Part 8
Het onderschrift verklaart ons den naam van den vogel en tevens dien van de herberg. "In den zwarten Arend" staat er met vergulde letters onder den vogel, en de kastelein oefent behalve zijn gewoon bedrijf ook dat van barbier uit. Het is nog vroeg in den avond, en in de ruime gelagkamer is nog niemand aanwezig dan Govert Kemp, de kastelein, die alvast de kruiken bier gereed zet en de lange Goudsche pijpen in het rekje schikt. De dikke, gemoedelijke herbergier weet precies welke gasten er iederen avond te wachten zijn, en 's Vrijdagsavonds dan komen zijn aanzienlijkste klanten!
Het is de avond, waarop de vlasboeren van het dorp zich laten scheren, hun lange pijpen rooken en hun kruiken bier drinken.
Het kan er soms al te levendig toegaan in den "Zwarten Arend", als het zware bier den boeren naar het hoofd stijgt en de anders nogal dikke tongen losmaakt. Juist is baas Kemp met zijn voorbereidende werkzaamheden klaargekomen, als de buitendeur opengaat en de kloeke gestalte van een man binnenstapt, op den voet gevolgd door twee langharige jachthonden.
Zooals hij daar staat, is hij een toonbeeld van mannelijke kracht en gezondheid.
De regendroppels glinsteren nog op de muts van ottervel en in den blonden baard, die het gebruinde gelaat voor een groot deel bedekt.
"Goeden avond, Govert Kemp," klinkt het op helderen toon; "echt Novemberweer, maar toch zit er vorst in de lucht als ik mij niet vergis, geloof je dat ook niet?"
"Zoo Hannes Klinge, ben je daar ook eens?" is de eenigszins verwonderde vraag van den kastelein, want Hannes, die vroeger nogal dikwijls de herberg van Govert Kemp placht te bezoeken, was er sinds langen tijd niet geweest.
"Och," zegt de jager, terwijl hij zich in een der halfdonkere hoeken op een stoel zet, "wat zal ik je zeggen. Mij laten scheren is niet meer noodig, want ik laat alles maar groeien, en op het "Uilennest" vind ik alles waar ik behagen in schep. Dus waarom zou ik naar het dorp komen als ik er niet noodig heb? Maar thans moest ik bij den vischhandelaar zijn, dus ik dacht zoo: ik ga baas Kemp nog eens opzoeken in den "Zwarten Arend". Mogelijk ontmoet ik er wel oude kennissen, met wie ik dan eens een hartig woordje wisselen kan."
Eenigszins onrustig ziet de kastelein zijn bezoeker aan; de jager heeft iets in zijn blik, dat Govert Kemp niet bevalt, ondanks de op schertsender toon gesproken woorden.
"Ja," zegt Kemp, "oude kennissen zul je hier van avond wel ontmoeten, maar of het kennissen zijn, die je naar den zin zullen wezen, dat betwijfel ik sterk, Hannes Klinge; want 's Vrijdagsavonds komen hier de boeren van het dorp om zich te laten scheren en een kruik bier te drinken, en . . . en . . . ik dacht zoo, hm . . . dat wil zeggen . . ."
"Dat wil zeggen," valt de jager den kastelein ruw in de rede, "dat wil zeggen, dat je liever hadt dat ik opkraste, voordat je rijke klanten binnenkomen, want er zijn er onder, die Hannes Klinge liever niet zien. Maar ik blijf je toch nog een poosje gezelschap houden. Geef mij een glas brandewijn."
Govert Kemp schenkt den brandewijn uit een dikbuikige karaf, en als hij den jager het glas overreikt, dan wenscht hij van harte, dat Hannes goed en wel in het "Uilennest" zat. Bij ondervinding weet de kastelein, hoe gevaarlijk het sterke vocht is voor mannen, in wier hart de wraakzucht gloeit, en op een dorp als H. kennen de menschen elkanders omstandigheden veel te goed, dan dat er bij den kastelein uit den "Zwarten Arend" de minste twijfel zou bestaan of Hannes Klinge is met een opzettelijk plan naar hier gekomen. Govert Kemp beeft voor de mogelijke gevolgen van een twist tusschen den vermeteler jager en den trotschen, verwaten Van Gulven.
In het dorp was het ruchtbaar geworden, dat de boer van "Zorgwijk" zijn eenig kind den toegang geweigerd had tot het sterfbed harer moeder, en de verontwaardiging was algemeen geweest.
