Part 3
Deze vragen volgden elkander snel op, en Hannes keek eens rond, maar moest toch ook bekennen, dat de woning van zijn gastheer alles miste wat ook maar eenigszins op weelde geleek. Rondom aan de wanden hingen vischnetten en aalkorven, benevens allerlei gereedschap; reigervlerken en bunsingvellen, bossen teenen van taai wilgenrijs en houten lokeenden, die men gebruikt op de eendenjacht; de zware buks en een lang ganzenroer, groote laarzen en houten klompen, kortom alle benoodigdheden, die men aantreft in de hut van een alleen levend jager en visscher.
"Neen," zegt Hannes, "weelderig is het hier niet, maar heerlijk warm wel, en ge vraagt mij van waar ik kom; dat zal ik u eens vertellen, dan zal het u ook niet verwonderen dat ik u ben lastig gevallen zoo laat in den avond,"--en Hannes Klinge vertelt openhartig, zooals zijn aard is, zijn gansche eenvoudige geschiedenis.
Zonder hem met een enkel woord te storen, laat de oude jager Hannes uitpraten. Nu grijpt hij in den wijden broekzak en haalt er een groote stalen tabaksdoos uit; met de andere hand vat hij zijne pijp, een groote Duitsche, die aan een groen koord tusschen een koperen kruithoorn en een oude leeren hageltasch hangt.
De pijp wordt gestopt en zwijgend biedt hij de doos aan Hannes; doch deze heeft zelf tabak, en spoedig dwarrelen de blauwe rookwolkjes om de beide mannen heen.
Een oogenblik blijft het stil in de hut, maar buiten vaart de sneeuwstorm huilend en brullend door de hooge wilgen, en rukt en schudt aan het oude huis, dat deur en vensters rammelen.
"Het waait geweldig, maat," zegt de oude jager en werpt nog eens paar struiken op het vuur; "maar het "Uilennest" is sterk, en heeft reeds menigen storm getrotseerd. Het is nu echter een weinig in verval, evenals zijn bewoner. Doch laat ik voor den pot zorgen, dan kunnen we daarna op ons gemak nog wat praten, want je bevalt mij." Zoo sprekend haalt de oude man een ijzeren ketel van achter een kist, opent een deur, die toegang verschaft tot een soort keuken, en komt na eenig rondscharrelen terug met een houten nap met grutten, en een emmertje met karnemelk.
Hij werpt de grutten in den, ijzeren ketel, doet er karnemelk bij en hangt daarna den ketel aan een ijzeren ketting boven het haardvuur, waarna hij weer plaats neemt op zijn bankje bij het vuur.
Met verwondering had Hannes opgemerkt, dat de groote, grijze wolfshond de fonkelende oogen niet van hem had afgewend gedurende het oogenblik, dat de jager het vertrek had verlaten om de melk en de grutten te halen.
Nu de oude man echter weer in het vertrek terug was, legde de hond rustig en slaperig den kop op de voorpooten, en keek niet meer naar Hannes Klinge om.
"Ge hebt daar in dien hond een trouwen makker," merkt Hannes op, "een makker, die altijd gereed zal zijn, als het noodig is, zijn leven voor u te laten."
"Ja, zeg dát wel," is het antwoord, "zeg dat wel. Ik ben vijf en zeventig jaar oud, maar dit zeg ik je, dat ik altijd meer goede trouw van mijn honden heb ondervonden dan van de menschen, en daarom moet het je niet verwonderen, dat ik je daareven met de buks in de hand. ontving. Ik woon hier eenzaam en ben een oud man, maar ik zou met mijn buks en mijn hond nog best een paar landloopers, die kwaad in den zin hadden, het vuurtje warm stoken."
De oude jager lachte, streek met de groote breede hand over den witten baard, en haalde geweldige rookwolken uit zijn Duitsche pijp.
