Het Uilennest

Part 7

Chapter 74,142 wordsPublic domain

Doch dergelijke indrukken vervliegen zoo snel, en meestal werd de bijbel vergeten; want als Hannes Klinge zijn blozende vrouw en kerngezonde kinderen aanzag, dan week alle onrust uit zijn hart, en vroolijk klonk weer zijn lied.

Des Zondags bracht hij, als het mooi weer was, den avond met vrouw en kinderen nog wel eens door bij Olbert den eenarm, op de Schaapskooi.

Dan ging het heele gezin in de groote visschersboot, en met krachtige slagen roeide Hannes dan den Davel uit tot de plek, waar de eeuwenoude noteboomen het dak van de Schaapskooi overschaduwen.

Hoe hartelijk en vriendelijk ontvingen de schaapherder en zijn goede Sanne dan den jager en zijn gezin. En hoe gezellig was het op de groote houten bank onder het breede lommer der noteboomen. Dan vertelde de oude soldaat van zijne krijgstochten en de gevaren op het oorlogsveld; van de vreemde landen, die hij had bezocht, en de vreemde dingen, die hij had beleefd. En altijd wist de oude man aan te toonen, dat Gods almacht alles bestuurt, zijn wijsheid alles regeert.

Dan vloog de tijd voorbij, en allen luisterden met onverdeelde aandacht naar den oude; maar bovenal des jagers zoon Gerard hing aan de lippen van den verteller, en als deze verhaalde van stormloopende grenadiers en ten aanval rennende huzaren, of dragonders, dan fonkelden zijn zwarte oogen, en des nachts droomde hij van plunderende soldaten en brandende steden en dorpen.

HOOFDSTUK X.

Hannes kwam zelden in het dorp, maar als hij er kwam, gebeurde het wel eens, dat hij Van Gulven tegenkwam, want in de nauwe dorpsstraat kon men elkander niet ongemerkt voorbijloopen.

Dan werd het gelaat van den rijken boer donkerrood van drift en met afgewenden blik liep hij den jager voorbij, die zich in zijn volle lengte oprichtte, en met trotsch gelaat, in het volle besef zijner onafhankelijkheid, den vader zijner vrouw voorbijliep.

In het begin had Martha wel eenige pogingen gedaan, om zich met hare ouders te verzoenen, maar alles was afgestuit op de onverzettelijkheid van Van Gulven, en Martha had spoedig de hoop opgegeven het steenen hart van haar vader te vermurwen.

Toen stierf na een korte, doch hevige ziekte hare moeder, en toen Martha kort voor den dood harer moeder van Olbert den schaapherder vernam, dat hare moeder in zorgelijke omstandigheden verkeerde, ach toen brak haar bijna het harte, want al had hare moeder zich nimmer durven kanten tegen het despotisch karakter van haar man, ze had toch haar dochter altijd innig liefgehad, en Martha besloot toegang te vragen op "Zorgwijk".

In den laten herfstavond klopte zij aan de poort van de boerderij aan. Ze was geheel alleen, want haar man kon haar niet vergezellen; de kinderen waren nog te klein om in het "Uilennest" alleen achtergelaten te worden. Wat was het stil op de hoeve; slechts het zuchten van den wind door de boomen en het doffe loeien van een os in den stal werd gehoord.

Hoe bonst en klopt haar hart, nu zij op de plek staat, waar zij als kind heeft gespeeld, waar haar jong leven is voorbijgegaan in zonneschijn en geluk. Nu staat ze voor de deur en durft niet zonder kloppen binnen te gaan in haar ouderlijk huis.

Daar nadert iemand door de gang om op haar kloppen de deur te openen, en zij kent dien tred; het is de zware pas van boer Van Gulven.

De deur gaat open, en het licht van de ganglantaarn valt op haar angstig gelaat; met één oogopslag heeft de boer zijn dochter herkend. Het is of zijn hooge gestalte nog langer wordt, en Martha merkt op, hoe bleek zijn gelaatskleur is, en dat zijn oogen diep in de kassen zijn gezonken.