Men sprak er schande van, en men riep er wraak over, doch--achter den rug van Barend van Gulven, en inmiddels haastte men zich om den rijken boer zijne deelneming te betuigen in het smartelijk verlies, dat hem trof door den dood zijner vrouw.
Toch waren er wel op het dorp, die hem onomwonden hunne afkeuring over zijn gedrag deden gevoelen, en één dezer was de predikant van het dorp.
Met diepen ernst en zonder omwegen had de leeraar hem gewezen op het goddelooze zijner handelwijze, doch het had slechts dit ten gevolge, dat Van Gulven hem de deur wees en niet meer ter kerke kwam.
Een half uur ongeveer had Hannes Klinge in de herberg vertoefd, toen van lieverlede de gasten begonnen te komen.
Vreemd kijken de boeren op, als ze den jager met zijn beide honden in dien duisteren hoek zien zitten, maar niemand knoopt een gesprek met hem aan. De binnenkomenden gaan bij elkaar zitten aan de groote langwerpig vierkante tafel bij de schouw, en zijn spoedig in druk gesprek gewikkeld over den prijs van het vlas, over de lage markt der winteraardappelen en dergelijke onderwerpen.
Daar komt weer iemand binnen, die met zulk een kracht de deur achter zich toetrekt, dat de glaasjes in het oude buffet rammelen.
"Goeden avond samen," zoo klinkt zijn zware stem door de gelagkamer. "Wie te drommel zit daar ginds in dien hoek met zijn honden alleen? Ha," vervolgt de man, "ben jij het, Hannes Klinge? Durf je je mooie Martha zoo alleen laten in 't "Uilennest"? Je komt toch je prachtigen baard niet laten afscheren? Dat moet je niet doen, mijn jongen, er zitten hier al genoeg met gladgeschrapte vollemaansgezichten of oudewijventronies.
Kemp! Geef me een kruik oud bier."
De man gaat aan het tafeltje zitten bij Hannes Klinge. Het is een reusachtige, zwaargebouwde kerel, met hoogrood gelaat, en vollen, donkeren baard. Hij draagt, evenals Hannes, hooge laarzen, die van onder tot boven met modder zijn bespat, terwijl de dikke doornenstok met looden knop, dien hij in de hand draagt, meer op een wapen dan op een wandelstok gelijkt.
Hannes Klinge kent hem goed; het is Sijmen, de ossenkooper, die stad en land afreist, om ossen te koopen en te verkoopen, en die doorgaans aan den sterken leeren riem, dien hij om zijn middel draagt, een goed gevulden geldbuidel heeft hangen.
Maar Sijmen loopt onbevreesd bij nacht en bij ontijd op de eenzaamste wegen, want hij vertrouwt op zijn stok en zijn geweldige lichaamskracht, en hij lacht met landloopers, aanranders, en dergelijk gespuis.
Spoedig is de ossenkooper met Hannes in druk gesprek en ondanks de vroolijke zorgeloosheid, die Sijmen kenmerkt, is hij toch een man met veel menschenkennis, en spoedig genoeg heeft hij bemerkt, wat Hannes, die anders altijd bij vrouw en kinderen blijft, naar de herberg heeft gevoerd. Hoewel hij nu zelf naar huis verlangt, en nog een uur loopens van zijn woning verwijderd is, blijft hij toch nog talmen, want het staat hem niet aan, dat de jager het eene glas brandewijn na het andere uitdrinkt.
Weer gaat de deur open en twee mannen treden binnen. In het scherpe oog van den jager flikkert het, alsof er een stuk wild onder zijn schot komt. Op één van die twee heeft hij zitten wachten. Het is de boer van "Zorgwijk", en de man die hem vergezelt is zijn boezemvriend, de roode Gerrit Dubbe, tevens zijn kwade geest, die altijd zijn trots weet op te wekken, en zijn haat te prikkelen.
Nimmer ook zou het zoover met Van Gulven gekomen zijn, als niet de lastertong van den rooden Judas, die zoowel Hannes Klinge als diens vrouw haat met een doodelijken haat, gestadig had gefluisterd en gefleemd.
Zoowel Dubbe als Van Gulven bemerkten den jager daar in den hoek, en het gelaat van den laatste wordt een oogenblik vaalbleek. Hij begrijpt heel goed, dat Hannes Klinge iets in zijn schild voert.
Doch zijn ontsteltenis duurt slechts een oogenblik; de jager is alleen met zijn honden, en de tien of twaalf boeren, die om de groote tafel zitten, zijn allen op zijn hand, en zullen hem niet in den steek laten als Hannes Klinge soms iets wil ondernemen.
