Het toekomend jaar drie duizend: Eene mijmering
Part 5
't Berouwde mij, dat ik mij dat woord had laaten ontvallen; want ik wist niet, hoe ik dezen goeden man, met mooglijkheid, eenig denkbeeld van 't _à l'hombre_ spel zou kunnen geeven; ik moest toch wat antwoorden, en zeide:
Ik zal u zeggen, _à l'hombre_ of _Ombren_, in de wandeling, is een spel dat men zittende met elkander speelt, en bestaat in het op de tafel werpen, van beschilderde blaadjens papier, sommigen derzelve zijn met heele monstreuse beelden beschilderd, met twee hoofden, vier armen, en twee buiken; deze beelden zijn uit de oude en nieuwere tijden ontleend, althands men heeft ze naamen uit de gewijde en fabel geschiedenissen gegeeven; bijvoorbeeld: Koning DAVID en HECTOR, CHARLEMAGNE en HELENA; PENTHAMEE en LUCRETIA, onder anderen is 'er een beeld bij, dat heet CIPRI ROMAN; maar ik kan u betuigen, dat zelfs de ervaarendste _omberaar_, tot heden, nog niet weet wat dat beduidt; de overige blaadjens zijn met _ruiten_ of met _klaverblaadjens_, of met _hartjens_, of met een figuur in de gedaante van een _schupjen_ betekent, en _schoppen_ genoemd; nu, om dan voorttegaan, als men dan aan elk wat van die blaadjens in de handen gegeeven heeft, dan begint men ze na vervolg neder te werpen, en aan het eene blaadjen meer waarde gegeeven zijnde, dan aan het ander, dan is het gevolg, dat hij die de meestwaardige kaarten in handen gekreegen heeft, overwinnen moet, en al de andere die nedergelegen worden, naar zig kan haalen.
_De Kunstkenner._ En wat gebeurt 'er dan verder?
_Ik._ Wel! dan is het spel uit, en men geeft elkander geld.
_De Kunstkenner._ Geld! Ik meende dat ge zo even zeidet, dat het een spel ware?
_Ik._ Wel ja! ja, een spel; maar men speelt om geld.
_De Kunstkenner._ Zo! heet men dan al wat tot uwent om geld gedaan wordt, _speelen_? Nu zo, dat is iets anders: als de Bakker dan brood bakt, speelt hij dan?
_Ik._ Wel neen! zo moet ge 't niet begrijpen? De Bakker geeft voor geld zijne waaren, die hij, om ze in staat te stellen van gebruikt te worden, bewerken moet; men noemt zulke ruilingen van goed voor geld, geen spel; maar als men elkander iets geeft, uit hoofde van een, vermaakshalven, ingebeelde schuld, dan noemen wij dat speelen.
_De Kunstkenner._ Nu begrijp ik u, dan is 't alles maar _vermaakshalven_ zo uitgedagt, men zal dan zeekerlijk, als men ophoudt met speelen, elkander 't geld weêrom geeven!
_Ik._ (Verlegen met 's mans botheid van begrip) Wel zeeker niet! daar zou de winnaar wel degelijk tegen hebben: begrijp dat sommige speelers, geduurende het spel al vrij wat omzetten; veel verliezen of veel winnen kunnen, na dat de speel prijs onder hen hooger of minder is bepaald, en de fatsoenlijkste lieden stellen dien prijs zo hoog mooglijk is; want, na maate men grover speelt, wordt men vermoogender gehouden; bijvoorbeeld, zoo ik 't geld na uwe waarde schat, dat is driemaal zo min dan 't bij ons geschat wordt, dan gebeurt het dikwijls dat de middenclasse, die wij den Burger noemen, somtijds op een' avond een veertig stuivers wint of verliest, welke men veel naauwkeuriger betaalt, dan zulke schulden waarvoor men zijne waarde genooten heeft; want dit heeten wij _schulden van eer_, en het gebeurt dikwijls dat de bakker en slagter, voor hunne geleverde waaren, niets ontfangen; terwijl men driemaal zo veel als zij te vorderen hebben, om niet, en uit hoofde van die ingebeelde Eerschulden, aan elkander betaalt.
