Part 9
Zoo was de wereld toen en zoo is zij nog, en indien Barend van Gulven nu eens al zijn geld en goed verloor, zoodat hij even arm was als jij nu, dan zouden dezelfde menschen, die hem nu in alles trachten ter wille te zijn, zich het eerst van hem afwenden. Doch laat dit je niet verbitteren, Hannes, er zijn immers ook andere menschen, die handelen en spreken zonder aanzien des persoons, maar bovenal, zie het in het reine te brengen met den grooten Meester, die ons het heilige voorbeeld van lijdzaamheid en liefde gaf. Nu echter ga ik naar binnen. Goeden nacht, Hannes, en bid, voor ge dezen nacht gaat slapen, dat God je moge bewaren voor twist en haat, anders konden deze je wel eens ten verderve zijn: goeden nacht!"
Alleen vervolgde Hannes het eenzame pad, waarop zelfs geen enkele star een lichtstraal zond, maar ook de meest donkere nacht zou den jager hier niet doen dolen, en in zijn ziel is het iets lichter geworden. Hij neemt zich voor, den raad van Olbert te volgen, en God te bidden om steun bij zijn voornemen, drift en wrevel te bedwingen, en kalm en rustig te blijven als der menschen haat hem vervolgt.
Met zulke gevoelens bezield, treedt hij zijn hut binnen, waar zijn vrouw op hem wacht bij het uitgedoofde vuur.
't Is koud en kil in de hut, waar het anders zoo warm en gezellig kan zijn, en het lange wachten, dat Martha niet gewoon is, heeft haar verbitterd, en ze ontvangt den jager met harde woorden en verwijtingen.
Alle goede voornemens van Hannes Klinge verdwijnen als sneeuw voor de zon, en slechts een kort oogenblik bewaart hij zijn uiterlijke kalmte. Dan volgt het eene harde woord op het andere, en het einde van de ongelukkige geschiedenis is, dat in plaats van met een gebed, de jager met een vloekwoord op de lippen zich op zijn legerstede werpt.
Had Martha door haar onverstandige verwijten Hannes Klinge niet tot toorn geprikkeld, dan had deze geen woorden gesproken, die hem later berouwden, doch op deze wijs werken de duistere machten des satans in de harten der menschenkinderen, want niet gemakkelijk laat de vorst der duisternis zijn prooi glippen.
HOOFDSTUK XIII.
Lang hebben Van Gulven en de snoode Gerrit Dubbe gepeinsd op een middel om den jager te noodzaken de streek langs den Davel te verlaten, want de boer van "Zorgwijk" zou niets liever hebben dan dat zijn dochter, die hij beschouwt als de schandvlek van zijn geslacht, met man en kroost wegtrok, ver van hier.
Reeds dikwijls was hij van plan geweest den jager veel geld te bieden, indien deze zich in een andere provincie wilde vestigen, maar steeds had de gedachte aan een trotsche weigering van Hannes Klinge hem teruggehouden. Hij herinnerde zich zeer goed, dat de Gelderschman hem eenmaal zijn geld voor de voeten had geworpen met de woorden: "Van het geld, dat uw afgod is, verlang ik geen enkelen penning!"
Dat was reeds jaren geleden, maar Van Gulven kende zijn gewezen bouwknecht te goed, om niet te vreezen dat hij datzelfde antwoord nog eens zou hooren.
Daarom had hij van dit plan afgezien, en er zich reeds in geschikt den jager in het "Uilennest" te weten, nog te meer, daar deze zich maar zelden in het dorp vertoonde, en er zich dan nog zoo kort mogelijk ophield.
Doch dit alles veranderde na de ruwe ontmoeting in den "Zwarten Arend". Hier had de jager eerst recht getoond hoe ver zijne vermetelheid wel ging, en Van Gulven, wiens vroegere vijandige gezindheid jegens den jager, sedert de zedelijke nederlaag, die hij in de herberg had geleden, tot gloeienden haat was aangewakkerd, Van Gulven dorstte naar wraak, en ging op het lage plan, dat Gerrit Dubbe hem voorstelde, bijna zonder bedenken in.