"Men noemt het hier het "Uilennest"," vervolgde hij, "en mij noemt men 'den uil' en de naam is goed, want ik leef als een uil.
Op deze plek ben ik geboren en hier wensch ik te sterven, maar toch heb ik meer van de wereld gezien dan den Davel en het "Uilennest."
Mijn vader was jager en visscher, evenals ik nu; mijne moeder heb ik nooit gekend, en mijn eenige broeder en ik hielpen vader in zijn bedrijf. Doch wij waren wilde gasten en gaven om God noch zijn gebod, en uren in het rond waren geen beter schutters of visschers te vinden. Toen ik achttien jaar oud geworden was, werd het "Uilennest" mij te eng, en ik verliet op een mooien lentedag vader en broeder, en ging naar zee. Acht jaar voer ik ter koopvaardij; toen had ik genoeg van het gewoel en gedruisch der wereld, en een brandend verlangen naar het stille "Uilennest" bekroop mijn hart.
Onverwacht stond ik hier weder op deze plek, maar ach,--wat vond ik alles veranderd!
Het huis, dat mijn vader placht te onderhouden, was gansch verveloos en vervallen; brandnetels en distels groeiden welig in den vroeger altijd goed onderhouden moestuin, kortom, het zag er toen uit, zooals het er nu uitziet.
En vader? Ziek en half blind lag hij op zijn armoedig bed daar in dien hoek, en een oude vrouw uit het gehucht P., dat een half uur loopens van hier ligt, paste hem op zoo goed en zoo kwaad als het ging.
Eerst herkende hij mij niet, maar toen hij goed mijn stem hoorde, toen wel.
"Krijn," zei hij, "ben je daar? Je bent juist bijtijds teruggekomen om je armen vader te begraven; jongen, het was niet goed mij allebei te verlaten!"
"Vader," riep ik, "waar is mijn broeder Wouter dan, is die ook heengegaan?"
"Ja; eenige maanden na je vertrek heeft een vreemde werver in de herberg te H. hem doen teekenen voor soldaat en Wouter heeft zijn handgeld verdronken en verbrast met slechte makkers, en is weggetrokken. Wie zal zeggen waarheen!"
Arme vader! Reeds enkele weken na mijn terugkomst stierf hij, en na zijn begrafenis bleef ik alleen. Een jaar lang leefde ik zoo voort. Toen zocht ik een vrouw, en in het oude "Uilennest" kwam weer vroolijkheid en leven.
Mijn geweer en mijn netten verschaften mij het noodige voor mijn levensonderhoud, en toen ons een jongen geboren werd, waren wij den koning te rijk.
Zestien jaar lang leefde ik gelukkig en tevreden hier op deze plek. Mijn jongen groeide op, flink en krachtig als een jonge wilg. Zijn oog was scherp als van een valk, en zijn schot zoo zeker als het mijne. Ik leerde hem mijn matrozenliedjes, en zingend voeren wij in den zomertijd, als de jacht gesloten was, den Davel op om te gaan visschen, en zingend keerden wij des middags weer. Dan wachtte moeder ons met het maal, en daarna bracht ik de visch naar den handelaar in H., of werkte met mijn jongen in den moestuin.
Maar als de herfst in het land kwam, dan werden de netten opgeborgen, en wij namen de geweren ter hand. Mijn jongen wist van koude noch vermoeienis; de vroolijke levenslust straalde hem uit de oogen. Hij was onze oogappel, en liefde en geluk woonden in het "Uilennest".
Dat was de gelukkigste tijd van mijn leven, jongeman, maar mijn geluk verdween zooals de zon verdwijnt voor de donderwolken."
De oude jager zweeg en staarde droevig in het vuur, terwijl buiten de stormwind loeide, en de vlammen van het haardvuur dansten onder de schouw.
Ook Hannes Klinge sprak geen woord, want het eenvoudig verhaal van den grijsaard ontroerde den Gelderschman, en hij begreep, dat 's levens leed en lijden, dien man hadden vergezeld op zijn somber pad.
