Part 10
Uit de verte klinken klokketonen door den stillen omtrek, en de strooper luistert er naar totdat de laatste klanken zijn weggestorven in de verte, en het is hem als spreken die sabbatstonen woorden tot hem van waarschuwing en van zacht verwijt. "Kom dan! Kom dan! Zoo schijnt de kerkklok te roepen," mompelt Hannes, en hij denkt aan den tijd, toen hij nog bij Krijn Vermeeren was.
Dan ging hij des Zondagsmorgens wel ter kerke, want dan was Martha van Gulven er ook, en daar kon de boer van "Zorgwijk" hem niet weren.
En als hij dan weer terug was in het "Uilennest", dan moest de oude jager weten welken tekst de dominee behandeld had, en Hannes moest hem dan het hoofdstuk, waarin die tekst stond, voorlezen, en een der psalmen zingen die men dien morgen in de kerk gezongen had.
Maar Krijn was dáárheen gegaan, van waar niemand wederkeert, en Hannes had langzamerhand het kerkgaan verzuimd, en nu had hij er sinds jaren geen voet meer over den dorpel gezet.
"Waarom ook," mompelt hij bitter; "een strooper zooals ik moet zich niet vertoonen, waar zooveel goede menschen bijeen zijn."
En toch, dat klokgelui op dezen schoonen morgen doet een snaar trillen in zijn hart, en wekt een gevoel op, alsof hij moest breken met zijn tegenwoordig bestaan, en een ander, een nieuw leven beginnen. "Kon ik maar weg," mompelt hij, ver weg, naar Amerika.
Daar moeten nog eindelooze bosschen zijn, waarin het wemelt van wild. Daar zou ik heen willen, daar was ik mogelijk vrij.
En Martha zou mij met vreugde volgen, dat weet ik zeker. Maar ik heb geen geld voor den overtocht, al verkocht ik het "Uilennest". Want nu het jacht- en vischrecht in handen van Van Gulven is, heeft dit armelijke boeltje geen waarde meer."
Dus peinzend en tobbend is hij zoo in gedachten verzonken, dat hij den lichten tred van zijn Lieske niet hoort op het mollige gras, en niets van haar aanwezigheid bemerkt, voordat ze haar handje op zijn breeden schouder legt.
"Vader, ach, waarom bent u toch zoo boos? Kom binnen, moeder heeft de boterhammen klaar; maar moeder is zoo stil, en Gert wil niet met mij spelen. Vader," vervolgt het kind, "houdt u niet veel meer van Lieske en van moeder en Gert? U kijkt nooit meer naar mijn bloemen in mijn tuintje, en u wilt ook nooit meer voor mij zingen; houdt u niet meer van ons?"
Het kind is bij hem neergeknield, en als hij haar bevende lipjes ziet en de tranen in de onschuldige blauwe oogjes ziet parelen, dan gevoelt Hannes Klinge, dat het leven, dat hij thans leidt, hem waarschijnlijk op wroeging en berouw zal komen te staan.
Doch de klacht van zijn kind, dat hij lief heeft als het licht zijner oogen, snijdt hem door de ziel, en opspringend neemt hij haar in zijn armen.
"Neen, neen, Lieske, vader is niet boos; maar zingen kan ik nu niet; doch zing jij eens een liedje voor mij, dan gaan we als het uit is naar binnen om onze boterhammen te eten."
Kinderleed is als een zomerwolkje, dat ras verdwijnt en Lieske droogt haar tranen af en zegt: "Weet u wat ik zingen zal, vader: ik zal het schoone lied zingen, dat Olbert de schaapherder mij heeft geleerd," en met een stem als een zilveren klokje zoo helder en zuiver heft het kind aan:
"Heer, ai maak mij Uwe wegen Door Uw woord en geest bekend; Leer mij hoe die zijn gelegen, En waarheen G' Uw treden wendt. Leid mij in Uw waarheid, leer IJvrig mij Uw wet betrachten, Want Gij zijt mijn heil, o Heer, 'k Blijf U al den dag verwachten."
