Het Uilennest

Part 5

Chapter 54,167 wordsPublic domain

En dan, wat een hartstochtelijk liefhebber van de jacht was Hannes! Als Krijn hem zoo gadesloeg, in zijn snelle en behendige behandeling van het geweer, dan moest de oude jager bekennen, dat hij gedurende zijn lang leven nog maar zelden een schutter had ontmoet als deze Gelderschman. Driftig en bewegelijk van natuur, bezat hij toch het onuitputtelijk geduld, dat den echten jager kenmerkt, en hij was in staat om uren lang in de sneeuw neergehurkt te blijven zitten om een armzaligen blauwen reiger onder schot te krijgen; een vogel, die overigens voor den jager weinig of geen waarde heeft.

Maar nu is de jachttijd voorbij en de met vet ingesmeerde vuursteengeweren hangen aan de dikke zolderbalken van het Uilennest.

Dezen schoonen lentedag hebben Hannes en zijn baas doorgebracht met visschen, in den Davel en de groote, woeste snoeken en de logge, donkerkleurige zeelt en zooveel andere waterbewoners, die van morgen nog vrij rondspartelden tusschen de stengels der waterplanten, zwemmen nu in de groote vischkaar, in afwachting van den handelaar, die elke week komt vragen, of Krijn iets voor hem heeft.

Maar nu is het dagwerk afgeloopen, en alles om hen heen is rustig en vredig. "Vader Krijn," zegt Hannes (want de oude jager wil niet hebben dat hij hem "baas" noemt) "vader Krijn, vindt ge het niet zonderling, dat ik mij hier zoo echt tehuis gevoel? Als ik onder de menschen verkeer, is er altijd iets, dat mij ontstemt of verbittert. Ik ben bij verschillende boeren als bouwknecht in dienst geweest en overal vond ik iets dat mij noodzaakte mijn biezen te pakken. Bij den een was het dit en bij den, ander was het dat. Toen werd ik soldaat en ik dacht dat ik thans het leven gevonden had, dat mij meer naar den zin zou wezen. Ik wilde bevordering maken en leerde wat ik kon, en in het verschiet zag ik reeds de onderofficiersstrepen schemeren. Maar de ontgoocheling volgde ras, want zoo ergens, dan zag ik hier onrecht plegen en onrecht lijden, en dat kan ik maar niet verdragen. Ik trok partij voor hen, wien onrecht werd aangedaan, en Hannes moest alweer het loodje leggen; verschillende soorten van straffen werden mij opgelegd, en ik was ten slotte mooi blij dat ik mijn paspoort te pakken had en den dienst kon verlaten.

Toen kwam ik bij Van Gulven, en hoe het mij daar gegaan is, weet ge, vader Krijn; daarom kan ik u niet dankbaar genoeg zijn, dat gij mij in het "Uilennest" hebt opgenomen, want waar zou ik, arme woelwater, anders weer terecht zijn gekomen.

Ha, ha," lachte Hannes, "wat was die rijke Van Gulven woedend, toen hij vernam, dat die gehate Gelderschman zoo kort in zijn nabijheid bleef;" en met jeugdigen overmoed vertelde hij den ouden Krijn, dat ondanks al zijn maatregelen de trotsche boer niet kon beletten, dat hij en Martha elkander nu en dan ontmoetten. En op welke listige wijze hij Martha brieven in handen wist te spelen. Ja! Trouw zouden ze elkander blijven, de rijke boerendochter en de arme jagersgezel, onwankelbare trouw, en als Martha meerderjarig was, dan kon niemand haar langer beletten zijne vrouw te worden.

