# Het Vatikaan De Aarde en haar Volken, 1873

## Part 3

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/het-vatikaan-de-aarde-en-haar-volken-1873-14507/index.md

Hoe triviaal schijnt, nevens deze naïeve mystieke scheppingen, die _Piëta_ van Caravaggio; hoe koud en dood en onharmonisch van kleur, die _marteldood van Sint Erasmus_, een van de kolossale vergissingen van Poussin, wiens talent wel het minst voor de behandeling van dergelijke onderwerpen geschikt was.--Merkwaardig, vooral uit een historisch oogpunt, is de fresko van Melozzo van Forli, die door Leo XII uit de bibliotheek naar de loges en vervolgens van den muur op doek werd overgebracht. Het stuk stelt Sixtus IV voor, zijn bibliothekaris platina ontvangende; het geeft ons de origineele portretten van Girolamo Riario, heer van Porli van Jan De la Rovère, van Bartolommeo Sacchi, bijgenaamd Platina, den schrijver van de _Geschiedenis der Pausen_; van paus Sixtus IV, en van diens beide neven, de kardinalen Pieter Riario en Juliaan De la Rovère: de eerste bekend wegens zijne verkwistende levenswijze en jong gestorven; de tweede, beroemd als paus Julius II. Deze figuren zijn met meesterhand geteekend; ge herkent daarin het talent van een kunstenaar, dien Raphaël Maffei een eerste plaats onder de portretschilders van zijn tijd toekende. Wij mogen dus op de gelijkenis vertrouwen: en dan is het inderdaad treffend, dit portret van Julius II te vergelijken met latere. Hier zien wij een slank jonkman voor ons, bruinachtig van kleur, eenigszins schuw en zedig van voorkomen; de uitdrukking van zijn gansch niet onbevallig gelaat teekent verstand en vernuft; Juliaan De la Rovère is hier voorgesteld zonder knevel of baard. Als men deze beeltenis vergelijkt met het portret van paus Julius II door Raphaël, waarvan het oorspronkelijke zich te Londen bevindt en eene kopie in het paleis Pitti hangt, wordt men onwillekeurig getroffen door de zeldzame verandering, die de ouderdom en de zorgen der regeering in het gelaat van dezen krijgshaftigen opperpriester hebben gewrocht.

Met opzet heb ik tot dusver gezwegen van twee schilderijen, die, naar het zeggen van alle cicerones en ook naar het oordeel van zoovele kunstrechters, de kroon spannen boven alle anderen, en den hoogsten roem van dit uitnemend museum uitmaken: de _Transfiguratie_ van Raphaël, en de _Communie van Sint-Hieronymus_ van Domenichino. Deze beide schilderijen zijn tegenover elkander in dezelfde zaal geplaatst, waar zich, op den achtergrond, ook nog een derde stuk bevindt, de _Madonna van Foligno,_ mede van Raphaël, dat echter door de meeste toeristen ternauwernood werd opgemerkt. En toch staat deze Madonna, in hare aanbiddelijke reinheid, hare ideale naïeviteit, haar onbeschrijfelijk teeder-harmonisch koloriet, naar mijne schatting zeerveel hooger dan de zoo wijd beroemde Verheerlijking op den berg.