"Je hebt het mooi gezongen, Lieske," zegt Hannes, als het kind hem vraagt of hij het niet een mooi lied vindt, maar er is hem een brok in de keel geschoten en hij kan zelf niet begrijpen, waarom hij vandaag zoo weekhartig is.
Met het meisje op den arm gaat hij naar binnen, maar voor hij Lize neerzet heeft hij haar beloofd, dat ze van middag, als moeder wil, naar de Schaapskooi zullen gaan met het schuitje.
Maar moeder gaf er geen antwoord op, en bleef zwijgend en norsch, en dat verbitterde Hannes weer. Zoo verliep de schoone Sabbatdag voor de bewoners van het Uilennest somber en treurig, want waar twist en tweedracht woont, daar wijkt het huiselijk geluk.
HOOFDSTUK XV.
De zomer ging voorbij en de herfst heeft alreeds met zijn stormvlagen het dorrende loof der elzenstruiken in het zwarte water van den Davel gejaagd.
't Is nog betrekkelijk vroeg in den avond, doch reeds valt de schemering snel, want de lucht is donker en bewolkt. Voor de deur van zijne hut staat Hannes Klinge en neemt opmerkzaam en met kennersblik de lucht waar, en het schijnt, dat het onderzoek hem nogal bevredigt, want hij mompelt binnensmonds: "De wind loopt breed; hij is bijna door het noordwesten heen, en het zou mij geweldig tegenvallen" als de maan het niet opklaart, en dan wordt het een bij uitstek gunstige nacht."
Nog een wijle blijft de strooper staan en de felle, steeds krachtiger wordende wind, die de wolkgevaarten vaneen scheurt en langs het zwerk doet jagen, schijnt hem niet te hinderen, maar als men binnen de lamp opsteekt en de lichtschijn door de ruitjes naar buiten valt, dan draait Hannes zich om, sluit de groene blinden en gaat in huis.
Het is gezellig en warm in de hut. Onder de schouw branden de wilgetronken met lustig knetterende vlam, en Tromp en Turk, de jachthonden van Hannes, liggen er knipoogend en dommelend naar te kijken. Moeder snijdt de dikke boterhammen, en Lize legt de breikous, waaraan ze heeft zitten werken, op het kleine kastje in den hoek, waar eenmaal de groote kist van Krijn Vermeeren stond.
Gert was bezig geweest van een oude laars riempjes te snijden voor zijn schaatsen, want hij hoopte op een vroeg invallenden winter, ten einde schaatsen te kunnen rijden op den Davel; daarom maakte hij al vast zijn spulletjes in orde.
Terwijl in de hut de maaltijd gebruikt wordt, is de wind nog in kracht toegenomen.
"Hu," zegt de tienjarige Lize, "hoor den wind eens huilen in den schoorsteen; en wat schreeuwen de uilen weer akelig in de boomen."
Het kind huivert en drukt zich dichter tegen haar vader aan, die in gedachten verzonken naast haar zit; maar Gerard huivert niet; hij vindt dat krassen der uilen en het huilen van den wind wel prettig, en zijn vader met zijn zwarte fonkelende oogen strak aanstarend, vraagt hij op gedempten toon: "Vader, neem mij vanavond meê!"
Maar de jongen schrikt terug voor den oogopslag van den man en het klinkt op harden toon:
"Vraag mij dat nooit meer, Gert, verstaat ge! Vraag dat nooit meer,"--doch op vriendelijken toon laat Hannes er op volgen:
"Gert, je moet maar vlijtig manden maken en ook het klompenmaker zal ik je leeren. Verder stoelenmatten en stroo vlechten, dan kun je, als mij eens iets overkwam, voor moeder werken."
