Part 2
Toen hij hersteld was en het hospitaal kon verlaten, was hij, zooals reeds gezegd, naar zijn dorp in Gelderland gegaan, maar allen, die hij er vroeger had liefgehad, waren heengegaan, of lagen op den stillen doodenakker.
Toch vestigde de invalide zich op het dorp, want bij den schout was een klein kapitaaltje gedeponeerd, dat aan zijn ouders had toebehoord, en dat de brave schout hem uitkeerde, zoodra het in het dorp bekend werd, dat de eenige zoon van den ouden Olbert was teruggekeerd.
Voor hij soldaat werd, was Olbert bij een schapenboer in dienst geweest, en de kennis, die hij in zijn jonge jaren van het wollige vee had opgedaan, kwam hem thans goed van pas, want ondanks zijn eenen arm, verdiende hij met het kleine koppeltje schapen, dat hij van de nalatenschap zijns vaders had gekocht, een eerlijk stuk brood.
Van een bijenhouder--of, zooals de Gelderschman zegt, van een "iemker"--had hij een schuur gehuurd en deze als schaapskooi ingericht, en hier in de stille landelijke omgeving vond de eens zoo roofgierige en woeste soldaat van Napoleon een ongekender vrede, en rust voor zijn gemoed.
Na verloop van een paar jaar was Olbert gehuwd met de dochter van den iemker en woonde toen met zijn schoonvader onder één dak, want Sanne was een eenig kind, en haar moeder was reeds jaren geleden gestorven.
Vijf jaren later klopte de dood ook bij den ouden iemker aan, en Olbert bleef met Sanne alleen, want hun echt was kinderloos gebleven.
Toen kwam een kwade tijd voor de talrijke schapenhouders uit die streek.
Op een natten zomer volgde een lange en buitengewoon strenge winter.
De prijzen van het veevoeder stegen tot een ongekende hoogte, en toen eindelijk het lang verbeide voorjaar kwam, bleef het zóó lang koud en guur, dat het gras niet groeide, en de schapen gebrek leden op de dorre heide.
Ook Olbert zag voor zijn bedrijf de toekomst donker in, en de man, die er door het woelige soldatenleven, dat hij achter den rug had, aan gewoon was geraakt dikwijls van plaats te verwisselen, dacht er thans ernstig over, om elders te trachten meer en beter weideveld voor zijn kudde te gaan zoeken.
Nu had zijn schoonvader, naar de wijze der iemkers, de gewoonte gehad, om tegen den tijd, dat het koolzaad bloeit, met zijn bijenkorven naar ZuidHolland te trekken, waar dan zijn vlijtige diertjes een rijken honingoogst inzamelden op de gouden velden.
Op een dezer jaarlijksche tochten had Olbert den ouden iemker eens vergezeld, en was toen met bewondering vervuld over de malsche weiden en de met gras begroeide wegen en paden in de nabijheid van den Davel. In den boomgaard van een hoeve aan het kleine meer namelijk stonden dan de korven van Sannes vader.
Naar deze plaats trok Olbert na rijp beraad heen, en het gelukte hem, van een naar elders trekkenden boer, voor niet veel geld, de kleine hoeve te koopen, waar hij in den omtrek en langs wegen en paden, in weer en wind zijn kudde weidt en waar wij hem thans aantreffen.
Reeds meer dan vijf en twintig jaar woont Olbert hier op deze plek, en al wordt zijn donker hoofdhaar grijs, en al komen er zilveren draden in den langen knevel, de hooge magere gestalte is nog ongebogen, en de blauwe eerlijke oogen staan nog zoo helder in het bruine gelaat als toen hij de Fransche vaandels zag wapperen op het oorlogsveld.
De schaapherder werpt nog een struik op het haardvuur, en vrouw Sanne herhaalt haar vraag tot Hannes Klinge.
"Toch geen zwarigheid op "Zorgwijk"?"