Laag en snood was het plan, dat de roode Judas den verblinden vader van Martha voorlegde, en het kwam hierop neer, dat zij Hannes Klinge, door hem zijn broodwinning te ontnemen, dwingen zouden zich elders te vestigen.
De Davel en bijna al de omringende velden en akkers behoorden sinds eeuwen aan een rijke, adellijke familie, en bijna alle boeren in de omliggende dorpen pachtten hun landerijen, van den rentmeester der familie.
Nu was de oude rentmeester gewoon geweest, sinds vele jaren eerst Krijn Vermeeren en later Hannes Klinge een geschreven volmacht of verlofbrief te geven, die dezen het recht gaven in en op den Davel te visschen, en als de jacht opengesteld werd, te jagen; want over dat recht hadden de baronnen als grondeigenaars de vrije beschikking.
Ieder jaar omstreeks het openen der jacht, begaf Hannes Klinge zich naar den rentmeester, en de vriendelijke oude heer verstrekte hem dan het bewijs, dat hem weder voor een jaar in staat stelde eerlijk zijn brood te verdienen. Dan kocht hij een jachtacte, en indien--wat wel eens gebeurde--een veldwachter hem vroeg of hij in het bezit was van een acte en verlof, dan kon Hannes, door beide stukken te vertoonen, het bewijs leveren, dat hij jager en visscher, maar geen strooper was. Doch de oude, vriendelijke rentmeester was gestorven, en een trotsche jonge man werd rentmeester in zijne plaats.
Tot dezen man begaf zich--eenige weken voor den tijd, dat Hannes Klinge gewoon was zijn verlofbrief te gaan halen--de boer van "Zorgwijk", en stelde zich voor als de grootste pachter van het domein.
Toen wist Van Gulven het gesprek te brengen op de jacht en de visscherij van den Davel en hij stelde den jager uit het "Uilennest" aan den rentmeester voor als een woesten, twistzieken kerel, wiens tegenwoordigheid een gevaar opleverde voor de rust van het dorp en daarna liet hij doorschemeren, dat het jacht- en vischrecht op den Davel hem, Barend van Gulven, wel eenige honderden guldens waard zou zijn.
De rentmeester, die wel trotsch, maar toch onbemiddeld was, ging op deze eerlooze aanbieding in, en met een verlofbrief voor het volgend jachtseizoen in den zak verliet de boer van "Zorgwijk" de spreekkamer van den rentmeester. Een paar weken later ging Hannes Klinge argeloos om zijn verlofbrief vragen, en ontving de verpletterende mededeeling, dat de permissie reeds vergeven was. Toen Hannes zich beriep op oude rechten, die sinds onheuglijke tijden de bewoners van het "Uilennest" van de landheeren hadden genoten, glimlachte de rentmeester, en voegde Hannes toe, dat dergelijke rechten of liever gunsten, niet werden verleend aan kroegloopers en twistzoekers, zooals hij, maar aan ordelijke en geachte burgers.
O, het was den armen jager maar al te duidelijk wie de rentmeester bedoelde met ordelijke, geachte burgers.
De geheele toeleg, waarvan hij het slachtoffer was, stond hem helder en klaar voor oogen.
"Mijnheer!" sprak hij, "wij zullen er niet veel woorden over wisselen, maar het is niet omdat ik een kroeglooper of twistzoeker ben, maar het is omdat Hannes Klinge arm, en de man, die mijn ondergang zoekt, rijk is. Daarom, en daarom alleen word ik uit mijn broodwinning gestooten. Waarom ook niet? Voor een handvol geld worden wel grooter laagheden bedreven dan deze." Hoe bitter, hoe bevend van ingehouden toorn klonken die woorden uit den mond van den jager, en de rentmeester gevoelde zich niet op zijn gemak onder dien doorborenden blik, en hij was maar blijde, dat Hannes Klinge zich plotseling omkeerde en zonder een enkel woord te spreken de deur uitging.
