Part 1
HET UILENNEST
HET UILENNEST
DOOR
W. SCHIPPERS
ZESDE DRUK
NIJKERK--G. F. CALLENBACH 1931
HOOFDSTUK I.
't Is een groote, mooie bezitting, de hoeve "Zorgwijk", en de eigenaar, boer Barend van Gulven, wordt dan ook voor een der rijkste boeren van het dorp gehouden.
In hoeverre dit waarheid bevatte, zullen we in het midden laten, doch zeker is, dat boer Van Gulven graag had dat er op zijn rijkdom gezinspeeld werd, en niemand had daar beter slag van dan Gerrit Dubbe, een boerenzoon uit de buurt, met wiens vader Van Gulven bevriend was.
Reeds lang was tusschen de wederzijdsche ouders besloten, dat Martha en Gerrit man en vrouw zouden worden, doch de mooie Martha lachte en spotte met den rooden Gerrit, en het werd de oude geschiedenis; de mensch maakt plannen en berekeningen: zoo zullen we doen en zoo zal het gaan, en hij denkt meester te zijn van den toestand, doch vergeet den grooten Meester daarboven, wiens heilige wil alleen wet is, en dat slechts Hij en Hij alleen den weg bepaalt, dien wij, nietige stervelingen, hebben te bewandelen.
Eerst met zachtheid en toen met toornige bedreigingen had Van Gulven zijn dochter aan het verstand gebracht, dat het zijn wil was, dat zij de vrouw werd van Gerrit Dubbe, maar noch het een, noch het ander had het gewenschte gevolg.
Eerst lachte Martha met haars vaders woorden, toen werd ze driftig, en een heftig tooneel volgde, waarbij het meisje verklaarde, dat ze nog liever met den armsten daglooner zou trouwen dan met den rijken Gerrit Dubbe, dien ze niet uitstaan kon.
Met een dreunenden vuistslag op de tafel schreeuwde Van Gulven, paars van woede, dat ze met Gerrit Dubbe zou trouwen of anders met niemand, doch deze bedreiging liet Martha koud, en ze verliet trotsch het vertrek, waarin de woordenwisseling plaats had, en waarin haar vader woedend en haar moeder schreiend achterbleef.
Kort na het hierboven verhaalde had boer Van Gulven een nieuwen bouwknecht noodig, en omdat de boerenknechts altijd met November in een anderen dienst gaan, en het nu reeds bijna Kerstmis was, wanhoopte de boer er al aan, of het hem gelukken zou een goeden bouwknecht machtig te worden. Maar eindelijk meldde er zich een aan, en daar diens persoon hem goed aanstond, haastte Van Gulven zich hem in zijn dienst te nemen.
Gelderschman van geboorte, was Hannes Klinge soldaat geweest in een Zuidhollandsch garnizoen, en na volbrachten diensttijd was hij in een naburig dorp boerenknecht geworden. Daar hij niets meer op de wereld had dan een broeder, die als schippersknecht op den Rijn voer, was er ook niets dat hem aan Gelderland bond, en zoo was dan Hannes Klinge bouwknecht bij boer Van Gulven.
De boer was niet gemakkelijk voor zijn knechts, maar met dezen Gelderschman kon hij goed opschieten. Geen boerenknecht, uren in den omtrek, die zulke rechte voren ploegde als de bouwknecht van "Zorgwijk," en toen Van Gulven een jong paard gekocht had op de B.-sche paardenmarkt, dat hij zelf niet temmen kon, had Hannes Klinge gevraagd of hij het eens mocht probeeren, en hoewel het er Spaansch genoeg naar toe ging, gelukte het den Gelderschman toch, het wilde dier onder den duim te krijgen, en boer Van Gulven had er voortaan een buitengewoon goed paard aan, waarop hij wat trotsch was. Een jaar lang ging alles goed; de jongens uit het dorp mochten den knecht van "Zorgwijk" bijna allen goed lijden. Echter had hij ook zijn vijanden, maar was Hannes een goed vriend, als vijand was hij geducht.