Buiten twijfel is de Transfiguratie eene voortreffelijke schilderij, rijk aan overschoone détails, die de meesterhand verraden;--de opmerking heeft eigenlijk geen pas, waar het een werk van Raphaël geldt. Maar hoe menigmalen ik dit stuk ook heb gezien en bestudeerd, steeds heeft het mij onbevredigd gelaten. Dit is wel in de eerste plaats het gevolg van de samenkoppeling in eene zelfde schilderij van twee episoden, die met elkander in geen verband staan. Het bovenste gedeelte is geheel gedacht en uitgevoerd in dien mystieken, idealen zin, dien Raphaël van de oude florentijnsche school had overgeërfd, en die in hem zelf zijn hoogste en volkomenste uitdrukking vond. Die, te midden der hemelsche heerlijkheid, in een lichtgloed zwevende figuur van Christus, ter wederzijde omgeven door de bovenaardsche beelden van Mozes en Elia; de apostelen, verzonken in de aanschouwing van huns Heeren heerlijkheid; die knielende figuren van Sint-Laurens, en Sint-Juliaan, de beschermheiligen van den kardinaal Giulio de Medicis (later paus Clemens VII); voor wien Raphaël deze schilderij vervaardigde: deze geheele voorstelling verplaatst u zoo volkomen in eene hoogere ideale wereld, dat het u bijkans te moede is als zaagt ge plotseling een der verheven visioenen van Dante in lichamelijke werkelijkheid voor u.--Maar nu, daar vlak onder, aan den voet des bergs waarop de hemel is nedergedaald, aanschouwt ge een gansch ander tooneel: een groep mannen en vrouwen rondom een knaap, aan heftige stuiptrekkingen ten prooi. Het is het bekende verhaal van den bezeten knaap, dien de apostelen niet konden genezen. Nu is reeds, naar mijne bescheiden meening, de samenvoeging, de nevens of liever boven elkander plaatsing van twee zoo gansch verschillende voorstellingen een kwalijk te verdedigen waagstuk, waardoor de eenheid van het kunstwerk noodzakelijk moet verloren gaan. Doch het contrast wordt hier nog scherper, omdat dit gedeelte der schilderij--na Raphaëls dood door Giulio Romano afgewerkt--in een geheel anderen geest, onder den invloed van geheel andere denkbeelden, is geschilderd. Niet enkel verraadt zich in de teekening der figuren en in het koloriet een realisme, dat hemelsbreed verschilt van de ideale opvatting der eigenlijke Transfiguratie: maar er is iets ergers. In dit aardsche gedeelte der schilderij geen spoor van dat verheven, naïeve gevoel, dat zich alleen om de voorstelling zelf, om de uitdrukking bekommert, en niet denkt aan de toeschouwers, aan het publiek. Integendeel, dit geheele tooneel is blijkbaar aangelegd voor de toeschouwers; het is gearrangeerd en in de eerste plaats op effect berekend. Ge bewondert zonder twijfel het talent van Raphaël, zijn volkomen meesterschap over de techniek der kunst: maar zijn ideaal dichterlijk gemoed, zijne hooge ziel spreekt hier niet meer tot u. De sterksprekende, welhaast melodramatische houdingen en standen en groepeeringen van al deze figuren zijn opzettelijk aldus gekomen om indruk op u te maken; al deze personen vervullen eene bijzondere rol, als de beelden in een kunstig gerangschikt _tableau vivant_. Deze methode zal steeds meer en meer de heerschende worden, en de andere, de naïeve, geheel verdringen; de schilders der latere eeuwen zullen altijd in de eerste plaats vragen, welk effect hun schilderij zal maken: en de kunst zal daarbij die roerend teedere maagdelijkheid, die argelooze onbevangenheid (vergeef het eenigszins vreemde woord; schreef ik voor Duitschers, ik zou zeggen, _Unmittelbarkeit_) inboeten, die haar in vroeger eeuwen eigen was. Maar bij Raphaël is men dit niet gewoon; en de bovenste helft der schilderij is ook daarvan geheel vrij. Juist dit is het stuitende in dit kunstwerk, dat eene mystiek-middeleeuwsche en eene modern-realistische schilderij in hetzelfde kader zijn samengevoegd: twee elementen, die elkander uitsluiten. Ter verklaring van deze anomalie heeft men gewezen op de omstandigheid, dat de kardinaal Giulio de Medicis, tegelijk met de Transfiguratie aan Raphaël, aan Sebastiaan del Piombo een ander werk had opgedragen, de Opwekking van Lazarus. Sebastiaan del Piombo nu was de beschermeling van Michel Angelo, onder wiens leiding en in wiens geest hij arbeidde. Raphaël, wel wetende wie zijn eigenlijke mededinger zou zijn, heeft nu naar men meent, de eene helft zijner schilderij opzettelijk in dien zin opgevat en uitgewerkt, om daardoor te toonen dat hij, ook op diens eigen terrein, met Michel Angelo kon wedijveren. De gissing is misschien gegrond, maar is toch eigenlijk geene verontschuldiging.