Treurig schudde de knaap het hoofd, en met de oogen gericht op het lange geweer van zijn vader, bromt hij binnensmonds: "Jager wil ik worden en visscher op den Davel."
Hannes slaat geen acht op het gemompel van Gerard, maar Martha heeft het wel gehoord en het gaat haar als een mes door de ziel.
"Als mij eens iets overkwam," had Hannes gezegd, en Martha gevoelde, dat bange vrees haar hart bekroop.
Ze wist wel, dat het al eenige keeren op het kantje af geweest was, of de politie had de hand op haar man gelegd, en haar hart beefde bij de gedachte, indien er iets dergelijks moest plaats vinden. Want ze kende Hannes veel te goed, om niet te weten, dat hij zich in dat geval met kracht zou verzetten, en wat zou dan het einde zijn?
En dan haar jongen? Ach, zijn hart was bij zijn vader. Hij wist wel waar deze 's nachts op uitging, en als moeder en zusje reeds lang waren ingeslapen, dan luisterde Gert, terwijl hij uit het geopende dakvenstertje tuurde; en niet eer ging de jongen slapen voordat hij in de verte het schot van zijn vader had hooren dreunen.
De avond vloog om, want Hannes hielp Gert aan zijn schaatsen, en kleine Lize--het zonnetje in het "Uilennest"--breide, keuvelde en zong, en was zoo vroolijk en levenslustig als een jong vogeltje. Eindelijk zijn de schaatsen klaar, en Gert is den koning te rijk; al wel driemaal heeft hij gevraagd: "Vader, zou het gaan vriezen? Ik heb al koppels wilde ganzen zien vliegen, en ze vlogen in een v; dat beteekent vorst, nietwaar vader?"
"Ja zeker," zegt Hannes, "dat kan wel zijn; en ik geloof wel dat er vorst in de lucht zit, Gert. Maar het wordt al laat, moeder! Zoudt ge de pap niet opscheppen?"
Martha rijst op van haar stoel; zwijgend zet ze de borden op tafel, en schept het avondeten op.
De wind loeit nog om de hut, en Hannes gaat naar buiten, om de lucht nog eens waar te nemen. "De maan is op," zegt hij, als hij weer binnenkomt, "en de wind is al door het noordwesten heen."
"Dan gaat het zeker vriezen, vader," zegt Gert, en zijn donkere oogen glinsteren van pret.
Een oogenblik later rinkelen, de tinnen lepels tegen de steenen borden, en als het avondmaal afgeloopen is gaan Gert en Lize naar bed.
"Nacht vader, nacht moeder," zegt Gert, en vlug als de eekhoorn wipt hij de steile ladder op, die naar den zolder voert, waar hij zijn slaapplaats heeft. Lize is gewoon, reeds van haar vroegste kinderjaren af, als ze gaat slapen, vader en moeder een kus te geven en die gewoonte heeft ze altijd volgehouden. Eerst gaat ze naar haar moeder, en dan trippelt zij op de bloote voetjes naar Hannes, en als het kind haar vader goeden nacht kust, dan drukt hij haar aan zijn borst, alsof hij haar voor langen tijd moest verlaten.
Nu de kinderen slapen, wordt het stil in de hut. Hannes neemt het zware geweer van den haak, krijgt kruithoorn en hageltasch, en, na het slot van de buks zorgvuldig te hebben onderzocht, begint hij het vuurwapen te laden.
De ijzeren laadstok rammelt in den loop, als Hannes de kruitlading met een papieren prop vaststampt, en de bij het haardvuur dommelende honden worden er wakker van.
De strooper neemt vervolgens wat fijnen hagel uit zijn tasch, maar eer hij dien in den geweerloop laat glijden, mompelt hij bij zichzelven:
"Er zijn ganzen op den Davel; laat ik er een paar loopers bij doen," en twee looden kogels voor den dag halend, voegt hij die bij den hagel en nu gaan ze gezamenlijk den loop in, daar weer een papierprop bovenop, versch kruit op de pan, en het oude geweer van Krijn Vermeeren is gereed,--voor het laatste schot!