Met schetterende stem commandeert Gerrit Dubbe twee kruiken oud bier met suiker, en terwijl de waardin, die de klanten bedient, het verlangde brengt, geeft Govert Kemp den boer, dien hij onder handen heeft, een veeg met zijn scheermes in de kin, wat den getroffene driftig de vraag doet uiten of Goof van zijn verstand beroofd is. Maar de kastelein had Van Gulven en Gerrit Dubbe hooren binnenkomen, en dat deed hem beven, want nu zou weldra blijken wat de jager van het "Uilennest" in zijn, schild voerde. Kemp plakt een groote pleister op de kin van het boertje, en verontschuldigt zich door te zeggen dat het mes uitschoot.
Het wordt opmerkelijk stil in de gelagkamer. Het gesprek om de groote tafel, straks nog zoo levendig, verflauwt. Wat er gesproken wordt, klinkt gedwongen, terwijl er onder de boeren wel zijn, die wenschen thuis bij moeder de vrouw te zitten. Anderen daarentegen hebben heimelijk schik in het geval. Hun rondglurende oogen hebben den blik van den jager wel opgemerkt, dien dezen op Van Gulven wierp, toen hij binnenkwam. Ze hebben den rijken boer ook zien verbleeken, en als straks een twist losbarst tusschen Hannes Klinge en den boer van "Zorgwijk", dan zullen ze als één man partij kiezen tegen den woesten Gelderschman, die altijd in het dorp de rust verstoorde, en die per slot van rekening de rijkste boerendochter nog meevoerde naar zijn krot. Zij woelen met de handen in hun wijde broekzakken en zoeken naar de stalen tabaksdoozen. Want de jager is geen kerel, dien men met bloote handen kan aanpakken. En dan die twee sterke honden, die zijn ook niet te verachten, terwijl het niet onmogelijk is, dat Sijmen de ossenkooper op de hand van Hannes Klinge is. Doch geen nood, ze zijn talrijk genoeg en Gerrit Dubbe telt voor twee.
"Wat zijn jullie toch allemaal stil vanavond!" zoo schettert de roode Gerrit, en hij schenkt zijn bier uit de kruik in zijn glas. Maar ook zijn handen schijnen te beven, want het bier vloeit over den rand van het glas op de tafel.
"Dat komt zeker," vervolgt Dubbe, "omdat er van avond één hier is, die hier niet behoort. Maar dat is niets; als ons dat verveelt, dan smijten we hem er uit, want het spreekwoord zegt: Geen uilen bij bonte kraaien, en op uilen zijn we hier niet gesteld."
Allen lachen om de aardigheid van Gerrit Dubbe, maar Sijmen de ossenkooper lacht niet. Het stuit hem geweldig tegen de borst, dat de roode Gerrit zonder de minste aanleiding zijn hatelijke woorden uitschettert en hij steekt zijn misnoegen niet onder stoelen of banken.
"Daar heb je gelijk in, Gerrit Dubbe," zoo klinkt de zware stem van Sijmen, "daar heb je gelijk in, als iemand je verveelt, dat je hem de deur uitsmijt, maar dan moet je niet in het meervoud spreken, man, en niet zeggen, dan smijten we hem de deur uit, maar het zelf en alleen doen, als je kunt. Ik twijfel er echter sterk aan of je den man, dien je thans in den weg zit, wel gemakkelijk alleen buiten de deur zoudt krijgen!"
Thans springt Hannes Klinge recht overeind, en zich voor de tafel plaatsend, waaraan de boeren zitten, zegt hij, oogenschijnlijk kalm:
"Gerrit Dubbe heeft gelijk, als hij zegt, dat er één in den "Zwarten Arend" is, die er niet behoort, en hij had er gerust bij kunnen voegen: "Hannes Klinge behoort hier niet, want ik behoor in het "Uilennest" bij vrouw en kinderen, en ik zou waarlijk je gezelschap niet gezocht hebben, als ik niet iets te zeggen had, dat mij van het hart moet.
Maar niet tot jou heb ik iets te zeggen, Gerrit Dubbe! Want dan spreek ik onder vier oogen met je en dan zal het je beste dag niet zijn, kameraad!"
Scherp en doordringend zijn de blauwe oogen van den jager op den rooden Gerrit gericht, en deze kent maar al te goed dien dreigenden, doorborenden blik, en hij slaat de gluiperige oogen neer.
