Part 11
O! hoe schuldig gevoelde zich de peinzende vrouw. Nooit had ze getracht haar man en kinderen op te wekken tot opzien naar boven, nooit hen gewezen op het kruis van Golgotha.
Het werd Martha bang om het hart. Ze denkt aan haar moeder, hoe die op haar sterfbed tot Geertje, de meid van "Zorgwijk", had gezegd: "Geertje, bid voor mijn Martha en ook voor vader."
"Zou ik ook voor vader kunnen bidden?" vraagt Martha zichzelve af, en zij denkt aan het leed, dat hij over haar en over haar gezin bracht en hoorbaar mompelt zij: "neen, dát kan ik niet."
De wind huilt door den schoorsteen en doet de vlam van de koperen tuitlamp op de tafel flikkeren; het wordt koud in de hut, maar toch gaat Martha niet naar bed.
Hier wil zij wachten op haar man; wachten totdat hij terugkeert van zijn laatsten strooptocht, want hij heeft gezegd, dat het voor het laatst was, en Martha zal hem aan zijn woord houden. Zij wil den angst van dezen nacht niet weer doorleven.
Overmorgen is het Zondag, en dan zal zij Hannes trachten over te halen om met haar en de kinderen naar de Schaapskooi te gaan, zooals ze het vroeger deden in betere dagen; en ze zal hem vragen voortaan iederen avond iets voor te lezen uit het oude boek van vader Krijn. ja, dat zal ik doen, denkt de arme Martha en eindelijk, als gaf deze gedachte haar rust, dommelt ze peinzensmoede in op haar stoel bij den uitgedoofden haard.
"Hoe lang ze zoo sluimerde, wist ze later niet meer, maar eensklaps vliegt ze overeind.
Duidelijk heeft ze twee elkander onmiddellijk opvolgende geweerschoten hooren knallen, en een radelooze angst maakt zich van haar meester. Het eene schot klonk kort en scherp, en het andere dreunde als een donderslag; dat tweede schot kwam uit de buks van Hannes, want Martha kende dat geluid maar al te goed, maar wie vuurde het eerste af?
Daar kwam Gert op zijn bloote voeten de ladder afsnellen. Bleek als een doode zag de knaap. "Moeder," riep hij, "moeder, vader vecht op den Davel! Ik heb uit het zolderraampje geluisterd en ik heb hooren roepen en schreeuwen. En vaders stem heb ik ook gehoord. "Nooit! nooit!" riep hij, en toen werd er tweemaal geschoten; ik heb de kruitvlammen over het water zien flikkeren!"
Martha werpt de deur uit den grendel, en snelt naar buiten, en Gert, zijn klompen aan de bloote voeten trekkend, volgt haar. Dwars door den moestuin snellend, loopen beiden naar den oever van den Davel, waar het zwarte water tegen den oever klotst.
Duidelijk hooren moeder en zoon het verwarde geschreeuw der politiemannen, en dan knallen weer drie karabijnschoten.
"O, God! Erbarming!" gilt Martha. "Gert, daarginds wordt je vader doodgeschoten. O, Heer, wees ons genadig," en de anders zoo kloeke vrouw zinkt op de knieën in het lange gras, door schrik en angst overmand.
Een oogenblik is het als zou ze haar bewustzijn verliezen, maar ze springt weer overeind en grijpt Gert bij den schouder. Want de knaap, die kan zwemmen als een eend, wil te water om zich zoo mogelijk bij zijn vader te voegen, en de ongelukkige vrouw heeft moeite genoeg om de jongen van zijn dolzinnig voornemen af te houden. Het geluid van riemslagen en verwarde mannenstemmen, nadert den oever, en eerst komt de eene boot het haventje binnen en daarna de andere.
