Het Uilennest

Part 6

Chapter 64,143 wordsPublic domain

De goede God wilde het niet en uit de duisternis die mij omgaf, zond Hij mij, armen zondaar, licht. En nu is het mijne bedoeling, Hannes Klinge, dat indien ooit de wanhoop je aangrijpt en je geen uitkomst meer ziet dan den dood, dat je dan zult denken aan wat de oude Krijn Vermeeren je eens heeft gezegd.

En laat ons nu gaan slapen, Hannes, want we moeten morgenochtend vóór zonsopgang reeds op, om onze palingfleuren te lichten. Goeden nacht!"

Krijn gaat naar voren en Wolf volgt hem als zijn schaduw, maar Hannes gaat naar buiten, en geruimer tijd vertoeft hij nog, en luistert in gedachten verzonken naar het kwaken der eenden en het fluiten, der otters, ginds in het moeras. Dan keert ook Hannes zich om en slentert met tragen tred naar binnen, als kan hij slechts noode scheiden van den heerlijken, lentenacht daarbuiten.

HOOFDSTUK VII.

Eenige jaren zijn vervlogen sinds den Meiavond, waarop Hannes Klinge voor het eerst in den Bijbel las voor den ouden Krijn Vermeeren, en gedurende de paar jaar, die de oude jager na dien tijd nog leefde, heeft Hannes niet veel avonden overgeslagen zonder iets uit het oude boek voor te lezen.

Krijn is gestorven, en geen eigen zoon had hem trouwer kunnen oppassen dan Hannes Klinge heeft gedaan. Een ziekbed heeft de oude jager niet gehad. Zooals met dergelijke ijzersterke gestellen dikwerf gebeurt, zoo was het ook gegaan met Krijn Vermeeren. Een langzaam verval van krachten sloopte het sterke lichaam bijna onmerkbaar, en rustig en kalm zag de grijsaard den dood naderen, die voor hem geen koning der verschrikking was. Maar voor dien tijd had hij alles wat het zijne was, vermaakt aan Hannes Klinge, want met al de liefde, die hij eens voor zijn Frank had gehad, was de kluizenaar uit het "Uilennest" zich gaan hechten aan den kloeken Gelderschman.

Toen kwam het uur van scheiden. Op een schoonen Zondagmorgen, midden in den zomer, terwijl Hannes en Olbert de schaapherder bij hem waren, stierf Krijn Vermeeren en Hannes Klinge zal dat sterfbed nimmer vergeten.

Vroeg in den morgen was de oude man ontwaakt na een rustig doorgebrachten nacht, en toen Hannes aan zijn bed kwam, verwonderde hij er zich over, dat de oogen van Krijn Vermeeren hem zoo helder en klaar aanstaarden, en opgewekt vroeg hij of vader Krijn niet iets wilde gebruiken. Maar deze schudde het hoofd, en de eens zoo zware, krachtige stem sprak nu bijna fluisterend: "Hannes, licht mij wat op en zet de deur van het binnenvertrek open; daar is het zoo zonnig en ik zal de zon dezen dag niet onder zien gaan."

Hannes begrijpt zijne bedoeling niet, maar de sterke armen om den ouden man heenslaande, zet hij hem een weinig overeind, en stopt met een zorg, die men van den ruwen jagersgezel niet zou verwacht hebben, een paar kussens achter het hoofd en den rug van den zieke.

"Waarom zoudt ge de zon van avond niet zien ondergaan, vader Krijn?" vraagt Hannes.

"Omdat ik dan zal gestorven zijn," zegt de oude man, en als de jonkman hem eenigszins verschrikt aankijkt, dan vallen hem die eigenaardige strakke trekken in het oog, welke onmiskenbaar wijzen op het naderend einde. De tranen springen Hannes in de oogen, want nu bemerkt ook hij, dat het "Uilennest" spoedig weer een doode zal herbergen.