Maar ach, hoe barsch en dreigend klinkt zijn stem als hij vraagt, of liever haar toesnauwt:

"Wat wil je hier; wat zoek je?"

"Vader," zegt Martha, en de trotsche boerendochter vouwt smeekend de handen, "vader, laat mij bij moeder. De menschen hebben me verteld, dat ze zoo ziek is, ach, laat mij toch bij haar!"

Eén oogenblik aarzelt de boer, maar ook slechts een oogenblik. Dan klinkt het dof van zijne lippen: "Mijne vrouw is een uur geleden gestorven, dus ik blijf als een eenzaam man achter hier op de hoeve."

Onbeschrijfelijke bitterheid ligt er in de stem van den rijken boer, maar de slag die hem trof doet geen enkele snaar van vaderliefde of mededoogen trillen in zijn hardvochtig gemoed.

"Groote God," gilt Martha, "is moeder dood? Vader, laat mij door, ik wil haar zien! Ik wil mijn moeder zien, dat moogt ge mij niet beletten. Heb ik dan zulk een misdaad gepleegd, dat ik een man gehuwd heb van nederigen stand? Een man met een eerlijk hart, maar zonder geld? O vader, laat mij toch om Gods wil door, en ik zal, als gij het niet wilt, geen voet meer op "Zorgwijk" zetten!"

Wie zal zeggen wat er omging in het hart van Van Gulven, toen zijn eenig kind hem zoo smeekte bij het lijk van haar moeder te worden toegelaten? God alleen peilt de donkere diepte van het menschelijk hart, maar gekrenkte hoogmoed en grenzenlooze trots behaalden de overwinning, en Martha ruw terugduwend, schreeuwt hij:

"Er uit! Ga naar dien vent daarginds aan den Davel, om wiens wil je het leven van je ouders hebt vergald. Er uit!"

En met dreunenden slag valt de deur dicht en Martha hoort, dat de zware ijzeren grendels er voor geschoven worden.

Als versuft staat ze tegen den deurpost geleund, en de koude avondwind, die haar langs het voorhoofd strijkt, doet haar goed, want het hamert en klopt daarbinnen als zou haar hoofd bersten.

Daar wordt een hand op haar arm gelegd, en een vriendelijke stem zegt zacht:

"Martha, het is verschrikkelijk, zooals uw vader u behandelt. Ik heb alles gehoord wat er gesproken is, maar gij kent hem; als hij eenmaal beleedigd is, dan weet hij van vergeven noch vergeten; doch zijn eenige dochter terugstooten, als zij smeekt om het lijk harer moeder te zien, zie, dat is goddeloos en hij zal zijne straf niet ontgaan."

Het is Geertje, de meid van "Zorgwijk", die voor het zolderraam alles gehoord heeft wat Van Gulven met zijn dochter sprak, en nu is ze stil door de achterdeur naar buiten gegaan, en haar zachte, vriendelijke stem doet de arme verstootene goed.

Geertje is een wees, en reeds als kind op "Zorgwijk" gekomen, want Martha's moeder had medelijden met de hulpelooze kleine gehad, wier ouders bijna gelijktijdig door de cholera werden weggerukt. Ze was met Martha opgegroeid, en de rijke boerendochter had de arme wees altijd zusterlijke liefde betoond. Zij was getuige geweest van menigen huiselijken twist tusschen Martha en haar vader over Hannes Klinge, en beefde Martha niet, Geertje beefde voor haar.

Zij was de steun en de troost van de boerin van "Zorgwijk" geweest, toen Martha gehuwd was, en zij had gewaakt en haar opgepast tot het stervensoogenblik toe, en als de zieke haar bang vragend aankeek in een oogenblik van helder bewustzijn, dan had ze de arme moeder toegefluisterd: "Ik zal het Martha doen weten, dat ge zoo ziek zijt, en dan zal Martha komen, dat weet ik zeker."

