekoorlijkheid schenkt, is dat zij opzettelijk gebouwd zijn om tot museum voor antieke beeldwerken te dienen, en dat wel door mannen, die de ouden niet alleen uit de boeken, maar ook uit de overblijfselen hunner werken kenden. De conceptie van den _Bracchio Nuovo_ is hoogst eenvoudig: een zaal van vier-en-twintig voet breed en tweehonderd-acht voet lang, met een klein dwarsschip in het midden: alzoo eenigszins de gedaante van een grieksch kruis. Maar toen hij met zijn bouw aanving, wist Raphaël Stern dat hij voor drie-en-veertig hoogst belangrijke standbeelden eene waardige plaats moest bereiden: hij verdeelde dus zijne lange galerij in acht-en-twintig nissen, en zijn dwarsschip in vijftien. De standbeelden konden alzoo geplaatst worden in een zuilengang van sierlijke arcaden; voor de pilaren, die deze bogen scheiden, plaatste hij borstbeelden, op voetstukken van rood graniet. In de vakken tusschen de bogen zijn wederom busten, op consoles geplaatst; daarboven zijn bas-reliefs in de muren gevat. Een breede, sterk vooruitspringende kroonlijst dient tot basis voor het rijk gebeeldhouwde gewelf, dat voorts gedragen wordt door twaalf korinthische zuilen van het schoonste marmer. Boven iedere der breede vleugeldeuren prijkt een fronton, door kostbare zuilen gedragen; het van boven stralende licht spiegelt in den veelkleurigen vloer van mozaïek; in het midden der galerij prijkt, op een voetstuk van rood graniet, een grieksche vaas van zwart basalt. In zulk eene galerij schijnen de standbeelden slechts de natuurlijke decoratie der zaal te zijn. Van hoeveel belang, voor de juiste beoordeeling dezer kunstwerken zelf, zulk eene omgeving is, kan alleen hij beseffen, die de heerlijke vatikaansche museums heeft gezien en alzoo den afstand kan meten tusschen deze betooverend schoone galerijen--kunstgewrochten op zich zelf--en de naakte, holle ruimten, de ontmeubelde kamers of zolders, waarin men ten onzent de monumenten van kunst en historie pleegt weg te stoppen.
Een van de merkwaardigste standbeelden van deze galerij is dat van keizer Augustus, eerst voor eenige jaren opgedolven en door den paus ten geschenke gegeven. Het lichaam is misschien oorspronkelijk; maar het hoofd verraadt eene andere hand, en schijnt mij toe eerst in later tijd, onder Trajanus, te zijn af- of bijgewerkt. Plinius verhaalt ons dat bij Augustus de oogbol zeer groot en zeer licht was, hetgeen aan zijn groenachtige pupil eene zoo vreemde uitdrukking gaf, dat men niet kon nalaten, bij het aanspreken, hem strak in het gelaat te zien, hetgeen den keizer onaangenaam aandeed. Deze bijzonderheid is in het marmer zoo getrouw mogelijk weergegeven. De mantel en de wapenrok zijn met meesterhand bewerkt; de symbolische versiering van dezen laatsten is waarschijnlijk aan het heldendicht van Virgilius ontleend.--Opmerkelijk vanwege hun kras realisme, zijn de beelden van Titus en zijne dochter Julia. De keizer is een dik, kort man, die er zeer welgedaan uitziet, met een gelaat waarop goedmoedigheid en zinnelijkheid om den voorrang strijden; zijn geheele voorkomen, dat bij uitnemendheid den stempel der individualiteit draagt, teekent iemand van zeer gewone natuur, die zijn bijnaam van Wellust des menschelijken geslachts misschien alleen of hoofdzakelijk aan zijn vroegen dood te danken heeft, waardoor zekere zijden van zijn karakter niet tot ontwikkeling zijn kunnen komen. Zijne dochter Julia, die sprekend op haren vader gelijkt, is zeer leelijk; beiden dragen den stempel van te behooren tot eene dier familiën van lager afkomst, die hare fortuin in de eerste plaats gebruiken om zich recht te goed te doen.--Wederom gaan wij een aantal beelden en busten voorbij, en werpen ten slotte nog een blik op het standbeeld van Demosthenes, eene figuur vol karakter en uitdrukking. Die diepliggende oogen, dat hooge, gerimpelde voorhoofd, die fijnbesneden mond, die lippen, waarop het woord schijnt te trillen; die eenvoudige, natuurlijke houding: dit alles teekent u den denker, den redenaar. Ge gevoelt dat dit portret echt moet zijn.