Nog maar kort was hij bij Van Gulven, of reeds toonde Hannes, dat het hem in geen geval aan moed ontbrak, en een paar boerenzoons moesten dat tot hun schade ondervinden.
't Had gesneeuwd en de wegen en voetpaden van het dorp lagen dik onder de wollige vacht. Thans sneeuwde het niet meer, maar een helder winterzonnetje aan de reine blauwe lucht gaf levendigheid en licht aan het doodsche winterlandschap.
Vroolijk babbelend loopen een drietal boerendochters de dorpsstraat uit: zoo aanstonds zullen ze het voetpad volgen, dat naar "Zorgwijk" voert, want een der drie meisjes is Martha van Gulven; de twee andere zijn haar vriendinnen.
Ze zijn ter kerk geweest, want het is Zondagvoormiddag, en omdat ze een poosje bij het kerkpad hebben staan praten met meisjes, die een anderen kant uit moesten, is het wat laat geworden; en nu haasten ze zich huiswaarts, want daar wacht haar de dampende koffie. Een poosje geleden was de dorpsstraat nog vol kerkgangers, maar nu zijn ze allen binnenshuis, want al schijnt de zon, de ijzige noordoostenwind kleurt de neuzen rood en paars en doet vingers en ooren tintelen.
Toch zijn er behalve Martha en haar vriendinnen nog andere lieden, die de koude niet schromen, want daar achter die groote schuur bij het voetpad naar "Zorgwijk" staat een groepje jonge boeren te praten en te rooken.
Ze staan uit den wind en in het zonnetje, en ze kunnen trouwens wel tegen de koude, want de meesten van hen zijn stevige, gezonde klanten, aan het leven in de open lucht gewoon.
Het gesprek heeft over arren en schaatsenrijden geloopen en een hunner voert het hoogste woord. Hoor, hoe schettert zijn stem, als hij beweert dat er nog veel meer sneeuw in de lucht zit; en als een ander zulks betwijfelt, dan wil hij om tien gulden wedden, dat er nog eer de zon is ondergegaan sneeuw zal vallen.
't Is toch zoo'n bluffer, die roode Gerrit Dubbe, maar ondanks zijn hatelijk optreden wordt hij toch door allen ontzien, want hij is de rijkste boerenzoon uit het dorp, en nergens meer dan op het platteland geeft veel geld den bezitter daarvan tevens gezag en overwicht.
Slechts één man in het dorp heeft den naam van in rijkdom niet voor den ouden Dubbe (de vader van den rooden Gerrit) onder te doen, en dat is de boer van "Zorgwijk". Daarom ook zal Van Gulven met vreugde zijn dochter Martha, zijn eenig kind, tot vrouw geven aan Gerrit Dubbe, den eenigen erfgenaam van zijn schatrijken vader.
Dat Martha niet wil, acht haar vader van geen beteekenis; zijn wil is wet, en hij is gewoon steeds te worden gehoorzaamd.
Trouwens geen der boerenzoons uit het dorp zou het wagen als mededinger van den rooden Gerrit op te treden, want ontziet men hem om zijn geld, men vreest nog veel meer zijn geweldige lichaamskracht en zijn blinde drift.
"Ik ga koffiedrinken, jongens," zegt een der jongere boeren achter de schuur, en treedt een weinig ter zijde. "Ha!" vervolgt hij, "daar komt Martha van Gulven ook nog aan. Gerrit, moet je haar niet vragen of ze morgen meê gaat arren?"
Het is op het dorp een publiek geheim, dat de roode Gerrit door den vader wordt begunstigd, maar door de mooie Martha niet wordt begeerd, want deze maakt er volstrekt geen geheim van, dat ze den jongen Dubbe niet kan uitstaan.
De jonge boeren weten dat en daarom zeggen ze plagend: "Toe, Gerrit, laat ons eens zien hoe ze tegen je lacht, als je haar vraagt morgen met je te gaan arren, of durf je niet?"
