Het Uilennest

Part 4

Chapter 44,125 wordsPublic domain

"Ziezoo, mijn jongen," sprak de oude man, "nu zul je niet bevriezen; de wind, die over den Davel huilt, zal je wel in slaap zingen; goeden nacht!"

"Goeden nacht, vader Krijn," zegt Hannes, "goeden nacht, en nimmer zal ik de goedheid vergeten, mij, armen vreemdeling, betoond. Ik wou maar dat ik het u kon vergelden, want als ge mij dezen avond van uwe deur gejaagd hadt, dan geloof ik niet, dat ik levend de Schaapskooi van Olbert den eenarm zou hebben bereikt, want ik was moe, doodmoe."

"Het was de goede God, die uwe schreden hierheen richtte, Hannes. Hij alleen weet waar het goed voor is; goeden nacht."

HOOFDSTUK IV.

Nog een oogenblik hoorde Hannes den ouden man tot zijn hond praten, dien trouwen makker zijner eenzaamheid; nog een oogenblik hoorde hij hem stommelen, en toen was het stil in het "Uilennest". Diep kroop hij onder de wollen dekens, die eens het jonge lichaam van den zoon des jagers hadden gedekt. Hoe lief, hoe oneindig lief had deze man de zijnen gehad, want hun beeld leefde na zoovele jaren nog in zijn, hart als waren het pas zoovele maanden, geweest, sinds de slag hem trof. Wat God doet is welgedaan, had hij gezegd, maar was het niet hard, niet vreeselijk hard, dien armen mensch alles te ontnemen wat hem lief was op aarde? Neen, Hannes kon dat niet vatten. Gisteravond kon hij Olbert den schaapherder niet begrijpen, en nu was de oude jager hem een raadsel. Maar de oogen van den Gelderschman vallen toe, en spoedig slaapt hij zoo vast als een muur. Doch Krijn Vermeeren slaapt nog niet. Allerlei gedachten woelen hem door het brein, en verdrijven den slaap van zijn leger.

In de eentonige gelijkvormigheid van zijn bestaan was de komst van Hannes Klinge een gebeurtenis, die hem uit zijn gewone doen bracht, en hoe het kwam wist de oude man niet, maar hij had zich dadelijk tot dezen jongen, kloeken Gelderschman aangetrokken gevoeld.

Hij heeft dezelfde oogen als eens mijn jongen had, vermetel en koen, maar trouwhartig en rondborstig.

Zeggen wat hij denkt, en doen wat hij zegt, dat leest men in die oogen. Een traan wischte hij weg, toen ik hem vertelde van mijn leed, een onmiskenbaar bewijs van een warm en gevoelig hart.

Morgenochtend zal hij weer heengaan en verder trekken om werk te zoeken, de wereld in, alleen en zonder vrienden, want in het dorp werpt men hem uit, omdat men den rijken Van Gulven, tot wiens dochter hij de oogen durfde opheffen, naar de oogen ziet. Alleen staat hij, geheel alleen. Geen vader, die hem steunt, geen moeder, die voor hem bidt. Zeker, hij is een kloek gezel; hij zal mogelijk wel werk en brood vinden, maar toch, het is midden in den strengen winter en het weinigje geld, dat hij bezit, zal spoedig zijn opgeteerd, en dan?

Zoo peinst en tobt de oude jager en kan den slaap niet vatten; hij luistert naar het loeien van den storm en naar het krassen van de uilen, en een angstig mensch zou bang worden voor de spookachtige geluiden, die men hoort in de oude jagershut; maar Krijn is met die geluiden van den nacht vertrouwd en wat bang-zijn is, dat weet de oude jager niet. Het is lang na middernacht als eindelijk de slaap zich ook over hem ontfermt.

Het is reeds lang dag als Hannes Klinge eindelijk ontwaakt. Helder en vroolijk speelt een zonnestraal schuin door de kleine ruitjes, en verlicht met vriendelijken glans de wonderlijke keuken van het "Uilennest".

