Part 12
En Barend van Gulven, die in de getuigenbank zat, was ineengekrompen onder het bliksemend oog van Hannes Klinge.
"Ik heb mij overgegeven," zoo eindigt Hannes Klinge, "omdat ik een man neerschoot, die mijn vriend was. Hij heeft getoond mijn vriend te zijn, want hij trachtte mij over te halen het stroopen er aan te geven, omdat men mijn ondergang trachtte te bewerken.
Tot loon voor zijn vriendschap viel hij door mijn schot. En de straf, die gij mij oplegt, zal ik dragen--als ik kan; ik heb die verdiend."
Zoo sprak Hannes Klinge en een storm van verontwaardiging brak onder het publiek los jegens Van Gulven, en met kracht moest de talrijk aanwezige politie de orde in de zaal handhaven. De pleitrede van den advocaat was krachtig, doch maakte niet zooveel indruk als het eenvoudig doch kloek verhaal van den beschuldigde. En het einde van de zaak was, dat Hannes zich hoorde veroordeelen tot vijf jaren gevangenisstraf; een straf, die voor het ernstig misdrijf voorzeker niet te zwaar mocht genoemd worden.
"De straf, die gij mij oplegt, zal ik dragen--als ik kan," had Hannes gezegd, en deze woorden waren het, die Martha des nachts den slaap uit de oogen dreven. Wat had haar man bedoeld met dat: als ik kán?! O, zij wist maar al te goed, hoe hij de vrijheid lief had; hoe hij indertijd opging in het vrije jagersleven, en nu daarginds in Leeuwarden vijf jaren lang in een duffe cel opgesloten te zitten; zou hij in een oogenblik van wanhoop niet een eind maken aan het leven, dat hem niet langer draaglijk was?
Zou hij zich niet het hoofd verbrijzelen tegen den muur zijner cel? Dat woord: "ik zal het dragen als ik kan," vervolgde haar als een nachtmerrie, en toen ze Olbert deelgenoot maakte van haar zorg en haar vrees, toen bleek het haar, dat ook Olbert, die haar destijds naar de gerechtszaal had vergezeld, die woorden van Hannes had opgevat zooals zij, want hij had haar naar boven gewezen, en gezegd:
"Martha, wij kunnen slechts bidden, dat God hem beware en hem licht zende in de duisternis van zijn ziel. Neem een voorbeeld aan uw kleine Lize, Martha, want elken avond voor ze naar bed gaat, hoor ik haar zeggen in haar avondgebed: "Heere God, bewaar en behoed vader, die zoo ver weg is." Zie, dat is het eenige en ook het beste, dat we voor Hannes kunnen doen."
En de angst en de onrust lieten Martha geen vrede, totdat ze er toe kwam om in de eenzaamheid van den nacht haar handen te vouwen en God om hulp te smeeken voor den man, dien zij lief had. Toen keerde de kalmte terug in haar hart, en Martha koesterde weer hoop.
Reeds twee brieven had Martha hem geschreven, doch geen antwoord ontvangen. Eindelijk echter, het was reeds ver in het voorjaar, bracht de postbode van het dorp haar een brief.
Hoe klopte haar het harte, toen zij op de bank onder de groote noteboomen den omslag van den brief openscheurde.
Het was stil en vredig op dit plekje nu in den laten namiddag. Olbert en Gert waren met de schapen op het pad, ieder afzonderlijk met een kudde, want Olbert had er in den laatsten tijd vele jonge lammeren bij gekregen, en ook door aankoop zijn kudde uitgebreid. Nu weidde de zoon van Hannes de oude schapen op de verst afgelegen veldwegen en paden, en Olbert bleef met de lammeren en de moederschapen dichter bij huis. Maar eerst als de zon wegzonk achter de westerkim, keerden de herders met hun wollig vee vroolijk en welgemoed huiswaarts.