Het bloed stijgt Dubbe in het toch reeds zoo roode gelaat, en zijn borstelige wenkbrauwen samentrekkend, roept hij dreigend: "Wie praat van durven; heb je wel eens iets gezien dat ik niet durf?" Maar glimlachend laat hij er op volgen: "Hou je stil, jongens; ik zal de dames eens verschrikken!"
Zijn groote handen grijpen in de sneeuw, en juist als de argeloos babbelende meisjes de schuur passeeren, vliegt een groote sneeuwbal Martha vlak in den hals.
De jongens lachen uitbundig, en de beide vriendinnen van Martha vluchten, om voor meerdere projectielen beveiligd te zijn, het voetpad af naar "Zorgwijk"; doch Martha vlucht niet. Zij heeft zeer goed gezien, wie den sneeuwbal wierp, en een minachtende blik uit de mooie oogen treft den "rooden Gerrit". Zonder haar tred te verhaasten wil ze doorloopen, doch dit is niet naar den zin van den rijken boerenzoon, die niet gewoon is geminacht te worden. Naar het meisje toeloopend, plaatst hij zijn logge, vierkante gestalte vlak voor haar op het voetpad en verspert haar aldus den weg naar huis.
"Kom, kom, Martha," zegt Dubbe, "word nu niet boos om het gooien van een lossen sneeuwbal; geef me de hand en ga morgen met me arren; dat was ik juist van plan je te vragen. Nou meid, wat zeg je daarvan? Sla toe, dan ga ik nu met je meê naar "Zorgwijk", en zal dadelijk je vader vragen of hij het goedvindt."
Gerrit blijft met uitgestoken hand voor Martha staan, doch deze doet alsof ze zijn groote hand niet ziet, en wil hem zonder een enkel woord te spreken voorbij loopen op het smalle pad. Hij hoort het spottend lachen van zijn vrienden en dat maakt hem inwendig woedend, en brutaal blijft hij haar den weg versperren.
"Laat mij toch door, vervelende vent!" roept nu Martha heftig, "zie je dan niet, dat ik van je opdringen niet gediend ben? Laat mij door, en gedraag je niet als een kwajongen!"
Maar koppig blijft roode Gerrit staan, en lachend, hoewel hij geen lach in het hart heeft, klinkt het: "Neen, neen, ik laat je niet door voor je me de hand geeft, al moeten we hier nog een uur staan. Je komt er niet door."
Daar nadert met de handen in de broekzakken, op zijn gemak, Hannes Klinge; hij heeft de koffie al op, en komt zoo de poort van "Zorgwijk" uit. Hij wil nog even een kijkje nemen in de dorpsstraat, daarom heeft hij zijn pijp opgestoken en loopt lustig te dampen. Maar met eenige verwondering blijft zijn scherpe blik op het tweetal rusten, daar vóór hem op het pad.
Wat beteekenen het toornige gelaat van Martha en haar van woede glinsterende oogen? En waarom blijft die boer daar zoo sarrend haar den weg versperren? Hannes verhaast zijn tred, en nu krijgt ook Martha hem in het oog.
"Hannes!" roept ze heftig tot den bouwknecht van haar vader, "Hannes! maak jij hier voor mij het pad eens vrij, want deze vent denkt, dat hij hier in het dorp alles doen mag, omdat allen bang voor hem zijn; maar jij bent niet bang voor hem, dat weet ik zeker!"
Neen, Hannes Klinge vreesde Gerrit Dubbe niet, want regelrecht op hem toeloopend, voegt hij den jongen boer op forschen toon toe: "Dubbe, je hebt geen recht hier op dit pad iemand tegen zijn wil den weg te versperren, dus maak plaats."