Toen had Geertje Dirk den stalknecht gevraagd of hij geen kans zag Olbert den eenarm op te dragen de tijding aan Martha te brengen, en Dirk, die voor Geertje zijn leven zou gewaagd hebben, had een paard uit de weide gehaald, en was spoorslags naar de Schaapskooi gereden, waar hij den ouden soldaat dadelijk bereid vond aan zijn opdracht te voldoen.

Dirk was ongemerkt teruggekomen, en dat was zijn geluk, want had de boer van "Zorgwijk" geweten, dat de stalknecht zonder vragen een paard had genomen voor het doel, waarvoor hij het had gebruikt, zonder twijfel had hij Dirk weggejaagd.

En toch was Martha te laat gekomen, want terwijl Dirk wegreed, strekte de dood reeds de koude hand naar zijn offer uit.

"Geertje," had de stervende vrouw gefluisterd, "Geertje, bid voor mij; bid voor mijn Martha, en ook voor hem."

Met "hem" bedoelde de stervende vrouw haar man, die, toen hij het woord "bidden" hoorde, zich over haar heen boog en vroeg of hij den dominee zou laten halen, maar zij schudde het hoofd en murmelde: "Geertje, ach, Geertje, bid voor ons." Toen had Geertje de handen gevouwen en uit de diepte van haar kinderlijk vroom gemoed klom haar gebed, om licht en hulpe voor de stervende, om steun op den levensweg voor de afwezige dochter, om troost en bemoediging voor den achterblijvenden man.

En terwijl dat gebed opklom tot den troon der genade, was boer Van Gulven de kamer uitgegaan, want het kloppertje daarbinnen maakte het hem zoo bang, en toen hij weer binnenkwam, lag de zieke rustig en stil, doch het leven spoedde ten einde, en bijna onmerkbaar scheidde de ziel zich van het stof.

Dat alles verhaalde Geertje met door tranen afgebroken stem aan Martha, met wie zij een eindweegs meegewandeld was tot buiten de poort van "Zorgwijk".

Zwijgend hoorde Martha haar aan, en slechts de jagende boezem en het bleeke gelaat getuigden van de ontroering harer ziel, want geen traan was in haar oog.

Daar naderde een jonge, forsche man; het was Dirk de stalknecht, en terwijl hij aan de pet tikte voor de dochter van zijn baas, vroeg hij op zachten toon, of hij haar wilde vergezellen naar het "Uilennest", want de donkere weg langs den Davel was geen weg voor een vrouw alleen om in den laten avond te bewandelen.

Doch Martha schudde beslist het hoofd, en zei: "Neen Dirk, je bent een goede jongen, maar ik wil je niet in ongelegenheid brengen; als je baas te weten kwam, dat je de vrouw van Hannes Klinge een dienst bewezen hadt, dan was je denkelijk den langsten tijd op "Zorgwijk" geweest."

Het hart van Geertje werd diep getroffen door den harden, bitteren toon, waarop Martha die laatste woorden sprak, en zij begreep, dat Van Gulven op dit oogenblik het hart van zijn eenig kind had verloren, en indien God het niet verhoedde, verloren voor altijd.

"Dat durf ik wel wagen, vrouw Klinge," zegt Dirk. "Wat zou Hannes wel van mij denken, als ik zijn vrouw in den laten avond alleen het donkere onveilige pad naar het "Uilennest" liet gaan? Neen, daarvoor, kent hij Dirk te goed."

Op dat oogenblik weerklonk een vroolijk geblaf en twee langharige jachthonden drukten de ruige koppen tegen Martha aan.

Dirk en Geertje schrokken, en de stalknecht sloeg de hand aan zijn mes, doch Martha schrok niet, want zij herkende de honden oogenblikkelijk.

"Ziet ge, Dirk? Hier is voor mij reeds geleide genoeg en met hen ga ik veilig naar huis.