Lize bleef binnenshuis bij vrouw Sanne, en hielp de oude vrouw bij haar bezigheden, en Martha hoorde op de bank de heldere kinderstem daarbinnen praten en lachen. Overigens heerscht kalme rust en stille vrede op dezen schoonen lenteavond.
Wat zou de ongelukkige gevangene zijn vrouw en kinderen melden? Zou het een doffe klacht zijn over verloren vrijheid en levensgeluk? Zou het in zijn woorden doorschemeren, dat hij dat eenzame leven, het gevangenisleven, niet dragen kan?
Neen, reeds het eerste woord, dat Hannes schrijft, doet het hart van Martha trillen van blijde ontroering en als ze verder leest, dan verduisteren tranen haar oogen.
"Mijn goede Martha," zoo schrijft hij, "God zij gedankt, het ergste is voorbij. O, Martha, hoe zal ik u den toestand beschrijven en de wanhoop, waarin ik mij nog voor een paar dagen bevond. Als een gevangen wild dier in zijn hok liep ik uren aan uren heen en weer door mijn cel, om te trachten of ik niet door vermoeienis de kwellende gedachte aan mijn ellendig lot kon kwijt raken. Doch vruchteloos; nergens anders kon ik aan denken dan aan die vijf jaren, die ik hier moet doorbrengen. Ik, een man, die heel zijn leven doorbracht in de vrije natuur, ik moet hier tusschen deze muren verkwijnen, vijf jaren lang, met wroeging, berouw, wanhoop en haat in het hart. Donker en diep is de Davel, en zwart en peilloos de modder van het moeras, maar nog zwarter, dieper en troosteloozer lag de toekomst voor mijn verbeelding. De brieven, die gij mij schreeft, beurden mij wel een oogenblik op, maar uw liefde en trouw, de aanhankelijkheid mijner kinderen, de edele vriendschap van Olbert en zijn vrouw, dat alles deed mij nog levendiger beseffen, wat ik moest missen; mij nog smartelijker mijn verloren geluk betreuren, en ik wilde niet terugschrijven, want waarom zou ik u bezwaren met mijn ellende?
Toen kwam voor het eerst de vreeselijke verzoeking tot mij, de stem des duivels, die mij influisterde: maak er een eind aan; dit leven kunt ge immers toch niet dragen; vijf jaar lang tusschen deze sombere muren, waar iedere minuut zoo traag voortkruipt, dat het den rampzaligen gevangene een uur toeschijnt. Maak er een einde aan, het is voor uw vrouw en kinderen immers veel beter, als ge voorgoed van het wereldtooneel verdwijnt? Want wat zult ge beginnen als ge deze cel eens voorgoed verlaat, en als een tuchthuisboef terugkeert in de maatschappij?
O, Martha, vergeef het mij, en moge God het mij vergeven, maar de gedachte, dat ik om uwentwil zelfmoord moest plegen, won meer en meer veld in mijn verdoolde ziel.
Als ik er niet meer ben, dan zal Van Gulven al het mogelijke doen om zijn dochter, en om harentwil ook de kinderen, op "Zorgwijk" te krijgen, zoo dacht ik telkens, en als er dan eenige jaren over heen zijn gegaan, dan zal langzamerhand de gedachte aan Hannes Klinge verflauwen. De tijd heelt immers alle wonden?
Toen nam ik een kort besluit. Als de bewaarder zijn laatste ronde had gedaan, dan zou ik, arme dwaas, mij het hoofd tegen den muur te pletter loopen en zoo een einde maken aan een leven, dat ik in mijn overspannen zielstoestand niet langer wenschte voort te sleepen.
Nog een uur ongeveer moest ik wachten, voordat de gevangenbewaarder zijn ronde had afgelegd, en ik zette mij in doffe berusting op den rand mijner krib--die mij des nachts tot slaapplaats dient--in afwachting van zijn komst.