Krijn Vermeeren, schudt het ruige hoofd. "Hannes," zegt hij, "je ziet de toekomst helder voor je liggen, helder en onbewolkt als een langen, schoonen zomerdag. Maar de stormen zullen komen, mijn jongen, en dan zal het moeten blijken of de verbintenis met Martha van Gulven je ten zegen of ten vloek is, want slechts in het ongeluk leert men elkanders waarde kennen. Ik zeg dit echter niet om je den blijden levensmoed te benemen, doch je vertrouwt te veel op eigen kracht en je vergeet van wien alle levensgeluk moet komen. Eens droomde ik denzelfden droom, dien jij nu droomt. Ik had het woelige, onrustige zeemanslevenden den rug toegekeerd, en hier in dit oude huis mijn anker laten vallen als in een veilige haven. En een enkele rukwind slingerde mij in een zee van jammer. Daarom, Hannes, vertrouw niet te veel op een gelukkige toekomst, want onze toekomst is in Gods hand, en wij weten niet wat Hij over ons beschikken zal . . ."

't Wordt stil op de bank voor het "Uilennest". Zwijgend rooken Krijn en Hannes hun pijpen, en als een bloedroode bol zinkt de zon weg achter de goudglanzige kim.

Enkele sterretjes pinken aan het verdonkerende blauw van den hemel, en een op buit beluste uil krast in de oude wilgen voor het huis; door het avondkoeltje gedragen, galmen de klokketonen uit het dorp ver over de velden.

"Hannes," zegt de oude jager, "Hannes, ik hoorde je een, poosje geleden een lied zingen, en dat trof mij meer dan ik je zeggen kan. Niet om het lied zelf, o, neen! maar omdat mijn Frank het zoo dikwijls placht te zingen, en ik, oude baas, leef nog zoo gaarne in dien lang verleden tijd; indien ik er verkeerd aan doe, dan moge de goede God mij zulks vergeven, maar ik kan niet anders. Het is een oud ruiterlied; wilt ge het nog eens zingen, Hannes?"

Zeker! Hannes wilde het wel zingen als het vader Krijn pleizier deed, en zijn jonge, krachtige stem klinkt ver over de stille beemden:

"Drie ruiters rijden door de poort, Adé, adé, adé, Het liefje wenkt; zij rijden voort, Ja, scheiden" ja, scheiden doet wee.

De wreedste scheiding is de dood, Adé, adé, adé, Hij maakt zoo menig ooglijn rood, Ja, scheiden, ja, scheiden doet wee.

Nog eenige coupletten van het aloude ruiterlied, dat waarschijnlijk reeds in de middeleeuwen gezongen werd, laat Hannes hooren; dan sterft het geluid weg in de verte, en flauw herhaalt de echo het refrein: scheiden, scheiden doet wee.

Geruimen tijd blijft de grijsaard nog op de bank zitten, maar zijn pijp is uitgegaan en mijmerend spreekt hij de echo na: "Scheiden, ja, scheiden doet wee."

En zijn breede hand op den schouder van den jonkman leggend, klinkt er blijde hoop in die ruwe, zware stem, als hij zegt:

"Dat lied spreekt wel van de smart der scheiding, de scheiding door den wreeden dood, maar niet van de hoop op wederzien, van wederzien op een plaats, waar geen scheiding meer zal zijn. Aan die hoop klem ik mij vast, Hannes, want die hoop heeft de goede God mij in het hart gelegd.

Maar kom," vervolgde Krijn, "wij zullen naar binnen gaan; de vleermuizen fladderen ons reeds om de ooren en vriend Wolf krijgt honger en slaap.

Het was een prachtige avond, Hannes; waarschijnlijk zal ik niet veel zulke Mei-avonden meer beleven."

"Waarom niet, vader Krijn," antwoordt Hannes, "ge zijt voor een man van uwe jaren bijzonder krachtig. Neen neen! wij zullen te zamen nog menige eend schieten en, menig vischje vangen; wij scheiden niet zoo spoedig."

Maar de oude jager schudt het hoofd, want er zit hem een loomheid in de beenen en een gevoel van afmatting door het geheele lichaam, die hem doen vermoeden, dat dit het begin van het einde is. Doch het verschrikt hem niet, want hij is bereid. Nu heeft de oude man de vetkaars aangestoken, en Hannes doet buiten de vensters dicht. Dan loopt de Gelderschman fluitend naar den oever van den Davel, om nog eens naar de beide schuiten te zien, die aan in den grond geslagen palen met een tamelijk lang touw vastgemeerd liggen.