Hannes wrijft zich de oogen uit; hij heeft heerlijk geslapen, maar hij schaamt zich, dat het reeds zoo laat is. Van den jager of zijn hond hoort of ziet hij echter niets; geen ander geluid verbreekt de stilte van den wintermorgen dan het tikken van de klok in het binnenvertrek en het sjilpen van de hongerige musschen daarbuiten.

Snel springt hij uit zijn bed, trekt zijn kleeren aan en opent de bovendeur.

Stormen doet het niet meer, maar scherp en fijn is de nog krachtige noordenwind, die Hannes in het gezicht blaast. Alles om hem heen is stijf bevroren, terwijl de sneeuw voeten hoog op den Davel en op de velden ligt, en de takken der wilgen voor de hut buigen onder de witte vacht, die hen bedekt.

Daar hoort Hannes het blaffen van een hond, en achter de hut om nadert Krijn Vermeeren. Bijna tot aan de knieën waadt de oude jager door de sneeuw, maar de hooge laarzen, die bij, draagt, reiken tot boven de knie, dus het hindert hem niet.

Aan den breeden draagriem hangt het geweer hem over den schouder, en de muts van ottervel heeft hij diep in de oogen getrokken. Zooals hij daar aan komt stappen door de sneeuw, met twee bunsings in de linkerhand, terwijl zijn hond vroolijk om hem heen springt, zou men niet zeggen, dat Krijn Vermeeren reeds zulk een hoogen leeftijd bereikt heeft.

"Goeden morgen, Hannes," roept hij den Gelderschman toe. "Goeden morgen! Ik wilde je niet wakker maken, toen ik een goed half uur geleden er op uit ging om naar mijn bunsingvallen te gaan zien. Je sliept zoo vast, dat ik het niet over mijn hart kon krijgen je wakker te maken; daarom heb ik maar vuur aangemaakt binnen, en je stilletjes laten liggen."

Hannes verzekerde, dat hij heerlijk geslapen had, maar dat hij zich schaamde zoolang te zijn blijven liggen, terwijl een oud man buiten door de sneeuw dwaalde. Maar de jager glimlachte.

"Dat is het voorrecht der jeugd, mijn jongen," sprak hij, en wierp zijn bunsings op den vloer der keuken. "Wees er dankbaar voor, want als men, zooals jij, jong is en gezond, en de slaap ontvliedt ons leger, dan spookt er iets rond daarbinnen in ons hart, dat ons den grootsten schat ontrooft, namelijk den vrede des gemoeds."

Hannes zweeg, en handig als hij was, nam hij het geweer van den ouden jager van diens schouder en hing het aan een haak. De jager stampte de sneeuw van zijn laarzen en trok het duffelsche buis uit; toen ging hij naar binnen en wenkte Hannes Klinge hem te volgen.

In het andere vertrek was het warmer, want Krijn had, eer hij naar zijn vallen was gaan zien, het vuur onder de schouw aangemaakt en toen hij het met een ijzeren laadstok oprakelde, brandden de smeulende houtblokken weer lustig op.

"Ga daar weer eens zitten, Hannes, op je eigen bankje van gisteravond, en terwijl wij ons ontbijt gebruiken wil ik je eens wat vragen. Veel tijd heb ik niet, omdat met een noordoosten-wind, zooals er nu waait, veel kans is dat er koppels ganzen of vluchten eenden komen overvliegen, en dan moet de oude Krijn present zijn met den snaphaan."

De zwartberookte koperen ketel met water kookt, en de jager maakt de koffie klaar, krijgt brood en een homp spek uit het hoekkastje, trekt een lang, scherp mes uit den broekzak en snijdt er voor zich een paar sneden af, die hij met schijfjes spek belegt. Daarna reikt hij zijn mes den Gelderschman toe en noodigt hem uit flink toe te tasten; en als de koffie in de steenen kommen dampt, en Krijn overluid het "Onze Vader" heeft gebeden, dan zegt de oude man:

"Hannes Klinge, je hebt me gisteravond gezegd, dat je van morgen weer op het pad wenschte te gaan om elders werk te zoeken, wat je gisteren niet gelukt is. Maar vertel mij nu eens waar je vandaag heen wilt om je doel te bereiken."

