Het Vatikaan De Aarde en haar Volken, 1873

Part 2

Chapter 2 3,497 words Public domain Markdown

Indien ge zoo gelukkig zijt vermogende voorspraak te hebben, dan zullen nog andere schatten voor u aan het licht worden gebracht: de _Bijbel_ van den heiligen Gregorius den Groote, het romeinsche handschrift van Terentius, en de oude palimpsest, waarop de kardinaal Angelo Maï onuitgegeven fragmenten heeft ontcijferd van Cicero's redevoeringen _Pro Scauro_, _In Clodium_, _Pro Flacco_, en van zijne verhandeling _De Republica_, welke fragmenten hij in 1814 en 1822 heeft uitgegeven. Den beroemden _Codex Vaticanus_, dat overoude handschrift der Evangeliën, krijgt ge niet te zien; ge weet, dat zelfs de geleerde prefect der Libreria niet dan met groote moeite de vergunning kon verwerven, dezen kostbaren Codex te commentariëeren;--maar, onder de minder oude _codici_ zult ge er toch nog genoeg vinden, die uwe aandacht trekken, en die men u zonder bezwaar in handen geeft. Ziehier bij voorbeeld: "DE HANDHAVING DER ZEVEN SACRAMENTEN _tegen Maarten Luther, door den onoverwinnelijken Koning van Engeland en Frankrijk en Heer van Ierland, Hendrik, de achtste van dien naam."_ Dit in het latijn geschreven boek, dat in 1521 bij Pynson te Londen gedrukt werd, heeft op de laatste bladzijde de volgende opdracht aan den paus, door Hendrik VIII eigenhandig geschreven: _"Anglorum rex Henricus Leoni Xo_, mittit hoc opus ad fideï testem et amicitae." De tegen Luther gerichte _Assertio_ vewierf dezen strijder voor de katholieke eenheid den titel van _Defensor fidei_, Verdediger des geloofs: een titel, hem door den paus geschonken, en sedert door de schismatieke souvereinen van Groot-Brittanje, door Hendrik VIII zelf in de eerste plaats, als wapen tegen den paus gebruikt. Alle volgende koningen van Engeland hebben--dwaas genoeg--tot heden dien titel, die toch geen zin meer heeft, gevoerd.

Zal ik melding maken van de handschriften met miniaturen: van de _Homeliën van Sint-Gregorius_, de _Dogmatica panoplia_, den _Monoloog van Basilius II_ (elfde eeuw); van het _Boek van Josua_ (zevende eeuw); van den _Dante_, het _Missaal_ van Matthias Corvinus, koning van Bohemen en Hongarije, meesterstukken uit de vijftiende eeuw; van de overheerlijke pauselijke _Antiphonariën_, door de uitnemendste geniën der onvergelijkelijke, diepzinnig-mystische school van Umbrië geïllustreerd; van het _Jachtboek_ van keizer Frederik II; van den _Virgilius_ uit de twaalfde eeuw, den _Terentius_ uit de negende; van nog een anderen _Virgilius_, naar men zegt uit den tijd van paus Pelagius.... Maar een boekdeel ware te vullen met de enkele opnoeming dezer ongeëvenaarde kunstschatten, dezer historische schatten, hier in zoo kwistigen overvloed bijeenverzameld.

Nog veel minder waag ik mij aan ook maar eene bloote vermelding van het vatikaansche archief, in afzonderlijke zalen bewaard. Als men zich ook slechts een enkel oogenblik voor den geest roept, welke rol het pauselijk hof in Europa heeft gespeeld, en hoe, eeuwen en eeuwen achtereen, alle draden van de geschiedenis der halve wereld hier samenliepen:--dan zal men zich eenigermate kunnen voorstellen, welke beteekenis deze archiven voor de geschiedenis, niet maar van een of ander land of bijzonder tijdperk, maar voor de algemeene geschiedenis der menschheid, hebben.