Ja, die Van Gulven had wel gelijk. Dit was bepaald een gevaarlijke kerel, en het was maar goed dat men hem noodzaakte de streek te verlaten, en de rentmeester lachte en stak een versche sigaar op.
HOOFDSTUK XIV.
Toen brak er een, donkere tijd aan voor de bewoners van het "Uilennest".
Martha wilde, dat Hannes het "Uilennest" verkocht en wegtrok van hier, omdat er voor hem geen brood meer was te verdienen, op het plekje grond, dat hun eigendom was; maar Hannes werd woedend als zijn vrouw daarvan sprak.
Hij wilde niet bukken voor de dwingelandij van haar vader, riep hij toornig, als Martha sprak van heengaan; neen, men zou den "Uil" niet zoo gemakkelijk uit zijn nest drijven, en zoo lang hem nog droog brood overbleef, zou hij standhouden aan den Davel.
Toen kocht Hannes een oude hondenkar, laadde er wat late groenten uit zijn moestuin op, en spande er zijn beide jachthonden voor--die hij met veel moeite en geduld had geleerd de kar te trekken. Zoo reed hij dan des morgens vroeg naar de stad en keerde des middags weer met de ledige kar huiswaarts.
Voorts vlocht de handige kerel manden van wilgetwijgen, en sneed klompen van wilgenhout. Doch hoewel hij met een en ander nogal wat geld verdiende, was dat op den duur toch niet toereikend voor het onderhoud van zijn gezin. Maar wijken van de plek grond, die hij lief had, dat deed Hannes Klinge niet, en toen hij zag, dat de armoede zijn intocht deed in het "Uilennest", toen, greep hij naar zijn jachtroer en in den, stillen nacht, wanneer het maanlicht de moerassen van den Davel bescheen, dan knalde het oude geweer van Krijn Vermeeren.
Strijd had het hem gekost, om van een eerlijk jager een strooper te worden. Strijd in zijn binnenste en strijd in zijn huisgezin, want Martha was er met kracht tegen opgekomen, maar de stem in zijn gemoed bracht Hannes tot zwijgen door zichzelven vrij te pleiten met de redeneering, dat men hem er toe dwong, en dat de nood hem dreef. En als Martha sprak van haar angst en onrust, als hij bij nacht en ontijd omdoolde in het moeras, waar een enkele mistred hem kon doen verzinken in de peilloos diepe modder, dan lachte Hannes, maar het was een harde, bittere lach.
Waren de nachten donker, dan legde hij lijnen uit met haken waaraan als lokaas een kleine kikvorsch was geslagen; en eer de dageraad gloorde in het oosten, dreef de strooper met onhoorbaren riemslag zijn boot over het pikzwarte water van den Davel en lichtte zijn fleuren.
Dan gingen de groote snoeken en armdikke palingen zijn boot in en van daar naar het "Uilennest", en zoowel het gestroopte wild als de visch vervoerde Hannes in zijn hondenkar onder klompen of manden verborgen, des morgens vroeg naar de stad, waar hij het altijd aan den man wist te brengen.
Op de Schaapskooi bij Olbert kwam Hannes niet veel meer. Hij kon den blik van den "eenarm" niet verdragen, want die blik drong hem tot in de ziel.
"Hannes! Hannes!" had Olbert gezegd, "je gaat een wis verderf tegemoet, want het is in het dorp geen geheim meer, dat Hannes Klinge stroopt in den Davel; laat dat heilloos handwerk varen, en tracht met Gods hulp elders werk en brood te vinden. Dit leven loopt uit op ellende en berouw."