De kleine platte boot dient, om er in den jachttijd mede te gaan jagen. Dan hangen de jagers droge bossen riet langs het schuitje, varen zoo ver mogelijk in het riet tusschen griend en moeras, laten de houten lokeendjes op het water drijven, en loeren met den vinger aan den trekker van den snaphaan tusschen de rietbossen door; zij zijn aldus gereed om dadelijk te kunnen vuren.

Trekt dan een troep eenden hoog in de lucht over den Davel heen, dan zien ze bijna altijd de lokeenden, en nieuwsgierig van aard, daalt de zwerm, en wil bij de houten eendjes neerstrijken. Dit is het gunstigste oogenblik voor den jager, en het donderend knallen der zware geweren doet het overschot van den troep verschrikt overal heervliegen. Hannes kan die kleine boot niet zien, of het verlangen naar de jacht overmeestert hem. Maar Krijn wil niet dat er in gesloten tijd een schot gelost wordt op den Davel, en Hannes heeft nog nooit een meester gehad dien hij zoo onvoorwaardelijk gehoorzaamt als den ouden jager uit het "Uilennest". Dat komt omdat Hannes gevoelt, dat deze man hem lief heeft.

Hij acht en eert hem als ware de man zijn eigen vader, en onlangs, toen hij op een Zaterdagavond? in H. was, en met een paar boerenknechts stond te praten, was er een, die met de bedoeling hem te krenken, op minachtender toon zeide:

"Jij hebt maar een fijnen dienst daar ginds aan den Davel, in dat krot bij dien ouden, smerigen wilddief, dat mag er van gezegd worden! Ha! Ha!" En hij lachte uitbundig om zijn eigen geestigheid. Maar hij lachte niet lang, want het gelaat van den Gelderschman wordt bloedrood van drift en met een woedenden vuistslag slingert Hannes Klinge den rauwer klant tegen de steenen van de dorpsstraat.

"Mijn meester is geen rijke boer, zooals de jouwe, ellendeling!" brult de jagersgezel, "maar hij is edel en goed en wie iets te zijnen nadeele durft zeggen in mijn tegenwoordigheid, krijgt met mij te doen, al moest het mij den kop kosten!"

Doodsbleek van schrik en met bloedende lippen tracht de boerenknecht zich buiten bereik van den woesten Gelderschman te stellen, terwijl de andere jongelieden Hannes vastgrijpen, ten einde hem van verdere gewelddaden terug te houden.

Maar deze rukt zich los en: vliegt zijn tegenstander na, die zich uit de voelen wil maken, grijpt hem in de borst, en hem geweldig heen en weer schuddend, schreeuwt hij heesch van woede:

"Je zult mij zeggen, waarom je den ouden Krijn Vermeeren zoo laag belastert, je zult het mij zeggen, anders vermoord ik je, zoowaar ik leef!"

Sidderend voor de vlammende oogen en den woesten toorn van Hannes Klinge, stamelt de boerenknecht: "Laat mij los, ach, Hannes, laat mij toch los, ik weet niets ten nadeele van Vermeeren, maar de jonge boer, de zoon van mijn baas, zei in den loop van de week tegen mij: "Arie,--zeit-ie,--Arie, als je Zaterdagavond soms Hannes Klinge in het dorp ontmoet,--zeit-ie,--vraag hem dan eens hoe het hem bevalt in zijn nieuwen dienst, bij dien ouden strooper uit het "Uilennest".

Nu schoot mij daareven die boodschap van den jongen boer in de gedachten, en toen zei ik het maar, en nu loop ik er klappen voor op."