"Neen," vervolgt Hannes Klinge, "wat ik te zeggen heb, dat zeg ik tot u, Barend van Gulven, en allen die hier zijn zullen het mede aanhooren!" De manhafte spreker doet nog een pas nader en buigt zich wat over tot zijn tegenpartij, en met den vinger van de rechterhand op Van Gulven wijzend, klinkt zijn stem als een trompet door de gelagkamer, terwijl allen zwijgend den koenen spreker aanstaren: "Barend van Gulven, je hebt je dochter verstooten omdat zij ondanks je verbod een arm maar eerlijk man getrouwd heeft en dat kan ik begrijpen, want jij gevoelt je hier koning in het dorp. Maar wat ik niet kan begrijpen is, dat je je kind, je eenig kind, de deur uitwerpt als ze haar moeder wil zien, die op haar sterfbed om haar kind roept! Dat zal je op de ziel branden zoo lang je leeft, want dat is meer dan hardvochtige trots, dat is een laffe, erbarmelijke misdaad, en ik, je schoonzoon, de man van je dochter, ik ben hier gekomen om je te zeggen, dat je een ellendeling bent! Een lage, wreede ellendeling!"
"Er uit met hem! Slaat hem dood!" zoo brult thans de roode Gerrit Dubbe, en grijpt de zware bierkruik in de groote sterke vuist.
"Er uit! Slaat dood den Uil!" schreeuwen de boeren, die op de hand van Van Gulven zijn, en rukken de stalen tabaksdoozen uit den zak.
Angstig schreeuwend vlucht de waardin uit het buffet, terwijl de kastelein, anders voor geen klein geruchtje vervaard, den boer dien hij juist heeft ingezeept laat zitten, en angstig zijn glaswerk tracht te redden. Hannes Klinge had zich voorgenomen kalm te blijven, en slechts Van Gulven zijn meening te zeggen, om zich daarna onmiddellijk huiswaarts te begeven. Maar het driftige, opvliegende karakter van den jager spot met alle goede voornemens, en nu hij ziet, dat allen tegen hem zijn, nu ontbrandt zijn razende woede.
"Ha! Nu durft gij den Uil aan, laffe kerels!"
"Twintig tegen één," zoo dondert de jager zijn tegenstanders toe, "maar komt op! De Uil is niet bang! Nog voor geen twintig kraaien!" Een woest tooneel volgt, tafels en banken worden omgesmeten, glazen en kruiken rinkelen en breken. De bierkruik, door Gerrit Dubbe naar Hannes Klinge geworpen, mist haar doel, maar treft den spiegel, die kletterend van den wand stort.
Te midden van het geraas vliegt Sijmen de ossenkooper naar voren, en zijn zware laarzen doen den vloer dreunen.
"Terug, bloodaards!" buldert de reus, "met u allen tegen een enkelen man, gij oude wijven. Wie hem aanraakt, sla ik te pletter," en dreigend zwaait hij den doornenstok met den geweldigen looden knop boven zijn hoofd.
"Slaat hem dood! Slaat hen beiden dood!" roept Gerrit Dubbe. Blind van haat en woede grijpt hij weer een bierkruik, maar Hannes Klinge heeft, alle heerschappij over zich zelf verliezend, zijn mes getrokken, en terwijl de bloeddorst hem uit de bliksemende oogen straalt, springt hij met de vlugheid van een panter over de omvergeworpen tafel heen, en zijn honden volgen hem met overeindstaande haren.
Er gaat een angstkreet op onder de boeren, en allen vliegen achteruit.
Sijmen tracht Hannes nog te grijpen; maar vruchteloos, en indien geen Hoogere macht tusschenbeiden komt, dan zal het mes van den jager zijn weg vinden naar het hart van Gerrit Dubbe.
Reeds grijpt hij met de linkerhand den rechterarm van den rooden Gerrit, waarin deze de kruik houdt, en de gespierde rechterhand met het scherpe mes vliegt omhoog voor den doodelijken stoot, als plotseling een lange gestalte zich tusschen de vechtenden werpt, en over den schouder van Gerrit Dubbe heen, de hand van den jager terzijde slaat, zoodat de moordende messteek zijn doel mist.
"Houd op, ongelukkige dwaas!" roept Olbert de schaapherder, want deze was het; "houd op, en denk aan je vrouw en je onschuldige kinderen!"
De verschijning van den "eenarm" werkte op de opgewonden lieden als olie op de golven van een onstuimige zee, en zoodra heeft Hannes Klinge niet bemerkt dat het Olbert is, die zijn hand terzijde sloeg, of hij laat het reeds weer opgeheven mes zinken, en roept met forsche stem zijn honden terug, die Gerrit Dubbe aanvliegen.