Maar Hannes luisterde niet naar dezen vriendenraad en voegde Olbert toe, dat men hem niet zoo gemakkelijk snappen zou, want dat hij den Davel kende als niemand anders.
"Van Gulven heeft mij wel een nederlaag bezorgd, maar nog lang niet ten onder gebracht, en liever versmoor ik in de modder van den Davel," klonk het knarsetandend, "dan dat ik voor dien rijken schurk het veld ruim, en het "Uilennest" verlaat."
Olbert schudde het hoofd. "Hannes," klonk het ernstig, "lees je nog wel eens in het boek van den ouden Krijn Vermeeren?"
"Dat deed ik in gelukkige tijden, thans heb ik er geen lust meer in.
Wat zal het mij trouwens ook baten? Alles, alles is tegen mij. Laat mij ook maar aan mijn lot over, Olbert, wij passen niet meer bij elkander, want jij bent een eerlijk man en ik ben een strooper en wilddief, maar vloek over hen, die het mij hebben gemaakt!"
Toen wendde hij zich om, groette Olbert met de hand en verwijderde zich met snellen tred.
"Ik zal voor je bidden, Hannes, dat God je behoede, en je doe keeren op het pad des verderfs. Hannes, laat je raden; denk aan Martha, denk aan je onschuldige kinderen; luister naar goeden raad."
Maar Hannes luisterde niet, en snelde voort zonder meer om te zien. Sinds dien dag vermeed hij den schaapherder.
Thuis was Hannes ook niet meer zooals voorheen. Vroeger placht den ganschen dag zijn vroolijk lied te klinken bij zijn arbeid, en het was zijn lust te spelen met zijn kinderen, met hen te stoeien, of te luisteren naar het babbelen van zijn kleine Lize. Nu kon hij soms urenlang in het haardvuur zitten staren met een diepen rimpel tusschen de oogen, zonder dat hij bemerkte dat zijn pijp was uitgegaan, en als Lize dan haar handje op zijn forschen arm legde en haar blond kopje tegen hem aandrukte, dan kwam er wel dadelijk een zachtere trek op zijn gelaat, en dan tilde hij het kind op zijn knie, maar de gulle vroolijkheid van vroeger, zie, die was verdwenen. Waar haat en wraakzucht eenmaal post hebben gevat in het menschelijk hart, daar verdwijnen langzamerhand de zachtere gewaarwordingen, om plaats te maken voor wrevel en onrust.
Onder deze omstandigheden gingen een paar jaren voorbij, en overal in den omtrek was het bekend, dat Hannes Klinge hoofdzakelijk met stroopen den kost verdiende, en reeds meer dan eens was hij door de rijksveldwachters scherp vervolgd. Doch zijne behendigheid en groote kennis van het gevaarlijk terrein hadden hem tot dusver met hun pogingen doen spotten.
Nu was er evenwel een nieuwe rijksveldwachter op het dorp gekomen, en op een zomermorgen, toen Hannes op het grasveld voor zijn woning naar zijn vier schapen stond te kijken, en een plekje zocht waar hij de geit zou vastzetten, kwam de veldwachter het smalle voetpad afwandelen, dat door het grasveld naar het "Uilennest" liep.
De strooper hoorde de naderende voetstappen, en zijn scherp oog gleed vorschend over den naderender man met de blinkende knoopen.
Het was een kloeke kerel, wien de blauwe uniform uitmuntend kleedde, terwijl op het open, goedige gelaat, ondanks den zwaren blonden knevel, bijna altijd een vriendelijke trek om de lippen speelde. Nu staat de veldwachter voor Hannes Klinge, en dezen in het gelaat kijkend, zegt hij: "Ben ik dan in vijftien jaar tijds zoo veranderd, dat je mij niet meer kent, Hannes Klinge?
Dat jij veranderd bent met je vollen baard zul je toch wel gelooven; maar onder duizend zou ik je hebben herkend!"