Haperend en stotterend komt deze bekentenis er uit, en weer volgt het smeekend verzoek: "Toe Hannes, laat me nu los, ik neem terug wat ik gezegd heb, en waarlijk, ik zal geen kwaad van Krijn den Uil spreken; ik heb genoeg aan een stukgeslagen wang; mijn tanden rammelen, in mijn kaken; morgen heb ik een paar lippen als een neger, en ik meende nog wel aan de ouders van mijn Jans om het jawoord te gaan vragen; ik zal er morgen nogal lief uitzien!"

Hannes laat zijn slachtoffer los, en even snel als zijn toorn is opgekomen, verdwijnt die ook weer, en zoo onweerstaanbaar komiek is de houding van Arie, dat de Gelderschman, die daareven nog razend was van drift, nu vruchteloos kampt tegen een opkomende lachbui.

Zijn toorn is weer voorbij en de ijzeren vuisten laten Arie los, maar toch klinkt zijn stem hard, als hij tot den boerenknecht zegt: "Vertel nou aan den rooden Gerrit Dubbe, den zoon van je baas, dat je zijn boodschap gedaan hebt, maar dat hij voortaan zulke boodschappen zelf maar moet doen, want dat Hannes Klinge dat liever heeft, en of hij die sneeuwbalpartij van verleden winter al vergeten is; maar wees jij voortaan wijzer, Arie, want ik kan niet dulden, dat men iemand beleedigt, die mij lief is."

Zoo was dan deze twist afgeloopen, en na deze uitweiding, die als bewijs kan dienen hoe na de oude jager Hannes aan het hart ligt, keeren wij tot onze hoofdpersonen terug. Hannes stond nog een oogenblik op den oever van den Davel, en vond het jammer om reeds naar binnen te gaan, want de bekoring van de heerlijke frissche lucht en de plechtige stilte om hem heen hielden den jonkman geboeid.

Eindelijk toch wendt hij zich om en gaat naar binnen. Oude Krijn zet reeds brood en gebakken visch op tafel, terwijl Wolf zijn meester overal met de glinsterende oogen volgt, want hij heeft de gebakken visch gezien en loert nu op de koppen en de graten.

Eigenaardig is het, hoe lief deze hond zijn ouden meester heeft. Reeds vijf maanden is Hannes in het "Uilennest", maar het is dezen tot dusver nog niet gelukt het vertrouwen van Wolf ook maar in het minst te winnen.

De hond is hem niet vijandig gezind, maar ook niet geneigd tot eenige vertrouwelijkheid. Klopt Hannes hem op den kop, dan kijkt Wolf zijn meester aan, als wil hij vragen: "Baas, moet ik dat toelaten of niet?" Dan komt op het verweerde gelaat van Krijn een stille glimlach, en als hij dan zegt: "Hannes zal ons geen kwaad doen, Wolf," dan trekt de hond onwillig zijn kop weg, en gaat vlak bij zijn meester staan.

Hannes moet er om lachen. "Geloof mij, vader Krijn," zegt hij, terwijl hij zijn bankje bij de tafel schuift, "geloof mij, Wolf zou niets liever hooren dan het commando Pak hem! En wat zou hij den gehaten vreemdeling, die de rust is komen verstoren in het "Uilennest", aan flarden scheuren."

"Ach," antwoordt Krijn, "de hond is jarenlang mijn eenige makker geweest, want zelden kwam er iemand in mijne hut. Slechts Olbert de schaapherder bleef wel eens een uurtje bij mij praten als hij naar de stad was geweest, of des zomersavonds als hij zijn schapen langs den Davel liet weiden. En Olbert heeft er slag van om met honden om te gaan; maar al betoont Wolf den schaapherder eenige vriendschap, hij is het best in zijn schik als hij met mij alleen is. Wolf is jaloersch, en daarom is hij zoo stug; jij bent hem te veel in het "Uilennest", Hannes."