Boven in mijn cel bevindt zich een klein tralievenster, en als ik op mijn krib zit, dan kan ik juist een klein stukje van den hemel zien. Zoo zat ik dan te wachten, en in mijn brein vlogen de wildste en somberste gedachten in bonte verwarring dooreen, en zonder dat ik het zelf wist, bepaalde ten laatste al mijn denken zich tot één tijdstip in mijn leven. En al die verwarde gedachten en nevelachtige beelden kregen vorm en gestalte, en het was, als veranderde mijn cel in de oude woonkamer van 't "Uilennest".
Martha, was het wakend of was het droomend? Ik kan het niet zeggen; maar ik bevond mij weer in de jagershut; de ramen stonden open, en voortgedreven door de heerlijke lentelucht kwam een witte nachtvlinder naar binnen vliegen, en hij fladderde om het kaarslicht, dat op de tafel stond; want het was avond.
In zijn hoekje bij de schouw zat de oude Krijn Vermeeren en wees met z'n dikken, vereelten vinger naar den vlinder, die in de vlam der kaars den dood gevonden had, en met verbrande vlerkjes op de tafel lag.
En ik hoorde de stem van den ouden jager tot mij zeggen: "Zie Hannes, het lot van den vlinder is het beeld der zonde. Zooals het kaarslicht den vlinder lokt, zoo lokt de zonde den mensch."
En toen vertelde Krijn van zijn eigen lichtzinnige jeugd, en hoe hij met losbandige kameraden een lichtzinnig leven leidde. "Wij vroegen niets van het leven als genot," zoo sprak hij, "en dat zochten wij waar de zonde ons lokte, zooals het kaarslicht dien vlinder."
En o, Martha, de woorden, zoovele jaren geleden door Krijn Vermeeren tot mij gesproken, die woorden redden mij nu van het verderf, want ze klonken mij weer in de ooren, en ze drongen in mijn wanhopig hart.
"De goede God toonde mij in Zijne barmhartige liefde een ander licht,"--zoo sprak eens de oude jager--"toen alles duister was om mij heen. Dat licht straalde af van het kruis van Golgotha en het bescheen mijn levenspad, en geve God hierboven, dat ik er in mijn stervensuur het brekend oog op mag richten; dat het mij tot leidstar zij, als de schaduwen des doods mij omringen."
Toen riep een zware voetstap, die dreunend naderde, mij tot de werkelijkheid terug.
Het was de gevangenbewaarder, die de ronde deed. Verdwenen was het "Uilennest", verdwenen ook vader Krijn, maar zijn woorden bleven nawerken, in mijn hart.
Ik sloeg de oogen op naar mijn tralievenster, en zie, een star scheen helder en klaar door het venster in mijn cel; het licht, waarvan eens de oude jager tot mij sprak, gloorde in mijn ziel, en in plaats van, zooals ik eerst zoo vastbesloten was, mijn leven van mij af te werpen als een ondraaglijken last, knielde ik neer voor mijn krib, en ik heb God gesmeekt om genade en ontferming, om het bloed, dat ik vergoot; om de zonde, die ik heb bedreven, en om den haat, dien ik voedde in mijn hart. Martha! o, Martha! dank God voor mij, want nu kan ik alles dragen. De muren van mijn cel, zij benauwen mij niet meer; ik wil wachten en bidden, en al verlang ik naar u en mijn kinderen, ik verlang, God zij gedankt, met hope in het hart. De tijd gaat voorbij, en de jaren mijner gevangenschap zullen ook eens tot het verleden behooren. Ik weet, dat mijn kinderen aan den braven Olbert een trouwen gids zullen hebben, die hun den weg naar boven wijst, zooals hij mij steeds op het goede pad trachtte te brengen. Maar ik, onverstandige dwaas, volgde den weg, die mij ten slotte in het tuchthuis bracht.
Martha, ik eindig met schrijven, maar ik herhaal: Dank God voor mij, omdat Hij mij redde als een brandhout uit het vuur . . ."