Verbaasd kijkt Gerrit Dubbe den vermeteler spreker aan, als begrijpt hij niet wat deze bedoelt; doch ook maar één oogenblik duurt zijn verbazing. Dan maakt een geweldige woede zich van hem meester, doch eer hij één woord zeggen kan, geeft Hannes Klinge hem een duw, zoodat hij zijdelings van het pad in de mulle sneeuw terecht komt. Met een helderen spotlach loopt Martha hem voorbij.
"Dank je, Hannes," roept ze, "dat is kloek gedaan," en met vluggen tred spoedt ze zich naar haar beide vriendinnen, die bij de poort van "Zorgwijk" op haar staan te wachten.
Maar Hannes is er nog niet af, want als een woedende bulhond stormt Gerrit Dubbe op hem los.
"Ellendige Gelderschman," brult hij, en trilt als een toornige stier, "dat zal ik je duur laten betalen," en met opgeheven vuist werpt hij zich op Hannes Klinge. Doch de bouwknecht van "Zorgwijk" was een uiterst gevaarlijke tegenpartij, en als soldaat was hij een der beste schermers van zijn bataillon geweest. Behendig ontwijkt hij de geweldige slagen van den boer, en snel uitvallend treft zijn gespierde vuist Gerrit Dubbe vlak in het gelaat.
Deze verliest thans alle zelfbeheersching; razend grijpt en slaat hij om zich heen, en doet geweldige pogingen om Hannes Klinge te pakken te krijgen, doch glijdt hem als een paling door de vingers, en vuistslag op vuistslag treft Dubbe in het gelaat.
Het bloed stroomt den boer uit neus en mond, zijn oogen zijn bont en blauw geslagen, en met toenemende verbittering vecht de bouwknecht. Maar er daagt hulp voor den rooden Gerrit Dubbe.
De meeste toeschouwers van dit Sabbat-ontheiligend tooneel gunden Gerrit Dubbe zijn nederlaag van ganscher harte, en de geheele geschiedenis ging zoo snel in zijn werk, dat eigenlijk nog niemand tusschenbeiden kon komen.
Maar een der jonge boeren had nu de laagheid om achter de vechtenden om te loopen, en verraderlijk Hannes Klinge van achteren aan te vallen.
Het was de lange Gijs Lemmer, en deze meende zich verdienstelijk te maken door partij te kiezen tegen den vreemdeling; mogelijk met de gedachte, dat er wel meer zouden komen, die hem hielpen den gevaarlijken Gelderschman onschadelijk te maken.
Hij bracht Hannes Klinge een geduchter vuistslag op het hoofd toe, en greep hem met de linkerhand bij den nek. Maar met een sprong als van een tijger maakte deze zich los, en trok knarsetandend van woede zijn mes.
Het breede, scherpe lemmet schittert in het zonlicht, en indien God het niet verhoedt, zal deze rampzalige twist een noodlottiger afloop hebben; want een scherp geslepen mes is een vreeselijk wapen in een zoo forsche vuist als die van Hannes Klinge.
Plotseling komt van achter de schuur de in het zwart gekleede gestalte van een oud man te voorschijn.
Leunend op zijn wandelstok, en zoo snel zijn voeten hem kunnen dragen, nadert hij de vechtenden en de hen omringende opgewonden boeren.
Zijn verschijning oefent een buitengewonen invloed uit op den man, tot wier hij zich wendt.
Zelfs Gerrit Dubbe komt tot bedaren, en veegt met zijn zakdoek het bloed van zijn gelaat.
Gijs Lemmer sluipt tusschen de anderen in, maar Hannes Klinge blijft staan op het pad, met het mes in de vuist en de woede in het oog. Het is tot dezen dat de oude heer het woord richt.
Ernstig en droevig klinkt zijn stem: "Steek uw mes weg, jonge man. Is het niet vreeselijk, dezen schoonen dag des Heeren te ontwijden, door u in des Satans dienst te stellen, en elkander als wilde dieren te bevechten? Komt mannen, begeeft u allen huiswaarts en bidt den goeden God, dat Hij u deze dingen genadiglijk vergeeft!"