Doch al deze schatten, wier bewaking aan een gepurperden _Custode_ is opgedragen, zijn uiterst moeilijk te genaken. In de bibliotheek is wel eene kleine leeskamer, waar ge kopiïsten vindt voor zes verschillende talen; maar deze zaal sluit om twaalf uren op den middag, en uithoofde van de menigvuldige feesten, wordt zij stellig op honderd ochtenden van het jaar niet ontsloten. Naar men zegt, bestaan er wel geschreven catalogussen, maar ge krijgt die niet in handen, met uitzondering van den inventaris der oostersche Codices, de eenige die tot dusver gedrukt is. Eindelijk moet ge voor elk nieuw boek dat ge wenscht te gebruiken, eene nieuwe vergunning hebben, en is die niet te verkrijgen zonder tusschenkomst van een gezant. Ziedaar, voorwaar, hinderpalen genoeg! En toch, daar blijft het nog niet bij. Eene met eindeloos veel moeite verkregen vergunning wordt somwijlen, onder het nietigste voorwendsel, eensklaps weder ingetrokken. Bovendien kunt ge, zelfs met een vergunning gewapend, geen enkel manuscript in handen krijgen, tenzij ge het met zijn nommer aanwijst: nu zijn, van sommige afdeelingen, die nommers niet te vinden dan ten koste van eindelooze en vervelende nasporingen in sommige oude en dikwijls nog onvolledige compilatoren. Alles is er op aangelegd, om het gebruik dezer bibliografische schatten zoogoed als onmogelijk te maken. Dit is zeer kleingeestig en bekrompen; bovendien heeft deze onredelijke gestrengheid dit nadeelig gevolg, dat daardoor eene gansche schaar van geleerden en oudheidminnaars, die dit nutteloos begraven van vijf-en-twintigduizend handschriften maar niet vergeven kunnen, worden aangezet om mede hunne stem te voegen bij de vele stemmen der aanklagers van de pauselijke regeering.

Maar zoo deze schatten hier als begraven zijn: het moet worden toegegeven, dat men zich bezwaarlijk een prachtiger tombe denken kan. Uit het bureau der afschrijvers treedt ge door eene kleine ijzeren deur in de groote, onder Sixtus V gebouwde zaal: en onwillekeurig verrast, staat ge een oogenblik als verbijsterd stil. Daar ligt zij voor u, de reusachtige zaal, vijftig voeten breed, en tweehonderd-twintig voet lang, in al hare wondervolle, fantastische pracht: stralende van goud en kleuren, met schilderwerk overdekt, schitterend versierd, prachtig gemeubeld. Zeven zware pilaren, met kasten betimmerd, waarvan de paneelen met miniaturen zijn beschilderd, deelen haar in twee schepen; op de lagere kasten langs de pilaren prijkt eene collectie etrurische vazen. Viviani, Salviati van Florence, Cesare di Nebbia, Salimbeni van Siëna, Guidotti, hebben de wanden, de friezen, het gewelf der zalen met fraaie, levendig gekleurde, deels zinrijke fresko's bedekt. Ge ziet hier, onder meer, eene gansche reeks voorstellingen uit het leven van Sixtus V, den bouwheer dezer zaal; tegen de pilaren zijn de afbeeldingen van de mythische uitvinders van de verschillende alphabetten; op de kroonlijst boven ieder beeld zijn de letterteekenen van het door hem uitgevonden alphabet aangebracht.

Aan het einde der zaal, waar zij zich aan de groote galerij aansluit, staan twee kolossale, fraai bewerkte porseleinen kandelabres. Op dit punt vooral is de aanblik van het geheel, van de rijke weelderig versierde zaal achter u, en van de niet minder prachtige, in bonte kleurenpracht stralende, geheel beschilderde galerij, die zich aan uwe rechter- en linkerhand uitstrekt, inderdaad tooverachtig schoon. Ge hebt moeite te gelooven, dat ge u in eene bibliotheek, en niet in een of ander paleis uit de Duizend-en-eene-nacht bevindt.

Evenals op vele andere plaatsen, is ook hier de bibliotheek vereenigd met een museum van zeldzaamheden en een kabinet van gesneden steenen, cameeën en dergelijke kostbaarheden; maar terwijl elders, zooals ook te Londen en te Parijs, deze verschillende zaken van elkander gescheiden zijn, is hier alles in hetzelfde lokaal bijeen. Om echter de orde te bewaren en verwarring te voorkomen, heeft men een eenvoudig middel bedacht; in plaats van de zaal door houten beschotten te verdeelen en het perspectief te bederven, heeft men de verschillende afdeelingen door lage hekjes, zonder eenig versiersel, om de aandacht niet af te leiden, afgescheiden; vrij en onbelemmerd dwaalt nu de blik, langs de bibliotheek, aan de eene zijde tot in het kabinet, waar de overblijfselen van de trireme van Tiberius worden bewaard, en aan de andere tot in het museum van gewijde kunst.