Dezelfde kunstrechters, die de _Transfiguratie_ als het beste werk van Raphaël en de volmaaktste schilderij ter wereld hebben geprezen, zijn ook onuitputtelijk geweest in den lof der _Communie van Sint-Hieronymus_, het eenige stuk, dat, huns erachtens, met de Verheerlijking vergelijkbaar was. Toch is deze reputatie, uit het oogpunt der hoogste kunst, en voor wie vrij van vooroordeelen en gemaakte traditiën oordeelt, niet gerechtvaardigd. Deze schilderij mist leven, en laat u koel. Hare voornaamste bekoorlijkheid ontleent zij aan haar schitterend koloriet, aan het prachtig schoone landschap, dat den achtergrond uitmaakt. Maar hoe jammerlijk is de hoofdpersoon mislukt! Dat blauwachtig vale lichaam van den stervende, niet zuiver geteekend, met die kenteekenen van een conventioneelen ouderdom; dat gelaat zonder uitdrukking en zonder aureool, waarop zelfs geen schijn van bewustheid is te vinden van de heilige handeling die voltrokken wordt, en evenmin in den adel der lijnen, een spoor van hetgeen Sint-Hieronymus eenmaal was; de goedhartige, welmeenend vrome uitdrukking op het gelaat van Sint-Ephrem, die met het sakrament komt aandragen, als een ziekenoppasser met een drankje; die Arabier, zoo koud en onverschillig, die, naar men zegt, het Oosten moet voorstellen:--met één woord en om alles te zeggen, dit volstrekte gemis van aandoening, van overtuiging, van waarachtig geloof in de gewijde mysteriën, aan wier voorstelling men zich waagt:--dit alles laat u, zoodra ge eenmaal den theatralen indruk der schitterende verschijning overwonnen hebt, onverschillig en koel. Welk een onmetelijk verschil tusschen stukken als dit, zoo blijkbaar vervaardigd zonder dat het onderwerp zelf voor den kunstenaar eenige andere beteekenis dan eene zuiver aesthethische had;--en de zielvolle, roerende, mystieke scheppingen van een fra Angelico, gebeden in lijnen en kleuren, lofzangen op doek of paneel! In waarheid, ware mij uit de drie stukken dezer zaal de keuze gegeven: zonder aarzelen koos ik die heerlijke Madonna van Foligno, de aanbiddelijke Moeder-maagd, spelende met haar goddelijk Kind.

V.

Gorden wij ons thans aan tot een bezoek in de talrijke galerijen, waar de meesterstukken der antieke kunst worden bewaard, en beginnen wij die lange reis, naar chronologische volgorde, met de oudste tijden. Gregorius XVI heeft het vatikaan verrijkt met twee verzamelingen, die ons lange reeksen van eeuwen terugvoeren, verder zelfs dan den tijd, waarvan de historie heugenis heeft tot den oorsprong der kunst in het verre Oosten en in het alaude Latium. Ik bedoel het egyptische museum en het etrurische museum, beiden door dezen geleerden en kunstlievenden paus gesticht.

Wij begeven ons eerst naar de egyptische verzameling.

Ik weet niet, of het vatikaansche museum, evenals dat van den onderkoning van Egypte te Boulak, afbeeldingen bezit uit den tijd van Chephren, den Pharao van de vierde dynastie, die de tweede pyramide heeft gebouwd, en wiens peinzend gelaat heugenis heeft van misschien vijftig eeuwen. Maar het museum bezit toch enkele monumenten van het zoogenaamde nieuwe rijk, te beginnen met Amasis, den stichter van de achttiende dynastie; dat wil zeggen omstreeks 1700 jaren vóór Christus. Tot dit tijdvak behoort de voortreffelijk bewaarde mummie--al te goed bewaard, want haar aanblik is afschuwelijk--van een priester van Ammon, op wiens borst de naam Amosis geschreven staat. In de groote zaal vindt men een standbeeld van graniet, dat, naar men zegt, de moeder voorstelt van dien beroemden held en veroveraar der negentiende dynastie, van dien Ramses II, dien de Grieken Sesostris noemden, en wiens zoon Menephtha getuige was van den uittocht der Israëlieten. Dit beeld is opgegraven in de tuinen van Sallustius; het merkwaardige kapsel, met den sperwer versierd, en de fijne bearbeiding prenten de herinnering aan dit kunstwerk in uw geheugen. De kolossale sarkophagen in den vestibule zijn misschien niet ouder dan het begin der acht-en-twintigste dynastie, toen Egypte, voor eene korte poos van het perzische juk ontslagen, onder den eersten Nectanebos zijne onafhankelijkheid herwon: uit dezen tijd zijn een aantal fraaie sarkophagen bekend. Een daarvan is echter stellig ouder, die namelijk van een priester, Neith-Mah genoemd, die ten tijde van Psammetichus leefde, toen, volgens Herodotus, de stad Saïs het middelpunt werd eener nieuwe beschaving, die zich niet langer stelselmatig van alle aanraking met vreemden afsloot. De Egyptenaren knoopten betrekkingen aan met de Grieken; ook is de helleensche invloed, reeds lang vóór het macedonische tijdperk, in hunne kunst zeer merkbaar. Uit de laatste tijden van het dusgenaamde nieuwe rijk, dus nog altijd vóór de perzische verovering, dagteekenen waarschijnlijk de twee fraaie leeuwen die langen tijd de fontein van _Acqua-Felice_ hebben versierd, en in 1443 nabij het Pantheon werden opgegraven. Tot dienzelfden tijd behooren waarschijnlijk twee vrouwenbeelden, in halve grootte; de eene is gehuld in een fijn en nauwsluitend gazen gewaad, hare trekken hebben eene zonderlinge, geheimzinnige uitdrukking: het is of hare lippen zich zullen openen, om u een of ander geheim toe te fluisteren. De andere, met een sluier om het hoofd, en in een soort van _peplum_ gedrapeerd, draagt een hoorn des overvloeds in hare hand; ook in dit beeld is het egyptische karakter niet te miskennen, maar toch veel minder sterk uitkomende.