Een vluchtige gedachte komt op in de ziel van den jonkman, en den ouden jager trouwhartig in de oogen kijkend, zegt hij:

"Hebt gij geen berouw, vader Krijn, dat ge een woelwater zooals ik ben, tot uw huisgenoot gemaakt hebt?" Er klinkt eenige onrust in de stem van Hannes als hij deze vraag doet. Want in de vijf maanden, die hij hier heeft doorgebracht, is de oude man en het oude huis hem lief geworden.

Doch Krijn legt hem de hand op zijn schouder, en zegt zoo hartelijk als een vader tot zijn zoon: "Neen Hannes, ik heb er gelukkig nog geen berouw van gehad, want ik beschouw je komst hier op deze plaats als een beschikking van den goeden God, die mij, ouden eenzamen man, een metgezel zond, waarop ik in mijn ouderdom kan steunen. Want waarlijk, Hannes, ik zou je niet meer kunnen missen, zoo ben ik aan je gezelschap gewend en de goede God vergeve het mij, maar indien ik je moest missen, het zou mij zijn, als verloor ik mijn Frank ten tweeden male. Ik zou de eenzaamheid niet meer kunnen dragen."

De vetkaars brandde met flauwen schijn, en door het openstaande raam viel het vriendelijke licht der sterren. Een witte nachtvlinder fladderde om het flikkerende kaarslicht en schroeide zich telken de vlerkjes. Hannes moest er om lachen, terwijl hij met smaak zijn boterham met gebakken visch nutttigde. Maar de oude Krijn lachte niet; hij was op zijn manier een wijsgeer, en op den vlinder wijzend, die ondertusschen zijn dwazen lust met den dood had geboet, sprak hij: "Kijk Hannes, dat is nu het beeld der zonde. Als iets heerlijks en aanlokkelijks schijnt dat onnoozele lichtje den vlinder toe, en het stomme diertje wordt er zoo onweerstaanbaar door aangetrokken, dat het alle pogingen in het werk stelt om in dien lichtkring te komen en ten slotte is het einde zijn verderf. Zooals het kaarslicht den vlinder, zoo lokt de zonde den mensch. Zonder God in de wereld verschijnt het kwaad ons bijna altijd in den lichtglans der vreugde. Toen ik jong en sterk was, zooals jij nu, voer ik ter zee, zooals ik je reeds meer heb verteld, en het geld, dat ik met varen verdiende, verbraste ik aan den wal met losbandige, vroolijke gezellen.

Wij vroegen niets van het leven dan genot, en dat zochten en vonden wij slechts daar, waar de zonde ons lokte, zooals het kaarslicht den armen vlinder, die daar ligt. Hoevelen heb ik niet op mijn levensweg ontmoet, die het lot van den vlinder gedeeld hebben, wier levenskracht en gezondheid onherroepelijk werden verwoest, en voor wie de dood een weldaad was te noemen.

Zij hadden de vleugels verbrand aan dat bedrieglijk, verraderlijk licht, Hannes, maar de goede God toonde in zijn barmhartige liefde mij een ander licht,--toen alles duister was om mij heen. Dat licht straalde af van het kruis van Golgotha, en het bescheen mijn levenspad, en geve God hierboven, dat ik er in mijn stervensuur het oog op mag richten, en dat het mij tot leidstar mag zijn als de schaduwen des doods mij omringen."

Een oogenblik van stilte volgt; de oude jager schuift het overschot van het avondmaal in een grooten tinnen schotel, breekt er een paar hompen brood in en zet het voor den geduldig wachtenden hond neer.

Hannes kijkt door het raam naar buiten en staart naar de fonkelende sterren aan den zwartblauwen hemel.

De woorden van Krijn treffen zijn licht ontvankelijk gemoed, maar morgen zal hij ze weer vergeten zijn; zoo is hij.

Nu schijnen die sterren op hem neer te blikken als de reine oogen van zoovele engelen, en het uitspansel daarboven spreekt hem van Gods almacht. Onwillekeurig vouwen zich zijn gespierde handen als tot een gebed, doch het is de indruk van het oogenblik, en die indrukken vervliegen zoo ras.