In den rechtervleugel der groote galerij, wederom van boven tot beneden met schilderwerk bedekt, vindt ge onder anderen, antieke gebeeldhouwde zuilen van porfier; een antieke sarkophaag, in 1777 bij de Capeensche poort opgedolven, en waarin men het geheele kapsel eener romeinsche dame gevonden heeft; eenige fraaie niëllo's in zilver: de _Dood van Medusa_, de _Verslagen Titans_, wellicht van de hand van Benvenuto Cellini; voorts eenige fijne mozaïeken uit de villa Adriana, en vier beroemde borstbeelden: Nero, Balbinus, Septimius-Severus en Octavius-Augustus, benevens een prachtige bronzen buste van een jong meisje.

De linkervleugel brengt ons naar het museum van gewijde kunst, dat zijn oorsprong dankt aan Benediktus XIV. Deze paus, de kostbare verzameling gezien hebbende, met veel moeite en inspanning en na jarenlangen arbeid, door Francesco Vettori bijeengebracht, kwam op den gelukkigen inval om dien geleerde tot conservator van het vatikaansche museum te benoemen. Toen de professor in 1770 stierf, liet hij zijne verzameling natuurlijk aan het door hem beheerde museum na. Hij had dus wel de eer verdiend, om, evenals de kardinalen-bibliothekarissen, in buste te prijken op een der acht kasten, waarin zijne collectie wordt bewaard: eene collectie, laatstelijk verrijkt door eene menigte kleine voorwerpen, die in betrekking staan tot de christelijke eeredienst der eerste eeuwen, en in zes groote platte glazen kasten, op even zooveel tafels geplaatst, zijn ten toon gesteld. Men vindt hier bisschopsringen, ivoren diptyken uit de achtste en negende eeuw; lijkbussen; zoogenoemde _Lacrymae_, glazen flesschen, waarin, naar men zegt, het bloed der martelaren werd bewaard; antieke lampen van gebakken aarde, waarop de symbolen van het christelijk geloof zijn afgebeeld; en een aantal kleine paneeltjes, even merkwaardig als zeldzaam, van de mystieke meesters uit den byzantijnschen tijd. Deze uitnemende verzameling sluit zich geleidelijk aan bij eene collectie oude schilderstukken, door Gregorius XVI in eene der volgende afdeelingen van de galerij bijeengebracht, en waar ge kostbare en zeldzame werken vindt van Margariton d'Arezzo, van Cimabue, van Guido, van Duccio van Siëna, van Giotto, van Massaccio, van Lorenzo Monaco en van den eenigen Giovanni da Fiesole. Bij de keus dezer stukken is men met groote zorgvuldigheid te werk gegaan: alleen wat zich door werkelijke verdienste aanbeval, of uit een archaeologisch oogpunt merkwaardig was, mocht hier eene plaats vinden.

Niet verre van daar is een kabinet, waar Pius VII de stempels van gebakken aarde heeft doen rangschikken, die tijdens het romeinsche rijk werden gebezigd om de pannen, de steenen en andere bouwmaterialen te merken. De grondslag tot deze collectie werd gelegd door dien abt Gaëtano Marini, die zoo ijverig de vatikaansche schatten tegen de fransche roofzucht verdedigde, en die door Napoleon gedwongen werd zijn verblijf in Frankrijk te vestigen, en daar de hand te leenen tot het rangschikken van hetgeen uit het vatikaan was geroofd. Hij stierf te Parijs, kort vóór den slag van Waterloo. De gedachte om eene verzameling van zulke fabriekmerken aan te leggen, moest zeker in de eerste plaats bij den oudheidkenner opkomen, die aan de beschrijving van deze voorwerpen een gansch boekdeel heeft gewijd. Toch moet ge niet, met een voornamen glimlach, de schouders ophalen, noch den ijver geringschatten, dien de Paus tot uitbreiding en volmaking dezer verzameling besteedde: deze stempels toch wijzen de juiste tijdperken aan, waarop de thans in puin gestortte gebouwen zijn gesticht: eene aanwijzing die te meer van belang is, daar de meeste antieke gebouwen bij herhaling gedeeltelijk zijn gerestaureerd of herbouwd. In ditzelfde kabinet bevinden zich ook enkele schilderijen, en daaronder een oud portret van Karel den Groote, met een langen baard en de kroon op het hoofd; men geeft u dit portret als echt: toch is dit ziellooze gelaat met die starende oogen zeker niet ouder dan de twaalfde eeuw.