De arme jager uit het "Uilennest" zendt mij zijn trouwe honden, om mij veilig te voeren in zijn hut, want hij kan zelf niet komen, hij durft onze kinderen niet alleen achterlaten.

Goddank, dat ik nog man en kinderen bezit, die ik liefheb en die mij liefhebben, want ouders heb ik niet meer, die heb ik dezen dag beiden verloren."

"Ach, Martha," zegt Geertje met zachte stem en tranen in de oogen "ach, Martha, zoo moogt ge niet spreken. Uw goede moeder wilde dezen middag in haar stervensure, dat ik ook zou bidden voor hem, voor uw vader, en al heeft hij u zooeven hard en wreed behandeld, hij blijft immers toch uw vader. Martha, bid den goeden God, dat hij uw hart beware voor haat en verbittering, want dat kan tot niets anders leiden dan tot wroeging en spot." De vrouw van den jager echter wees met den vinger naar "Zorgwijk" en koud kwam het over haar lippen: "Die man heeft den vadernaam verbeurd; een mensch die zoo handelt met zijn eigen kind, is niet waard, dat hij den vadernaam draagt." En met verheffing van stem roept ze de rondspringende honden.

"Hier Tromp! Kom Turk, wij gaan naar het "Uilennest"."

Zij drukt een kus op Geertjes wang, reikt Dirk de hand, werpt nog een somberen blik op de schoone bezitting van Van Gulven, en verdwijnt met haar honden in het donker.

HOOFDSTUK XI.

Hannes Klinge zit intusschen met eenige onrust in het hart bij zijn kinderen in 't "Uilennest". Reeds geruimen tijd geleden is Martha naar het dorp vertrokken, en Hannes weet niet, wanneer zij terug zal komen, en hij kort den tijd met netten knoopen, waaraan Gerard zijn vader trouw helpt. De kleine blonde Lize voert een gesprek met de beide jachthonden, waarvan er een zijn ruigen kop op de knie van het kind heeft gelegd, terwijl de andere gedurig tegen haar opspringt.

"Schei toch uit, Turk!" roept Lize, "en houd je rustig zooals Tromp, terwijl ik je wat vertel!" en de kleine meid vervolgt haar verhaal, telkens lastig gevallen door Turk, die geregeld zijn plagerijen voortzet.

Hannes moet ondanks zijn onrust toch lachen, en zijn net neerwerpend, zegt hij: "Kom Gert, wij zullen er maar mee eindigen, want het wordt voor Lieske tijd om te gaan slapen. En jij moest ook maar gaan, dan mag je morgenochtend vroeg met mij mee om palingfleuren te gaan lichten. Wat zeg je daarvan, Gert?"

Gert zei niet veel, maar zijn zwarte oogen glinsteren en verraden. duidelijk genoeg, dat het voorstel hem best naar den zin is.

Niets deed de jongen liever dan met zijn vader medegaan en dezen behulpzaam zijn in de uitoefening van zijn beroep. Met hartstochtelijke liefde hing Gerard zijn vader aan, en niets maakte hem gelukkiger dan samen op den Davel om te zwerven in de boot.

Reikhalzend wachtte hij den tijd af, dat hij de school zou kunnen verlaten, en als hij dan vader een paar jaar zou hebben vergezeld bij jacht en vischvangst, dan zou deze het kleine geweer voor hem in orde maken, en dat was het toppunt zijner wenschen. Gerard helpt de kleine Lize bij het ontkleeden, nu moeder er niet is, en als de kleine voor haar bedje knielt en haar kinderlijk gebed uitspreekt, dan ontroert de ruwe jager, zonder dat hij zich rekenschap kan geven waarom. Hij tilt het blondkopje op en drukt haar aan zijn hart. "Vader," zegt de kleine, "u bidt toch zeker ook voor u gaat slapen, nietwaar? Want oom Olbert vertelt mij zoo mooi van den goeden God, die ons alles geeft wat wij behoeven en altijd voor ons zorgt en waakt, maar dan moeten ook alle menschen Hem dankbaar zijn en bidden. Vader," vervolgt het kind, en de onschuldige blauwe kinderoogen zien den man ernstig aan, "Vader, waarom vertelt u mij nooit van God en van de engelen in den Hemel, zooals oom Olbert dat doet?"