Een straal van hoop dringt Martha door het hart. Mogelijk hebben de veldwachters Hannes overmand, en brengen, hem nu geboeid of gewond aan wal, maar even snel, als de hoop kwam, is ze ook weer verdwenen, want de man, die men voorzichtig aan wal draagt, is in uniform. Geen, woord kan ze uitbrengen, zoo heeft de schrik haar bevangen, maar Gert--anders zoo bedeesd tegenover vreemden--grijpt den brigadier bij de mouw en huilt: "Waar is vader? Waar is vader, o zeg toch waar mijn vader is!"
Er klinkt zulk een angst uit de stem van den knaap, dat de brigadier, die wel ruw, maar in den grond van zijn hart niet ongevoelig is, er door getroffen wordt.
"Als de man, die onzen makker neergeschoten heeft, je vader was, jongen, dan is het niet best met hem," is het ontwijkend antwoord van den brigadier, en Gert voelt een schok door zijn hart gaan, want op dit oogenblik wordt hem duidelijk, dat hij door zijn vraag zijn vader als het ware aan den politieman verraadt; hij zegt geen woord meer.
"Vrouw," zoo wendt de brigadier zich tot Martha, "wij hebben hier een zwaar gewonde, dien wij niet verder kunnen vervoeren, en nu willen we hem naar binnen dragen, in de hut, en hem voorzichtig op een paar dekens leggen. Hebt ge die voor ons?" Bevelend klonk zijn stem, en het antwoord wachtte hij niet af.
Van de roeiriemen heeft men een draagbaar gemaakt, en daarop ligt lang uitgestrekt het lichaam van den man, wiens borst den kogel opving, die voor Barend van Gulven was bestemd.
Helder valt het licht der maan op de doodsbleeke trekken, en een dof kreunen wringt zich uit de doorboorde borst.
Wat gaat er om in Martha's ziel, als zij den gewonde herkent? O, daar lag een man, die een uur geleden nog vol moed en levenskracht was, en nu op den rand van het graf zich bevindt. De man, die zoo trouwhartig en vriendschappelijk Hannes was komen waarschuwen en vermanen om toch het verboden pad niet langer te bewandelen. Nu lag hij daar neergeveld in zijn volle kracht als een eik door het bliksemvuur. Neergeveld door den kogel van haar Hannes, en Martha begint te gelooven, dat deze het misschien ontkomen is, en nu verscholen zit ergens in het moeras. En dan is haar Hannes een moordenaar. En wie maakte hem tot moordenaar?
De man, die daar het arme slachtoffer van zijn plicht mede naar binnen draagt, dezen, en dezen alleen beschouwt ze als den moordenaar, en den bewerker van al het leed, dat haar getroffen heeft; van al de ellende en van al den jammer, dien ze als een zwarte wolk op zich ziet aanstormen. Een verschrikkelijke gramschap tegen haar vader verdringt voor een oogenblik elk ander gevoel in het hart der ongelukkige vrouw.
Haastig opent ze de deur van de hut, en de dekens van haar bed op den grond spreidend, helpt ze wat ze helpen kan.
Als men den armen Durling heeft neergelegd, slaat Van Gulven--die tot dusver de oogen strak naar den grond heeft gericht--zijn blikken in het rond, en in zijn onrustig kloppend hart komt de gedachte op, hoe het toch mogelijk is, dat zijne Martha het rijke "Zorgwijk" kon prijs geven voor deze armoedige hut.
Het is of zijn dochter die gedachte leest op zijn bleek, ontsteld gelaat; en haar vlammende blik wijst hem de deur en hij gaat met gebogen hoofd. En Martha volgt hem op den voet.
Daar staan die beide menschen, elkander zoo na in het bloed, voor 't oude "Uilennest" tegenover elkander, en angst en toorn hebben zoodanig de overhand in de ziel der vrouw, dat er--hoewel haar lippen, bewegen, bijna geen geluid uit haar toegenepen keel komt.
Eindelijk kan ze spreken.
"Waar is Hannes?" zoo klinkt het op heeschen toon. "Waar is Hannes; gij weet het, zeg mij de waarheid, is hij ontkomen? Of--of--is . . ."