Nogmaals doorwandelen wij de lange galerij en bestijgen een trap, die ons naar het groote museum, naar zijn voornaamsten stichter Pius VI, het Pio-Clementijnsche museum genaamd, voert, waar ge echter tot uwe verrassing aanvankelijk niet anders vindt dan eene reeks kleine vertrekken: kapellen, die ieder haar eigen patroon hebben. Ge betreedt een vierkanten, rijk met fresko's versierden voorhof, waar uwe aandacht al dadelijk getrokken wordt door de graftombe van Cornelius Lucius Scipio-Barbatus, overgrootvader van den beroemden Scipio den Afrikaan. De vierkante sarkophaag is van gewonen albaanschen steen en hoogst eenvoudig van bewerking: maar de strenge, grootsche afmetingen geven aan het werk een eigenaardigen edelen stijl. Toen deze sarkophaag ten jare 1780, in een _vigne_ nabij de poort Sint-Sebastiaan, de oude Capeensche poort, werd opgegraven, vond men het geraamte van Scipio-Barbatus nog in zijn geheel; aan een der vingers zat een ring, dien Pius VI aan lord Algernon Percy ten geschenke gaf.
In het midden van dezen voorhof staat de zoo algemeen bekende en beroemde _Torso_, het kolosaal fragment van een standbeeld van Herkules. De held zit op een rots, met het lichaam eenigszins voorovergebogen; waarschijnlijk leunde hij op zijn knots. Het hoofd, de armen en de beenen zijn verloren geraakt. Toen dit uitnemend gewrocht van oud grieksche beeldhouwkunst, ten tijde van Alexander VI, opgedolven werd, waren monumenten uit de eeuw van Pericles nog uiterst schaarsch: de echtheid van dit stuk viel niet te betwijfelen, want het draagt nog de naamteekening van zijn vervaardiger, Apollonius, zoon van Nestor den Athener. Geen wonder dat dit brokstuk van een standbeeld de algemeene aandacht trok, en zelfs eene omwenteling in de kunst bewerkte; Michel Angelo dweepte er zoo zeer mede, dat hij zich zelf een leerling van den Torso noemde, en zich ook werkelijk naar dit voorbeeld vormde. Maar hoe groot uwe bewondering voor dit kunstwerk ook wezen moge, toch spoedt ge u naar gindsch balkon, om van daar een blik te werpen op het onbeschrijfelijk schoone panorama: een gedeelte der vlakte van Rome, met de omringende heuvelen, den kronkelenden loop van den Tiber, en de Sabijnsche bergen in het verschiet: een panorama, waaraan dit gedeelte van het vatikaan den welverdienden naam van het _Belvedere_ dankt.
Wij komen aan den zoogenaamden achtkantigen hof: een salon in de open lucht, omringd door sierlijke portieken, rustend op zestien kolommen van rood graniet en grijs oostersch marmer. In het midden springt eene fontein: de frontons prijken met acht groote Maskers, uit den tijd van Agrippa; tusschen de zuilen prijken acht bas-reliefs; langs de wanden zijn standbeelden en sarkophagen geschaard; en onder de bogen der galerijen schemeren weder andere standbeelden. Daar, in eene reeks afzonderlijke kabinetten, zijn enkele meesterstukken geplaatst, die ieder althans bij name heeft hooren noemen, en meestal ook uit afbeeldingen kent. Ik spreek niet van den griekschen sarkophaag met de dansende Bacchanten, nabij de Sint-Pieter opgedolven; noch van den beroemden sarkophaag van Varius-Marcelles, den vader van Heliogabalus; noch ook van den Perseus en de Worstelaars van Canova, aan wien hier--niet geheel onverdiende eere--een eigen kabinet gewijd is. Zie, daar straalt in al zijn glans, te schitterender uitkomende tegen den grijsachtig groenen achtergrond van het kabinet, waarin hij alleen staat, de wereldberoemde _Apollo_ van Belvedere. Ge kent dat beeld, zoo oneindig vele malen nagebootst:--en toch ge kent het niet, zoo ge niet het oorspronkelijke--trouwens zelf wederom eene kopie naar een grieksch model--hebt aanschouwd. Sedert ons de oorspronkelijke werken uit het beste tijdperk der grieksche kunst zijn bekend geworden, moge dit beeld niet meer voor het ideaal der plastiek kunnen gelden, toch blijft het een der edelste kunstgewrochten, ons door de oudheid nagelaten. Men weet nu, wat de figuur eigenlijk voorstelt, het is de god, uit zijn tempel komende en de ontzaglijke Aegis opheffende, waarmede hij de aanstormende Galliërs, die zijn heiligdom te Delphi plunderen wilden, op de vlucht drijft. Met wat wonderbaar geluk, of liever met wat onbedriegelijken kunstenaarstakt, is die houding weergegeven: met vluggen, snellen tred schrijdt de god voorwaarts, langs zijn vluchtende vijanden heen, die hij zijn ontzaglijk wapen tegenhoudt. Wat ligt er op dat wonderschoone gelaat eene uitdrukking van kalme majesteit, van vreugde over de zegepraal, vermengd met een fiere minachting voor de ruwe barbaren, die het wagen durfden zijn tempel te naderen! Alles is hier in de volkomenste harmonie; het eenige wat ons belet dit beeld onder de hoogste gewrochten der zuiverste kunst te rangschikken, is een zeker streven naar gemaaktheid, iets gezochts, dat manier verraadt: een gebrek evenwel, dat nu eigenlijk alleen kenbaar wordt door vergelijking met de ongeëvenaarde scheppingen van het Parthenon.