Ja, Hannes had zwarigheid, en met horten en stooten vertelde hij alles wat daar sinds de vechtpartij met Gerrit Dubbe was voorgevallen.
Zwijgend had Olbert de eenarm geluisterd en met geen enkel woord was hij den spreker in de rede gevallen, en toen Hannes zweeg, was het een oogenblik stil in het vertrek.
Buiten was de wind opgestoken en het maantje was schuil gegaan achter de dikke sneeuwwolken. De vlammen onder de schouw dansten met lange tongen op en neer, als een rukwind in den schoorsteen huilde.
Olbert streek, zooals hij gewoon was te doen als hij ergens over nadacht, met de magere bruine hand over den grijzen knevel, en zei toen tot Hannes:
"Heb je goed bedacht wat je gedaan hebt, Hannes? Weet je wel, dat Martha van Gulven in weelde is opgevoed, en wat kun je haar anders aanbieden dan een toekomst vol arbeid, zorgen en kommer? En dat was alles nog niets, mijn jongen, als je die toekomst tegemoet gingt met het oog omhoog gericht, hulp en bijstand afbiddend van den goeden God hierboven. Niet vertrouwend op eigen kracht en bovenal geen haat in het hart tegen den rijken Van Gulven, die je denkt te vertrappen onder zijn voet, omdat je arm bent en alleen staat in den strijd om het bestaan. Hij zal je dien strijd zwaar maken, Hannes, als je in deze streek blijft; zwaar en moeilijk, want ik ken hem. Maar nog eens, geef den haat geen plaats in je hart, want haat is als een kanker: hij vreet in, diep in het gemoed, en hij weert al wat goed is in je. Ook geeft hij den duivel gemakkelijk spel; daarom Hannes, luister naar den raad van een man, die het goed met je meent, die de wereld gezien heeft, en die eenigszins menschen kent."
"En welken raad geeft ge mij, Olbert, behalve dat ik niet haten moet, hoewel men mij haat?"
De schaapherder buigt zich naar den jonkman toe, en hem de magere hand op den schouder leggend, ziet hij hem in de oogen.
"Geloof mij, Hannes, een huwelijk met Martha kan jou en haar naar menschelijke berekening niet gelukkig maken. Je kunt haar geen ander bestaan aanbieden dan dat van een dagloonersvrouw, en zou het niet vreeselijk zijn, Hannes, als je na jaar en dag moest bemerken, dat Martha terugverlangde naar het leven, dat zij om uwentwil liet varen? Zou het dan niet beter zijn, dat je de wijde wereld introkt, en je ver van hier een bestaan trachttet te verwerven, zonder nu reeds haar lot aan het uwe te verbinden?
Want," vervolgde Olbert met nadruk, "liever zag boer Van Gulven zijn eenige dochter van honger omkomen, dan dat hij jou zou steunen om harentwil. Nog eens, Hannes, ik ken hem, dien man met zijn steenen hart en onverzadelijke heerschzucht.
Martha en jij hebt het gewaagd hem te trotseeren, en hij zal je den voet dwars zetten, overal waar hij kan. In dien strijd zul jij het onderspit delven. De haat, waartegen slechts het gebed je kan behoeden, zal, zonder dat, postvatten in je hart. Wil en mag je nu het meisje, dat je liefhebt, mengen in dien bitteren strijd?"
De schaapherder zwijgt. Op vaderlijken toon heeft de oude soldaat gesproken tot den gewezen bouwknecht van "Zorgwijk", en nu de eigenaardige diepe stem van Olbert den eenarm zwijgt, nu hoort men zooveel te duidelijker de bulderende stem van den stormwind, die over den Davel giert, het dorre riet doet ruischen en de takken der oude noteboomen als met reuzenhand door elkander schudt.
De fijne jachtsneeuw dringt door de vensterreten en kruipt als witte wol tegen de kleine groenachtige ruitjes op; het vuur flikkert onder de schouw, en in dien donkeren hoek gromt de ruige herdershond in den slaap.