De jonkman zucht en zijn heldere blik verduistert. Aarzelend antwoordt hij, het eigenlijk zelf niet te weten, doch allereerst zal hij naar de Schaapskooi gaan en Olbert den Schaapherder en moeder Sanne vertellen waar hij hedennacht geweest is; en dan de dorpen verderop afloopen. Er zal toch wel ergens werk te vinden zijn voor een man, die werken kan en wil.

"Luister eens, Hannes," zoo spreekt de jager, "luister eens. Sinds den dood van mijne vrouw en mijn zoon ben ik steeds alleen geweest, en nooit heb ik lust gevoeld iemand bij mij te nemen hier in het oude "Uilennest". Wat ik tot mijn levensonderhoud noodig heb, wordt mij door bakker of winkelier uit het dorp thuisbezorgd. Iedere week komt de handelaar uit het dorp, die tevens vrachtschipper is op D. Deze koopt mij mijn wild en mijn visch af, en al maak ik nu niet den hoogsten prijs, wat ik ontvang is voor mijn behoeften ruimschoots voldoende. In den zomer als de jacht gesloten is, visch ik met mijn netten in den Davel, en des winters schiet ik wat waterwild en vang ik otters, bunsings en hermelijnen. Tot nog toe heb ik, Gode zij dank, dit werk altijd nog alleen kunnen verrichten, maar thans beginnen de jaren mij te drukken, en in de laatste weken is de gedachte wel eens bij mij opgekomen, een jongen bij mij te nemen, om mij te helpen in mijn bedrijf. Dan weer dacht ik er over een volwassen knecht te huren, een die de behandeling van het geweer verstond, maar telkens verwierp ik mijn plannen, want ik heb de eenzaamheid lief, en ik ken niemand, dien ik gaarne bij mij zou hebben hier in het oude "Uilennest".

Maar jij bevalt mij, Hannes Klinge, en als je wilt kun je aanstonds deze hut als je tehuis beschouwen. Hetzelfde loon, dat je op "Zorgwijk" verdiende als bouwknecht, kan ook ik je betalen, maar ik zeg van te voren, dat het leven hier aan den Davel eenzamer is dan op "Zorgwijk" en dat je geen ander gezelschap hier vindt, dan den ouden jager en zijn hond.

Je kunt echter ook eerst nog trachten elders werk te vinden," vervolgde Krijn, "en lukt dat niet, kom dan als laatste toevlucht het "Uilennest" maar opzoeken en wij zullen het met elkander dan wel eens worden. Is dat goed?"

Hannes is opgesprongen. Met een stuk brood in de hand heeft hij geluisterd naar het voorstel van den ouden jager, en nu schittert de vreugde hem in de heldere oogen en op zijn gebruind gelaat.

"Dadelijk en met vreugde neem ik uw voorstel aan," zegt Hannes, "en ge behoeft mij waarlijk het loon van een bouwknecht niet te betalen. Ik ben met minder ook tevreden, en uw gezelschap en de eenzaamheid zullen mij lief zijn. Trouw zal ik u dienen, baas Vermeeren, en ge zult over Hannes Klinge tevreden zijn, want zoo waar ik leef, het geweer is mij liever dan de ploeg, al kan ik er wel mee overweg, en ik verkies het "Uilennest" boven "Zorgwijk". Een ding zou ik u echter willen verzoeken, baas Vermeeren; of ik nu even naar de Schaapskooi gaan mocht, om Olbert den eenarm en zijn goede vrouw te gaan vertellen, dat ik werk gevonden heb als jagersknecht, en om de weinige spulletjes, die ik bij Olbert heb achtergelaten, te halen en hierheen te brengen; mag ik?"