Thans herkent ook Hannes den veldwachter, en de oude, gulhartige vroolijkheid glinstert in zijn blauwe oogen, en trekt als een zonnestraal over zijn gebaard gezicht.
"Durling! Korporaal Durling! Hoe te drommel is het mogelijk, dat ik den langen Durling niet spoediger herkende! Mijn slaapkameraad uit de oude kazerne! Maar je bent er niet minder op geworden, sinds onze wegen uit elkander liepen. Kom, laten we binnengaan! je moet eens met mijn vrouw kennis maken, als je ten minste tijd hebt, en mijn armoedige hut je niet te gering is. Je zult misschien al wel weten dat men deze plaats het "Uilennest" noemt en mij "den Uil"?"
Op dit oogenblik komt Martha, met den voederbak voor de kippen in de hand, naar buiten, en als haar oog op den veldwachter valt, dan kan ze een beweging van schrik niet onderdrukken.
Het is Durling niet ontgaan, dat de vrouw van kleur verschoot, toen ze hem zag, en de oorzaak daarvan is hem maar al te goed bekend, want men heeft niet verzuimd hem in te lichten aangaande den bewoner van het "Uilennest" en diens woest en ontembaar karakter.
"Kijk moeder!" zegt Hannes op monteren toon, "dat is nu korporaal Durling, van wien ik je wel eens iets verteld heb, en die mijn slaapkameraad was gedurende mijn soldatenleven in het garnizoen te G. Nu is hij hier veldwachter geworden: dat had je vijftien jaar geleden niet kunnen, denken, Durling; maar kom, moeder heeft de koffie klaar, en wij keuvelen een uurtje, en stoppen een pijp." Ook Martha noodigde hem binnen, en hoewel Durling verzekerde dat hij aan zijn tijd gebonden was en hun geen last wilde veroorzaken, men hield niet op voordat de veldwachter met een kop dampende koffie voor zich in de ezellige keuken van de oude jagershut zat.
Heerlijk scheen het zonnetje door de kleine ruitjes en door de openstaande bovendeur drong de geur van bloeiende vlier en witte rozen binnen. In het riet langs den Davel zong de rietvink, en van uit de oude wilgen, waarin bij nacht de uilen krasten, klonk nu de vèr klinkende roep van den merel.
"Wat is het hier heerlijk stil en rustig op dezen Zondagmorgen," sprak Durling, "en wat geuren die rozenstruiken en de vlier; waarlijk, zoo had ik mij het "Uilennest" en zijn bewoners niet voorgesteld."
En toen, ernstig wordend, keek Durling Hannes Klinge in de oogen en sprak:
"Klinge! men vertelt in het dorp leelijke dingen van je, en het is niet bij toeval dat ik je ben komen opzoeken. Luister naar mij, Hannes Klinge, ik kom als vriend, als een oprecht vriend. Wij kennen elkaar uit onze jeugd, of liever uit onze vroolijke jongelingsjaren, en ik verzeker je, dat de veldwachter Durling nog precies dezelfde is als korporaal Durling voorheen. Welnu, laat je dan van een oud vriend raden en word niet boos als ik openhartig spreek, want waarlijk, ik heb je bestwil op 't oog. Hannes Klinge," vervolgt Durling met nadruk, "laat het stroopen varen of het wordt je ongeluk, en al gelukt het je nu al een tijd lang, door behendigheid en list uit de handen der politie te blijven, op den duur loopt het toch mis.