Langzaam gaat de buitendeur open en de lange gestalte van Olbert den schaapherder verschijnt in het vertrek. Hij is gisteravond ook nog komen zien, hoe het met den ouden man ging en met zijn scherpen blik en groote ervaring heeft hij gisteren reeds gemerkt, dat het leven van den jager ras ten einde spoedt, en daarom is hij nu reeds zoo vroeg naar het "Uilennest" gekomen.

Hij groet Hannes en wendt zich dan tot Krijn. Met een oogopslag heeft hij gezien, dat de dood in aantocht is, en de lange gestalte van den: ouden soldaat buigt zich over het bed.

"Dag Olbert," zegt Krijn, "kom je afscheid nemen voor het laatst? God moge je loonen voor je trouwe vriendschap, want je waart steeds den ouden jager een goed vriend.

Jij en mijn brave Hannes zijn de eenige vrienden, die ik hier heb gehad," en zich tot Hannes wendend, zegt hij, terwijl zijn stem al zwakker klinkt:

"Hannes, houd God voor oogen en bid Hem, dat Hij je hart beware voor haat en booze driften, want dat zijn de klippen, waarop je stranden zult. Hannes, ik heb je in den korten tijd, dat je hier zijt geweest, lief gekregen als mijn zoon; hoor het woord van een stervende, en vergeet nimmer, dat geen nacht van zonde en schuld zoo donker kan zijn, dat de Heiland je niet kan redden uit die duisternis." Bijna onhoorbaar wordt de stem, en de diep weggezonken oogen sluiten zich.

Buiten zingen de vogels hun morgenlied; daar dartelen de vlinders en geuren de wilde bloemen, en over de witte vlierbloesems gonzen de gouden torren. Alles in Gods schepping ademt leven, heerlijk krachtig leven, maar in de hut van den jager gevoelt men de ontzaglijke majesteit van den naderender dood.

Flauw mompelt de stervende onverstaanbare woorden en ligt dan weer roerloos stil.

Nu en dan verstaan, de luisterende mannen wel iets van hetgeen hij zegt, maar zijn geest is verward, en blijkbaar zijn het beelden uit een lang verleden, die hem in bonte verwarring voorbijtrekken.

Dan opent hij de oogen weer, en kijkt Hannes aan met een langen blik, en daarna Olbert, om eindelijk een wijle te blijven staren op zijn trouwen hond, die zoo lang zijn eenige metgezel was, hier in het "Uilennest." Het is als vangt de hond dien blik op, want dadelijk springt het dier tegen de hooge bedstede op en legt den ruigen poot op den arm van zijn meester; en er komt iets als een glimlach op het gelaat van Krijn Vermeeren, want nu is zijn geest weer helder.

"Hannes," fluistert hij, "Hannes, zul je goed voor Wolf zorgen? Het stomme dier zal den ouden man zoo missen. Het wordt zoo donker; Frank, mijn Frank, waar ben je," mompelt hij, terwijl zijn geest zich weer naar het verleden wendt.

Dan verheft zich zijn stem weer en hij roept klagend en angstig: "Frank! het wak! het wak!"

Het snijdt Hannes door de ziel, en hij grijpt de klamme hand van den stervende, en zich over hem heen buigend vraagt hij:

"Vader Krijn, kent ge mij nog?"

"Ja, Hannes, zien kan ik je niet meer, want alles is zoo donker, maar ik hoor je stem. Zul je den ouden man niet spoedig vergeten, Hannes? En zul je mijn bijbel gebruiken? O Hannes, moge uw stervensuur zijn zooals het mijne!"

"Olbert," zegt de stervende met stamelende tong, "Olbert, blijf een vriend voor Hannes en wijs hem naar boven, want jij hebt den Heiland lief."

Nu strekt de oude man zich uit, zijn trekken worden strakker en de reutelende ademhaling wordt flauwer en flauwer.