"Los Tromp! Hier Turk!" en hun meester onmiddellijk gehoorzamend, laten ze Gerrit Dubbe los, maar blijven dreigend grommen.
Bleek als een doode richt Dubbe zich op. Zijn buis is door de honden aan flarden gescheurd, en op zijn broek vertoonen zich groote bloedvlekken, die wel aantoonen, dat de nijdige dieren hem duchtig te pakken hebben gehad.
Een der boeren is door een stokslag van Sijmen op den arm getroffen, en hij zal dien arm in de eerste zes weken niet kunnen gebruiken. Maar op dit oogenblik bekommert zich niemand om hem. Hoog boven allen uit staat de veteraan van Napoleon, die in zijn leven reeds zoo menig bloedig tooneel heeft aanschouwd. Hij is opzettelijk hierheen gekomen, want Martha had haar zoon, haar Gerard, naar de schaapskooi gezonden om te vragen of vader ook bij Olbert was.
Dadelijk was toen de gedachte bij hem opgekomen, dat Hannes Klinge zich veel langer ophield in het dorp dan deze gewoon was, en daar hij wist, dat de jager de beleediging zijner vrouw door haar vader niet kon verkroppen, duchtte de schaapherder onheil, en besloot hij, om, zooals hij dat noemde, op verkenning uit te gaan.
Hij zond Gert terug naar het "Uilennest" met de boodschap aan Martha, dat ze gerust kon zijn, want dat hij zelf naar het dorp zou gaan om te zien waar Hannes Klinge vertoefde. De toedracht der zaak goed overleggende, begaf de schaapherder zich regelrecht naar de dorpsherberg. Het rumoer van het losbrekend gevecht wees hem den weg, en hij kwam ter rechter tijd, een seconde later, en waarschijnlijk was er een doode of doodelijk gewonde in den "Zwarten Arend" gevallen.
Doch met Gods hulp was het hem gelukt den storm te doen bedaren en waarschijnlijk zou er niet gemakkelijk iemand gevonden zijn, die grooter invloed uitoefende dan deze man.
In het gansche dorp stond Olbert de schaapherder bekend om zijn oprechte godsvrucht, en zijn groote ervaring op het gebied van landbouw en veeteelt. Bij alle belangrijke dingen won men zijn raad in, en niemand klopte tevergeefs bij hem aan.
Voor de armen een helper in den nood en voor den rijke een onpartijdige raadsman, was hij bij alle weldenkende lieden in het dorp geacht en bemind, waarbij nog een soort van bijgeloovige vrees kwam, als zou de schaapherder over geheimzinnige krachten en gaven kunnen beschikken.
Het is vreemd, zoo stil als het wordt in de straks nog zoo rumoerige herberg. Sijmen loopt op Olbert toe en drukt den schaapherder hartelijk de hand.
"God zij gedankt," zegt de ruwe ossenkooper, "dat je zoo kloek tusschenbeiden kwaamt, want zoo waar ik leef, er zou een moord gepleegd zijn, en niemand zou het hebben kunnen beletten! Die wilde jager heeft den duivel in het lijf als men hem boos maakt, en nooit zal ik vergeten hoe hij over die tafel sprong, met het mes in de vuist en zijn honden achter hem aan. Gerrit Dubbe," vervolgt Sijmen, "je moogt Olbert den schaapherder ook wel bedanken, want die heeft je leven gered. Jij hebt dezen twist gezocht en zonder de hulp van Olbert zou de jager je het mes door het lichaam gejaagd, en zijn honden je verscheurd hebben."
"Neen, Sijmen, neen," zegt de eenarm, "niet mij komt dank toe, maar Hem, die mij hierheen zond ter rechter tijd. Die niet wilde dat jij, Gerrit Dubbe, zoudt sterven in je zonden. Hij geeft je nog tijd je af te wenden van je zondige wegen.
Die wind zaait, zal storm oogsten, en God zal oordeelen."
Allen zijn beschaamd en niemand spreekt een woord, maar Van Gulven wordt nog bleeker dan daar straks, nu de geheimzinnige, diepliggende oogen van den schaapherder hem strak aanstaren.