Het wordt den ouden jager warm om het harte, als hij de onmiskenbare vreugde van den Gelderschman ziet, en vriendelijk en gemoedelijk klinkt zijn zware stem, als hij zegt:

"Dus je neemt mijn voorstel aan, Hannes Klinge. Welnu, dan betaal ik je wat Van Gulven betaalde. Ik ben wel niet zoo rijk als hij, maar ik wil toch van je werkeloosheid geen gebruik maken, om je te laten werken voor half geld. En ga nu maar naar den schaapherder, en groet hem van den ouden Krijn uit het "Uilennest"."

HOOFDSTUK V.

Met een licht hart en een lied op de lippen stapte Hannes door de mulle sneeuw, die met een dikke laag, hier en daar tot heuvels opgewaaid, den landweg bedekte.

Gisteravond had hij den sneeuwstorm verwenscht, die hem, afgemat en moedeloos als hij was, had gedwongen bescherming en schuilplaats te zoeken in het "Uilennest"; nu wenschte hij er zich geluk mede, want zonder dien sneeuwstorm zou hij nooit aan de jagershut hebben, aangeklopt, en zou hij thans weer dezelfde ellende beleven als gisteren: overal aankloppen om werk en het nergens vinden.

Frisch blaast de noordenwind over den Davel, en kleurt hem de wangen rood en doet het fijne sneeuwstof uit de knotwilgen langs den weg zacht op hem neerdalen.

Hoog in de blauwe lucht gaggelt een voorbijtrekkende troep wilde ganzen, ginds in de verte achter de ingesneeuwde grienden hoort Hannes eenden kwaken in de wakken van den Davel, waar eens Frank van den jager verdronk.

Daar hoort de eenzame wandelaar flauw het klinken van zilveren bellen voor hem op den weg, en dat vroolijk en melodieus geluid is hem bewijs dat een arreslee nadert.

"'t Is waar ook," zegt Hannes bij zich zelven, "het is vandaag marktdag in de stad; het zal een boer zijn, die uit H. komt arren, en den weg langs den Davel verkiest boven den ringdijk."

Daar komt de slede achter de boomen vandaan en het heldere winterzonnetje doet het beltuig schitteren en blikkeren als louter goud.

Op den kop van het koolzwarte paard lijkt de roode pluim in dat zonnelicht wel een golvende bloedstroom en de vergulde leeuw voor op de ar staat als tot springen gereed.

In de ar achter den leeuw zit, warm ingepakt, een jonge frissche boerin, met donkere oogen en blozende wangen terwijl achter op het stuurbankje een statige boer zit, die met vaste hand de lange leidsels voert, welke het vurige paard in bedwang houden.

De klepper doet de sneeuw opstuiven onder zijn hoefslag, en Hannes Klinge heeft zoowel paard als ar herkend; zoowel de jonge boerin als den man op het stuurbankje.

En het hart van den koenen Gelderschman begint te kloppen van geweld, want de jonge boerin is Martha van Gulven, en die heeft hij lief met onwankelbare trouw, en de voerman van de ar is haar vader, de boer van "Zorgwijk", en dien haat hij als zijn bittersten vijand. Voor de eene zou hij bereid zijn het leven te wagen, en voor den ander zou het gevaarlijk kunnen zijn hem op een eenzame plek in den weg te komen, want Hannes Klinge geeft liefde voor liefde, maar ook haat voor vijandschap.

En vijandschap had die man hem betoond en zijn macht had de rijkaard hem doen gevoelen, maar thans was hij buiten zijn bereik, want op den ouden jager uit het "Uilennest" had boer Van Gulven geen vat. Krijn Vermeeren was een vrij man, die niemand naar de oogen behoefde te zien; die boog zich slechts voor God en anders voor niemand.