De stem begeeft haar weer, en de radelooze angst in haar zwarte oogen doet haar vader huiveren.
"Martha!" stamelt hij eindelijk, "dat het zoo erg zou afloopen had ik niet kunnen denken, maar Hannes is niet ontkomen. Hij schoot op mij en trof den veldwachter, en toen schoten de anderen hem overboord."
"Gij! Gij! Gij zijt zijn moordenaar! Weg van hier, ellendeling; gij hebt mijn man in den dood gedreven en ook het bloed van den veldwachter komt op uw hoofd. Weg! Weg!"
En Barend van Gulven ging weg. Als door duizend angsten gejaagd, zoo snelde de boer van "Zorgwijk" onder de wilgen door den landweg over, en toen dwars door de velden in tegenovergestelde richting van het "Uilennest" voort, zoo snel hem de beenen konden dragen.
Toen Gerrit Dubbe hem dezen morgen voorstelde mee deel te nemen aan de jacht op den strooper, had Van Gulven in het eerst geweigerd en gezegd, dat de heele geschiedenis hem geducht tegen de borst stuitte. Maar de valsche verleider wist wel hoe hij den rampzaligen man moest overhalen.
"Als wij vanavond met de veldwachters medegaan, dan kan het niet missen, of Hannes Klinge loopt in de val.
Ik heb alles reeds met den brigadier afgesproken, en als we hem snappen, gaat hij gewis achter de tralies. Men neemt hem zijn geweer af, en ook zijn boot wordt in beslag genomen. Dus als hij terugkeert is het jagen voorgoed voorbij, want geld om geweer of boot te koopen heeft hij niet. Dan moet hij wel opkrassen, en gij zijt van den kerel af, die uw ouden goeden naam te schande maakte."
Doch Van Gulven schudde het hoofd en zeide: "Denk je, dat Hannes, als hij niet ontkomen kan, zich zal overgeven? Neen, dan ken je hem niet, of je bent de geschiedenis van de herberg vergeten, waar Olbert de schaapherder je redde van zijn mes, en waar zijn honden je bijna verscheurden. Neen, hij zal vechten zeg ik je, en wee dengene, die dan tegenover hem staat."
"Juist," zegt de roode verleider, "juist, nu begrijpt ge het goed, en weet ge wat de uitslag zal zijn? Niet? Nu, luister dan eens goed. Ik ben van morgen bij den brigadier aan huis geweest en heb daar alles besproken; en hoewel de man norsch en onvriendelijk tegen mij was, heb ik hem toch tot mijn plan overgehaald. Ik heb hem ook goed onder het oog gebracht met welk een gevaarlijken klant we te doen hadden, maar daar lachte de oude vuurvreter om.
"Wat, gevaarlijk," bromde hij, "als de kerel durft dreigen, schieten we hem oogenblikkelijk een karabijnkogel door de ribben."
"Begrijpt ge me nu, Van Gulven? Hannes Klinge zal dreigen--en dan zal hij zijn verdiende loon krijgen, en nooit meer zal hij zijn honden op mij aanhitsen, of u in een volle herberg den mantel uitborstelen. En als alles voorbij is, dan krijgt gij uw Martha weer thuis, want waar moet zij anders met haar kinderen heen?
Dan zijt gij niet langer eenzaam en verlaten op "Zorgwijk", zooals nu, en als er een paar jaartjes overheen zijn gegaan dan zal zij, en iedereen hier in het dorp, Hannes Klinge vergeten hebben."
Zoo sprak de schurk, en de rampzalige vader ging, hoewel schoorvoetend en met heimelijker tegenzin, op het eerlooze voorstel in; zooals hij zich altijd door den man had laten ompraten, die al wat goed in hem was langzamerhand had vergiftigd.