Waarschuwend strekt Olbert den langen, mageren arm naar hem uit en zegt: "Barend van Gulven, ook voor u zullen er andere tijden aanbreken; er komt een tijd, dat ge niet meer als de rijke boer van "Zorgwijk" zult staan, want bij den grooten Rechter hierboven geldt aardsche rijkdom voor niets: maar als ge voor den rechterstoel van den Rechtvaardige wordt geroepen, zult gij dan kunnen verantwoorden uw gedrag tegenover uw kind? Tegenover uw dochter, waarvoor Hannes Klinge daar straks het mes trok? Ik zeg u: neen!
Wees gewaarschuwd, Van Gulven. Op deze wereld zult ge het mogelijk van hem winnen, maar hiernamaals zal God rechten tusschen u en den jager."
Van Gulven wil iets zeggen, maar de woorden blijven hem in de keel steken, en de boer van "Zorgwijk", die anders niet licht het antwoord schuldig blijft, kan tegen dien wonderlijken schaapherder, wiens huiveringwekkende woorden hem zijns ondanks doen beven, niets uitrichten.
Reeds wendt Olbert zich tot Hannes, wiens toorn inmiddels bedaard is.
"Kom Hannes, wij gaan naar de Schaapskooi, dan kun je verder alleen naar het "Uilennest" wandelen; kom, Hannes, kom mede in de frissche lucht," herhaalt de eenarm.
Klinge knoopt zijn loshangend buis vast, en zich tot Sijmen den ossenkooper wendend, drukt hij dezen krachtig de hand, met de woorden: "Jij hebt mijn partij gekozen, Sijmen, jij alléén, en dat vergeet ik nooit! Heb je ooit hulp noodig en ik kan je helpen, dan kun je op Hannes Klinge rekenen, en wat jou betreft, Govert Kemp, het spijt mij, dat ik je zooveel last heb veroorzaakt van avond, doch ik beloof je, dat je voortaan op Vrijdagavond geen hinder meer van mij zult hebben."
De deur valt achter Olbert en den jager dicht, en zwijgend wandelen beide mannen de modderige dorpsstraat uit, en als Hannes het riet van den Davel weer hoort ruischen, en hem de stille velden omgeven, dan komt er dankbaarheid jegens Olbert in zijn hart op. En niet alleen dankbaarheid, maar ook bewondering, want Hannes denkt, dat er meer moed voor noodig is, om tot opgewonden menschen in een herberg te spreken zooals Olbert sprak, dan er in dolle, razende drift met het mes in de vuist op los te stormen. Nu staan ze voor de Schaapskooi en Hannes zegt met iets trillende in de stem:
"Olbert, gij hebt mij vanavond van de gevangenis gered, want zonder u zou ik dien "rooden Judas" hebben vermoord, en ik kan er niet aan denken, wat dan voor mij de gevolgen zouden geweest zijn. Sijmen de ossenkooper was ook bereid mij te helpen, maar zijn hulp zou voor mij de toestand niet veel beter gemaakt hebben, en zijn stok en mijn mes zouden mij mogelijken wel door de boeren heen naar buiten hebben gebracht, maar hadden mij niet buiten de gevangenis gehouden. Daarom, Olbert, dank ik u van ganscher harte; gij, oude, moedige veteraan, toondet dat ge meer waard zijt dan wij allen. Maar waarom zijn ze mij vijandig gezind? Ik verdien eerlijk mijn brood, en ik leg niemand hunner ooit iets in den weg, en toch waren, behalve Sijmen, allen tegen, mij; kunt ge dat begrijpen, Olbert?"
"Zeker kan ik dat begrijpen," is het antwoord van Olbert, "zeker begrijp ik dat. Het is de eeuwenoude geschiedenis van het aanbidden van het gouden kalf, en zoo zal het wel altijd blijven, Hannes. Wie rijk is, en macht heeft door dien rijkdom, dien hangt iedereen aan, maar wie arm is en zonder invloed, die wordt verstooten en vertrapt. Nog een enkel woord, Hannes, en dan ga ik naar binnen.
Toen het volk van Jeruzalem dacht en hoopte, dat de "rabbi van Nazareth", die zoo machtig was in woorden en werken, hen op zou heffen uit hun diep verval en de oude glorie van het huis van David zou doen herleven, toen klonken Hem jubeltonen tegemoet, en toen werden er palmtakken op zijn weg gespreid, en het Hosanna! Hosanna! gezegend is Hij, die komt in den naam des Heeren, Hij, die is de Koning Israëls, werd gehoord. Aardsche macht en aardsche glorie zag men in Hem, die geen aardsche macht begeerde, maar hoe ras veranderde toen het jubelend Hosanna! in het hoonend Kruis Hem! Kruis Hem!