Wat mogelijk geen tien politiemannen zoo spoedig zouden hebben gedaan gekregen, bereikte de oude heer met zijn eenvoudig woord. Het was de predikant van het dorp, en het zou niemand in de gedachten komen zich tegen hem te verzetten, geacht en geëerd als hij werd door allen.
Beschaamd en verlegen verliet men de plaats, waar het werpen van een sneeuwbal bijna manslag tengevolge had gehad.
Doch Gerrit Dubbe vertrok niet zonder Hannes Klinge nog eerst een wraakzuchtigen blik toegeworpen te hebben; toen verdween hij met Gijs Lemmer om den hoek der schuur, en een oogenblik daarna lag het voetpad van boer Van Gulven zoo stil en verlaten in den kouden noordenwind, als hadden er nimmer dwaze jongelingen den schoonen Zondag ontheiligd.
HOOFDSTUK II.
Geweldig had boer Van Gulven tegen zijn bouwknecht opgespeeld, toen hij vernam dat deze met Gerrit Dubbe had gevochten, en hem toegevoegd, dat hij van hem de ware toedracht der zaak verlangde te weten, want van wat men hem verteld had, beweerde hij niets te begrijpen.
"Er valt niet veel van te vertellen, baas," had Hannes droogjes geantwoord.
"Dubbe stond mij in den weg, en toen hij op mijn verzoek geen plaats maakte, heb ik zelf gezorgd dat er ruimte kwam; dat is alles."
Toornig schold Van Gulven zijn bouwknecht een twistzoeker en vechtersbaas, maar de bedreigingen en scheldwoorden van zijn meester lieten den man tamelijk koud. Het zachte, vermanende woord van den grijzen predikant had meer indruk op het ruwe gemoed van den Gelderschman gemaakt, want deze was één van die karakters, die gevoelig zijn voor ieder vriendelijk woord, maar daartegenover altijd gereed om hardheid met hardheid te beantwoorden.
Waarschijnlijk zou het tusschen Van Gulven en Hannes Klinge tot een hevigen twist gekomen zijn, want de boer begreep zeer goed, dat Hannes de ware aanleiding tot den twist niet wilde zeggen, toen Martha binnenkwam, en zich dadelijk in het gesprek der beide mannen mengde.
"Vader, ge moest Hannes om deze zaak niet hard vallen, want niet hij, maar Gerrit Dubbe is de schuldige." En met weinige woorden vertelde het meisje den vertoornden boer de aanleiding, waarom het vechten begonnen was.
Brommend en mopperend keerde Van Gulven zijne dochter en Hannes den rug toe en verliet de kamer met de bedreiging, dat indien er weer iets dergelijks voorviel, hij zich van een anderen bouwknecht zou voorzien. Sinds dien tijd zochten de eenige dochter van den rijken boer en de arme bouwknecht zooveel mogelijk elkanders gezelschap, en eer een jaar verloopen was, verklaarde Martha haar vader en moeder dat zij nimmer de vrouw van Gerrit Dubbe zou worden, en dat zij nooit met iemand anders zou trouwen dan met Hannes Klinge.
Het woord was gesproken, en de uitwerking, die het op den rijken Van Gulven had, was te voorzien. De op zijn rijkdom en aanzien in het dorp zoo trotsche man was buiten zichzelven van woede.
Op staanden voet werd Hannes Klinge ter verantwoording geroepen, en de grofste beleedigingen werden hem door den woedender boer naar het hoofd geworpen. Tegen zijn gewoonte bleef Hannes kalm.
Hij liet den storm over zich heen gaan en eerst toen Van Gulven hem toebulderde, dat het hem alleen te doen was om het geld en goed, dat eenmaal de rijke erfdochter zou ten deel vallen, steeg het bloed den jongen kerel naar het hoofd, en de beide ferme handen vooruitstekend, klonk het flink van de lippen van den Gelderschman: "Arm ben ik, dat is waar, maar met deze handen hoop ik toch voor Martha en voor mij het dagelijksch brood te verdienen. Van uw geld, dat uw afgod is, verlang ik geen enkelen penning."