Nog eenmaal openen zich zijn oogen en hoe zacht ook gesproken, Hannes hoort het toch en het zijn de laatste woorden van Krijn Vermeeren: "Licht, Hannes; nu wordt het licht." Dan volgt een snik en de oude jager uit het "Uilennest" is huiswaarts gegaan.

HOOFDSTUK VIII.

Na den dood van Vermeeren bleef Hannes geheel alleen in het "Uilennest," en dreef de zaken voor eigen rekening, en hoewel er weinig gelegenheid was voor hem om Martha van Gulven te spreken te krijgen, zoo wist hij toch, dat zij hem trouw bleef.

Op een avond in November zat Hannes bij het houtvuur onder de groote schouw, en twee jonge langharige honden duikelden spelend over den vloer. Met de pijp tusschen de sterke tanden zat Hannes te lachen om hun dartel spel. Wolf, de trouwe hond van Krijn Vermeeren, had zijn ouden meester niet lang overleefd; want toen de oude jager naar zijn laatste rustplaats werd gebracht, volgde de hond zijn dooden meester naar het kerkhof, en toen de groeve was dichtgeworpen en de weinige mannen, die den ouden jager de laatste eer hadden bewezen, het kerkhof verlieten, toen volgde Wolf met hangenden kop Hannes Klinge naar het "Uilennest".

Daar ging het dier voor de ledige bedstede liggen en deed eenige oogenblikken een akelig gehuil hooren, en welke pogingen Hannes ook deed om hem van daar weg te krijgen, het gelukte niet. De smart van den armen hond sneed den Gelderschman door de ziel, en hij poogde met vriendelijke woorden en lekkere beetjes Wolf afleiding te verschaffen, maar noch het één noch het ander mocht baten; het dier at of dronk niet.

Soms rees hij overeind, liep de deur uit en dwaalde om de hut heen, ging op den oever van den Davel staan en huilde droevig; dan keerde hij weer naar zijn plaatsje voor de ledige bedstede terug, en de blik, waarmede hij Hannes Klinge aanzag, deed dezen de tranen in de oogen komen, want ondanks zijn kloeke gestalte en zijn vermetel, onbevreesd karakter, had Hannes toch een week gemoed.

Zes dagen na den dood van zijn meester begroef de nieuwe eigenaar van het "Uilennest" den trouwen metgezel van Krijn Vermeeren onder de vlierheg, aan den oever van den Davel.

Hannes schafte zich twee jonge honden aan, en nu zit hij, zijn pijp rookend, lachend toe te zien, hoe zij elkander in de lange noren bijten, en als de jager ze met met den voet op zij schuift, zullen ze in het vuur van hun spel nog in den brandenden haard terechtkomen.

Daar hoort Hannes een paar tikken op de voordeur. Wie mag dat zijn? Olbert de eenarm, die hem nogal eens komt opzoeken, kan het niet zijn, want die komt altijd aan den achterkant binnen.

"Zwijg toch, drommelsche honden!" roept Hannes luid, en nog luider roept hij in de richting van de voordeur: "kom maar binnen!"

Hij is opgerezen van zijn bankje (want stoelen zoekt men vruchteloos in het "Uilennest") neemt de kaars van de tafel en laat het flauwe licht in de voorkamer schijnen.

Met eenige moeite gelukt het den buitenstaande de deur te openen en een net gekleed heer steekt vriendelijk glimlachend het hoofd naar binnen.

"Goedenavond," klinkt het op beschaafden toon. "Ben ik hier terecht bij den jager Johannes Klinge?"

"Jawel, mijnheer," zegt Hannes, "kom binnen. Een stoel kan ik u niet aanbieden," vervolgt de jager met ruwe gastvrijheid, "want dien heb ik niet; maar als ge dit bankje voor lief nemen wilt, dan kunt ge hier bij het vuur plaats nemen, want het is buiten nevelig en guur."

De vreemdeling kijkt met snellen blik om zich heen en er is iets in zijn oogopslag, dat Hannes niet bevalt.