Van de Papyrussen heb ik alleen te spreken om de voortreffelijke schikking van deze collectie te roemen, en om uwe aandacht te vestigen op een menigte kleinere voorwerpen, in de zalen, die naar de Papyrussen voeren. Daar vindt ge, emailwerk, bronzen versierselen, beeldjes van hout en gebakken aarde, afgodsbeelden, dieren, vazen, huisraad, enkele mummies van katten, en dergelijke meer. Ik herinner mij vooral een grooten kever van jaspis, gedagteekend uit het twaalfde jaar der regeering van Amenophis III, uit de achttiende dynastie; uit het opschrift op dezen kever blijkt, dat te dier tijde (omstreeks 1600 jaar vóór Christus) het rijk zich uitstrekte van Mesopotamië tot aan het land van Karo, bij het tegenwoordige Abessinië. Het egyptische museum van het Vatikaan kan, bij voorbeeld, met dat in den Louvre niet op eene lijn worden gesteld, vooral wat betreft de monumenten van zeer ouden tijd; maar het munt uit door grooter verscheidenheid en vergunt u beter, een blik te werpen op het intieme leven van dit merkwaardige en geheimzinnige volk. Ook is de schikking der voorwerpen minder streng wetenschappelijk misschien, maar zeker veel bevalliger en uitlokkender. Zelfs hij, die uit bloote nieuwsgierigheid deze zalen doorwandelt, zal zich toch telkens door het een of ander aangetrokken gevoelen.

Gregorius XVI heeft de zeer gelukkige gedachte gehad, de egyptische _pastiches_, dat wil zeggen de navolgingen van egyptische kunst, die tijdens het keizerrijk en vooral onder Hadrianus, zeer in de mode waren, in eene afzonderlijke afdeeling bijeen te brengen. Eene vergelijking tusschen deze gewrochten en de monumenten van echte oud-egyptische kunst is uiterst leerzaam. Al deze beelden hebben eene zaak gemeen: zij missen dat onbedriegelijke _cachet_, dat alleen ware, oorspronkelijke kunst eigen is, evenals de geur der natuurlijke bloem niet kan worden nagebootst. Deze beelden zijn stom en dood, en wekken geene enkele gedachte bij u op; hun gelaat, hunne houding, alles verraadt toeleg en berekening. Deze beelden zijn niet waar. Gezwegen nog van de verschillende wijzen van bewerking, waaraan men meestal niet denkt en die toch van zoo overwegenden invloed zijn op het geheele karakter van het kunstwerk, moeten wij niet vergeten dat deze Osiris- Ptah- en Horusbeelden van Hadrianus niet meer de type teruggeven van een bepaald ras; hetgeen de oude Egyptenaars, zelfs onbewust, wel deden. Het zijn dus niet veelmeer dan poppen, fraai bewerkt somwijlen, zonder twijfel, maar wier waarde toch eigenlijk afhankelijk is van de kostbaarheid der stof en de moeilijkheden van uitvoering, die de kunstenaar te overwinnen had. Eigenlijk behooren zij tot de rubriek der voorwerpen van de industriëele kunst, de dienares van mode en smaak, wier werken met deze voorbijgaan. Maar hebben wij, bij een blik op onze eigene kunstwerken, wel het recht zoo laag op deze pastiches neer te zien?