Het kabinet der papyrussen is een der rijksten: door den schitterenden overvloed van porfier en verguldsel en kostbare steenen; door de prachtige fresko van Raphaël Mengs, de Muze der historie voorstellende, die hare rollen beschrijft, op de schouders van den voor haar gebogen Tijd uitgespreid. Daar bewonderde ik de beroemde _Charters_ van Ravenna, origineele stukken uit de negende tot de twaalfde eeuw afkomstig en op papyrus geschreven. Gaëtano Marini heeft ze in 1805 uitgegeven, in zijne PAPYRI DIPLOMATICI, _descritti ed illustrati_: eene verzameling van honderd-zeven-en-vijftig stukken (bullen, diplomen der vorsten, verschillende overeenkomsten en contracten), waarvan het oudste tot het jaar 444 opklimt. Dit is het oudst bekende charter.

In het kabinet der antieke fresko's bevindt zich een der merkwaardigste overblijfselen van oude schilderkunst, waarvan zoo weinig tot ons gekomen is. Ten jare 1606 werd, op den Esquilijn, dicht bij den _Arco di Galliano_, eene oude fresko-schilderij ontdekt, die sedert algemeen bekend en beroemd werd onder den naam van de _Aldobrandinische Bruiloft._ De kardinaal Aldobrandini, aan wiens familie dat kostbaar gedenkstuk der antieke kunst behoorde en ook zijn naam ontleende, verkocht het aan Pius VII voor 30.000 francs. Voor de opgravingen te Herculanum en Pompeï bezat men geen enkel ongeschonden overblijfsel der antieke schilderkunst, dan deze Bruiloft; en schoon in de woningen der aanzienlijken, in de beide uit haar graf verrezen steden, voortreffelijker werken der oude schilders zijn gevonden, behoort toch de Aldobrandinische Bruiloft buiten kijf nog altijd tot het opmerkelijkste en belangrijkste wat op dit gebied bestaat. De geleerden hebben er lang en breed over getwist, of deze schilderij het huwelijk van Thetis met Peleus, of wel van Bacchus met Cora, of van de Julia van Catullus met Manlius, voorstelde. Hoogstwaarschijnlijk heeft de schilder niets anders bedoeld, dan een familietafereel: eene voorstelling van de bruiloft van den heer des huizes, in wiens woning dit kostbaar monument gevonden werd. Ook nog andere fragmenten van antieke schilderkunst zijn hier op de meest smaakvolle wijze gerangschikt: vooral merkwaardig zijn daaronder enkele groote, zeer licht geschilderde landschappen, met kleine figuren gestoffeerd, eenige tooneelen uit de Odyssee voorstellende; zij werden opgegraven in een krypt in de wijk der _Monti_. Het kost inderdaad moeite en zelfverloochening, van een museum te scheiden, zoo rijk aan zeldzame kunstwerken, zoo bevallig en boeiend door schikking en versiering: maar de _Custode_ zorgt er wel voor, dat gij uw tijd niet verbeuzelt. Toch kon ik, toen wij op onze schreden terugkeerden, niet nalaten nogmaals stil te blijven staan voor de glazen kasten van het gewijde museum, door Benediktus XIV gesticht, en waar zoovele, grootendeels nog onbekende en onwaardeerbare schatten verborgen liggen. Daar ontdekte ik, te midden van andere merkwaardigheden uit de christelijke oudheid, ook een langwerpig medaillon, met de portretten van de Apostelen Petrus en Paulus. Wanneer ik zeg de portretten, dan meen ik daartoe recht te hebben. Immers, naar het oordeel der meest bevoegde rechters, is dit medaillon uit het laatst der eerste of het begin der tweede eeuw afkomstig; en bovendien dragen deze beide koppen onmiskenbaar den stempel van naar het leven te zijn geteekend. Petrus heeft zwaar kroezig haar, een gekrulden baard, en eenigszins grove trekken, die echter zeergoed samengaan met de bewegelijkheid van een zielvol gelaat; ge herkent in hem de type van den semiet, van den man uit het volk, van den man ook der kloeke, snelle daad. Paulus vertoont meer den denker, den geleerde, den redenaar: het gewelfde voorhoofd, de diepliggende oogen, de gebogen neus, het peinzende gelaat, met eene zekere uitdrukking van vermoeidheid: dit alles teekent den wijsgeer, voor wien de wereld der hooge gedachten zijn waar vaderland is. Dit kostbaar medaillon is ook daarom zoo hoogst merkwaardig, omdat wij hier den oorsprong vinden der typen, die de beide apostelen sedert in de christelijke kunst voortdurend hebben gedragen. Er bestaat dus alle reden om aan te nemen dat deze typen, althans wat de hoofdtrekken betreft, inderdaad aan de natuur zelf zijn ontleend.