Nu heeft de ar hem bereikt en ongetwijfeld herkent de boer van "Zorgwijk" zijn gewezen bouwknecht, want zijn zware wenkbrauwen trekken zich te zamen en een fluitende zweepslag treft zijn klepper. Steigerend vliegt het paard vooruit en bliksemsnel passeert de ar Hannes Klinge. Maar nog sneller ontmoeten elkaar de blikken van den Gelderschman en van Martha van Gulven, en de jonkman leest in die mooie donkere oogen onwankelbare liefde en trouw.

Zonneschijn is er in het hart van Hannes, en al bemerkt hij de vijandige houding van den boer wel, dat verdrijft toch zijn goede luim niet, en met een soldatenlied op de lippen, stapt hij vioolijk het erf op van de Schaapskooi.

Blaffend schiet Spits, de nijdige herdershond, op Hannes af, maar maakt dadelijk rechtsomkeert, als hij de zware basstem van Olbert den eenarm hoort.

Onder de noteboomen stond de schaapherder, en leunde met zijn ééne hand op den langen steel van een bijl, en een stapel gehakt hout naast hem bewees, dat hij dezen schoonen wintermorgen niet in ledigheid heeft doorgebracht; ook dat zijn rechterarm gespierd genoeg is om met hetzelfde gemak de bijl te voeren als een ander man met twee armen.

"Ha! ben je daar, Hanneske," roept vrouw Sanne, en kijkt over de onderdeur, "je brengt goede tijding, dat kan ik wel aan je gezicht zien. Olbert," vervolgt ze tot haar man, "breng Hannes mee binnen, dan kan hij ons zijn wedervaren vertellen, en een kop warme koffie drinken; ik heb ze net gezet!"

De vriendelijke vrouw gaat naar binnen, en beide mannen volgen haar. Als de koffie in de kommen dampt en de stoelen bij den haard zijn geschoven, dan vertelt Hannes, hoe het hem gegaan is sinds hij gistermorgen vroeg de Schaapskooi verliet.

Zijn aangezicht wordt donker, als hij spreekt van de boeren, bij wie hij zich aanmeldde om werk, en die hem afwezen, hoewel hij zeker wist, dat men hem goed kon plaatsen; en hij knarst op de tanden als hij vertelt van zijn ontmoeting met den jongsten knecht van "Zorgwijk", die hem voor was geweest bij de boeren, om op last van Van Gulven de lieden tegen hem op te zetten.

Maar de toornige trek wijkt van dat beweeglijk gelaat, en maakt plaats voor een uitdrukking van neerslachtigheid, als Hannes spreekt van het vervelende, verdrietige werk zoeken in de stad. Hoe hij overal hetzelfde weigerend antwoord ontving en hoe hij moedeloos en vermoeid in storm en sneeuwjacht eindelijk de oude jagershut aan den Davel bereikte.

Met dankbaarheid verhaalt Hannes verder, hoe gastvrij de oude, eenzame man hem ontving in zijn wonderlijke, geheimzinnige woning, nadat de oude zich overtuigd had, dat zijn late bezoeker met geen kwade bedoeling kwam. En met glinsterend oog en zonnig gelaat besluit Hannes met de mededeeling, dat hij op dit oogenblik jagersknecht is bij Krijn Vermeeren, en dat zijn tehuis het "Uilennest" is.

Vrouw Sanne slaat de handen ineen, en zegt anders niet dan: "wel, Hanneske, wel Hanneske", maar Olbert strekt de lange beenen uit naar het vuur, en met de bruine, magere hand over den witten knevel strijkend, kijkt hij Hannes Klinge recht in de oogen.

"Hannes," zegt de schaapherder op ernstigen toon, "Hannes, ik kan je niet zeggen, hoeveel genoegen het mij doet, dat je werk en tehuis hebt gevonden bij Krijn Vermeeren. Hij mag wat zonderling wezen en over het algemeen menschelijk gezelschap vermijden, maar hij heeft een hart van goud en een kinderlijk eenvoudig geloof.