En nu is het goddelooze plan ten uitvoer gebracht, en de door zijn wanhopige dochter van haar erf verjaagde vader overziet, terwijl hij door nacht en duisternis over de ongebaande velden vlucht, zijn schuld, zijn gansche zware schuld, en berouw en wroeging grijpen hem aan: die vreeselijke aanklagers van het ontwaakt geweten.
Hoe anders had alles kunnen zijn, als hij zijn Martha niet had verstooten en Hannes niet had gehaat, doch nu? "Te laat," jammerde de boer van "Zorgwijk", "te laat!"
Als Martha de hut weer binnengaat, dan hoort zij den brigadier tot Gerrit Dubbe zeggen:
"Gauw kerel, loop als de wind naar het dorp en breng zoo spoedig mogelijk den dokter hierheen!
Hebt ge paard en wagen? Ja? Nu, dan kunt ge met den dokter terugkomen, zoo hard het beest draven kan."
"Ik zal doen wat ik kan, brigadier," is het antwoord, en de roode Dubbe gaat Martha rakelings voorbij, de deur der hut uit en het is de vrouw als zag zij een triomfeerenden lach op zijn, terugstootend gelaat.
O, dezen verschrikkelijken nacht zal ze nimmer vergeten, en zij kan nog maar niet gelooven, dat het niet alles slechts een nare, bange droom is.
De walmende pit van de koperen tuitlamp verlicht met haar flikkerend schijnsel de jagershut; de uniformknoopen der politiemannen glimmen als goud, en de karabijnen, die in den hoek bij den haard zijn neergezet, blinken;--ook valt er nog een lichtstraal op het lijkbleeke gelaat van den neergeschoten man, die in zijn volle lengte ligt uitgestrekt op een paar dekens. Spreekt dat licht van leven, of zal de doodelijk gewonde het oog nooit weder opslaan? De brigadier met het verweerde gelaat en den grijzen knevel knipt met vaste hand de uniform op de gewonde borst open, en Martha deinst terug, als ze ziet hoe het donkere bloed in breede golf langs de borst naar beneden vloeit. Aan de rechterzijde vindt men het kleine ronde gat, dat door een der beide kogels--waarmede Hannes, behalve met den lichten hagel, zijn geweer had geladen--is veroorzaakt.
De brigadier en de beide veldwachters buigen zich over den kreunenden man heen, en de eerste zegt: "Het zal mij medevallen als de arme kerel de zon nog ziet opgaan; de rechterlong is doorboord, en wij kunnen niet anders doen dan het bloeden trachten te stelpen."
Gert staat dicht tegen zijn moeder aangedrongen en kijkt telkens om naar de deur; maar hij zegt geen woord meer.
Kleine Lize zit overeind in haar bedje aan den anderen kant der hut, en de onschuldige blauwe kinderoogen staren vol ontzetting van den een naar den ander.
Met groote handigheid verbindt de brigadier de wond met een in reepen gescheurd beddelaken, en nauwelijks is hij er mede gereed, of het kermen van den gewonde bedaart.
Daar gaat nauwelijks hoorbaar de deur open en bleek als een doode, met verwarde haren en druipnatte kleeren staat Hannes Klinge op den dorpel van het "Uilennest".
Martha ziet hem het eerst, want ze staat vlak bij de deur.
"Groote God! Hannes!" zoo gilt ze, "en men zei, dat je was doodgeschoten!"
"Vader! vader!" schreeuwt Gert, half zinneloos van vreugde. De geweldige ontroering was te zwaar voor Martha, en als Hannes Klinge zijn sterken arm niet om haar heen had geslagen, zou ze op den grond zijn neergevallen; haar oogen sluiten zich, en Hannes mompelt: "Zoo is het goed, arme, arme vrouw." Als door den bliksem getroffen, zoo staren de rijksveldwachters den strooper aan, doch de brigadier trekt met een ruk zijn sabel uit de scheede, en dringt naar voren.
"Laat je sabel maar rusten, brigadier," merkt Hannes op, "ik ben je gevangene; ik heb onschuldig bloed vergoten, en daarom geef ik mij over; anders . . ."