Zwijgend had Martha hare bezigheden verricht, en zij huivert, als de windvlagen door de oude wilgen voor de hut huilen.
"Hannes!" zegt ze, en haar stem klinkt zachter dan gewoonlijk, "Hannes, ach, ga dezen nacht niet stroopen; blijf vannacht thuis; hoor de wind eens razen buiten. Wat moet ik beginnen met mijn twee kinderen, als je eens een ongeluk overkwam; geloof mij, het loopt mis. Olbert den eenarm zegt het en ook Durling de veldwachter heeft het je gezegd. Blijf thuis, Hannes; en ga rustig slapen, wil je?"
Maar Hannes Klinge wilde niet; hij had het er op gezet, en hij dreef zijn wil door.
"Dezen avond nog, moeder, en dan is het uit; ik word dit leven moede, maar dezen avond ga ik er nog op uit. Er zijn ganzen op den Davel en ik zou mij hard vergissen, als ik er met zulk een gunstige gelegenheid geen onder schot kreeg. Kom Martha, wees niet bang en ga rustig slapen; even na middernacht ben ik weer terug."
Martha zweeg en zuchtte. Wat zou ze trouwens ook nog zeggen? Ze wist veel te goed, dat Hannes van zijn voornemen niet was af te brengen, vooral niet, nu hij ganzen had gezien.
Hij trekt de lange laarzen aan, hangt kruithoorn en hageltasch aan zijn riem, grijpt de buks en stapt naar buiten, op den voet gevolgd door zijn honden. Aan den oever van den, Davel blijft hij stilstaan. De wind stoot met korte vlagen, en de wolken jagen langs het zwerk als krijgers die ten aanval spoeden.
De maan is op, en als de wolken haar niet bedekken, straalt het witte licht op het zwarte water van het meer en het dorrende riet aan den oever. Nu schiet de kleine boot met den strooper en zijn honden onhoorbaar over het water, en zorgvuldig stuurt Hannes zijn vaartuigje zoo kort mogelijk langs het riet, zoodat hij in de schaduw daarvan volkomen onopgemerkt blijft.
Na eenigen tijd de oeverlijn te hebben gevolgd, laat Hannes een poosje de riemen rusten; de maan is voor een oogenblik achter de wolken vandaan en bij haar licht staren de valkenoogen van den strooper naar den anderen oever, waar dichte elzenstruiken en riet, biezen en waterplanten het grondeloos diepe moeras bedekken. Dat punt was het doel, maar eer hij overstak, wilde hij de omgeving verkennen, en, als dan weer een wolk de maan bedekte, dadelijk naar den overkant roeien, om zoo min mogelijk in het licht te komen. Want hoe het kwam, weet hij niet, maar een onverklaarbaar gevoel waarschuwt hem, dat er gevaar dreigt. Een reiger snelt met zwaren wiekslag over hem heen, en den ervaren jager vliegt de gedachte door het hoofd:
Dat is onraad, want een reiger vliegt maar zelden op in den nacht als hij niet gestoord wordt; en de gedachte bekruipt hem of hij niet terug zal keeren naar het "Uilennest", naar vrouw en kinderen.
Daar gaggelen de ganzen in de verte, en Hannes mompelt: Niet bang zijn; die reiger kan door een otter zijn opgejaagd, en platzak terugkeeren; deed ik nog nimmer--dus voorwaarts.
En voorwaarts gaat het in het pikdonker, want een donkere wolk bedekt de maan.
De wind loeit en het water golft en klotst, want Hannes heeft den beschermenden rietzoom achter zich, en in het midden van den Davel oefent de wind zijn volle kracht uit.
Nu vaart de strooper onder de takken der elzenstruiken door en de vreemde, scherpe geuren, die opstijgen uit het moeras, omgeven hem; de geluiden van den nacht, aan Hannes zoo goed bekend, klinken om hem heen.