Ik wil nog verder gaan," vervolgt hij, "en je iets zeggen, dat ik als veldwachter eigenlijk niet zeggen mag; maar ik zou het zoo hard vinden voor ons beiden, als ik later genoodzaakt was--en ik zal er toe genoodzaakt worden--je te vervolgen, als de jager het wild; maar een boer uit H., wiens naam ik niet noemen wil, schijnt het er op gezet te hebben, dat je betrapt wordt; hij heeft mij een goede belooning toegezegd, indien het mij gelukte de hand op je te leggen. Stroop niet meer, Hannes, waarlijk, het zou mij hard vallen, maar indien wij elkander na dezen dag op den Davel ontmoeten, en je hebt geweer of vischtuig bij je, zoowaar ik leef, Abbe Durling zal zijn plicht doen; want mijn eed blijf ik getrouw, al moest ik er voor sterven."
Terwijl de veldwachter sprak, staarde Hannes onafgewend voor zich; slechts toen Durling sprak van den boer, die hem geld beloofde voor het vangen van den strooper, flikkerde zijn oog en groefde zich een dreigende rimpel tusschen de wenkbrauwen; hij wist maar al te goed wie die boer was. Ook Martha wist het en het sneed haar door de ziel, want ondanks alles was de boer van "Zorgwijk" toch haar vader.
"Hannes," sprak ze met zachte stem, "doe het toch niet meer. Laat ons weggaan van hier, want waarlijk een inwendige stem zegt het mij, wij gaan ons ongeluk tegemoet. Luister naar Durling, hij handelt edel en als een oprecht vriend; al moet je als daglooner je brood verdienen, ik zal zonder morren de armoede met je dragen; hier neemt het een slecht einde, dat gevoel ik."
Hannes wendt zich, zonder Martha te antwoorden, tot Durling.
"Ben je getrouwd, kameraad?"
"Neen," is het antwoord, "ik zorg voor mijn oude moeder; wij wonen gezellig te zamen, en zoo lang de oude vrouw leeft, blijven we bij elkaar."
Er is iets warms in de trouwhartige oogen van den veldwachter als hij van zijn oude moeder spreekt en onwillekeurig gevoelt Martha achting voor dezen man.
"Heb je," zegt de voormalige jager, "heb je in het dorp, waar de menschen zooveel goeds van mij vertellen, de geschiedenis van mijn huwelijk niet vernomen?"
"Neen," is het antwoord, "van je huwelijk sprak de boer niet, die mij inlichtingen verschafte, en ik kan ook niet vatten wat dit met het stroopen te maken heeft; of staat het er soms mede in verband?"
Martha had zich even naar buiten begeven om de kippen--die luid om hun voeder kakelden,--van het noodige te voorzien, en intusschen vertelde Hannes in het kort zijn geschiedenis, sinds den tijd, dat hij den militairen dienst had verlaten en als bouwknecht op "Zorgwijk" kwam.
Toen hij uitgesproken had, sprong Durling op, en riep: "Dan is de man, die een prijs op je hoofd stelde, de vader van je vrouw? Arme, arme kerel, men heeft je het leven hier zwaar genoeg gemaakt; maar toch, thans heeft hij het recht op zijn zijde, en het is dwaas van je om tegen den stroom in te zwemmen, want waarlijk, je gaat te gronde en je sleept je vrouw en kinderen met je in het verderf, en dat mag je niet doen, kameraad! Dat mag je niet doen! Daarvoor heeft vooral zij te veel voor je opgeofferd." Oog in oog staan daar die beide kloeke mannen voor elkander, en Durling steekt de hand uit. "Zeg, dat je niet meer stroopen zult, Hannes, geef me er de hand op, en ik ga gerust heen, want je woord heb je nimmer gebroken. Buig voor de overmacht en werk eerlijk voor vrouw en kind. Voor een kerel als jij is overal werk en brood te vinden; kom, sla toe!"