Het moest zoo zijn, Hannes, dat storm en noodweer je naar het "Uilennest" dreven, het moest zoo zijn, dat de jager, die anders nooit gezelschap of hulp begeert, juist jou moest aantreffen, om in jou een voor hem geschikt persoon te vinden. Het eene is een gevolg van het andere, maar het is de goede God hierboven, die al ons doen en handelen bestuurt, die ons den weg aanwijst, dien wij hebben te bewandelen, en Hem alleen is het ook bekend, of het jagersleven in het "Uilennest" je ten zegen of ten verderve zal zijn. Neem dezen raad van mij aan, Hannes Klinge: laten vijandschap en haat je hart niet overweldigen en wend je tot Hem, die je levenslot beheerscht; die bloemen kan doen bloeien op je pad, en je kan voeren in de donkerste diepten van menschelijk lijden; die heden geeft en morgen neemt, al naar zijn Goddelijk welbehagen; maar geloof mij, mijn jongen, of Hij ons zonneschijn schenkt, of lijden ons beschikt, het is alles tot ons bestwil, want Hij, die zijn eenigen Zoon gaf tot bloedig zoenoffer voor menschelijke zonde en schuld, kan alles tot ons bestwil schikken. Daarom nog eenmaal, Hannes, wend je naar het Kruis van Christus, en heb je geluk in het leven, dank er Hem voor; treft je smart of lijden, bid tot Hem om kracht om te dragen wat Hij je oplegt, maar bovenal, Hannes, strijd onder biddend opzien tot God tegen haat en drift, want dat is je kwetsbare plek en daarop zal Satan zijn aanvallen richten. En indien je geen kracht zoekt in het gebed, dan zul je overwonnen worden en je brengt ellende en jammer over jezelven en over hen, die je lief en dierbaar zijn op aarde.

Mogelijk," vervolgt de schaapherder, "mogelijk zul je denken: die Olbert komt altijd met vermaningen en hij is er altijd op uit, mijn vroolijke stemming te bederven, maar het is mijn plicht, Hannes, je op deze dingen te wijzen, want ik weet immers uit mijn wilde jeugd hoe ver men afdwaalt zonder God; en wellicht zul je nog om mijn woorden denken als reeds lang de graszoden het overschot van "Olbert den eenarm" dekken."

Hannes is opgestaan; hij vat het bundeltje kleeren, dat vrouw Sanne voor hem heeft gereed gezet, in de linkerhand en met de rechterhand grijpt hij de hand van den gewezen soldaat van Napoleon en zegt:

"Ik weet, Olbert, dat er niet veel menschen hier in den omtrek zijn, die ik nu bepaald mijne vrienden zou kunnen noemen, maar gij zijt dat wèl, en daarom wil ik alles van u aannemen wat gij mij aanraadt voor zoover mij zulks mogelijk is, want ik ben overtuigd, dat ge mijn geluk bedoelt."

Hartelijk schudde Hannes Olbert en vrouw Sanne de hand, beloofde dat hij spoedig weer eens zou komen aanloopen, en richt dan zijn schreden weer naar het "Uilennest", om daar zijn nieuwe loopbaan aan te vangen.

HOOFDSTUK VI.

De barre, lange winter is voorbijgegaan, en de heerlijke Meimaand heeft haar blijden intocht gedaan in de vruchtbare Zuidhollandsche landouwen.

De heldere blauwe hemel met de kleine, zachtkens drijvende witte wolkjes kleurt zich met wonderschoone, rozeroode en goudkleurige tinten daarginds in het westen, want de zon neigt ten ondergang.

Een lichte witte nevel hangt over den Davel en verbergt de witte en gele waterlelies met de groote groene bladeren onder haar sluier.