Watervogels, die onder de afhangende takken met den kop onder de vlerken zitten te slapen, schrikken op, en kwakend en krijschend scheren zij zich laag over het water weg, of duiken onder.
Een groote nachtuil fladdert gillend uit de elzentakken, maar dat alles verschrikt Hannes niet, doch iets anders jaagt den strooper het bloed sneller door de aderen en doet hem aarzelend de riemen intrekken, en onwillekeurig grijpt zijn hand naar de buks.
"Ha, ha," sist hij tusschen de tanden, "het is weer om Hannes te doen, maar ze hebben hem nog niet." Zijn honden beginnen te brommen, zij ruiken onraad, en het bijna onmerkbaar geluid, dat den strooper verdacht voorgekomen is, herhaalt zich.
Het is het zachte kabbelen van het water tegen de planken eener boot, en dat Hannes zich niet vergist heeft, blijkt onmiddellijk, want een donderende stem kommandeert: "Je riemen in, en geef je over; in naam der wet! Als je je verzet, schieten we je over boord."
Een groote boot schiet van onder de overhangende elzentakken te voorschijn en in het maanlicht blinken blanke karabijnloopen.
Drie mannen in uniform bevinden zich in de boot; twee er van zitten aan de riemen en de derde staat voorin met de karabijn in den aanslag.
De eerste gedachte van Hannes Klinge is: met een paar riemslagen naar het moeras roeien en overboord springen met het geweer in de vuist, en zoo trachten om, door het griendhout gedekt, in veiligheid te komen.
Doch het is hem onmogelijk aan dit plan gevolg te geven, want de snel naderende boot der politiemannen snijdt hem den uitweg af.
Maar geen, enkel oogenblik komt de gedachte in Hannes op zich over te geven, en de sterke tanden knarsend op elkander klemmend, doet hij zijn kleine boot als een tol ronddraaien, om haar daarna met al de kracht zijner stalen spieren in de richting van het "Uilennest" voort te drijven.
Een vreeselijke wedren volgt.
Roepend en dreigend, dat hij zal schieten, beveelt de brigadier, die voor in de politieboot staat, om oogenblikkelijk te stoppen, maar de Gelderschman stoort er zich niet aan, wel wetend dat er niet op hem geschoten zal worden als hij geen verzet pleegt.
Pijlsnel vliegt de kleine boot over het zwarte, woelige water; de wind brult als een hongerig roofdier, en vlokken schuim spatten, in het gelaat van den strooper.
Maar ook de politiemannen spannen alle krachten in, doch gaandeweg wordt de afstand tusschen de beide booten grooter, en Hannes begint weer ruimer te ademen, want hij is nu vlak bij het "Uilennest", en indien het hem gelukt dwars over te steken, en den beschermenden rietzoom van den linkeroever te bereiken, dan is hij gered.
Daar is de bodem niet moerassig en hij zal niet aarzelen om buiten boord te springen als hij zijn boot zoo ver mogelijk in het riet geroeid heeft.
De duisternis begunstigt zijn vlucht, want eer de beambten in de politieboot zijn toeleg doorzien, heeft Klinge den donkeren rietzoom van den reddenden oever vlak voor zich. Een grimmige lach krult zijn gebaarde lippen en een gevoel van fiere zegepraal doortintelt het hart van den strooper. Doch Hannes lachte te vroeg. Voor een wijle drijft de wind de wolken, die de maan bedekken, terzijde, en bij het bleeke schijnsel ziet hij vlak voor zich een tweede boot en ook daarin ziet hij uniformknoopen glimmen, terwijl een blanke karabijnloop op zijn borst is gericht. Doch hij ziet nog meer. Eén man zit aan de riemen en een ander staat naast den veldwachter; die beide mannen dragen geen uniform, en Hannes herkent ze onmiddellijk.