Stormen doet het daarbuiten, en stormen doet het in het hart van Hannes Klinge.
Zwijgend staart hij in het vuur, en het gefronste voorhoofd en de harde trek om de saamgeperste lippen doen duidelijk zien, dat de welgemeende raad van Olbert niet strookt met de wenschen en plannen, die Hannes Klinge in het hoofd heeft. "Ge spreekt van niet haten, Olbert, en ge vraagt mij of ik Martha in mijn armoede mag doen doelen, terwijl zij gewend is aan weelde en overvloed. Ge raadt mij aan, weg te trekken, ver van hier en haar lot niet te verbinden aan het mijne!
Zie, Olbert, ik acht u hoog, meer dan eenig ander mensch, maar ge kent mij niet. Want als ge mij kendet, zoudt ge weten, dat Hannes Klinge niets vergeet, geen goed en geen kwaad. Ik zal ieder mensch, hetzij arm of rijk, die mij vriendelijk behandelt, evenzoo behandelen, en hem helpen, en bijstaan waar ik kan; maar beleedigt men mij, of is men zonder oorzaak hard en onredelijk, dan komt alles wat in mij is daartegen in opstand, en ik betaal met gelijke munt, al moest ik het met den dood bekoopen.
Had Van Gulven tegen me gezegd: Hannes, Martha is mijn eenig kind en een rijke erfdochter, dus zij kan je vrouw niet worden, je verschilt te veel in stand, het kan tot haar geluk niet zijn, dus is het beter dat je weggaat van hier,--zoo waar ik leef, Olbert, ik zou gegaan zijn, want ik had hem immers nog niets gevraagd? Maar neen; hij liet mij uit den stal roepen waar ik de paarden voederde, en hij overstelpte mij met beleedigingen en scheldwoorden; hij wierp mij zijn geld voor de voeten en joeg mij weg. Neen!" vervolgt de bouwknecht, "ik haat dien rijkaard, die om den wille van het geld zijn eenig kind verkwanselen wil aan dien rooden Gerrit Dubbe, en Martha haat dien vent. Van Gulven weet dat, en toch zou hij zijn wil doordrijven als hij kon. Martha is dit voorjaar mondig, en dan kan niets of niemand haar beletten mijn vrouw te worden. Zelf heb ik er haar op gewezen, dat aan mijn zijde een hard lot haar deel zal zijn; maar dat schrikte haar niet af, en met flikkerend oog verklaarde zij liever met mij bedelend door het land te trekken dan in weelde en overdaad te leven met Gerrit Dubbe. Daarom ben ik vast besloten, om dit voorjaar met Martha te trouwen, en wil Van Gulven mij zijn macht doen gevoelen, het is mij wel, ik zal hem trotseeren, en de rijke boer zal in den armen Gelderschman een tegenpartij vinden, die hij mogelijk wel kan breken, maar nimmer zal kunnen buigen. Wil hij den strijd, het is mij wel; ik ben bereid.
Nu rest mij nog te vragen, Olbert, of ge dezen nacht een plaatsje voor mij hebt in het hooi; dan ga ik morgen werk zoeken, en vind ik het niet hier in den omtrek, dan wandel ik naar R., waar ik wel iets zal vinden, want in de groote stad kan men licht een paar krachtige handen gebruiken."
Olbert schudt het hoofd en ziet Hannes droevig aan. "Hard tegen hard, zoo was ik óók, toen ik zoo oud was als jij, en indien ons hart vol is van bitterheid en haat, dan woelen en werken daarbinnen de duistere machten van den booze, en geef je er aan toe, dan zullen die de overhand krijgen en je ziel vergiftigen, je leven vergallen, en den vrede voor het gemoed zul je nimmer vinden.
