Het toekomend jaar drie duizend: Eene mijmering
Part 6
_Ik._ Dit beken ik, Eerwaardige! maar elk vormt zig toch een zeker eigen denkbeeld over sommige duistere zaaken: ik wilde gaarne onderstaan of wij ook veel in denkbeelden verschillen, ten einde, zoo ik de uwen beter en gegronder vonde, de mijnen vaarwel te zeggen, en voor de uwen te verwisselen; wat, bijvoorbeeld: denkt gij van...
Hier werd ik gestoord...
Eensslags kwam ik, in de zinnelijke waereld, uit die der verbeelding, terug.--Zo ook zullen wij eens, te midden onzer ijverigste navorschingen, in 's levens mijmering gestoord wordende, in de eeuwige waarheid ontwaaken.
[Decoratieve illustratie]
NAAREDE
De bedoeling dezer _Mymering_ is alleenlijk, om, door de beschouwing der aanmerkelijke voortgangen van den Wijsgeerigen geest, onder het menschdom, deszelfs uitwerkselen, naa een lang verloop van eeuwen, door eene waarschijnelijke gissing, uit te vorschen; men zoeke dus in dezelve geene toespeeling op bijzondere zaaken of persoonen; dit zoude het oogmerk des Schrijvers verre gemist zijn.--De geheele grondslag van al wat in dezelve gezegd wordt, is alleenlijk, dat het menschdom uit de wijsgeerige beschouwing van alle dingen, mooglijk eens dien trap van waare beschaaving zal bereiken, waarin het zijn waare behoefte zal weeten te onderscheiden van beuzelachtige overtolligheeden, welke het eerst als onmisbaare behoeften aan zag; wat nu anders zijn de waare behoeften van de onsterffelijke ziel, dan alleen de kennis van verheven Waarheeden en zulke Weetenschappen, welke ons de grootheid van den Schepper in toeneemenden luister voorstellen. Eenmaal gesteld zijnde, dat het menschdom, door trapsgewijze vordering in kennis, deze hoogte bereiken kan, volgt daar uit noodzaakelijk, dat het, die bereikt hebbende, eene geheel andere richting in zijnen smaak en begeerten ondervinden zal; alle beuzelachtige overtolligheeden, waarin niettemin de grondaanleiding gegeeven is tot de ongenoegens, die het menschelijk leven en de samenleeving zo zeer verbitteren, en aanleiding tot allerlei wandaaden in de maatschappij geeven, zullen dan door den mensch misacht, en eindelijk geheel vergeeten worden. 'Er zal eene geheel wijsgeerige eeuw ontstaan, welke ook in den smaak voor schoone kunsten en weetenschappen den toon geeven zal;----maar deze groote verandering in zeden en denkwijzen moet noodzaakelijk voorgegaan worden, door eene, boven de mooglijkheid van vervulling stijgende, begeerte van het menschdom, elk volk zal zig eerst toeleggen om zijn nabuuren te overtreffen, in de bezitting der schijngoederen, wier aantal de weelde en onverzadelijke begeerte gestadig doen aangroeijen. Deze algemeene drift naar schijngoederen zal derzelver bezit, hoe langs hoe bezwaarlijker maaken, daar ze, onder zo veele begeerigen, slegts schraal zullen kunnen verdeeld worden. Het gemis derzelver zal eindelijk den mensch noodzaaken, om dezelve te verachten en tot de kennis dier groote waarheid te geraaken, dat de Natuur slegts zeer weinig behoeft.--Of nu wel dertien Eeuwen genoegzaam zijn om die leer voortteplanten en te bevestigen, laat ik daar; dit tijdperk is slegts gekozen om eene zekere bepaaling te kunnen daar stellen.