"Weg, van hier! Oogenblikkelijk!" brulde Van Gulven, en naar een kast loopend, haalde hij geld voor den dag, en een handvol grijpend wierp hij het den bouwknecht voor de voeten.
"Hier is je achterstallig loon, en nu, marsch! Als je je ooit weer binnen de poort van "Zorgwijk" vertoont zoolang ik leef, dan zal ik er je met de honden doen afjagen!"
Zonder een woord te spreken raapte Hannes Klinge zooveel van het geld op als hem aan loon toekwam, en het overige latende liggen waar het lag, voegde hij Van Gulven toe: "Mij kunt ge als een hond wegjagen, dat staat u vrij, maar er zal een tijd komen, dat het u zal berouwen, dat ge uw eenig kind van u hebt afgestooten, want haar lot is aan het mijne verbonden, en dat kunt gij niet keeren!"
"Waar jij blijft, daar blijf ik ook, Hannes," riep Martha hem nog na. Toen viel de deur achter hem dicht, en naar den zolder gaande boven den stal, waar zijn kist stond, pakte Hannes wat kleeren in een bundeltje bij elkander en verliet toen met opgericht hoofd de schoone bezitting van den rijken Van Gulven.
Kwispelstaartend sprong Turk, de groote waakhond, tegen hem op, en toen hij de deur van den paardenstal voorbijliep, hinnikte de bruine merrie daarbinnen, die hem herkende aan zijn stap.
Het was een schoone hoeve, dat "Zorgwijk", zooals het daar lag in het heldere maanlicht van den winteravond, en op het voetpad, waar Hannes verleden jaar met Gerrit Dubbe vocht, daar bleef hij nu een wijle staan.
Nu vestigde hij nog eenige oogenblikken het oog op de hoeve; een jaar lang was het zijn tehuis geweest, en nu was hij van daar weggejaagd. Doch de liefde van Martha nam hij meê; maar zijn onrustig kloppend hart verweet hem, dat hij haar, die hij liefhad, een harde toekomst bereidde. Dan wendde hij zich langzaam af van "Zorgwijk", dat hij mogelijk nimmer meer zou betreden, en met snellen tred zijn weg vervolgend, liet hij spoedig het dorp achter zich.
Hobbelig en met diepe wagensporen doorploegd is het voetpad, waarop de eenzame wandelaar thans gaat, maar Hannes Klinge is duisternis en moeilijke paden gewoon, want in zijn jongelingsjaren, eer hij soldaat werd, heeft hij dikwijls met het geweer in de hand door de Geldersche bosschen gezworven, en menige haas en reebok zijn onder zijn schot gevallen.
Nu voert zijn pad hem naar "den Davel" en een uur lang volgt hij den kronkelenden loop van het meer. Slechts hier en daar schijnt een lichtje door hoog opgaand geboomte, en wijst de plaats aan, waar zich een boerenhoeve bevindt, maar Hannes verlaat het voetpad niet voordat hij aan een kruisweg komt.
Een weinig terzijde van den weg rijst een hooge doornheg op, en achter de heg de donkere omtrek van een klein boerenhuisje, waar nog een groote schuur is aangebouwd.
Twee eeuwenoude, ontzaglijke noteboomen breiden hun breede takken over het rieten dak uit, en de duisternis is hier zoo dicht, dat Hannes Klinge aarzelend blijft staan.
Daar klinkt het scherpe, eigenaardige blaffen van een echten herdershond, en uit de groote schuur wordt het dadelijk beantwoord door het veelstemmig blaten van een kudde schapen.
Nu gaat de bovendeur open, en een zware basstem roept naar buiten:
"Wie is daar nog zoo laat op het pad, en wat zoekt gij hier?"