Zoo schreef Hannes, en Martha vouwde de handen en wischte de tranen af, die langs haar wangen biggelden, tranen van dankbaarheid. De hemel scheen haar helderder toe, de glans der dalende zon tooverde schooner tinten op het ontluikende loover, en al was er weemoed in haar ziel bij de gedachte aan de lange scheiding van haar man, de bange vrees voor wat bijna werkelijkheid was geworden, de vrees dat Hannes de hand aan zijn leven zou slaan, was van haar weggenomen, en nu was er licht en zonneschijn in haar hart.
Hoe hartelijk namen Olbert en zijn vrouw deel aan de goede tijding, die uit zoo sombere plaats, als de gevangenis te Leeuwarden, tot hen gekomen was, en des avonds nam Olbert de schaapherder zijn bijbel, en met diepe ontroering luisterden Martha en hare kinderen naar de zware stem van den ouden veteraan, toen hij las van den Goeden Herder, die het verdwaalde schaap zocht op de bergen, en het in zijne armen huiswaarts droeg.
HOOFDSTUK XVII.
Jaar en dag verstreken en op de Schaapskooi had de onverbiddelijke dood een offer geëischt. Het was de goede vrouw Sanne, die na een kort ziekbed in vrede was heengegaan. En vader Olbert? Hij droeg den slag met de kalme berusting van den echten Christen, die bij alles wat hem treft van ganscher harte kan zeggen: Wat God doet, dat is welgedaan; het was zijn wil. Doch zijn haren waren zilverwit geworden, en zijn magere gestalte nog meer gebogen, want schier een menschenleven was zijne vrouw de trouwe gezellin geweest in zijne eenzaamheid.
Doch aan trouwe liefde ontbrak het den ouden man niet, want zoowel Martha als hare kinderen trachtten hem zooveel mogelijk het gemis van zijne vrouw te vergoeden, en het leven op de Schaapskooi ging in alles zijn gewonen gang.
Als zij er niet bepaald moesten zijn, kwamen de bewoners van de Schaapskooi zelden in het dorp; maar 's Zaterdagsmiddags ging Lize er altijd met haar korfje aan den arm heen, om wat er voor de volgende week noodig was, in te koopen.
Iedereen op het dorp kende het mooie, blonde kind, maar met niemand had ze omgang. Haar vader was immers de beruchte strooper uit 't "Uilennest", die voor poging tot moord in de gevangenis zat! En des avonds, als haar broeder haar af kwam halen, en zij te zamen over de dorpsstraat gingen, dan hoorden ze soms den een of anderen boerenknaap sarrend roepen:
"De uilen vliegen vandaag vroeg; het is nog helder dag!"
Maar niemand legde hun overigens ooit iets in den weg, want Gert Klinge was groot en sterk voor zijn leeftijd, en de menschen in het dorp zeiden: "Blijf dien jongen uit den weg, want hij heeft den duivel in zijn oogen, hij is net zooals zijn vader; neem je voor hem in acht, want hij is tot alles in staat."
Martha wist het wel, dat men haar kinderen vermeed in het dorp, en het deed haar pijn.
Zij had getracht, om reeds dadelijk na de gevangenneming van haar man het "Uilennest" te verkoopen, doch het was haar niet gelukt. Niemand begeerde de oude jagershut met het stukje grond, en storm en regen, sneeuwjacht en hagel, maakten het nederig huisje, waar ze toch eens zoo gelukkig was, spoedig tot een bouwval.
Op "Zorgwijk" was ook veel veranderd. De eens zoo trotsche en eerzuchtige Van Gulven was in zichzelven gekeerd en voor rijkdom en aanzien onverschillig geworden.
Toen over Hannes Klinge het vonnis was uitgesproken en Van Gulven, door de politie beschermd, weer thuis was gekomen, toen had hij een poging in het werk gesteld om Martha en haar kinderen bij zich te krijgen op "Zorgwijk".