Geruimen tijd bleef het stil in de hut; de pijp van den ouden man was uitgegaan en het was, of hij, zooals reeds zoovele jaren, alleen, was in zijn huisje. De hond was opgerezen uit zijn hoek, had den ruigen kop op de knie van den jager gelegd, en keek dezen met trouwhartigen blik aan.
"Ja, ja, Wolf," sprak Krijn Vermeeren, "dat alles is lang voorbij, en wat voorbij is keert nimmer weer." En zich tot Hannes Klinge wendende, vervolgde hij zijn verhaal.
"'t Was de dag voor Kerstmis, en het vroor, dat het kraakte, maar sneeuw was er niet gevallen.
Het ijs in den Davel was spiegelglad, en het jonge volk uit den omtrek haalde het hart op aan schaatsenrijden. Ook mijn jongen nam er met hart en ziel aan deel, en de schaatsen waren hem bijna den ganschen dag niet van de voeten.
Vroeg in den morgen van dien voor mij zoo vreeselijken vierentwintigsten December kwam hij naar mij toe en zei: "Vader, toen ik gisterenavond den Davel uit kwam rijden, zag ik dat een groote koppel eenden in een wak neerstreek, en toen dacht ik zoo: wacht, die blijven daar totdat ze verjaagd worden. Nu is alles nog stil; ik zal de schaatsen onderbinden en hoop ze met mijn schot goeden morgen te wenschen. Ga je niet mede, vader?"
Neen, ik ging niet mede met mijn jongen, maar tot mijn jongsten snik zal het mij berouwen, dat ik het niet deed. Doch het moest zoo zijn, en Olbert de schaapherder heeft mij geleerd, dat ik mij moet onderwerpen, aan den wil van Hem, die alles regeert, wiens wijsheid ondoorgrondelijk is, en die ons geen verantwoording schuldig is van zijne daden.
Neen, ik ging niet mede met Frank, zoo heette mijn zoon, want ik wist hoe weinig kans er is voor een schutter om eenden te bekruipen en te schieten in een wak, als er geen sloot of laagte of andere dekking is, waar de jager zich achter kan verschuilen; het minste geritsel doet ze opvliegen eer men ze onder schot heeft. Maar Frank was vol vuur en terwijl hij daarbuiten in de morgenschemering van den kouden winterdag zijn schaatsen aanbond, laadde ik een geweer voor hem en reikte het hem toe. Met een vroolijken lach riep hij nog: "Zeg maar aan moeder, dat ik haar vóór tien uur een paar mooie bouten thuisbreng!"
Toen hing hij het geweer aan den draagriem over den schouder, en vlug als een vogel wegrijdend, zag ik zijn kloeke jongensgestalte verdwijnen in den morgennevel, die optrok boven den Davel.
"Ik herinner mij nog zeer goed," vervolgde de jager, "dat ik na het vertrek van Frank hier achter in de keuken netten ging zitten breien, en ongeveer een half uur nadat hij was heengegaan, hoorde ik daarginds in het noordoosten een schot vallen. Dat was het geweer van Frank,--en het was zijn laatste schot!
Geruime tijd verliep en ik werkte al maar door aan mijn vischnet. Toen kwam mijn vrouw bij mij staan, en maakte de opmerking, dat Frank lang weg bleef. Ik keek naar de klok, en dadelijk kwam een vreemde onrust over mij,--een gansch onverklaarbare onrust. Want Frank was goed bekend op den Davel, en zoo lang was hij nog niet weg dat er reden tot ongerustheid kon zijn.
"Hij zal eenden hebben aangeschoten," antwoordde ik mijne vrouw, "en die fladderen dan overal heen, en je weet hoe Frank is; hij geeft niet makkelijk iets op, als hij er eenmaal aan begonnen is."
Mijne vrouw maakte ons ontbijt klaar en ik bezorgde mijn werk en ging eens buiten kijken.