"Ik ben het, Olbert!" roept Hannes, "ik ben het, maar houd uw nijdigen Spits bij u, want ik wensch geen kennis te maken met zijn gebit." De als "Olbert" aangesprokene herhaalt half binnensmonds: "Ik ben het; wie is ik, en toch ken ik zijn stem.
Ha! ik weet het al, kom maar binnen, Hannes, en jij Spits, in je hoek, marsch!"
De onderdeur gaat ook van de klink, en Hannes treedt binnen.
De man, die door Hannes met den naam van "Olbert" is aangesproken, sluit de buitendeur zorgvuldig dicht en gaat door een klein portaal, waar emmers, potten en pannen en klompen staan. Dan duwt hij een binnendeur open en is in de huiskamer van "Olbert den schaapherder". Maar uren in den omtrek noemt men hem niet anders dan "den eenarm". Hij is een Gelderschman van geboorte, en uit dezelfde streek afkomstig als Hannes Klinge. Hij heeft hem slechts bij toeval leeren kennen, toen Hannes hem hielp om een in een sloot gevallen schaap weer op den kant te brengen.
Sinds dien tijd hebben beide mannen elkander dikwijls ontmoet, en het moest al wonder slecht weer wezen als Hannes Klinge des Zondagsnamiddags het voetpad langs "den Davel" niet afkuierde, om een bezoek te brengen aan de "Schaapskooi", zooals men algemeen de woonplaats van "Olbert den eenarm" noemt.
Doch nu was hij er in geen weken geweest, want andere dingen hadden zijn hoofd en hart vervuld, en boeiden hem op "Zorgwijk". Maar dat is nu voorbij, voorgoed voorbij.
"Goeden avond, moeder Sanne," zegt Hannes, de vrouw van den schaapherder groetend.
"Genaovend, Hanneske; ge komt nog laat de "Schaapskooi" opzoeken. Toch geen zwarigheid op "Zorgwijk"?"
De kloeke Geldersche vrouw, die door Hannes "moeder Sanne" genoemd wordt, legt de breikous, waaraan ze heeft zitten werken, ter zij, en één der zware eikenhouten stoelen bij het vuur schuivend, ziet ze den jonkman met haar vriendelijke bruine oogen onderzoekend aan.
Hoe echt warm en gezellig is het in de woonkamer van Olbert den eenarm!
De koperen tuitlamp op de vierkante tafel is niet bij machte het groote vertrek geheel te verlichten, en laat de verste hoeken in een geheimzinnig duister, terwijl de flikkerende vlam van het groote houtvuur onder de breede schouw grillige schaduwen werpt tegen de lage zoldering en de helder gewitte muren.
Laag is de zoldering, zoo laag, dat men zou denken, dat Olbert zijn hoofd zal stooten tegen de dikke balken, als hij rechtop loopt, want de schaapherder is een buitengewoon lang man, en zoo mager als een brandhout.
Ondanks die magerheid is "de eenarm" gezegend met een ijzersterk lichaamsgestel, dat zelfs niet geschokt is door het ruwe soldatenleven, dat hij achter den rug heeft. Want Olbert volgde in zijn jeugd de vanen van Napoleon Bonaparte en rijkelijk had hij zijn deel gehad aan den roem, de gevaren en het lijden van de soldaten van den "kleinen korporaal". Hoe veel, hoe ontzettend veel van zijn wapenbroeders waren niet achtergebleven op de groote slagvelden van Europa, maar Olbert keerde weer naar zijn sinds lang vergeten dorpje in het schoone Gelderland; doch zonder linkerarm, want dien verloor hij op den met bloed gedrenkten grond, daarginds bij Leipzig.
Maar Olbert is er dankbaar voor, want in het hospitaal, waar hij met zooveel anderen werd verpleegd, leerde hij zijn Heiland kennen en daar leerde de veldprediker, die het middel was in Gods hand om zijn ruw hart te treffen, hem het leven van een gansch andere zijde beschouwen dan hij tot dusver deed.