Richt het oog op den "Man van Smarten", die zoo schuldeloos leed, en zoo geduldig dat vreeselijk lijden droeg, Hem door der menschen zonde aangedaan; die als men dreigde, niet weder dreigde, en niet terugschold als men Hem schold.
Wiens hand zich niet ophief als men Hem sloeg, en toch was die hand gewapend met Goddelijke almacht. Maar de Goede Herder gaf zijn leven voor zijn schapen, en op den heuvel van Golgotha vloeide zijn schuldeloos bloed en stierf Hij den ontzettender kruisdood. Daar betaalde Hij onze schuld, Hannes! Mijne schuld en de uwe!
Dat voorbeeld gaf de groote Meester, en wij willen steeds en altijd weer vergelding oefenen. Ik heb het je gezegd, Hannes, ééns was ik zooals jij, en spoedig in blinde drift ontstoken, heb ik dikwijls dingen gedaan, die mij later bitter hebben berouwd. Maar 't gedane wordt niet ongedaan, en in mijn wild soldatenleven telde ik op het oorlogsveld een menschenleven voor niets. Doch een lichtstraal uit den hooge viel in mijn schuldig gemoed, en ik gruwde van mijzelven, want de booze weg, dien ik tot nu toe had bewandeld, lag in al zijn donkerheid voor mijn zielsoog. Groote God, hoe klaagden ze mij aan, die bleeke dooden met hun starre trekken en bloedige wonden, zooals ik er zoovele duizenden heb zien liggen op de groote vreeselijke slagvelden.
Zij waren gevallen in den strijd tegen den overweldiger, in de verdediging van den grond hunner vaderen, maar ik, waarvoor had ik gevochten? Waarvoor volgde ik vrijwillig de Fransche adelaars van dien man des bloeds? Voor den roem, voor de eer, voor dat ijdele klatergoud, en daarvoor alléén, want in Napoleon Bonaparte zag ik mijn ideaal, den afgod, dien ik aanbad.
Maar mijn afgod viel, want een machtiger Potentaat dan hij deed hem het "tot hiertoe en niet verder" in de ooren klinken, en zijn macht en, heerschappij, gekocht met zóóveel bloed en jammeren, spatte uiteen als een door een kind geblazen zeepbel.
En ik, als een invalide keerde ik weer, ongeschikt voor het soldatenwerk. Maar God lof en, dank, het was zijn wil, dat ik een ander veldteeken zou volgen dan de Fransche adelaars, en toen vond ik het geluk waarnaar ik gezocht had op plaatsen waar het nimmer te vinden is. Toen vond ik vrede voor mijn gemoed en in het bloed van het offerlam van Golgotha.
Den moordenaar aan het kruis wees Hij niet af en ook mij, armen verdoolde, bestraalde zijn Goddelijk licht.
Wend je tot Hem, Hannes Klinge, en geef den haat geen plaats in je hart."
Hoog opgericht staat de lange gestalte van den schaapherder voor den jonkman, en de blauwe oogen staren dezen onderzoekend aan. Hebben de woorden, die hij gesproken, heeft, dat harde hart getroffen? Trillen er zachtere snaren in dat ruw gemoed? Wie zal het zeggen; maar Hannes zwijgt, en drinkt met langzame teugen zijn koffie, die vrouw Sanne voor hem heeft ingeschonken.
Dan praten beide mannen, nog een wijle over verschillende onderwerpen, maar eindelijk kijkt Olbert naar de klok, en vrouw Sanne schept het avondeten op.
Olbert de eenarm bidt overluid het "Onze Vader", en als het eenvoudig maal met smaak is genuttigd, dan spreekt hij ook het dankgebed uit.
Op den zolder is een, slaapplaatsje voor Hannes, maar reeds lang slapen Olbert en vrouw Sanne den slaap des rechtvaardigen, als Hannes nog ligt te luisteren naar het huilen van den wind door de takken der oude noteboomen.