Die aan de riemen zit is Gerrit Dubbe en naast den veldwachter staat Barend van Gulven, de boer van "Zorgwijk", de vader van zijn Martha, de man, dien hij als bouwknecht zoo trouw gediend heeft, en die hem nu zonder genade in het verderf storten zal.
Woedend raast de stormwind in dezen onstuimigen nacht, maar hoe hevig ook zijn geweld is, nog vreeselijker stormt het in de ziel van Hannes Klinge.
"Je riemen in, en geef je over!" zoo klinkt een forsche stem.
Het antwoord laat zich niet wachten. "Nooit! Nooit!" brult de strooper, en zijn riemen wegwerpend springt hij op en grijpt de zwaargeladen buks.
"Het uur van afrekening heeft geslagen, Barend van Gulven," zoo schalt zijn stem en het klinkt als een trompet over het water.
Angstgeschreeuw gaat op uit de boot, waarin Van Gulven staat. Het zijn de beide boeren, die schreeuwen. De veldwachter echter brengt bliksemsnel den vinger aan den trekker, en de scherpe knal van een karabijnschot kraakt; dadelijk gevolgd door een losbranding, die den omtrek doet daveren.
Een akelige gil snerpt over het meer; de blanke karabijn valt in het water, en ruggelings achterover stort de lange gestalte van den veldwachter in de boot.
Het schot, door Hannes Klinge afgevuurd en voor Van Gulven bestemd, heeft den veldwachter in de volle borst getroffen, en toen hij viel, herkende Hannes Klinge, bij het licht van den vuurstraal uit zijn buks, zijn voormaliger kameraad, korporaal Durling.
Verlammende vertwijfeling grijpt hem aan, en een oogenblik staat hij radeloos in zijn schommelende boot.
"Vuur!" hoorde hij den brigadier in de politieboot achter hem kommandeeren, en de karabijnkogels fluiten om hem heen.
Jankend wentelt een zijner honden, door een karabijnkogel doorboord, zich aan zijn voeten.
Nu slingert de strooper de noodlottige buks ver van zich af, en het oude geweer van vader Krijn zinkt weg in de diepe modder van den Davel.
Dan stort Hannes zich uit zijn boot, en het zwarte water van het meer sluit zich boven hem.
De loeiende storm verwaait den kruitdamp en maakt de forsche stem van den brigadier bijna onverstaanbaar.
"Roeit onmiddellijk naar den oever!" schreeuwt hij tot Gerrit Dubbe en Van Gulven, die beiden radeloos over het lichaam van den veldwachter Durling staan gebogen. Zij trachten den ongelukkige op te heffen, maar hun onhandige pogingen en de felle windvlagen doen de boot bijna omslaan.
"Roeit naar den oever, boerenkerels!" brult de brigadier weer, "en laat den man stil op den bodem van de schuit liggen. Daar bij dat riet zullen wij even zoeken naar den moordenaar," vervolgt hij, "maar hij zal wel op den bodem liggen, want één van onze kogels heeft hem bepaald getroffen."
De veldwachters roeien naar de plek, waar zooeven Hannes overboord ging, maar hoewel de maan weer helder schijnt, vinden ze niets als de boot van den strooper. De wind had het schuitje in het riet gedreven en toen de brigadier het vastgreep, vond hij op den bodem het lijk van den trouwen Turk, een der honden van Hannes.
Het schuitje werd vastgemaakt achter de politieboot, en toen ging men zoo snel mogelijk de boot achterna, waarin Gerrit Dubbe en de boer van "Zorgwijk" hun treurigen last vervoerden.
"Roeit naar den oever," had de brigadier bevolen, maar men kon hier slechts op één plek den oever bereiken, want op slechts één plaats is het riet verwijderd, zoodat men als het ware door een klein haventje naar den oever kan varen; en dit haventje hebben zij nu bereikt.