Meer zal ik van de vatikaansche bibliotheek niet zeggen: het was mij natuurlijk slechts te doen om u eenig denkbeeld van de uiterlijke verschijning, van de inrichting en versiering der lokalen te geven, niet om de bibliografische en andere schatten zelf aan te wijzen, die hier opgehoopt liggen. Uitgezonderd eenige papyrussen, en hier en daar een opschrift bij de schilderijen, had ik in die bibliotheek geen regel schrift, geen enkel boek gezien! Het ware wel te wenschen, dat de diplomatie eene wijziging trachtte te verkrijgen van de strenge en bijkans onzinnige bepalingen, die het gebruik dezer boekerij zoo uiterst moeilijk maken. Maar heel gemakkelijk zal dat niet gaan. Men herinnert zich te Rome nog zeergoed de plunderingen, die de franschen, tijdens de revolutie-oorlogen; hier op groote schaal hebben bedreven; en de gebeurtenissen van den allerjongsten tijd zijn ook niet bij uitnemendheid geschikt, om het pauselijk hof ten deze tot toegevendheid te stemmen.

IV.

Nu ik gereed sta, verder te gaan, gevoel ik steeds meer de zwaarte van de taak, die ik op mij genomen heb, toen ik u uitnoodigde mij te volgen naar het vatikaan. Was het niet al te vermetel, mij zelf de rol van gids toe te bedeelen? Doch nu ik eenmaal die taak op mij genomen heb, mag ik niet teruggaan: wat mij aan krachten ontbreekt, moge de liefde voor mijn onderwerp zooveel mogelijk vergoeden!--Hoe meer ik het vatikaan bezocht, des te beter kon ik begrijpen, dat bijna alle mijne voorgangers er voor waren teruggedeinsd, om hunne lezers door dezen onmetelijken doolhof rond te leiden, en hen bekend te maken met al de schatten, hier in den loop der eeuwen bijeengebracht. Eer wij den tooverkring der oude wereld binnentreden, waarvan wij niet zoo spoedig kunnen scheiden, noodig ik u uit, nog een uitstapje te maken naar eene kleine verzameling van schilderstukken, weinig in aantal, maar bijna allen meesterstukken.

Deze galerij, in het jaar 1857 uit de appartementen Borgia naar de bovenverdieping der loges overgebracht, bestaat uit niet veelmeer dan omstreeks veertig stukken, maar allen van de grootste meesters afkomstig.