Zouden het de woorden zijn, die Olbert vanavond sprak? En zouden die woorden naklinken in zijn hart, en hem den slaap uit de oogen houden? Wij weten het niet, maar reeds eer den, volgenden morgen de korte winterdag aanbrak, was Hannes weer beneden, en toen het schemerde in het oosten, baande hij zich een weg door de ingesneeuwde voetpaden, om werk te gaan zoeken, overal waar hij dacht het te kunnen vinden.
Wij zullen Hannes Klinge niet volgen op zijn tocht. Het is genoeg als we zeggen, dat zijn moeite vruchteloos was. Overal had hij aangeklopt, maar overal het hoofd gestooten, en in de stad was de werkeloosheid zóó groot, dat er voor den vreemdeling in het geheel geen kans was werk te vinden.
Moedeloos en vermoeid keert Hannes terug naar de Schaapskooi, want Olbert had hem des morgens toen hij vertrok, gezegd, dat zoo lang hij nog geen werk had en dus ook geen tehuis, hij de Schaapskooi kon beschouwen als de ouderlijke woning. En vrouw Sanne voegde er moederlijk aan toe: "Kom maar naar ons toe, Hanneske, we zullen oe wachten van aovond," en ze had hem nog een paar flinke boterhammen met spek medegegeven op reis, die Hannes uitmuntend goed te pas waren gekomen.
HOOFDSTUK III.
Loom en traag vervolgde hij zijn weg. Het had gedurende den dag niet meer gesneeuwd, maar nu stak de wind weer op en begonnen de witte vlokken weer te vallen. Maar de eenzame voetganger bekommerde er zich niet om, want er woelden zooveel gedachten in zijn brein, dat hij niet eens bemerkte dat de sneeuw al dichter begon te vallen.
Hoe dikwijls had hij dezen dag op zijn vraag om werk een weigerend antwoord ontvangen! Eerst, in den vroegen morgen, had hij zich tot een boer in H. gewend, dien hij een paar dagen geleden toevallig had hooren zeggen, dat hij best een man gebruiken kon om tarwe te dorschen, want met zijn eigen volk kwam hij niet op tijd klaar.
Toen Hannes den boer echter om werk vroeg, haalde deze de schouders op, en zei, dat hij het wel met zijn eigen volk afkon.
Eenigszins teleurgesteld, maar niet ontmoedigd, vervoegde Hannes zich bij een anderen boer, van wien hij wist, dat hij een knecht noodig had, want diens eigen knecht lag hopeloos ziek, en de boer zat er erg mee onthand. Tot zijn groote verwondering liet deze man hem niet eens uitpraten, maar voorkwam zijn vraag, door te zeggen, dat zijn knecht al iets beter was, dus dat hij nog maar zou wachten om zich van een ander te voorzien. Nu kreeg Hannes kwaad vermoeden, en dat werd zekerheid, toen hij een jongen knecht van "Zorgwijk" ontmoette, die hem zonder groeten voorbij wilde loopen.
"Halt, Klaas," zoo sprak de Gelderschman den jongen aan, en er was iets in den toon van zijn stem, dat den ander na eenige aarzeling het geraden deed achten aan dat bevel te voldoen.
"Zeg mij eens eerlijk, Klaas, wat je al zoo vroeg in het dorp hebt uitgevoerd? Ik zal je niet verklappen, daarvoor ken je mij te goed; maar betrof de boodschap die je brengt niet mij? En ben je al niet daar en daar geweest?" En Hannes noemde de namen der boeren, waar hij zooeven het hoofd gestooten had, toen hij om werk vroeg.
"Ja," zei de jongen openhartig, "van morgen, toen het nog donker was, kwam de baas al bij mij in den stal met een gezicht als een onweersbui. "Klaas!" zeit ie, "je mot dadelijk bij al de boeren op het dorp gaan zeggen, dat als vandaag of morgen Hannes Klinge bij hen om werk komt vragen, zij mij een groot plezier zullen doen door hem niet aan te nemen, en dat ik dengene, die hem ook maar een uur werk verschaft, als mijn persoonlijker vijand beschouw."