Vreesachtig blijft zijn oog op de beide honden rusten, die hun dartel spel gestaakt hebben en nu brommend voor hem staan; en ook de geweren, die boven zijn hoofd aan de dikke zolderbalken hangen, en welker blanke loopen schitteren in den gloed van het haardvuur, schijnen hem vrees in te boezeroen.

"Ga gerust zitten, mijnheer," zegt Hannes, "mijn geweren zijn niet geladen, en de honden zijn jonge snuiters, die zullen u waarlijk niet bijten, dus ga maar rustig zitten, en vertel mij wat u in den avond naar het "Uilennest" voert. En gij, Tromp en Turk, maakt dat je in je hoek komt, marsch, op je plaats!"

Gehoorzaam vlijen de honden zich in hun hoek; de vreemde heer neemt voorzichtig plaats op het bankje, en terwijl de jager een versche pijp stopt, begint hij het doel van zijn komst te verklaren.

"Baas Klinge," begint hij, "ik ben hier gekomen om u een voorstel te doen, een voorstel, dat u vrij wat voordeel kan bezorgen als ge er op wilt ingaan. Het huisje met het stukje grond hier is uw onbelast eigendom, nietwaar?"

"Ja, dat is het," zegt Hannes en kijkt den vreemden heer scherp in de oogen.

Deze slaat de oogen, neer, als kan hij dien doordringender blik niet best verdragen en met radde tong vervolgt hij: "Kijk, baas Klinge, ik weet iemand die veel zin heeft om eigenaar van het "Uilennest" te worden en nu ben ik als tusschenpersoon hier, ten einde van u te hooren of ge geneigd zijt om voor goed geld dit oude nest te verkoopen.

Welnu, hoe denkt ge over deze zaak, vraag eens geld, en het zou mij wel hard verwonderen, indien wij niet tot een goed resultaat kwamen."

Er speelt een glimlach op het gebruinde gelaat van den jager, en kortaf vraagt hij: "Wie zijt gij, mijnheer? En wie is uw lastgever?"

Deze vraag had de heer niet verwacht, en eenigszins aarzelend antwoordt hij, dat hij een zaakwaarnemer is uit D., maar den naam van zijn lastgever wilde hij liever niet noemen.

Doch dit was, vervolgde hij, ook van minder belang, want indien de jager met hem tot een overeenkomst kwam, dan had hij met niemand anders noodig. De koopsom zou dan ten huize van een notaris in de stad contant worden betaald.

"Nu, Klinge, wat zeg je van mijn voorstel; verkoop dezen ouden bouwval voor goed geld, vriend; ge zult er waarschijnlijk nimmer de kans weer voor krijgen. Komaan, laat eens hooren, wat ge voor het "Uilennest" vraagt; dan zal ik zien of wij het eens kunnen worden."

Zoo sprak de vreemde heer, en om de lippen van Hannes Klinge speelt een bittere glimlach, en in zijn heldere oogen komt een toornige gloed. Hard en dreigend klinkt zijn stem als hij tot den vreemdeling zegt:

"Luister eens, mijnheer. Ge ziet mij voor een lompen boer aan, nietwaar? Nu, dit zal ik niet tegenspreken, want er zijn een massa dingen, waarvan een man als ik niet veel begrijpt; maar zoo dom als uw lastgever schijnt te denken dat ik ben, is Hannes Klinge toch niet. Wat het "Uilennest" mij waard is, kan zelfs de rijke Van Gulven niet betalen! Verstaat gij dat, mijnheer?

Al wilde hij mij zijn groote hoeve, het schoone "Zorgwijk", in ruil afstaan voor deze hut, die gij een bouwval noemt, dan nog zou ik weigeren, want hier verdien ik mijn brood als een vrij man en ik behoef niemand naar de oogen te zien, en dat is mijn ideaal, begrijpt ge dat, vreemdeling? En als ik mij nu eens liet verlokken om deze plaats aan u of aan Van Gulven te verkoopen, dan zoudt ge misschien denken: Hannes Klinge kan hier aan den Davel wel een ander stukje grond koopen om er een huisje op te laten bouwen, en zoo zijn jagers- en visschershandwerk verder uitoefenen; maar dan kent ge boer Van Gulven niet.