"Je moet nu gaan slapen, Lieske," antwoordt Hannes. "Gert is ook gereed, en Tromp en Turk kruipen ook in hun hoekje, zie je wel?"

Hannes legt zijn kind in haar bedje en dekt haar zorgvuldig toe; en als ook Gerard zich ter ruste heeft gelegd, wordt het stil, doodstil in de oude jagershut.

Strak voor zich uitsturend zit Hannes op zijn stoel, en de woorden. van zijn kind, in onnoozelheid gesproken, trillen na in het hart van den vader. Heeft het kind bij toeval gevraagd: "Vader, bidt u ook voor u gaat slapen?" Of is er dan werkelijk een hoogere macht, die zijn kind die woorden deed spreken?

Nooit heeft hij ernstig over deze dingen gedacht, en hoewel hij nimmer een vloeker of spotter was, zijn vroolijke, lichtzinnige levensopvatting deed hem toch altijd twijfelen en verwerpen.

Het leven als boerenknecht en soldaat, dat hij geleid had eer hij bij Van Gulven kwam, was niet erg geschikt geweest om den jongeling op te voeden in het licht van het Evangelie, en bij Van Gulven nam men het ook zoo nauw niet, want al ging de boer ook trouw ter kerke en al vorderde hij zulks ook van zijn huisgenooten, Hannes wist veel te goed, dat het hart van den boer geen deel had aan zijn vertoon van godsvrucht.

Toen was hij in aanraking gekomen met den schaapherder; in hem had hij voor het eerst een man ontmoet, voor wiens godsdienstig gevoel hij eerbied had.

Maar bij dien eerbied kwam toch steeds de gedachte, dat de man, wiens jeugd was voorbijgegaan te midden van de gruwelen des oorlogs, van het eene uiterste tot het andere was overgeslagen, met andere woorden, Hannes Klinge beschouwde Olbert den eenarm als een vromen dweper, die, als hij Roomsch geweest was, zijn leven zou hebben versleten tusschen de muren eener kloostercel, om met vasten en bidden boete te doen voor de zonden zijner jeugd. En Krijn Vermeeren? Zeker, dat was een vroom en eenvoudig man en Hannes had hem liefgehad als een goed zoon zijn vader, maar was dat geen man geweest, die van een gelukkig gezin alleen overbleef, als een ontredderd schip op de levenszee? Die, toen alles hem ontviel wat hij liefhad, niets meer van de wereld daarbuiten wilde weten, en zich geheel terugtrok in de eenzaamheid? Wiens hart zich afwendde van alles wat hem vroeger toelokte, en die zijn troost zocht en vond in het ongeziene en geheimzinnige, dat volgens Hannes zooveel reden overliet tot twijfel.

En toch, wat staat die heldere Zondagmorgen hem weer klaar voor den geest, die Zondagmorgen, waarop de oude jager is gestorven, en nu in dit stille avonduur is het hem als hoort hij weer den stervende stamelen: "Hannes, zul je den ouden man niet vergeten en zul je mijn bijbel gebruiken?" En daarna: "O, Hannes, moge uw stervensuur zijn zooals het mijne."

Neen, vergeten zou hij Krijn Vermeeren niet; maar, den ouden bijbel gebruiken, dat deed Hannes toch niet veel. Martha had het altijd zoo druk met hare huiselijke bezigheden en zorgen, dat er voor bijbellezen geen tijd kon overschieten, en daarom bleef het woord van God in het "Uilennest" een gesloten boek. "Moge uw sterfbed zijn als het mijne," had de oude jager gezegd, en deze gedachte verontrustte Hannes in dit oogenblik, want Krijn Vermeeren was gestorven in het onwankelbaar geloof aan God en zijn Woord, en hoe zou het hem gaan indien zijn ure kwam?