"En nu ben ik zoowat bij allen geweest; dus Hannes, er is voor jou niet veel kans hier werk te zullen krijgen, want de boeren van het dorp zullen niet gemakkelijk iemand in hun dienst nemen, die bij een anderen boer met ruzie is weggegaan; en nog minder als ze zich daardoor de vijandschap op den hals halen van Van Gulven, want die heeft hier heel wat te vertellen."
De jongen vervolgde zijn weg, en ook Hannes stapte voort, en nergens in het dorp vroeg hij meer om werk, doch aanvaardde dadelijk de lange voetreis naar de stad. Ook hier echter bleek alle moeite vruchteloos, en nu tornt hij, terwijl de wind aanwakkert tot een storm, tegen de sneeuwjacht op, en de vermoeide voeten in de zware vetleeren laarzen zinken steeds dieper in het ongebaande pad.
Donker is het in de ziel van Hannes Klinge, donker en somber, en een bittere glimlach plooit zijn vastgesloten mond.
"Niet haten, Hannes," had Olbert de eenarm gezegd, "niet haten, want de haat werkt als de kanker. Zie naar het offerlam van Golgotha, en het leed dat de menschen je aandoen verzinkt in het niet bij wat men Hem deed lijden."
"Maar het vuur der jeugd is uitgebrand in de borst van den schaapherder, en zijn leven vloeit kalm en effen daarheen; maar ik ben jong, en ik kan niet gelooven, zooals hij," zoo mort Hannes.
"Mij geschiedt onrecht." De sterke tanden knarsen op elkander als hij er aan denkt, hoe Van Gulven gebruik maakt van den invloed, dien hem zijn geld, zijn kwaliteit als lid van den gemeenteraad en lid van het polderbestuur, dijkgraaf en wat niet al, geven op de andere boeren van het dorp.
Hem, den armen vreemdeling, moet het leven in het dorp onmogelijk worden gemaakt; hij moet worden uitgestooten, omdat hij de oogen dorst opheffen tot de dochter van boer Van Gulven.
Ha! als het niet om Martha was, dat hij het liet, dan zou hij dien trotschen rijkaard toonen waartoe Hannes Klinge in staat is, maar nu zijn hem de handen gebonden.
Een geweldige rukwind doet hem waggelen, en ontwakend uit zijn gepeins, richt hij den blik vooruit, tenminste voor zoover de duisternis en de jagende sneeuwvlokken het hem veroorloven.
Aan zijn linkerhand ligt de Davel, slechts aangeduid door het dorre riet en de bladerlooze struiken aan den oever. De strenge vorst heeft een ijskorst over het donkere water gelegd, maar hier en daar plekken als inktvlekken op een wit kleed groote wakken, want uit den diepen moerassiger bodem stijgen op sommige plaatsen gassen op, die het water beletten te bevriezen.
Aan zijn rechterhand strekken zich ver weg de witte, hoog met sneeuw bedekte velden uit, maar Hannes Klinge kan geen meter van zich afzien, zoo dicht dwarrelt de jachtsneeuw om hem heen.
Naar zijne berekening is hij nog bijna drie kwartier van de Schaapskooi verwijderd, en een machtig verlangen naar rust komt over den moeden zwerver, en steeds logger en moeilijker verplaatsen zich de strompelende voeten.
Daar verheft zich iets als een donkere massa in de witte schemering. Het is een groep wilgeboomen, die door den stormwind wild heen en weer worden geslingerd, en Hannes loopt er op toe om te onderzoeken of er achter de boomen niet een huis of schuur staat, want in dit noodweer en zoo vermoeid als hij is van een langen dagmarsch, wanhoopt hij er aan om tegen den wind in de Schaapskooi te bereiken.