Doch zij aarzelen om naar binnen te roeien. Van Gulven, wiens geweten hem aanklaagt als de oorzaak van al deze ellende, zegt, met op elkander klapperende tanden--want hij als een koortslijder--: "Hier niet inroeien; niet naar het "Uilennest". Groote God, ik durf Martha niet onder de oogen te komen. Ik had nooit naar je moeten luisteren, Gerrit Dubbe, nooit, want jij hebt mijn hart vergiftigd met je opstokerij. Ik, ellendige dwaas, wat heb ik nu bereikt? O, waartoe heb ik mij laten verleiden, jou valsche verrader, maar nu is het te laat!"
"Wat sammel je toch," klonk weer de stem van den brigadier, "roei dan door; begrijp je niet, dat iedere minuut voor den gewonde kostbaar is, als hij tenminste nog leeft!"
Met snellen riemslag is de boot der politiemannen naderbij gekomen en door het volle maanlicht helder beschenen, ligt daar het "Uilennest".
Toen haar man was weggegaan, bleef Martha bij het uitgedoofde haardvuur zitten. De onrust, die haar verteerde, belette haar zich ter ruste te begeven, zooals zij anders deed, als Hannes des nachts ging stroopen.
Traag kruipen voor de wachtende vrouw de minuten om; somber en treurig lijkt alles om haar heen in de oude hut, waar zij--de rijke boerendochter van weleer--toch eens zoo gelukkig was, toen Hannes nog als eerlijk jager ruimschoots zijn brood verdiende.
Buiten huilt de stormwind en krassen de uilen, en de eenzame vrouw laat haar gedachten den vrijen loop.
Driftig en oploopend was hij altijd geweest, doch viel er vroeger wel eens een hard woord, dan maakte Hannes het weer dadelijk goed door zijn gulle, hartelijke vroolijkheid, zoodat Martha onmogelijk boos op hem kon blijven. En hoe teer en bezorgd was die oogenschijnlijk zoo ruwe man, indien hij dacht, dat vrouw of kinderen iets deerde.
Ach, hoe was dat alles veranderd in den laatsten tijd. Geen lied of geen lach kwamen hem meer over de lippen, of het was een bittere lach, die Martha pijn deed aan het hart.
Het was de haat, de bittere haat, die hem in de borst woelde; de wraakzucht tegen hen, die hem zoo wreed vervolgden. Daarom, en daarom alleen hield hij het heillooze stroopen vol, alle gevaar trotseerend, want hij kon niet buigen en wilde niet wijken voor Barend van Gulven. Het moest slecht afloopen, het kon niet anders. Olbert de eenarm heeft het haar onverholen gezegd, en hij heeft het Hannes ook gezegd; Martha weet het wel, maar Hannes wil niet meer luisteren naar Olbert, en hij ontwijkt hem zooveel mogelijk.
Doch kan de brave schaapherder geen invloed meer uitoefenen op den strooper, hij doet het op zijn kinderen, en Gert en Lize zijn dikwijls op de Schaapskooi, want de oude soldaat van Napoleon en vrouw Sanne hebben de kinderen hartelijk lief.
En zie, dat heeft Hannes graag; zelf komt hij niet meer op de Schaapskooi, want hij kan het doordringend oog van den ouden man niet verdragen; hij wil die waarschuwende en vermanende stem niet meer hooren, maar niet lang geleden hoorde Martha hem tot Gert zeggen:
"Gert, jongen, je moet goed naar Olbert den schaapherder luisteren en nooit vergeten wat hij je leert; dan zal het je goed gaan in de wereld."
En als kleine Lize des avonds voor haar bedje knielde, en de woorden van het kinderlijk gebed--door Olbert haar geleerd--Hannes in de ooren klonken, dan kon Martha soms bemerken, dat het hem ontroerde.
"Ik wou dat ik kon gelooven, zooals Krijn Vermeeren geloofde, of zooals Olbert," had hij eens tot Martha gezegd; "maar ik kan niet."