Schaatsenrijders zag men nog niet op den Davel, het was nog te vroeg in den morgen, en wat eerst morgennevel geweest was, werd nu mist, die als een lijkkleed uitgestrekt lag over het gladde ijs. Zoo verliep weer een half uur; wij zaten te wachten met ons ontbijt, en nog altijd kwam Frank niet terug.
"Krijn," zei mijne vrouw, en er klonk angst in haar stem, een angst die weerklank vond in mijn hart, "Krijn, zou er niet wat gebeurd zijn met Frank? Groote God, het is zoo mistig, en er liggen in den Davel zooveel wakken! Als hij er eens ingereden was . . .!"
Ik sprak geen woord. Ik kòn niet spreken, maar ik sprong op van mijn stoel, en mijn laarzen aantrekken en de schaatsen grijpen was het werk van een oogenblik. "Ga je hem zoeken, Krijn?" sprak mijn arm, klein vrouwtje, "ach, ik wou dat ik je al met hem terug zag; het is mijn dood als hem wat overkomen is."
Ik trachtte haar nog te troosten en te bemoedigen; maar zij kende mij veel te goed om niet te zien hoe de onrust mij aangreep. Ik vloog weg op mijn schaatsen als een stormwind, in de richting waar ik wist dat Frank heengereden was, want daar, waar de Davel met een bocht om een elzengriend loopt, lagen verschillende wakken, en in een daarvan moest Frank gisteravond de eenden hebben zien neerstrijken. Stil, beangstigend stil, was het om mij heen, en het krassen der kraaien, die in de knotwilgen van het weiland zaten, dat ik voorbij vloog, was het eenige geluid, dat die akelige stilte verbrak.
Ik had Frank eigenlijk al moeten ontmoeten, indien er niets gebeurd was, want de Davel is niet zoo breed, dat twee menschen elkander kunnen voorbijrijden, zonder dat de een den ander hoort of ziet.
De angst beklemde mij het hart en gaf mij vleugels aan de voeten.
Ik was een man, die zich nooit om God of zijn gebod had bekommerd, en die als zeeman een losbandig leven had geleid, maar vindt ge het niet opmerkelijk, Hannes Klinge, dat onze gedachten, wanneer angst voor het leven van hen die ons dierbaar zijn ons hart doet beven, steeds opstijgen tot Hem, om wien we ons anders niet bekommeren?
Nu schreeuwde ik zoo hard ik kon: Frank, Frank! maar mijn stem stierf weg in de wijde verte, want Frank kon mij niet meer antwoorden. Dan vouwde ik wanhopig de handen saam en bad: "Goede God, spaar mijn kind, geef mij mijn jongen weder, of neem mijn leven voor het zijne." Daar lag aan mijn rechterhand een groot wak, en tot vlak bij den rand rijdend, staarden mijn door angst gescherpte oogen in het inktzwarte water, en reeds dadelijk vond ik een spoor.
Ik bemerkte namelijk, dat aan den anderen kant van het wak eendenveeren in het water dreven, en daartusschen een halfverbrande papieren geweerprop. Ik reed er heen en vond al spoedig bloeddruppels op het ijs, en een weinig terzijde een langen wilgentak, waarvan het uiteinde nog nat was.
Met iedere seconde steeg mijn angst en tot zoover was alles mij duidelijk. Op de schaatsen, onhoorbaar en snel voortrijdend, steeds zorgend den wind in het gezicht te hebben, en de buks tot schieten gereed, had Frank de eenden in het wak als het ware overrompeld, en toen de vogels verschrikt opvlogen, waren ze onder het schot van mijn jongen. Wat onder schot was, miste Frank niet dikwijls, en toen er een of meer eenden in het wak vielen, had hij ze met den boomtak naar zich toe kunnen halen.