Op beide oevers van den Davel behoort het bouwland, de weidevelden en het griendgewas aan Van Gulven of aan zijn vrienden, die het gepacht hebben. Het "Uilennest" alleen behoort hem niet, en als de rijke boer daar de hand op kon leggen, wel, dan was er voor den armen jager hier geen andere woonplaats te vinden dan ginds in het moeras bij de otters en meerkolven. Zeg gij nu," vervolgt de jager driftig, "zeg gij nu aan hem, die u zond, dat als hij Hannes Klinge wil verdrijven uit deze streek, hij andere maatregelen moet nemen, want deze list is te doorzichtig, begrepen?"

De zaakwaarnemer heeft onwillekeurig zijn bankje wat uit de nabijheid van den Gelderschman geschoven, en zijn gladde welbespraaktheid laat hem in den steek, als hij de scherpe, toornige blikken van den jager op zich voelt rusten.

Een onbehaaglijk gevoel heeft zich van hem meester gemaakt hier in deze vreemde, sombere omgeving.

De uilen laten hun gillend gekras hooren van uit de oude wilgen, de honden brommen in hun hoek, en die forsche jonkman, met zijn toornige oogen en driftige stem, maakte het hem ook al niet gemakkelijk.

Hij beschouwt zijn poging als mislukt en acht het niet geraden verder bij Hannes Klinge aan te dringen; daarom maakt hij zijn afscheid kort en vertrekt.

HOOFDSTUK IX.

Intusschen bleek het Hannes wederom, dat Van Gulven geen moeite spaarde om zich van hem te ontdoen. Maar de rijke boer, die gewoon was alles voor zijn wil te zien bukken, moest ook nog ondervinden, dat aan zijn vaderlijk gezag, dat hij zoo despotisch placht uit te oefenen, een einde kwam, want ondanks alles en allen volgde Martha den jager als zijn wettige vrouw naar het "Uilennest."

Zwaar, ontzettend zwaar was het offer, dat Martha aan haar liefde voor Hannes Klinge bracht, en stilzwijgend gaan wij de tooneelen van twist en huiselijk leed voorbij, die daar afgespeeld waren op het schoone "Zorgwijk", eer het huwelijk van Martha een voldongen feit was.

Een razende, tierende, dreigende vader. Een zwakke, bevende, weenende moeder, en een halsstarrige, onbuigzame dochter.

"Nooit zoolang ik leef, zult ge weer een voet op "Zorgwijk" zetten, al stondt ge ook bedelend om een stuk brood voor de poort, dat zweer ik!" had Van Gulven tot Martha gezegd. "En dien avonturier daar ginds aan den Davel zal ik vandaag of morgen weten te treffen, zoo waar ik leef. Er zal een tijd komen, dat gij zoudt wenschen dien Gelderschman nimmer te hebben gezien, want van dit oogenblik af erken ik u niet meer als mijn dochter. Gij onteert den naam Van Gulven."

Weenend en snikkend had hare moeder haar gesmeekt, het toch niet tot zulk een uiterste te laten komen, maar vaders zin te doen en te buigen voor zijn wil. Maar noch het smeeken harer moeder, noch het dreigen van haar vader had iets kunnen baten. Martha werd de vrouw van den jager, en niets dan de kleeren, die zij aan het lijf had, bracht de rijke boerendochter mede ten huwelijk. Dat was juist wat Hannes Klinge gewild had, want de arme jager begeerde het geld niet van den rijken boer. Vischnet en geweer verschaften hem het noodige, en meer begeerde Hannes Klinge niet.