Hij had Dirk, zijn vertrouwden knecht, naar de Schaapskooi gestuurd met een brief, doch Martha had dien in de bitterheid harer ziel ongelezen verscheurd. En tot Dirk had ze gezegd, terwijl ze hem de snippers voor de voeten wierp, dat ze liever ging bedelen om brood, dan ook maar het geringste aan te nemen van den man, die getoond had, den naam van vader onwaardig te zijn. Met deze boodschap was Dirk bij zijn meester teruggekomen, en toen hij, der waarheid getrouw, de harde woorden van Martha letterlijk overbracht, toen was een diepe zucht opgestegen uit de borst van den boer, en als in zichzelven sprekend hoorde Dirk hem mompelen: "Wat de mensch zaait, dat zal hij maaien." Terwijl de knecht zich omkeerde, om weer naar zijn werk te gaan, kwam Gerrit Dubbe fluitend het erf oploopen, met de houding van iemand, die geheel thuis is op de plaats waar hij zich bevindt.
"Blijf hier, Dirk," zegt Van Gulven, "blijf hier, want het kon wel eens misloopen tusschen Gerrit Dubbe en mij. De schurk moet van "Zorgwijk" af; hij heeft er lang genoeg de lucht bedorven."
Paars van drift rukt de boer de deur open en zich vlak voor Gerrit Dubbe plaatsend, buldert hij hem toe: "Heb ik je niet gezegd, dat ik niets meer met je te doen wilde hebben? Wat zoek je dan nog hier! Ellendige Judas, er is hier voor jou niets meer te doen. Ik, arme dwaas, heb mij door je valsche tong laten ompraten, en het eind van de zaak is, dat ik mijn kind, mijn eenige dochter, voorgoed verloren heb. Een trotsche, verwaande kerel was ik altijd, maar jij hebt een misdadiger van mij gemaakt. Voort, zeg ik je, de poort van "Zorgwijk" uit, en vertoon je nooit weer hier!"
Op zulk een luiden toon had de boer die woorden uitgebruld, dat een paar daglooners, die in de schuur aan het dorschen waren, met hun dorschvlegels in de hand naar buiten kwamen loopen, niet wetend wat er gaande was.
In het eerst stond Gerrit Dubbe verbluft, want op zulk een ontvangst had hij niet gerekend, maar daarna riep hij smadelijk:
"Wat! Is dat de dank, omdat ik u altijd terzijde heb gestaan? Gij noemt u zelven een dwaas en dat zijt ge ook. Nu alles gegaan is, zooals we het wenschten, nu krabbelt ge terug, en stelt u aan als een gek, gij . . ."
"Hierheen" mannen!" schreeuwt Van Gulven en wenkt de beide daglooners bij zich.
"Gooi hem de poort uit, Dirk en maak de honden los!"
"Niets liever dan dat, baas!" roept de knecht, en Dirk, die in lichaamskracht bijna tegen den rooden Gerrit is opgewassen, grijpt hem oogenblikkelijk in de borst.
De daglooners, jonge, krachtige kerels, pakken ook aan, en hoewel Dubbe woedend van zich afslaat, moet hij toch ras het onderspit delven, want met vereende krachten werpt men hem buiten de poort, die dreunend achter hem dicht geworpen wordt.
Na dien dag vertoonde Gerrit Dubbe zich niet meer op "Zorgwijk", maar zooveel te meer in den "Zwarten Arend". Govert Kemp rekende hem onder zijn beste klanten en deed al het mogelijke, om den ruwen, hatelijken kerel te vrind te houden.
Nu gebeurde het wel eens, dat deze of gene, die niet tot de vrienden van Gerrit behoorde, het gesprek op Van Gulven bracht, om zoodoende Dubbe tot toorn te prikkelen, waarbij men echter wel zorgde niet te ver te gaan, want Gerrit was op het dorp nog altijd een gevreesde kerel. Bij zulke gelegenheden vergat hij soms zijn gewone sluwheid, en liet hij zich wel eens ontvallen, dat hij het vandaag of morgen den boer van "Zorgwijk" wel betaald zou zetten, dat deze hem door zijn knechts van zijn erf had doen smijten.