Op de knieën over het ijs kruipend, zocht en vond ik de streken zijner schaatsen, en die voerden mij in een bocht naar den anderen oever van het meer. Enkele veeren, en hier en daar een bloeddroppel, wezen mij verder den weg, dien mijn rampzalig kind genomen had, den weg naar huis, dat hij nimmer zou bereiken want deze weg voerde hem den dood tegemoet.
Nu reed ik onder de overhangende takken van elzengriend, en hier moest het, toen Frank er onder door reed, nog schemerdonker geweest zijn, want zelfs nu was het er, mede door den dikken mist, nog niet goed helder.
Plotseling draaide ik om, knarsend sneden mijn schaatsen in het harde ijs, want vlak voor mij lag een lang smal wak; kort bij den oever en gedeeltelijk overschaduwd door de takken, was ik er bijna zelf ingereden.
"Frank! Frank!" gilde ik half zinneloos.
"Groote God, hij is verdronken!" Want tot ver over het blanke ijs was het modderwater opgespat, en twee doode eenden, de pooten met een touwtje bij elkander gebonden, dreven in het wak rond.
Mijn eerste beweging was, mijn mes te trekken en de riemen van mijn schaatsen doorsnijden, want tijd om ze los te maken, gunde ik mij niet.
Hoogstwaarschijnlijk zou ik in de razernij van de wanhoop in het wak gesprongen zijn, en er zonder twijfel den dood hebben gevonden, want voldoende water om te kunnen zwemmen of duiken staat daar in den Davel niet; maar peilloos diep is de zwarte modder, waarin de drenkeling, indien geen redding opdaagt, onherroepelijk versmoort. Reeds vloog mijn zware duffelsche buis, dat ik droeg, over het ijs, en stond ik op het punt mij in het gevaarlijke wak te werpen, toen een man met een haak in de hand, luid roepend: "houd op! houd op!" over het ijs op zijn kousen naar mij toe kwam stormen.
't Was Arie, de molenaar van gindschen watermolen, waar je van avond langs gekomen bent.
Hij had mijn schreeuwen gehoord, en vermoedend dat er iemand in een wak geraakt was, had hij terstond een haak gegrepen en was op zijn kousen het ijs op gevlogen.
Hij kwam juist bijtijds om mij van mijn roekeloozen sprong terug te houden, maar zonder een woord te spreken, rukte ik hem den haak uit de handen, en woelde er mede in het wak. In het eerst was mijn zoeken vruchteloos, maar eindelijk, diep, diep in de modder, daar stuitte mijn haak op een vast lichaam, en spoedig haakte ik vast."
Weer zweeg de verteller, en hield zich bezig met het avondeten, waarin hij al pratend had zitten roeren, en nog steeds brulde buiten de stormwind om het "Uilennest."
Een klein hangklokje aan den muur sloeg tien slagen, een zeer laat uur op het platteland.
De oude man zette haastig een rood aarden schotel op de tafel, kreeg uit een hoekkastje een pot met spekvet en de stroopkan, benevens twee lepels, en verontschuldigde zich over het late uur, en dat hij Hannes zoolang aan den praat had gehouden, zonder te bedenken, dat hij een zwaren tocht door storm en sneeuwjacht achter den rug had.
"Het komt er niet op aan, Vermeeren," sprak Hannes Klinge, "ik ben heerlijk warm geworden en goed uitgerust. Vertel mij dus, indien ge wilt, de geschiedenis van uw armen jongen verder, want het avondeten is toch nog veel te warm om het zoo te kunnen eten, en ik voor mij heb nog geen slaap."
"Ach," sprak de oude jager, "wat nog volgen moet is spoedig genoeg verteld. Toen ik voelde dat ik met den haak iets vast had, trok ik het langzaam naar boven, maar om voldoende kracht te kunnen ontwikkelen, waagde ik mij zoo kort aan den rand van het wak, dat den molenaar het angstzweet uitbrak en hij elk oogenblik dacht mij in de modder te zien verdwijnen.