Een oogenblik aarzelt Hannes, en, voert een harden strijd in zijn gemoed, maar het is ook maar één oogenblik. Dan behaalt de duivel van haat en trots de overwinning in zijn ziel, en terwijl het onstuimige bloed zijn gelaat donkerrood kleurt, klinkt het knarsetandend:
"Dus vluchten zou ik; als een geslagen hond mij uit de voeten maken, met hun spottend gelach achter mij? Dit plekje grond verlaten, waar mijn kinderen geboren zijn en waar ik gelukkig was, toen ik er eerlijk mijn brood verdiende? Ha! Dan was het doel bereikt, als de verachte Uil uit zijn nest gejaagd was, maar nog liever sterf ik met het geweer in de hand of versmoor ik in het moeras, dan dat ik als een lafhartige bloodaard mij uit de voeten maak.
Neen! Duizendmaal neen, ik zal stroopen, nu men mij het jagen onmogelijk heeft gemaakt, en ik zal het volhouden hier zoo lang ik maar eenigszins kan."
"Dan zul je het aan jezelven te wijten hebben, Hannes Klinge, als het ongeluk over je komt," zegt de veldwachter ernstig. "Als vriend ben ik tot je gekomen en je wilt mijn raad niet aannemen. Nu ga ik weg, maar dit moet ik je nog zeggen: Indien wij elkander bij nacht of bij dag op den Davel ontmoeten, terwijl jij op stroopen uit zijt, dan ben ik niet je oude kameraad Abbe Durling, maar een rijksveldwachter, die zijn plicht zal doen al moest hij er voor sterven."
Hij groet met de hand en zonder omzien stapt hij het voetpad af en slaat den weg in naar het dorp. Maar Hannes kijkt hem na, totdat de lange slanke gestalte verdwijnt in een kromming van den landweg, en hij heeft een gevoel in de borst, alsof hij dien man moest naloopen en hem de hand drukken, die hij daareven heeft geweigerd. Het was een vriendenhand, die hij had teruggestooten. Maar Hannes bleef waar hij was; valsche schaamte hield hem terug, en in zijn hart was het onvrede. En onvrede was het in zijn gezin, want Martha verweet hem met scherpe woorden en tranen van spijt in de oogen, dat hij alle menschen, die het goed met hem meenden, van zich afstiet, en het geluk van vrouw en kinderen opofferde aan zijn haat en aan den hartstocht voor de jacht, want ook het laatste was een machtige beweegreden, die Hannes aan het "Uilennest" boeide.
Ontevreden op zichzelven en op de gansche wereld, antwoordde hij met harde woorden, om eindelijk driftig de deur achter zich toewerpend naar den oever van den Davel te loopen.
Neen, Hannes Klinge was niet met hardheid tot rede te brengen, dat beproefde boer Van Gulven reeds jaren lang tevergeefs, en ook zijn dochter Martha zou er niets mede bereiken.
Terwijl een vriendelijk woord zelden zijn uitwerking op hem miste, was hij dadelijk tot verzet gereed, als hij dacht dat men hem ergens toe wilde dwingen.
Het bewijs van vriendschap van den nobelen veldwachter had hem aan het wankelen gebracht, en indien Martha met zachtheid en liefde hem had gevraagd het met Durling in het reine te brengen, en diens welgemeenden raad op te volgen, mogelijk had hij gehoor gegeven aan de stem zijner vrouw, die hij ondanks haar heftig karakter toch hartelijk liefhad.
Maar het mocht niet zoo zijn.
De almachtige Bestuurder aller dingen had het anders over Hannes Klinge besloten, en deze zou het verkeerde pad bewandelen, totdat voor hem het "tot hiertoe en niet verder" zou weerklinken. Lang uitgestrekt ligt hij onder den bloeienden vlierstruik, vlak aan den waterkant in het geurige gras, en kijkt naar den blauwen hemel, waar hoog in de lucht de zwaluwen rondzwerven.
Het zachte zomerkoeltje, dat langs zijn brandend voorhoofd strijkt, verkwikt hem, maar daarbinnen in zijn borst gloeit iets, dat door geen zomerwindje te verkoelen is.
Het is de haat en de bitterheid, waartegen Olbert de schaapherder hem reeds jaren geleden had gewaarschuwd.