En zijne vrouw, die machteloos in zijn arm hangt, naar een stoel dragend, zegt hij op kalmen toon tot zijn zoon:
"Gert, houd moeder vast; en jij, brigadier, doe je plicht."
Hij steekt beide handen vooruit en de brigadier heeft er in een oogenblik het stalen kettinkje om geslagen.
Terwijl men hem boeit, heeft de strooper het oog niet van den zwaargewonde afgewend; maar geen trek op zijn marmerbleek gelaat verraadt wat daar omgaat in de ziel van den ongelukkigen man.
Kleine Lize is uit haar bedje gekomen, en bitterlijk weenend grijpt ze haar vaders geboeide handen in haar kleine handjes, en de angst van zijn lieveling verscheurt Hannes het hart.
Voetstappen worden voor de deur gehoord, en als deze open gaat, dan treedt de lange magere gestalte van Olbert den eenarm binnen. Hij heeft de geweerschoten hooren knallen op den Davel, en die hebben den ouden soldaat van Napoleon een droeve tijding gebracht.
Onmiddellijk begreep hij wat er gebeurde, en door storm en nacht is hij gekomen, de oude schaapherder, en op het marmeren gelaat van Hannes Klinge komt voor een oogenblik een mildere trek.
"Wie bent u?" vraagt de brigadier, "en wat wilt u?"
"Ik ben een schaapherder, en een vriend van deze arme lieden," zoo klinkt de diepe, eigenaardige stem van Olbert, en zich tot Hannes wendend, vraagt hij met bewogen hart:
"Is dat bloed door jou vergoten, Hannes Klinge?" En als deze zwijgend met het hoofd knikt, dan legt de schaapherder de magere, dorre hand op den schouder van den strooper en zegt:
"Het gedane wordt niet ongedaan, en mijn raad heb je verworpen; maar luister nu naar mij:
Het is toch Durling niet, naar wiens leven je hebt gestaan?"
"Neen!" barst Hannes los. "Neen! O, als ik er Abbe Durling het leven mede kon redden, met vreugde gaf ik mijn hartebloed; maar zoolang ik dit ellendig leven nog voort moet sleepen, zal het mij een raadsel blijven, hoe het kwam, dat ik Durling trof, terwijl ik op den schurk schoot, die mijn leven vergiftigde en die mij van avond in de klem dreef als de honden een otter."
"Het is God, die alle dingen bestuurt, en het was Zijn wil, dat je je vriend in plaats van je vijand neerschoot. Buig je voor zijn macht, belijd je schuld voor den aardsche rechter, maar bovenal voor den grooten Rechter, die daar boven lucht en wolken zetelt. Vraag Hem om vergiffenis, smeek Hem om erbarming, pleit op het bloed van Jezus Christus, ook voor u op Golgotha geplengd. Vertwijfel niet; geef de wanhoop geen plaats in je hart; ook voor den moordenaar aan het kruis was genade. Bid tot God, Hannes, en Hij zal je niet verstooten."
"Ik kan niet bidden!" roept Hannes, "waarom heeft men mij ook tot het uiterste gebracht? Nu is het te laat; ik heb broederbloed vergoten!" Als een kreet van wanhoop klinkt het door de hut:
"Ik ga nu naar de gevangenis, en wie zal er zorgen voor mijn vrouw en kinderen, die mij liever waren dan het leven? Waarom, o waarom hebben de kogels mij gespaard; het ware voor de mijnen beter geweest, als ik nu op den bodem van den Davel lag bij mijn honden."
"Zwijg, Hannes!" zoo klinkt de stem van Olbert. "Zwijg, en laster niet. Ik zal voor je vrouw en kinderen zorgen, en met Gods hulp zal het hun aan niets ontbreken."