Doch ik hield vol en daar verscheen uit de zwarte stinkende modder het lichaam van mijn eenigen zoon.
De haak was achter zijn geweerriem blijven zitten, en toen ik hem zoo hoog had opgetrokken, dat ik den riem met mijne hand kon grijpen, liet ik den haak los, die dadelijk door den molenaar ter hand werd genomen, want mijn positie was uiterst gevaarlijk.
Op den buik op het ijs liggend aan den rand van het wak, gelukte het mij met inspanning van alle krachten het verstijfde lichaam van mijn Frank op het ijs te trekken, dat kraakte en scheurde onder dat dubbele gewicht.
Toen sloeg de wakkere molenaar den haak in mijn kleeren en sleepte ons beiden uit de nabijheid van het rampzalige wak.
Had ik daareven nog mijn smart uitgebruld en den omtrek van den Davel doen weergalmen van mijn geschreeuw, thans, nu ik den blik wierp op het bleeke gelaat van mijn jongen, werd ik stil, en geen jammerklacht kwam mij meer over de lippen.
Met mijn zakdoek wischte ik de modder van het blauw-witte gelaat, en toen de molenaar haastig vroeg: "Krijn, zou het niet mogelijk kunnen zijn dat hij nog leeft?" toen antwoordde ik kalm, dat mijn Frank reeds meer dan anderhalf uur dood was.
Ik wist wanneer ik zijn laatste schot gehoord had, en sinds dat oogenblik en zijn dood in het wak kon ternauwernood een kwartier verloopen zijn. Want het leed bij mij geen twijfel, of dadelijk, nadat hij de geschoten eenden, met de pooten bij elkander gebonden had, was hij teruggekeerd, en had het noodlottige pad naar huis genomen, waarop hij den dood vond.
Wat zal ik er meer van zeggen, Hannes Klinge? De molenaar haalde op den molen, die kort in de nabijheid was, een slede. We legden Frank er op, en ik bedekte zijn koud gezwollen gelaat met mijn duffelsch buis. Zoo reden wij huiswaarts.
Juist toen Arie de molenaar mij voorstelde vooruit te loopen naar het "Uilennest", om mijn arm vrouwtje eenigszins voor te bereiden op de ramp, die haar levensgeluk zou verwoesten, zag ik haar door den nevel op ons toeloopen. In haar angst had ze het thuis niet langer kunnen uithouden, en nu stond ze voor de slede en voor het lijk van onzen Frank.
Vier en dertig jaar is het geleden, dat die slag ons trof, maar alsof het gisteren gebeurd is, zoo helder staat mij alles nog voor den geest. Mijn ongelukkige vrouw schreeuwde niet, zooals ik had gedaan, neen, geen geluid kwam over haar lippen, maar het was of haar bloeiend gelaat inzonk, en haar oogen werden star als van haar dooden lieveling.
"Breng hem gauw thuis, Krijn," sprak ze met vreemde stem, "breng hem gauw thuis, hij wordt zoo koud,". . . en den wollen doek, dien ze om den hals droeg, losmakend, dekte ze dien zorgvuldig over het verstijfde lichaam van den doode.
Mijn zoon was verdronken en mijn vrouw was zinneloos, en eer het ijs geheel was weggedooid in den Davel, volgde mijn vrouw haar zoon in het graf.
Dat ik er toen doorgekomen ben zonder de hand aan mijn leven te slaan, heb ik naast God aan Arie den molenaar te danken.
Hij was een eenvoudig en braaf man, en hij leerde mij, ruwen jager, berusten in mijn lot, en wat meer is, Hannes Klinge, hij leerde mij gelooven, dat wat God doet welgedaan is, en dat Hij niets doet zonder heilig oogmerk. Want zie, Hannes, in mijn eenzaamheid leerde ik bidden; daar zou ik, als mijn zonnig geluk was blijven voortduren, niet toe gekomen zijn, en daarom moest ik door het donker en treurig floers van wanhoop en verdriet naar boven leeren zien, naar Hem, den, Vader der lichten.