In een ander kabinet prijkt de niet minder bekende en beroemde groep van _Laokoon,_ het werk van drie rhodische beeldhouwers, Agesander, Polydorus en Athenodorus. Deze groep werd in 1506 onder de ruïnen van het paleis van Titus gevonden, juist ter plaatse waar zij, volgens de beschrijving van Plinius, stond. Wij zullen ons hier niet begeven in een onderzoek naar den tijd der vervaardiging van dit meesterstuk, al kunnen wij, op innerlijke gronden, ons niet vereenigen met de meening van hen, die, zich op eene eenigszins dubbelzinnige uitspraak van Plinius beroepende, beweren dat deze groep onder de regeering van Titus zou vervaardigd zijn. Evenmin kunnen wij in eene uitvoerige beschrijving of beschouwing treden, waartoe anders de Laokoon zoo ruimschoots gelegenheid geeft. Een enkel woord slechts over de voorstelling. De legende verhaalt hoe Laokoon, de priester van Poseidon, zijne stadgenooten de Trojanen had gewaarschuwd tegen het inhalen van het noodlottige houten paard, door de Grieken, bij hun geveinsden aftocht, in het kamp achtergelaten. Daardoor haalde Laokoon zich den toorn van Apollo op den hals, die, om hem te straffen, juist toen hij met zijne beide zonen gereed stond te offeren, twee reusachtige slangen, boden van den toornenden god, op hem afzond, die den priester met zijne kinderen doodden. De kunstenaars hebben nu het oogenblik gekozen, waarop de vreeselijke slangen den vader en de beide jongelingen in hare afschuwelijke kronkels hebben gevat; de jongste zoon heeft den doodelijken beet reeds ontvangen, en zinkt stervend achterover; de oudste is eerst even gevat, en heft de hand op naar den vader, die zich vergeefs poogt te ontdoen van de hem omkronkelende slang en in den zielsangst der nijpendste smart het hoofd ten hemel wendt en eene laatste klacht uitstoot. Dit is slechts eene koude schets: maar onmogelijk is het, de aangrijpende, zielroerende uitdrukking van deze, ook uit een technisch oogpunt zoo wonderschoone groep weder te geven, die niet ten onrechte eene tragedie in marmer is genoemd.
Eer wij de andere galerijen bezoeken, willen wij ons even gaan vertreden in den _Plantentuin_, en daar een blik werpen op de rijke menagerie, die de oudheid ons heeft achtergelaten. Deze verzameling heeft ter wereld hare wedergade niet. Zij bestaat uit niet minder dan honderd-vijftig beelden en groepen van dieren van allerlei soort. Ook deze zaal is rijk versierd met prachtige ionische zuilen van rood graniet, terwijl de vloer met heerlijke mozaïeken is ingelegd, waarop gevogelte en wild is afgebeeld.
De verzameling, die haar ontstaan dankt aan Pius VI, en door zijn opvolger werd voortgezet, is met groot talent gerangschikt en in orde gebracht door den zeer bekwamen beeldhouwer Francisco Franzoni, die zich vooral door zijne voortreffelijk geslaagde restauraties een welverdienden naam beeft verworven. De zeer eigenaardige collectie trekt u onwillekeurig aan: de meest alledaagsche dieren krijgen hier een zeker ideaal voorkomen; terwijl daarentegen de griffioenen, de hippogryphen, de minotauren, de sphinxen en andere fabelachtige monsters zulk eene uitdrukking van waarheid dragen, dat ge bijna aan hun bestaan zoudt gaan gelooven. Voor sommige diersoorten, met name voor het paard en den hond, is het ook merkwaardig, na te gaan welke type de ouden hebben gekend of bij voorkeur aangekweekt. Ziehier eene zeer fraaie groep: een hert door een bulhond aangevallen. De dog is zeer sterk gebouwd en bezit blijkbaar groote spierkracht; het is een prachtig dier, met een minder afgeknotten snuit dan onze dog; de ooren zijn afgesneden, even als men nog tegenwoordig doet. Vlak daarnaast staat een andere, niet minder fraaie groep; een gevecht van een beer met een stier. Voorts ziet ge hier jacht- en hazewindhonden, in verschillende standen; wolven, koeien, hazen, geiten, eenden, kippen, hanen, ganzen, watervogels, fazanten, pelikanen: eene gansche menagerie.