Na een vluchtig bezoek aan het egyptische museum, waar wij de overblijfselen voor ons hebben eener kunst, ten deele ouder dan de geschreven overleveringen en historische berichten, willen wij een blik werpen op de monumenten der etrurische kunst, weinig minder merkwaardig. Ook dit volk der Etruriërs of Etrusken is voor ons--eigenlijk nog veelmeer dan de Egyptenaars--in ondoordringbaar duister gehuld. Wij weten weinig van zijne herkomst, vermoedelijk uit aziatisch Griekenland; bijna niets van zijne geschiedenis, dan alleen waar zij in aanraking komt met die der Romeinen, die de Etrusken onderwierpen; niets van hunne taal, waarvan ons geen andere gedenkstukken zijn overgebleven, dan enkele kleine, nog niet ontcijferde opschriften. Alleen weten wij dat de Etrusken, voor de historische tijden, in het tegenwoordige Toskane en een deel van het oude Latium waren gevestigd; dat zij een betrekkelijk hoogen trap van beschaving, blijkbaar door grieksche invloeden beheerscht, moeten hebben bereikt; en dat hunne kunst ook bij de Romeinen in eere is gebleven, tot zij door de hoogere grieksche verdrongen werd.

Op onzen weg van het egyptische naar het etrurische museum kunnen wij reeds een blik werpen op de grieksche wereld, hier zoo schitterend vertegenwoordigd. Hoe gehaast ge ook zijn moogt, het zal u wel onmogelijk wezen niet eenige oogenblikken te toeven in eene zaal, die als het ware een vestibule vormt, aan bijna alle kanten open is; en met een prachtige driedubbele trap prijkt, die naar de bovengalerijen voert. Naar welke zijde ge hier uwe blikken richt, overal schemeren u wonderen tegen. Maar ik dien u wel eene meer volledige beschrijving van deze zaal--bij uitnemendheid schoon onder de vele verwonderlijk schoone zalen van het vatikaan--te geven.

De zaal heeft den vorm van een grieksch kruis, waaraan zij ook haar naam ontleend: het is een dier meesterstukken van bouwkunst, zooals de achttiende eeuw ze bijwijlen wist te scheppen, en die volkomen beantwoorden aan de voorstelling, die wij ons van de antieke paleizen vormen. De veelkleurige mozaïek in het midden; de kolommen van koralijn en groen porfier, die het gewelf en de zijwanden der marmeren trappen dragen; de bas-reliefs ter wederzijde van den middelsten boog; de groen granieten vaas op den architraaf, die de hoogere gewelven zoo goed doet uitkomen; de eenvoudig smaakvolle versiering van de fries; de sphinxen aan den voet der trappen; die gelukkige verdeeling en inrichting, die u vergunt, onder verschillend licht, drie verdiepingen wedijverende in pracht met een enkelen blik te omvatten; die veelkleurige, met zoo juisten takt aangebrachte marmers; de wondervolle harmonie en rustige beweging van het geheel, waar alle deelen samenstemmen: dit alles maakt een onbeschrijfelijken indruk. Ge kunt u hier inderdaad in eene klassieke godenwoning, een voorhof van den Olympus, denken: en het zou u bijna niet verwonderen, indien eene of andere grieksche gestalte, een Alcibiades of eene Phryne, u tegentrad. Dit uitnemend kunststuk werd onder Pius VI, door Camporese en Simonetti gebouwd.

Na hier onze oogen verkwikt te hebben, bestijgen wij de trappen, die naar het etrurisch museum, mede eene schepping van paus Gregorius XVI, voeren.

Deze verzameling is misschien nog wel zoo merkwaardig als de egyptische. De etrurische kunst, wier oorsprong en ontwikkeling zich in den nacht der tijden verliest, heeft slechts eene verwijderde verwantschap met de kunst van het oude Egypte. Voor deze etruskische scheppingen staat ge niet in stomme verbazing als voor een onbegrepen raadsel, stil, zooals voor de beelden van Thebe en Memphis; men heeft hier niet meer te doen met goden en menschen van een ander geslacht, die ons altijd vreemd blijven, en in hunne strenge afgeslotenheid, als met zeker medelijden, op ons schijnen neer te zien. De Etrusken, uit Azië afkomstig en op italiaanschen bodem overgeplant, staan ons nader; de beweging, de uitdrukking waarnaar hunne kunstenaars streven, zijn aan onzen eigen smaak, aan ons eigen begrip van kunst, verwant; de onderscheidene gelaatstrekken zijn voor ons begrijpelijk: wij herkennen daarin onze eigene gemoedsbewegingen en aandoeningen.