Doch Olbert de schaapherder had een ernstig woord met hem gesproken, en van Olbert kon Hannes alles verdragen, zonder ooit in toorn op te stuiven; want hij wist, dat hij in Olbert een vriend had, die slechts zijn bestwil bedoelde, al kon hij niet altijd de strenge levensopvatting van den ouden soldaat volgen of begrijpen.

"Hannes, mijn jongen," had Olbert gezegd, "er staat geschreven: Eert uwen vader en uwe moeder, opdat het u welga, en tegen den uitdrukkelijker wil van haar vader is Martha je vrouw geworden, en toornig en met hardheid heeft ze het ouderlijk huis verlaten; dat kan nooit goed zijn.

O, ik weet wat je zeggen wilt, Hannes, en ik weet ook, dat Van Gulven hard is en onbuigzaam, trotsch en aanmatigend, maar ondanks alles is en blijft hij toch de vader uwer vrouw. En als de dood hem nu eens wegrukte, Hannes, en de laatste woorden, die hij tot zijn eenig kind gesproken had, waren woorden van toorn en bitterheid geweest, zou dat niet vreeselijk zijn voor Martha en zou het geen schaduw werpen op haar jonge leven en ook op het uwe? Daarom, Hannes, het gedane wordt niet ongedaan, maar vergeld hem nimmer kwaad voor kwaad. Bedenk eens, Martha is zijn eenig kind, en ongetwijfeld heeft hij haar lief, zóó lief, als een man van zijn karakter een dochter liefhebben kan; en zijn plan was haar door een huwelijk met den eenigen zoon van den schatrijken Dubbe tot de rijkste boerin van het dorp te maken. Dat plan hebt gij verijdeld; hij beschouwt u als den verstoorder van zijn huiselijk geluk. Blijf daarom op den achtergrond, maar laat nu Martha, als er wat tijd is verloopen, trachten, met geduld en liefde den toorn van haar vader te overwinnen."

Hannes Klinge had stilzwijgend toegeluisterd, terwijl de schaapherder sprak, maar toen Olbert zweeg haalde hij de schouders op en zeide, dat hij Martha volkomen vrij liet hoe zij in dit geval wilde handelen. "Maar wat mij betreft," voegde de jager er bij, "ik verlang van hem slechts, dat hij mij met vrede laat. Wee hem, als hij mij met zijn vijandschap in den weg komt; dan zal hij Hannes Klinge nog nader leeren kennen."

Olbert had het hoofd geschud en nog eenmaal raadde hij den jager aan, zijn hart niet te verharden. Toen volgde hij zijne kudde, die door den ruigharigen Spits reeds den weg langs den Davel opgedreven was, en door de zomeravondlucht klonk helder en klaar de zilveren klank der klokjes, die de grootste hamels om den hals droegen.

In het begin werd er op het dorp en in den omtrek druk gepraat over het huwelijk van Hannes Klinge en Martha van Gulven, maar ook de onvermoeidste tongen raken eindelijk over een onderwerp uitgeput, en de alles effenende tijd rolt er over heen. En even vergeten als in den tijd van Krijn Vermeeren lag het "Uilennest" achter de oude wilgen, aan den oever van den Davel.

Maar zoowel uitwendig als inwendig is de oude jagershut veranderd, verjongd als het ware.

Alles buitenshuis is netjes door de vaardige hand van Hannes Klinge opgeknapt, en op het erf voor het huisje heeft de jager het eertijds geheel verwilderde grasveld van distelen en ander hoog opschietend onkruid gezuiverd, en nu is er voedsel voor een geit en eenige schapen te vinden; terwijl achter het huis een goed onderhouden moestuin de bewoners van het "Uilennest" ruimschoots van groenten voorziet.

Weelde was er niet in 't oude huisje, en voor Martha was het verschil met "Zorgwijk" hemelsbreed; maar de ruwe tafel van vader Krijn en zijn houten bankjes onder de schouw zult ge er niet meer vinden.