Flauw beweegt het avondwindje de riethalmen op zijn oevers, en de kwakende kikvorschen vermengen hun geluid met den kreet van den blauwen reiger, die met zwaren wiekslag over den elzengriend strijkt.

Kwek! kwek! kwaken de eenden in het moeras, en zij kunnen rustig kwekken, want geen schot uit de vuursteengeweren van Krijn Vermeeren of Hannes Klinge zal hen nu opschrikken. De jacht is gesloten en dan wil Krijn niet, dat er een schot meer gelost zal worden. Jager is hij altijd geweest, doch nimmer strooper.

Op een houten bank onder het keukenraam zitten Hannes Klinge en zijn oude baas. Zij genieten van den schoonen lenteavond, en de blauwe rookwolkjes hunner tabakspijpen trekken langzaam weg in de reine, balsem-geurige lucht.

Zooals ze daar naast elkander op die bank zitten, kan men hun aanzien, dat ze zich tevreden en gelukkig gevoelen. Trouwens, beide mannen kunnen zich geluk wenschen met de verandering en het verblijf van Hannes in het "Uilennest".

Zoodra de jonge Gelderschman zijn werk begon als knecht van Krijn Vermeeren, deed hij dat met een vlijt en toewijding, alsof hij in plaats van een betaalden knecht de zoon des huizes was. Handig en vlug als hij was, ruimde hij overal den verwarden rommel op, en toen de sneeuw verdween, timmerde Hannes een kleine schuur achter de hooge vlierheg, en daarheen verhuisden de ottervallen, bunsingklemmen, aalkorven en alle dergelijke jacht- en visscherijbenoodigdheden. In de eerste dagen had Hannes wel eens eenige overredingskracht noodig, om van den ouden jager toestemming te verkrijgen dit of dat te veranderen.

Krijn haalde dan de breede schouders op en zei met een droeven glimlach:

"Och, mijn jongen, ik zou het maar zoo laten; het is nu reeds lang zoo geweest, en ik ben er aan gewoon." Maar als Hannes dan met zijn gemoedelijker Gelderschen tongval beweerde dat het "Uilennest" er toch bepaald niet altijd zoo had uitgezien, dan helderde het gelaat van Krijn op, en hij sprak:

"Neen, Hannes, toen mijn klein vrouwtje nog leefde, lag er hier geen stofje op den vloer en alles was helder en rein. Maar toen vrouw en zoon van mij zijn weggegaan, toen had ik geen lust meer in iets anders dan in treuren en tobben over wat onherroepelijk voor mij was verloren. Daarom, ga je gang maar, en schik het zooals je het best lijkt."

En zoo vlogen de dagen voorbij, want nimmer gaat de tijd zoo snel als wanneer het ons naar den zin gaat. En het ging hun beiden naar den zin! Dat zou men hebben kunnen zien aan Krijn Vermeeren, als hij 's avonds onder de groote schouw zijn pijp rookte en luisterde naar het gebabbel van Hannes, die bovendien nooit ledig kon wezen, en altijd wat zat te knutselen, of de geweren poetste, dat de loopen blonken als gepolijst zilver.

Dat zou men hebben kunnen hooren als Hannes overdag aan het werk was, want dan klonk soms zijn lied ver over de stille beemden, en wonderlijk genoeg (zijn vroolijk opgeruimd karakter in aanmerking genomen) waren het altijd zwaarmoedige melodieën, die hij met prachtige baritonstem zong.

Een vreemden indruk maakte het gezang van Hannes Klinge op den ouden jager, en meer dan eens bleef hij op zijn geweer geleund achter het schuurtje staan luisteren, om eerst als de zanger zweeg zijn weg te vervolgen.

Eens hoorde Krijn den Gelderschman een lied zingen, dat hem tot in de ziel ontroerde, want datzelfde lied zong eens zijn eenige zoon. Wat was die tijd reeds lang voorbij; maar hoe klaar en helder stond hij, nu hij dat lied weer hoorde zingen, den grijzen jager voor het oog.