Buiten krasten de uilen in de oude boomen, en Hannes wordt onrustig.

Waar Martha toch zoo lang blijft? Hij staat op en gaat naar buiten. Wat is het donker en kil, en hoe wild jagen de donkere wolken langs het zwerk. Ik wilde wel, dat Martha al thuis was, want wie zal haar vergezellen op den langen, donkeren weg langs den Davel, als ze huiswaarts keert. Wacht, daar schiet den jager iets te binnen. Hij fluit, kort en scherp, en, dadelijk staan de beide honden voor hem.

Hij klopt ze op den kop, en zegt dan op bevelenden toon: "Tromp, Turk, het is verloren, zoek de vrouw," nog eens herhaalt hij: "Zoek de vrouw, het is verloren;" dan snellen de jachthonden het donkere pad op, al snuivend met de koppen dicht langs den grond.

Hannes gaat weer naar binnen, terwijl hij mompelt: "Ik wou dat Martha maar weer thuis was." Hij zet zich op zijn oude plaats, en weer moet hij denken aan de woorden van zijn kleine Lize: "Vader, bidt u wel voor u gaat slapen?"

Hoe ernstig had zijn vroolijk klein blondkopje dat gevraagd; en in den jager sprak een stem, die hem er op wees, dat hij slechts een der twee wegen kon bewandelen: den weg des behouds, of het pad des verderfs. Ook denkt hij aan het woord, dat de Heiland eens sprak:

"Komt herwaarts tot Mij allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u ruste geven."

Ja, Olbert de eenarm en Krijn de jager, zij waren tot Hem gegaan, toen zij vermoeid en beladen waren door tegenspoed, en zij hadden rust gevonden. Rust voor hun ziel en steun en kracht op den levensweg.

Nog geruimen tijd zit Hannes in gedachten verzonken, maar plotseling staat hij op, als hondengeblaf tot hem doordringt, en, naderende voetstappen de terugkomst aanduiden van de vrouw des huizes.

Hannes opent spoedig de deur en Martha treedt met haar honden binnen. Zij ontdoet zich van haar zwart wollen doek. Dan laat ze zich op een stoel neervallen naast Hannes en haar hoofd verbergend aan zijn breede borst, weent zij bitter, terwijl snikken haar schoone, krachtige gestalte doen schokken.

De jager laat haar geduldig uitschreien en vraagt eindelijk op zachten toon:

"Is je lieve moeder gestorven, Martha? En ben je aan haar sterfbed geweest? Kom, vertel mij eens alles; dat zal je smart verlichten."

De vrouw richt zich op en wischt haar tranen af. Nu eerst bemerkt Hannes een trek van verbittering op haar gelaat, en weer vraagt hij:

"Kom Martha, vertel mij nu, hoe je het hebt gevonden op "Zorgwijk"."

Eindelijk vindt zij woorden, en nu vertelt ze onder hartstochtelijk snikken, dat hare moeder reeds was gestorven, toen zij op "Zorgwijk" was aangekomen. Zij spreekt van haar angst en aarzeling om te kloppen aan de deur van haar ouderlijk huis. Zij vertelt, hoe haar hart bonsde, toen ze den welbekenden stap van haar vader hoorde weerklinken in de lange gang, en woordelijk verhaalt ze het gesprek met haar vader; woordelijk, want dat gesprek bewaart zij bij zichzelve maar al te duidelijk.

En als dan de jager hoort, hoe wreed en hardvochtig de rijke boer zijn eenig kind verstiet, en haar den toegang weigerde tot het doodsbed harer moeder, dan maakt een vreeselijke woede zich van Hannes meester. Dreunend slaat zijn gespierde vuist op de tafel, zoodat de honden opspringen in hun slaap, en de zwarte merel die in een teenen kooi aan den wand hangt, angstig begint te fladderen. De oude bijbel valt op den grond, maar Hannes slaat er geen acht op; de goede voornemens, die hij daareven nog had, zij vervliegen als een rookdamp voor dien storm van toorn, die daarbinnen woedt, in het hart van den jager.