De boeren lachten er om en beschouwden die bedreiging als gewone snoeverij. Maar toch, velen dachten er later anders over.
't Was in den nazomer; het hooi was in de schuren geborgen, en het koren was voor het grootste deel binnen. Den ganschen dag hadden de zwaarbeladen wagens af- en aangereden, en de sterke paarden, zoowel als daglooners en knechten van "Zorgwijk", waren, vermoeid door den zwaren arbeid, vroeg ter ruste gegaan.
Vooral Dirk had dezen dag hard gewerkt, want hij had eigenlijk het beheer over de hoeve, en het zij tot zijn eer gezegd, hij behartigde de zaken van zijn meester alsof het zijn eigene waren.
Van Gulven had van lieverlede alles aan hem overgelaten, en de man, die vroeger voor een der meest ervaren boeren uit de streek gold, liet nu alles aan vreemden over. Hij had er geen lust meer in; het was of zijn veerkracht verlamd was, zoo drukte hem het gevoel zijner schuld.
Geen arme echter werd ledig van zijn deur gezonden, en zijn volk betaalde hij beter dan eenige boer in den omtrek.
Bijna met niemand sprak hij meer, doch het liefst had hij Geertje om zich heen, die een paar jaar geleden met Dirk was getrouwd, en op het erf van "Zorgwijk" woonde in de aardige met wingerd begroeide woning rechts van de inrijpoort.
Hun huwelijk was tot dusver kinderloos, dus Geertje kon haar functie als huishoudster op "Zorgwijk" blijven vervullen, en ze deed dat, en verzorgde haar stillen, treurigen meester met al de trouw van haar vroom en liefderijk gemoed. Toen dezen avond de arbeid was afgeloopen, was Dirk nog even bij Van Gulven gekomen, om over het werk voor den volgenden dag te spreken, en toen hij en Geertje zich naar hun huisje begaven, bleef Van Gulven nog rooken. Ten slotte gaat ook de boer ter ruste en een paar uur later heerscht er zoowel in als om de hoeve een kalme, vredige rust.
Omstreeks middernacht doet de oude nachtwacht van het dorp zijne gewone ronde, en nauwelijks dreunen twaalf klokslagen van den toren, of zijn eentonige roep: "Twaalf heit de klok! de klok heit twaalf!" galmt door de dorpsstraat.
Nu is hij recht over het voetpad van "Zorgwijk", en eensklaps valt zijn oog op een rookwolkje, dat opstijgt boven het dak van een der groote schuren, die vastgebouwd is aan het woonhuis.
Een oogenblik nog blijft hij staan, en wrijft zich de oogen uit; maar als hij ziet, dat de rook toeneemt, en rossig gekleurd naar boven kringelt, dan stormt hij, zoo snel zijn stramme beenen het hem toelaten, het voetpad af, en tegen de ijzeren poort van de hoeve bonzend, schreeuwt hij met geweldige stem: "Brand! Brand!"
Doch de menschen slapen vast, en eerst als de groote waakhonden van "Zorgwijk" met woedend geblaf het geroep van Brand! Brand! beantwoorden, dan wordt Geertje wakker, en zich oprichtend in haar bed, denkt ze: wat gaan de honden toch aan!
"Brand! Brand!" klinkt het door den stillen nacht. "Dirk! Dirk!" roept Geertje en schudt haar man bij den schouder heen en: weer. "Er is brand, er uit!"
"Waar is er brand, waar zoo?" Dirk rijst slaapdronken overeind, doch nu dringt ook hem het brandgeroep van buiten in de ooren en dat maakt hem in eens klaar wakker.
Dadelijk staat hij op den vloer, en snel den grendel van de bovendeur schuivend, werpt hij die wijd open.