De opgravingen hebben eene menigte voorwerpen aan het licht gebracht, die in het gewone dagelijksche leven werden gebruikt: daardoor is dit museum voor onze kennis der Etrusken ongeveer van dezelfde beteekenis, als het pompeïsche museum te Napels voor die der romeinen uit de eerste eeuw. In de kleinere beeldhouwwerken, zooals bas-reliefs, bronzen, voorwerpen van terracotta, lijkbussen en dergelijke, schijnt mij de eisch der ideale schoonheid ondergeschikt te zijn gemaakt aan de uitdrukking van het gelaat, aan de uiting van zekere gedachte, evenals wij dit in de middeleeuwsche kunst opmerken; bij de versiering der vazen schijnt men zich daarentegen meer te hebben toegelegd op het heroïsche in den stijl, altijd met behoud van eene zuiver opgevatte en weergegeven handeling. Dit eigenaardig karakter valt vooral in het oog, wanneer zooals hier is geschied, etrurische vazen naast grieksche ten toon worden gesteld.

De inscripties onder de beelden zijn, zooals ik zeide, tot dusver nog niet ontcijferd. Daar ook de catalogus van dit museum nog niet verschenen is, zullen wij ons bepalen tot eene vluchtige aanteekening omtrent sommige voorwerpen, die meer bijzonder mijne belangstelling hebben opgewekt.

Reeds dadelijk bij het binnentreden in de galerij wordt uwe opmerkzaamheid getrokken door vier groote sarkophagen, waarvan twee uit steen zijn gehouwen. Op het deksel van de eene tombe ligt het beeld van den doode, door zijne vrouw en kinderen omgeven; het bas-relief langs den wand verbeeld een menschenoffer. Op den tweeden sarkophaag rust een priester, door de teekenen zijner waardigheid omringd. De beide anderen, van gebakken aarde (terracotta) vervaardigd, prijken insgelijks met liggende figuren. Door den stijl, door de schikking, maar vooral door den omtrek der beelden, herinneren deze monumenten aan de kunstwerken der middeleeuwen; men zou bijna denken, dat, in het midden der twaalfde eeuw, de bewoners van Chiusi, Arezzo, Cornetto en de zuidelijk gelegen streken, plotseling de traditie der Grieken en Romeinen ter zijde zettende, als bij instinkt, de oud-vaderlandsche etruskische kunst tot hun model hebben gekozen. De borstbeelden boeien u vooral door de uitdrukking van het gelaat, ik herinner mij er met name twee van terracotta, die men bijna voor de portretten van blond engelsche _misses_ zou aanzien. Zie ginds dat bronzen standbeeld te Todi opgegraven; doet die krijgsman, met zijn gevleugelden helmkam en zijn borstharnas, met zijne fiere houding en gebiedenden blik u niet denken aan een of anderen baron of kruisridder? De beelden van goden en genieën dragen daarentegen een zoo echt oostersch karakter, dat ge in uwe verbeelding plotseling naar het hart van Indië wordt teruggevoerd. Vergeet vooral gindsche _Biga_ niet, een op twee wielen rustenden wagen, van hout met koper overtrokken; de as der wielen is met baviaankoppen versierd. Zulk een antiquiteit is niet alleen zeer merkwaardig, maar ook uiterst zeldzaam. Deze wagen, waaraan zelfs de dissel niet ontbreekt, is ongeschonden opgedolven.--Voortdurend treft ons, bij het beschouwen der monumenten van etruskische kunst, dat eigenaardig karakter van oorspronkelijkheid gepaard aan eene groote mate van ontvankelijkheid voor vreemde invloeden. Staat in de oudste perioden deze kunst meer onder den invloed van de oostersche, met name van de egyptische, in later tijdvakken is de heerschappij van het grieksche kunstideaal, in zijne verschillende ontwikkelingen, onmiskenbaar: in die mate zelfs, dat vele echt etruskische werken herhaaldelijk voor grieksch zijn aangezien. En toch blijft er, ondanks die zeer zichtbare navolging, in deze kunstscheppingen iets eigenaardigs, iets oorspronkelijks, dat, uit een zuiver esthetisch oogpunt, hare waarde dikwerf niet verhoogt, maar haar daarentegen dubbel merkwaardig maakt als openbaringen van den eigenlijken geest van dit volk, welks geschiedenis en leven nog, in zoo menig opzicht, voor ons in duister is gehuld.