"Hannes," zoo klinkt weer de diepe stem van Krijn, "Hannes, wil je mij, ouden man, een pleizier doen?"

"Zeker," zegt Hannes, "zeker, vader Krijn, als mij zulks mogelijk is, met genoegen."

Krijn rijst op van zijn bankje en gaat naar den donkeren hoek, waar de groote groen geschilderde scheepskist staat.

Na eenig zoeken en scharrelen, komt hij terug met een dik pak in de hand, en na er den lap zeildoek, waarin het gewikkeld is, te hebben afgedaan, komt er een bijbel voor den dag, waarvan de lederen band geheel beschimmeld is.

"Zie!" zegt Krijn, en er trilt diepe weemoed in zijne stem, "dit boek behoorde eens aan mijne vrouw, en zij placht er dikwijls uit voor te lezen, de arme ziel. Ik hoor haar nog zeggen: Krijn, jij en Frank willen nooit ter kerke gaan, maar wij zijn toch geen heidenen; luister daarom naar mij, dan zal ik wat voorlezen uit het heilig boek. En langzaam, hier en daar de woorden spellend, las zij ons dan vóór uit dezen bijbel. Arme ziel, zij meende het goed, maar het maakte niet veel indruk op mij. Mijn hard gemoed moest eerst verbrijzeld worden door smart en rouw.

Nu wilde ik zoo gaarne, Hannes, dat jij mij iets voorlaast uit het oude boek, want zelf kan ik het niet; ik heb het niet geleerd.

In mijn jonge jaren heb ik het niet gewild; mijn geweer en mijn vischnet waren mij genoeg, en toen ik mijn fout begon in te zien, was het te laat. Jij kunt goed lezen, Hannes, dat weet ik; wil jij nu den ouden man iets voorlezen?"

Hannes legt den bijbel voor zich op de tafel, trekt de kaars een weinig naar zich toe, en slaat de muffe, vochtige bladen om.

"Vader Krijn," zegt hij, "wat zal ik lezen, uit het Oude, of uit het Nieuwe Testament, of zal ik maar bij de eerste bladzijde beginnen?"

Het grijze hoofd van den ouden jager buigt zich over het boek en, eenige bladen omslaande wijst hij met den vinger op een vouw in een der bladen, en zegt dan:

"Deze vouw moet er door mijn vrouw in gemaakt zijn, Hannes, en waarschijnlijk is zij hier geëindigd. Nu wilde ik graag, dat je met deze bladzijde begont."

Stil, indrukwekkend stil is het in de oude jagershut en daarbuiten. Het tikken van de klok en de regelmatige, rustige ademhaling van den slapenden hond is het eenige geluid, dat de stilte stoort. Dan klinkt de heldere stem van Hannes Klinge, die sinds zijn jongensjaren geen bijbel meer in handen heeft gehad. Hij leest van het lijden, en strijden van den Heiland in Gethsemané's hof. Een strijd, die zoo zwaar was en zoo bang, dat het stof der aarde Zijn bloedzweet dronk. Van dien strijd, alléén gestreden door den Goddelijken Strijder, geheel alleen, Zijn discipelen slapend, en de verrader nabij.

Hij leest dat ontroerend gebed: Vader! indien het mogelijk is, laat dezen drinkbeker van Mij voorbijgaan, doch niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt.

Hij leest van den vreeslijker smaad, van de lage mishandeling, Hem aangedaan, die gedurende zijn omwandeling op aarde niets deed als goed, en Hannes begrijpt niets van 's Heilands woord tot Petrus: Keer uw zwaard weder in zijne plaats; want allen die het zwaard nemen, zullen door het zwaard vergaan. Of meent gij, dat Ik mijnen Vader nu niet bidden kan, en Hij zal Mij meer dan twaalf legioen engelen bijzetten?

Waarom dan van die hemelsche macht geen gebruik gemaakt, en dien verwaten hoogepriester en die giftige farizeën, schriftgeleerden en ouderlingen niet verpletterd?