"Dat is een beleediging, die men de vrouw van Hannes Klinge niet straffeloos aandoet," brulde de jager. "Barend van Gulven zal mij nog nader leeren kennen, al moest ik er voor gehangen worden. Terwijl je doode moeder boven de aarde staat, zal ik niets tegen hem ondernemen, maar daarna, wee hem! Om mij, om mij alleen heeft hij je verstooten, en dat wisten wij van te voren. Dat kan ik ook gemakkelijk dragen, want ik begeer niets van hem, maar jou te behandelen als een landloopster, zie, dat kan ik niet verkroppen, en dat zal ik hem betaald zetten!"

Weenend tracht Martha den razenden man tot bedaren te brengen, want hoewel niet spoedig vervaard, slaat haar nu toch de schrik om het hart, en ze gevoelt, dat deze luchthartige, vroolijke, zorgelooze man in zijn ontembare drift tot alles in staat is, en zij beeft, wanneer zij er aan denkt, dat hij in zulk een opgewonden toestand vandaag of morgen aan haar vader rekenschap zal vragen over hetgeen dezen noodlottiger avond op "Zorgwijk" is voorgevallen.

HOOFDSTUK XII.

Er is een schaduw gevallen op het gelukkig huiselijk leven van de bewoners van het "Uilennest". Hannes Klinge is stiller dan gewoonlijk en het zingen gaat hem niet van harte, want de wraakzucht woelt daarbinnen in zijn gemoed, en waar de duivel van den haat heeft postgevat, daar verdwijnen vroolijkheid en levenslust.

Wat Van Gulven hem persoonlijk had aangedaan, had hij nog kunnen verdragen, maar dat deze zijn vrouw zoo smadelijk had behandeld, dat zou den rijken boer berouwen.

Verschillende wraakplannen had Hannes reeds beraamd, doch ook even spoedig weer verworpen, want op den achtergrond van al deze plannen grijnsde hem de gevangenis tegen.

Ook Martha was veranderd, en was er voorheen wel eens een twistwoord tusschen de beide echtgenooten gewisseld, dan was het toch nooit van beteekenis geweest, en gewoonlijk eindigde het krakeel in een grap, waar zoowel Martha als Hannes om lachten.

Doch thans was dat anders, want hoewel Martha het haar vader niet vergeven kon, wilde zij toch niet, dat Hannes wraak nam voor het leed, dat Van Gulven haar had aangedaan op den sterfdag harer moeder, en zij verlangde van Hannes, dat deze geen woord zou reppen van de ongelukkige geschiedenis. Doch tegen zijn gewoonte bleef de jager halsstarrig bij zijn plan, om Van Gulven tenminste zijn meening te zeggen over diens onwaardig gedrag.

Verwijtingen en tranen van de vrouw, toornige en ruwe woorden van den man waren het gevolg van een en ander, en een schaduw verdonkerde het eens zoo zonnige geluk van Hannes Klinge en de zijnen.

't Is Vrijdagavond, en donker, somber Novemberweer. In den namiddag heeft het geregend, doch nu is 't droog, hoewel de rieten daken der boerenhoeven in het dorp H. nog aanhoudend druipen en de windvlagen de modderplassen in de hobbelige dorpsstraat doen rimpelen.

Van straatverlichting was in den tijd, waarin ons verhaal speelt, nog volstrekt geen sprake, maar toch is aan een huis in de kom van het dorp een lantaarn met een eindje vetkaars er in aan den muur bevestigd.

Het bedoelde huis is de dorpsherberg, en het flikkerend, bevend kaarslicht beschijnt een verroest uithangbord, waarop een zwarte vogel geschilderd is met uitgespreide vlerken.