Pius VII, die haar aanlegde, liet daar in 1816 de schilderijen plaatsen, die door de franschen waren geroofd en na den val van het keizerrijk weder werden teruggenomen; de opvolgende pausen hebben deze verzameling eenigermate uitgebreid; meer dan eene parel dankt zij aan de milddadigheid van Pius IX. Wij mogen deze galerij niet met stilzwijgen voorbijgaan, zij verdient alleszins de aandacht, niet enkel om de waarde der schilderstukken die zij bevat, maar ook om hare beteekenis uit een historisch en archaeologisch oogpunt, wat de studie van het kostuum en dergelijke aangaat. In de eerste der vier zalen hangen slechts stukken van kleiner afmeting; Raphaël, Beato Angelico, Leonard da Vinci, Garofalo; Crivelli, Mantegna, Perugino, schitteren in deze zaal, waar, nevens hunne fijne en zorgvuldig uitgewerkte paneeltjes, drie heerlijke doeken van Murillo een zeer eigenaardigen indruk maken. Deze twee kleine schilderijtjes, tooneelen uit het leven van Sint-Nicolaas van Bari, bisschop van Myrra, zijn van de hand van fra Angelico, den engel van Fiesole; ook zij werden mede naar Frankrijk gevoerd, en in den Louvre opgehangen, waar ze waarschijnlijk louter als curiositeiten uit een half-barbaarschen tijd werden beschouwd.--De fraaie predella der _Wonderen van Sint-Hyacinthus_, vol van rijke kostumes, van sierlijke gebouwen, van leven en beweging, wordt gezegd afkomstig te zijn van Benozzo Gozzoli, den leerling van fra Angelico; het komt mij waarschijnlijker voor, dat het stuk vervaardigd is door Francesco di Giorgio, een bij ons onbekend schilder uit de school van Siëna, die in 1524 stierf, en van wien men te Siëna nog enkele stukken ziet.--Zie hier een _dooden Christus_ van Crivelli, den Venetiaan uit de middeleeuwen; ook hij reeds uitmuntende door zijn koloriet, maar te zeer op beweging gesteld in een tijd, toen men te Venetië nog niet goed kon teekenen.--Welk een onderscheid tusschen deze naïeve voorstellingen, waar de diep gevoelde uitdrukking dikwerf zondigt door overdrijving, en deze _grisailles_, zoo zuiver van stijl, zoo vol bevalligheid, waarin Raphaël de christelijke deugden symbolisch heeft afgebeeld; deze meesterstukjes zijn door de gravure tamelijk algemeen bekend. Vergeten wij ook niet, in deze zaal een oogenblik te toeven voor een _Sint-Hieronymus_, niet meer dan eene vluchtige schets, maar van de hand van Leonard da Vinci, wiens werk ge zoo zelden het geluk hebt te zien. Omtrent deze schilderij verhaalt men eene zonderlinge anecdote. De kardinaal Fesch, de oom van Napoleon I, zou de onderste helft van dit paneel, dat blijkbaar in twee stukken is gebroken, onder een hoop oude vodden hebben gevonden. Eenige jaren later ontdekte hij toevallig de wederhelft van het paneel, waarop het hoofd en het bovenlijf waren geteekend: de schoenmaker van den kardinaal had die plank onder aan een zitbankje gespijkerd; de beide stukken pasten juist op elkander.

Wij gaan een paar doeken voorbij, waarop wij nader terugkomen en spoeden ons naar de derde zaal, waar onze aandacht wel in de eerste plaats getrokken wordt door een prachtig portret van Titiaan, een doge voorstellende. Vlak daarbij hangt een ander voortreffelijk stuk, dat in der tijd mede naar Parijs werd gevoerd en in 1816 teruggegeven: de _Opstanding_, van Perugino. In den jongsten der wachthoudende soldaten, die bij het graf in slaap zijn gevallen, herkent ge het portret van den jeugdigen Raphaël, 's meesters leerling: eene bijzonderheid, die, ten onrechte trouwens, tot het vermoeden aanleiding heeft gegeven, dat Raphaël zelf aan deze schilderij had medegearbeid. Het stuk is, in meer dan een opzicht, zeer belangwekkend. Een der soldaten die getuigen zijn van de Verrijzenis des Heeren, stelt den schilder zelf voor: merkwaardig is de uitdrukking van dat strakke, onheilspellende gelaat, van den duisteren, wantrouwenden blik, onafgewend op den zegepralenden Christus gericht: uit die trekken, uit dien blik spreekt twijfel, bijkans een verwijt.... Men weet, dat de groote kunstenaar, na den droevigen dood van zijn vriend Savonarola, tot eene sombere twijfelmoedigheid, welhaast tot een soort van stomme wanhoop verviel.

De nauwe verwantschap van Raphaël, bepaaldelijk in het begin zijner loopbaan, met zijn leermeester, blijkt treffend in de _Kroning der Madonna_, die Raphaël, in 1592, voor de Benediktijnen van Perugia schilderde. Het is een Perugino, maar zonder dorheid; het is dezelfde naïeveteit, maar hier veredeld door een instinktmatig gevoel voor stijl; reeds in dit jongelingswerk herkent gij een streven, dat hooger reikt dan waarvan Perugino zich bewust was. Dit neemt niet weg, dat de schilderij van dezen laatste, de _heilige maagd op den troon_ omringd door vier biddende heiligen, met meer recht aanspraak mag maken op den naam van meesterstuk: hier ziet ge voor u het werk van den tot rijpheid gekomen man, die over alle hem ten dienste staande middelen beschikt, om zijne gedachte volledig weer te geven. Dit stuk, een der beste werken van Perugino, is misschien het schoonste en volkomenste gewrocht der kunst, vóór het schitterend tijdvak van de twee groote meesters der Renaissance.