Hannes schuift, als hij het hoofdstuk heeft uitgelezen, den bijbel naar den ouden man, die in stille aandacht heeft toegeluisterd, en zegt:

"Vader Krijn, ik weet van deze dingen zoo weinig af, want het is jaren geleden, dat ik een woord in den bijbel gelezen heb, maar zeg mij, kunt gij begrijpen, dat Christus, die zóó werd gesmaad, verraden en mishandeld, geen verderf bracht over die valsche bende, daar in de zaal van Kajafas? Dan had de wereld geweten, dat Hij de machthebber was en niet zijn ellendige tegenstanders; zeg vader Krijn, begrijpt gij dat?"

Eenigszins heftig stelt Hannes Klinge deze vraag, want het onschuldig lijden van den Heer wekt in zijn hart verbittering tegen hen, die Hem dat leed doen dragen, dat leed en dat lijden, waarvan Hannes de oorzaak niet begrijpt.

Een oogenblik blijft de oude jager voor zich uit staren, als hoorde hij de tot hem gerichte vraag niet, maar dan wendt hij zich tot Hannes Klinge en de doordringende oogen van den grijsaard zien, den jonkman ernstig aan.

"Zie Hannes," zegt hij, "ik ben maar een onwetend man en Olbert de eenarm zou je een beter antwoord op deze vraag kunnen geven, dan ik, doch het komt hierop neer:

Jezus' komst op aarde, zijn leven, zijn lijden, zijn sterven, 't was alles tot behoudenis en tot heil, tot redding voor een in schuld en zonde verzonken menschheid.

Als mensch droeg Hij menschelijk lijden, Hij de Zoon van God, en geen lijden, lichamelijk en geestelijk, bleef Hem bespaard. Van zijne almacht maakte Hij slechts gebruik tot hulp en redding van menschenkinderen, nimmer tot hun verderf.

En denk je nu, Hannes Klinge, dat de menschen in Hem geloofd zouden hebben, indien Hij in de zaal van Kajafas zijn tegenstanders had verpletterd? Had de Heiland niet blinden ziende gemaakt? Geen kreupelen en lammen doen wandelen? Had Hij niet dooden opgewekt uit den eeuwigen doodsslaap, en heeft men Hem niet teekenen en wonderen zien verrichten, die alle als zoovele bewijzen waren van zijne Goddelijke almacht? Neen, Jezus Christus heeft geleefd, opdat wij zouden trachten Hem na te volgen, onder biddend opzien tot God, en Hij is gestorven als zoenoffer voor de schuld der wereld. Voor ons leed Hij, met menschelijke smart, het duldeloos lijden aan het vloekhout.

En daarom, Hannes, en vergeet dit woord van den ouden Krijn nooit, al ben je nog zoo in de zonde en schuld verzonken, en de ure komt, waarin je oprecht en met berouw in het harte je wendt tot Hem, dan is het nimmer te laat, want zelfs de moordenaar aan het kruis hoorde te midden zijner smarten en op den oever des doods zijn heerlijk woord: "Heden zult gij met Mij in het paradijs zijn."

Er zijn vele eeuwen vervlogen, sindt dat woord door den Heiland werd gesproken daar op dien bloediger kruisheuvel van Golgotha, maar wie zal ze tellen, die met schuld beladen, in eigen oog verloren menschenkinderen, voor wie dat woord ten zegen werd als alle hope hun ontviel!

Hannes, God verhoede het, maar het kan gebeuren, dat je in een toestand geraakt, waarin je geen licht meer ziet. Een toestand, als waarin ik verkeerde, toen mijn zoon verdronken en mijn vrouw gestorven was. Als alles ons begeeft, waar het hart zich aan hechtte, dan kan het zoo donker, zoo troosteloos donker zijn op ons pad, dat het leven ons een last wordt en ik ben er na aan toe geweest het leven van mij al te werpen door een schot uit mijn geweer.