Tusschen de oude stammen door ziet Hannes na eenig scharrelen en zoeken een rooden lichtschijn gloren, en vastberaden loopt de jonkman er op toe.
Hoe somber en spookachtig is deze plek; achter Hannes Klinge in het geboomte krassen uilen, en voor hem rijst een oud vervallen gebouw op, met scheefhangende vensterluiken en bedekt met verdorde wingerdranken.
De lichtschijn, dien Hannes ziet, straalt uit het scheeve venster, en hier staat hij betrekkelijk uit den wind. Maar nu hij stilstaat voelt hij de snerpende koude, en hij besluit om aan te kloppen, hoewel hij den bewoner van dit sombere huis niet kent. Luide tikt de forsche vuist van den Gelderschman op de gebarsten deur, en dan het hoofd naar voren buigend, luistert hij scherp toe.
Eerst hoort Hannes niets, maar dan volgt een dof gestommel, voorts een zware tred in de richting van de deur, en daarna een eigenaardig geluid, maar een geluid dat Hannes zeer goed kent. Het is het scherpe knik-knak van een geweer, waarvan men den haan spant.
Een ruwe, zware stem roept luid: "Wie daar! spreek op, wat moet je!" en die stem wordt begeleid door het brommen van een toornigen, hond. Dat is ook geen "welkom binnen" mort Hannes zacht voor zich heen, en luid roept hij voor de gesloten deur:
"Ik ben, op reis naar de Schaapskooi als ge die weet, maar ik ben doodvermoeid, en kan bijna niet verder; laat mij een half uur rusten, dan kan ik mijn weg wel weer vervolgen."
Hierop wordt een, grendel weggeschoven, de deur geopend en een korte, gedrongen gestalte met een zwaar jachtgeweer in de hand, staat voor Hannes Klinge, en naast hem een groote, grimmige wolfshond--gereed om hem op een wenk van zijn meester naar de keel te vliegen.
"Terug, Wolf," beveelt de man den hond, en het gevaarlijke dier gaat gehoorzaam een paar meters achteruit, maar houdt toch onafgebroken de oogen gevestigd op Hannes Klinge.
"Kom nader, vriend," vervolgt de man, "en trek de deur achter je dicht, want het spookt buiten geweldig."
Een groot houtvuur brandt onder de schouw en de hoog opflikkerende vlam verschaft met een brandende vetkaars, die op een flesch gestoken op de tafel staat, een allesbehalve heldere verlichting. Maar de oogen van Hannes Klinge zijn aan dergelijk licht gewoon.
Een zonderlinge man is het, die daar voor hem staat. Zwaar van bouw, met breede, maar door ouderdom gebogen schouders, en geweldig lange armen, lijkt hij wel wat op een beer.
Het groote hoofd op den korten breeden nek is nagenoeg geheel met haar begroeid, dat lang in den hals afhangt, en een ruige baard bedekt bijna het geheele gelaat, en laat slechts de diepliggende oogen vrij.
Wit, zilverwit zijn haar en baard, maar scherp en doordringend staren de donkere oogen den Gelderschman aan, terwijl de blanke geweerloop hem dreigend in de oogen glinstert.
Een oogenblik blijft de man Hannes aankijken; dan zet hij den haan van zijn geweer in de rust, en hangt het wapen aan een haak tegen de lage zolderbalken.
Zoodra de hond ziet, dat zijn meester het geweer weghangt, loopt hij naar een hoek van het vertrek, en strekt zich op zijn gemak bij den haard uit.
"Wolf heeft al gemerkt, dat je met geen kwade bedoeling komt," zegt de oude man tot Hannes en een ruw getimmerd houten bankje bij het vuur schuivend, noodigt hij dezen uit het zich gemakkelijk te maken.
"Erg fijne meubelen heb ik niet, merk je wel? Maar toch is het hier beter dan buiten. En zeg eens, van waar ben je gekomen, en wou je nu bij Olbert den eenarm overnachten?"