Ook de molenaar is gestorven, reeds jaren geleden, en mijn haar en baard zijn wit geworden van ouderdom. Al die jaren, sinds den dood van vrouw en kind, heb ik alleen gewoond in het "Uilennest", en altijd ben ik gezond gebleven en krachtig, maar nu begint de ouderdom mij toch parten te spelen; dezen morgen nog schoot ik een vlucht eenden mis, die goed onder schot was, en die ik voorheen gewis zou hebben getroffen.
Mijn oogen zijn nog goed, maar mijn hand is niet vast meer; doch geen nood, als dit het begin van het einde is, dan zal de oude jager door Gods goedheid dat einde niet met angst en beven tegemoet zien, maar er het oog op richten, zooals de zeeman na een langen zwerftocht het oog richt op de vaderlandsche kust."
Tersluiks wischt Hannes Klinge een traan weg, maar hoe verscholen hij zulks ook doet, het scherpe oog van den ouden jager heeft het toch opgemerkt, en het doet hem goed, zooals het ons altijd goed doet wanneer een ander gevoel toont voor ons leed.
"Nu zullen we eindelijk gaan eten, Hannes, en dan zullen we zien of er in het "Uilennest" nog een slaapplaatsje voor je te vinden is."
De brij dampte op de ruwe tafel, de vlammen in het haardvuur doofden, langzamerhand uit, en ook de vetkaars op de flesch vertoonde teekenen van een naderend einde.
Krijn vouwt de bruine handen en bidt fluisterend het "Onze Vader". Ook Hannes vouwt de handen maar zijn lippen bewegen zich niet, en zwijgend gebruiken beide mannen hun maal. De oude jager eet niet veel, maar Hannes heeft honger en eet met smaak, zooals alleen een gezond krachtig jongmensch eet. De hond, die nu en dan Hannes nog wantrouwend aanziet, krijgt de rest, en maakt den schotel verder leeg.
"Nu zullen we zien waar ge slapen kunt," zegt Krijn. "Volg me maar." En de flesch met de kaars van tafel nemend gaat hij Hannes voor. Dwars door de hut strompelend, opent de witgebaarde jager een deur en brengt zijn gast in de keuken, of wat voorheen, toen zijn vrouw nog leefde, keuken geweest was; thans staat het vertrek, evenals de binnenkamer, vol voorwerpen, die het beroep van den bewoner kenmerken.
Ottervellen, met stroo opgevuld, en omgestroopte bunsingvellen hangen aan de zolderbalken; bossen stroo en bundels biezen liggen opgestapeld tegen de wanden, terwijl op den rood tegelen vloer allerlei klemmen en vallen staan en liggen.
Een met ijzeren grendels gesloten boven- en onderdeur leidt naar buiten, naar den Davel, en een paar kleine raampjes verschaffen licht in het vertrek, dat wel laag van zoldering, maar toch tamelijk groot is. Aan de eene zijde van den binnenmuur is een groote kast getimmerd, aan de andere zijde een bedstede, die nu evenwel ledig is.
"Hierin zul je moeten slapen, Hannes," zegt de oude man, en laat er weemoedig op volgen: "Dit is de bedsteê waar mijn Frank placht te slapen. Met een lied op de lippen sprong hij des avonds in bed, en met een lied begroette hij elken nieuwen dag, onverschillig of het stormde of regende, of wel dat het zonnetje door die ruitjes scheen; doch sinds Frank en zijn moeder zijn heengegaan, zong niemand meer een lied in het oude "Uilennest"."
De jager gaf Hannes de flesch met de kaars, wierp eenige bossen stroo in de ledige bedstede en haalde uit de groote kast drie dikke wollen dekens. Eén spreidde hij uit over het stroo, en de beide andere er bovenop.