--Niemand stoote zig aan de stelling dat ons Land naa dertien Eeuwen, wel geheel van gedaante veranderd zou kunnen zijn; dat de Stad Amsterdam, mogelijk dan slegts een twijffelachtig geheugen van derzelver voormaalige ligging zoude kunnen naagelaaten hebben; want men gaa slegts 1300 Jaaren terugge, en zoeke thands Steden, die toen in vermoogen bloeiden en maake het besluit zelve op; alleen de Dichter mag een eeuwig bestaan en voortduurenden groei, aan, in den aart wisselvallige, zaaken belooven; de Wijsgeer besluit uit de overeenkomst der dingen tot eene gestadige verwisseling en voordduurende onbestendigheid.----Al wat voords omtrent de verwisseling van smaak in de schoone kunsten, als zijn Schilder-, Toon- en Dichtkunst gezegd is, rust mede op den voet van eene eenvouwige wijsgeerige beschouwing der dingen; welke allen het waarlijk nuttige en verstandelijke als onveranderlijk, maar het oogenbliklijk streelende en zinlijke als gestadig verwisselend erkent.--De weinige trekken, welke hier en daar op de thands dreigende verbastering van smaak in de schoone kunsten, als ook over sommige thands in den smaak zijnde gebruiken, voorkomen; zijn slegts om de redeneering te verleevendigen, en den aandacht der Hooreren bezig te houden 'er ingevlochten, en hebben mede geene bijzondere toespeeling; ja, zijn zelfs met voordagt, en om te sterker te treffen, boven den aart der zaake overdreeven: verre is 't van mij, te willen stellen, dat wij thands geen Kunstenaars van zuiveren en waaren smaak in elk vak zouden bezitten; verre van ons is 't den staat der tegenwoordige inrichting der Maatschappij te willen berispen; zij is onderworpen aan omstandigheeden, door welke derzelver houding onvermijdelijk bepaald wordt: met de verandering dier omstandigheeden kunnen ook derzelver uitwerkselen geheel van gedaante veranderen.----Dit, waarde Leezer! is alleen 't gene ik omtrent de bedoeling van dit werkjen, ten einde alle verkeerde toepassing voor te komen, nog te berichten hadde; mooglijk zal ik eene nadere recensie en verdeediging over sommige daarin voorkomende bijzonderheeden, des noodig oordeelende, zelve het licht doen zien.
[Decoratieve illustratie]
+---------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De volgende correcties zijn in de tekst | | aangebracht: | | | | Bron (B:) -- Correctie (C:) | | | | B: wat lapten, brak en weder een andere | | C: wat lapten, brak er weder een andere | | B: _De Wijsgeer,_ ô, Dan zult | | C: _De Wijsgeer._ ô, Dan zult | | B: GASSENDUS, NEWTON MUSSCHENBROEK, | | C: GASSENDUS, NEWTON, MUSSCHENBROEK, | | B: Ja wij heb- Telescoopen uitgevonden, | | C: Ja wij hebben Telescoopen uitgevonden, | | B: zonnen kun- onderscheiden; en | | C: zonnen kunnen onderscheiden; en | | B: 2090. | | C: 2110. | | B: _Etuis_, _odeurs_ _bonbons_, en | | C: _Etuis_, _odeurs_, _bonbons_, en | | B: Genootschap aldaar_ Ao. 2090. | | C: Genootschap aldaar_ Ao. 2150. | | B: nieuwe goed gesteld zijn gij kunt | | C: nieuwe goed gesteld zijn, gij kunt | | B: deze plaats van _Juvenalis_: | | C: deze plaats van JUVENALIS: | | B: sumere_[18] Op deze wijze kunnen | | C: sumere._[18] Op deze wijze kunnen | | B: verdichte stukken bevallen om | | C: verdichte stukken bevallen ons | | B: bij de uitspraak, te maaken zijn. | | C: bij de uitspraak, te maaken zijn? | | B: _Ik_ Gij hebt daarin zeeker | | C: _Ik._ Gij hebt daarin zeeker | | B: wetten van uw land niet tegen. | | C: wetten van uw land niet tegen? | | B: in de gevangenis onderhouden? | | C: in de gevangenis onderhouden. | | B: dien gewigtigen post waarteneemen | | C: dien gewigtigen post waarteneemen. | | | +---------------------------------------------+