Daar ratelen wagenwielen op den landweg en een oogenblik later treedt een dokter binnen met een assistent, die een verbandkist draagt, en terwijl de geneesheer bij den gewonde neerknielt, zegt de brigadier: "Dokter, ik zal een mijner mannen hier laten, die kan u dan zoo noodig behulpzaam zijn, want ik moet vertrekken met mijn arrestant."
Martha is den aanval van flauwte weer te boven en het is de moedige, kloeke boerendochter alsof, ondanks alles, het ergste is geleden, nu Hannes maar leeft!
Daar straks, toen zij niet anders kon denken of haar man lag, door kogels doorboord, dood in de modder van den Davel, toen maakte de wanhoop haar half zinneloos en zijn plotselinge terugkeer was zelfs haar sterke zenuwen te machtig; maar nu is ze kalm.
Ze ziet den brigadier en den jongste der beide veldwachters zich gereedmaken voor hun vertrek. Ze zetten hun petten op en hangen hun karabijnen over den schouder.
"Kom!" zegt de brigadier tot Hannes, "ben je gereed?" En de arme kerel, die de oogen niet afwendt van den gewonde, keert zijn doodsbleek gelaat naar zijn vrouw; hij wil iets zeggen, maar hoewel zijn lippen zich bewegen, geen geluid wordt gehoord.
"Ach brigadier," smeekte Martha, "wees menschelijk en laat hem, voor gij met hem weggaat, toch droge kleeren aantrekken. Zie, hoe het water langs zijn lichaam druipt!"
De oude, en oogenschijnlijk hardvochtige politieman antwoordt op ruwen toon: "Het is niet erg voorzichtig een zoo gevaarlijken kerel als hij is, de boeien los te maken." Maar na een korte aarzeling herneemt hij: "Ik wil het doen, vrouw, om uwentwil; maar denk er om," klinkt het dreigend tot Hannes, "bij het minste teeken van verzet schieten wij je overhoop. Vannacht hebben we misgeschoten, maar thans zou zwemmen en duiken je niet redden."
"Kom dan, Hannes," zegt Martha, en ze loopt de ladder op naar den zolder, waar in een kast de beste kleeren van de familie hangen. Willoos volgt Hannes haar, en achter hem komt de brigadier met overgehaalden haan van zijn karabijn en den vinger aan den trekker, gereed om onmiddellijk te kunnen vuren. De andere veldwachter blijft onder aan de ladder staan, en houdt ook de karabijn vaardig.
Het duurt maar kort, en dan heeft Hannes droge plunje aan het lijf, en als Martha hem in zijn sober Zondagsch pakje tusschen de politiemannen in ziet staan, en hij gewillig de forsche handen uitsteekt om zich te laten boeien, o, dan eerst gevoelt zij, hoe dat ongelukkig schot zijn veerkracht heeft verlamd, en zijn anders zoo ontembaren moed heeft geknakt.
Daar kermt de gewonde weer luider, want de dokter heeft het verband losgemaakt en onderzoekt de wonde.
Voor het eerst sinds men hem in het "Uilennest" binnendroeg slaat hij de oogen op; maar het is een wilde, onbestemde blik, en de oogleden vallen weer dicht.
"Zal hij sterven, dokter? Ach, zeg het mij toch!" roept Hannes, maar de dokter antwoordt niet, en de brigadier legt zijn zware hand op den schouder van den geboeide, en kort klinkt zijn bevel: "Voorwaarts, niet langer talmen."
Weenend klemmen zijn beide kinderen zich aan Hannes vast, en de kleine Lize grijpt den brigadier bij de jas.
"Ach, mijnheer," smeekt het kind, "laat vader toch bij ons blijven; hij zal nooit meer schieten op den Davel, hij heeft het zelf tot moeder gezegd! Iederen avond zal ik voor u tot God bidden, maar neem dan vader niet mee!" Het is een moeilijk oogenblik voor den braven politieman, en twee groote tranen rollen in den grijzen knevel.