Eenvoudig, hoogst eenvoudig is het in de jagershut, maar alles blinkt van frischheid en getuigt levendig van de vlijt der kloeke huisvrouw.

Martha is een echte dochter van het oude Hollandsche boerenras. Opgegroeid in weelde, terwijl de rijkdom van haar vader groot genoeg was, zijn eenige dochter van allen arbeid vrij te stellen, had ze toch het huiselijk werk geleerd, dat op een groote boerderij te leeren valt, en dit kwam haar thans uitmuntend te stade.

Hannes en Martha hadden tot dusver gelukkig geleefd, en de vroolijke jager deed soms den eenzamen omtrek weergalmen van zijn liederen, waarvan zijn voorraad onuitputtelijk scheen.

Twee kinderen werden in den loop der jaren in het "Uilennest" geboren, en groeiden op zoo gezond en krachtig als de wilde bloemen langs den Davel.

Een grooter contrast dan tusschen deze beide kinderen was bijna niet denkbaar; niet alleen wat het uiterlijk betreft, maar ook hun geaardheid was geheel van elkander verschillend.

Zwart als een raaf waren het haar en de oogen van den knaap, terwijl zijn twee jaar jonger zusje een goudblond engeltje geleek.

Maar van dat oogenblik dat Gerard, zoo heette de knaap, eenig besef kreeg der dingen van zijn kleine wereld, had hij zich vol liefde aan zijn klein zusje gehecht.

En toen ze opgroeiden, speelden ze steeds te zamen, en het was voor den jongen een bitter verdriet, toen hij naar de dorpsschool moest en kleine Lize nog bij moeder bleef.

Het schoolgaan was Gerard een gruwel en de knaap geleek een jonge wolf in gevangenschap. Meer dan eens was Hannes Klinge genoodzaakt den bengel op te sporen als hij de school ontvlucht was en weggekropen zat in de griend of ergens in een korenveld.

Maar zijn vader ontsnappen kon de vluchteling niet, want de jager floot zijn honden en die hadden dan spoedig het spoor van den kleinen baas gevonden, en de straf, die dan onmiddellijk volgde, heugde Gerard lang, want de hand van den jager was niet van de zachtste.

Schuw en terughoudend van aard als hij was, werd de arme knaap altijd geplaagd en getergd door de jongens van het dorp, die hem scholden voor "Gert den Uil". Doch evenals de vogel van den nacht de sterke klauwen uitslaat, als hij door andere vogels wordt vervolgd, zoo kon Gerard dikwijls zijn belagers plotseling te lijf gaan, en dan vocht hij als de roofvogel, wiens naam men hem gaf.

Geheel anders was het met kleine Lize gesteld. Bekoorlijker, lieftalliger schepseltje was niet denkbaar. Bloeiend als een lentebloem te midden der wilde bloemen, waarmede zij speelde, kon niemand haar zonder acht te slaan op het lieve kind voorbijgaan. En als zij, toen zij wat grooter was geworden, met zilverreine stem de aardige liedjes zong, die haar vader haar geleerd had, dan klom in het hart van Hannes Klinge de gedachte wel eens op: "Ik ben een gelukkig man, maar ben ik er den goeden God wel dankbaar voor?" En dan trad menigwerf de herinnering aan vader Krijn met kracht naar voren. Aan den ouden man, die op deze plek hetzelfde leven had geleefd als Hannes nu. Die ook hier vrouw en kind had lief gehad met al de kracht van dat sterke hart, dat zijn levensgeluk zoovele jaren had overleefd.

De rampspoed was over den ouden jager gekomen, en als nu mij ook eens moest blijken hoe broos en vergankelijk aardsch geluk is, hoe zal ik dat dan dragen? Dan zocht de jager des avonds na afloop van zijne dagtaak den ouden bijbel van Krijn Vermeeren op, en las vrouw en kinderen iets voor uit het heilig boek.