De geurige, frissche lucht van den zomernacht dringt naar binnen, maar Dirk let daar niet veel op, want wat hij ziet, doet hem een oogenblik van schrik verstijven.
Uit alle openingen en reten in de groote schuur perst de rook naar buiten en door de kleine raampjes schijnt de roode vuurgloed, en ziet men al reeds de flikkerende vlammen dansen.
"Geertje, Geertje, "Zorgwijk" staat in brand!" en vliegensvlug trekt Dirk zijn bombazijnen broek aan, steekt de bloote voeten in de klompen, en vliegt naar buiten. Als mokers bonzen zijn vuisten op de gesloten vensterluiken, waar hij weet, dat de slaapkamer van Van Gulven is.
"Brand! Baas, er uit!" schreeuwt Dirk, en zijn vuistslagen doen het raamkozijn dreunen. Op dit oogenblik barsten de vlammen met vreeslijk geweld uit het dak der schuur, en grijpen oogenblikkelijk 't woonhuis aan. "Ik kom, Dirk!" zoo roept Van Gulven en opent de deur.
In hemd en broek, evenals Dirk, komt de boer naar buiten en staart verbijsterd in den loeienden vuurpoel. Verstikkende hitte en een regen van vonken drijven Dirk en Van Gulven weg van voor het huis. Gelukkig konden de jonge knecht en de twee meiden door den stal ontvluchten, zoodat er zich geen menschenlevens meer in gevaar bevonden.
Nu opent Dirk de poort der hoeve, en tot dadelijke hulp bereid, dringt een aantal dorpelingen naar binnen, en met iedere minuut vermeerdert hun getal.
Akelig klinkt het klokgeklep door den omtrek, en alle wegen en paden, die naar het dorp leiden, zijn bedekt met halfgekleede menschen, en hier en daar jaagt een boerenzoon te paard in galop over den weg.
Heel het dorp is op de been; de burgemeester en veldwachter Durling praten druk met Van Gulven en vorschen naar de oorzaak van den brand. Maar de boer kon geen opheldering geven, en Dirk evenmin; doch de knecht kon toch niet nalaten, om ronduit als zijn meening te kennen te geven, dat hier misdaad in het spel is, want er is dat gedeelte van de schuur, waar de brand begonnen is, den ganschen dag niemand geweest.
Hierdoor vervalt het vermoeden van den burgemeester, dat soms een smeulende vonk uit een tabakspijp den brand veroorzaakt zou hebben. Doch het is nu geen tijd om vermoedens uit te spreken: men wil nog redden wat er te redden valt.
Twee keer hebben Van Gulven en Dirk een moedige poging gewaagd, om in de woonkamer van de hoeve door te dringen, want de boer heeft veel, zeer veel geldswaarde in het eikenhouten kabinet. Maar de geweldige rook en de ontzettende hitte drijven de beide mannen spoedig terug, en ze moeten hun pogingen opgeven.
Niets, letterlijk niets kan men redden als het huisje waarin Dirk en Geertje wonen, en de heerlijk rijzende dageraad beschijnt een tooneel van jammerlijke verwoesting. Van het trotsche, schoone "Zorgwijk" is niets meer over als de knechtswoning; het overige is een vlammende, rookende puinhoop.
Met starren blik en, bleek van vermoeienis staart Van Gulven in de verwarde massa, en als Geertje haar hand op zijn schouder legt en hem vraagt om mee te gaan in haar huisje, dan volgt de boer haar willoos als een kind.
Dirk is nog op het erf en blijft onvermoeid in de weer; en als Van Gulven met Geertje alleen in haar huisje is, dan legt de boer de armen op de witgeschuurde tafel, en in den stoel van Dirk neerzinkend buigt hij het hoofd op zijn armen en weent bittere tranen.
Ook Geertje snikt, en zij gevoelt diep medelijden met den man, die nu zoo door zijn droefheid en het gevoel van verlatenheid is overmand.