Maar Klinge roept met schorre stem: "Martha! Olbert! zorgt voor mijn kinderen, want ze hebben geen vader meer. Vaarwel! God sta u bij." Dan stapt hij zonder om te zien den dorpel over, maar nog hoort hij boven het schreien van zijn vrouw en kinderen de krachtige stem van den ouden veteraan: "Hannes! Bid tot God; bij Hem is erbarming." Doch al hoort hij de woorden, in zijn door bittere wanhoop verscheurd hart wekken ze geen hoop, en onder het voortstappen op den landweg hoort de brigadier zijn gevangene mompelen: "Ze hebben geen vader meer."
De wind is bedaard en de lucht is helder geworden. In de verte gaggelen de ganzen in het moeras; de maan zinkt achter de westerkim, maar ginds in het Oosten daar gloort een lichtglans, de eerste schemering van den komenden dag. Doch in het hart van Hannes Klinge daar is alle licht geweken; daar is het nacht, donkere nacht, waarin geen star der hope schijnt.
HOOFDSTUK XVI.
Weken zijn verloopen en nog steeds dobbert Abbe Durling tusschen leven en dood; doch eindelijk behaalt zijn sterk gestel en een zorgvuldige verpleging de overwinning op de zware verwonding, en als de koortsen verminderen en het bewustzijn weer helder wordt, is zijn eerste vraag geweest naar Hannes Klinge, zijn ouden makker.
En toen zijn bejaarde moeder, die hem verpleegde, antwoordde, dat de strooper in de gevangenis zat, mompelde hij: "Arme, arme kerel, moest dat het einde zijn?"
Op de stille Schaapskooi van Olbert den eenarm is het echter vrij wat levendiger geworden sinds Martha met Gert en Lize er hun intrek hebben genomen.
Reeds den eersten dag na dien vreeselijken nacht hebben Olbert en Gert, nadat de gewonde was vervoerd, alles wat waarde had en meegenomen kon worden, uit het "Uilennest" overgebracht naar de Schaapskooi en nu lag de hut eenzaam en verlaten aan den oever van den Davel. De menschen uit het dorp gingen er des avonds nooit zonder een huivering voorbij, want de plek stond bij het landvolk in een kwaden reuk.
Olbert en zijn goede Sanne toonden, wat echt Christelijke liefde vermag, en de heftige bitterheid in het gemoed van Martha maakte langzamerhand plaats voor stille berusting in haar lot.
Gert was Olbert behulpzaam in alles waar hij maar kon, en daar de dertienjarige knaap voor zijn leeftijd zeldzaam vlug en sterk was, maakte hij zich spoedig voor den ouden schaapherder onmisbaar. Lize was de lieveling van allen, en vrouw Sanne, wie de last der jaren begon te drukken, verklaarde, dat ze niet zou weten, hoe ze het zonder Martha en Lize zou moeten stellen, en dat ze het ongeluk, dat den vroegeren bewoners van het "Uilennest" getroffen had, hoofdzakelijk betreurde om den wille van Hannes. "Arm Hanneske", voegde de oude vrouw er aan toe, want zoo noemde ze Klinge altijd.
Wel mocht ze zeggen: arm Hanneske.
Lang was hij in voorarrest geweest, en het was voor Martha een kwade dag, toen eindelijk zijn zaak voor de rechtbank kwam.
Ze was bij het getuigenverhoor tegenwoordig geweest en den blik, waarmede Hannes haar aanzag, zou ze nooit vergeten; het was de blik van een wanhopig mensch, en de starre uitdrukking van zijn bleek gelaat toonde wel aan, wat het voor hem beteekende, om van zijne vrijheid beroofd te zijn.
Zonder eenige aarzeling bekende hij de door hem gepleegde daad, en met aangrijpende welsprekendheid vertelde hij wat en wie er de drijfveer van was, en ten slotte verklaarde hij met een door de volle gerechtszaal helder klinkende stem, dat hij zijn buks had afgevuurd met de bedoeling hèm te dooden, die zijn verderf gezocht had zooveel hij maar kon.