Het Uilennest

Part 14

Chapter 14326 wordsPublic domain

Ook Hannes Klinge was het gelukt het plekje grond, dat zijn eigendom was, te verkoopen, en wel aan Sijmen den ossenkooper, die het gebruiken wilde voor stieren-weide.

Eindelijk is het uur van scheiden daar. Heerlijk schoon is de Julimorgen, nu de wagen met koffers en reisbenoodigdheden voor de Schaapskooi gereed staat. Een lichte nevel hangt nog boven den Davel, en de leeuwerik, die opstijgt uit het roggeveld, jubelt zijn morgenlied; de schapen blaten in den stal, want zij verlangen naar de bloemige dreven daarbuiten en in de groote noteboomen kirren de woudduiven; alles, alles in de schoone schepping Gods baadt in zomerweelde en zonneglans. Maar scheiden doet wee en al bedwingt Hannes zijn aandoening, hij kan het niet helpen, dat zijn oog vochtig wordt, als hij Olbert voor het laatst de hand drukt. En Martha en Lize weerhouden hunne tranen niet, en als allen op den wagen geklommen zijn en hunne plaatsen hebben ingenomen, dan springt Gert er nog af, en drukt nog eenmaal den veteraan van Napoleon de magere hand. "Altijd, altijd zal ik aan u blijven denken, oom Olbert," zegt hij, maar zijn stem smoort in een snik. Dan wendt hij zich om, en springt als een vogel zoo vlug achter op den wagen. "God behoede u allen," roept Olbert hun nog na. "Vort," zegt Dirk tot zijn paard, en de wagen rolt den landweg uit en het is Hannes Klinge, alsof iedere plek hier langs den Davel hem een vaarwel toeroept. O, wat al herinneringen, nu hij met de zijnen de plek voorbijrijdt, waar eens het "Uilennest" stond!

De hut is verdwenen, de oude wilgen zijn uitgerooid, en het jonge gras ontkiemt op de plek, waar Hannes eenmaal aanklopte bij den ouden jager.

Maar de bijbel van Krijn Vermeeren gaat mee; die zal hem vergezellen naar de wildernissen van het verre Westen. Twee psalmversen heeft Hannes daarin met een potloodstreep gemerkt, en dat zijn de verzen vijf en zeven van den honderd-zestienden psalm.