_De Kunstkenner._ Maar mij dunkt, dit strijdt tegen alle recht. Zorgen daar dan de wetten van uw land niet tegen?
_Ik._ Ja, dat doen zij voorzeeker; zo dra iemand, bijvoorbeeld, bij ons niets meer heeft om te betaalen, verliest hij zijne vrijheid, en wordt, op kosten zijner schuldeischers, in de gevangenis onderhouden.
_De Kunstkenner._ Zo, dan zal hij daar met eenig algemeen nuttig werk, iets verdienen, waarvan hij eindelijk zijn schuld voldoen, en zig weder vrijmaaken kan.
_Ik._ Neen! och neen! daar toe is in die gevangenissen geen de minste gelegenheid.
_De Kunstkenner._ Ei zie, dat is dan dunkt mij eene zeldzaame gewoonte. Ik bevat juist nog niet, wat voordeel de schuldeischer daar bij hebben kan; doch, wat zal men zeggen, men kan zo oppervlakkig niet over de gewoonten en zeden van een vreemd land oordeelen.--Maar dat kan ik u echter berichten, dat het hier geheel anders toegaat; want 't is bij ons zo eene groote schande meer te verteeren, dan men vermoogend is te betaalen, dat het slegts in veele jaaren enkel eens gebeurt, en dan nog geschiedt dit ongeluk niet door zulke zonderlinge ingebeelde schulden als het spel; maar door onvoorziene rampen, en in die gevallen treedt de geheele streek, waar zo een ongelukkige woont, toe; elk geeft een beuzeling en hier mede is de verarmde persoon gered, en niemand lijdt 'er eenige schaade bij. Zoo 'er al iemand het 'er op toe wilde leggen, om, voorbedagt, anderen te benaadeelen, zoude hij dit onmooglijk uit kunnen voeren; want men zoude hem daarin niet toegeeven; daar het bij ons eene gewoonte is, om, zonder geld of ruiling, niemand iets van 't onze aftestaan, 't geen ook niet behoeft, daar elk van zijnen grond zijn bestaan vinden kan.
_Ik._ Nu, dat is ook geheel iets anders, als in landen waar veel Koophandel gedreeven wordt; want daar moet ook veel _credit_ gegeeven worden; daar zijn de meeste bezittingen denkbeeldig; immers een koopman moet ten minsten tweemaal zo veel credit dan vermoogen hebben; maar hebt ge dan hier geenerleije spellen?
_De Kunstkenner._ Ja wel; maar men speelt slegts voor vermaak en gezondheid: wij hebben verscheiden bal-kaats- en lighaamsoefenende spellen; maar nooit denken wij om elkander geld aftewinnen. 't Spel is immers geen kostwinning? Maar, daar wij van 't spel spreeken, moet ik u eens even iets laaten zien, waar over hier zeer sterk onder de geleerden getwist wordt: sommigen houden het voor een spel, en anderen weder voor afgodsbeelden der ouden, en wel van sommige half beschaafde, half onbeschaafde volken, die men zegt dat in de XVIIIe. eeuw in 't hart van Europa gewoond hebben.
Hij vertoonde mij daarop een doos, waarin, onder andere niets beduidende snuisserijen, ook beeldjens van dieren van goud, zilver, en met Juweelen omzet, lagen, als Elephantjens, Penningjens, Lammetjens, Kruisjens, Sterretjens en andere kleinigheeden, welke ik weldra voor Ridderordes erkende. Terwijl ondertusschen de Kunstkenner voortging, dus te redeneeren: zou 'er aan die prulletjens nog al wat gelegen zijn, dunkt u? Ik heb al in den wil geweest, om ze mijn kinderen te geeven, om mede te speelen; maar als 't waar is, dat het oude afgoden zijn, is 't nog al der moeite waardig om ze te bewaaren.
Ik zeide daarop dat het juist geen afgoden waren; maar dat 'er echter bij mij te lande nog groote eer aan beweezen wierde, en dat iemand die zo een Lammetjen, Kruisjen, of Penningjen mogt draagen, al vrij wat aanmerklijks ten dienste des lands moest verricht hebben, ten minsten dat zijn voorouders een' aanmerkelijken dienst aan 't land moesten gedaan hebben.
_De Kunstkenner._ Wel is 't mooglijk! Nu dat is toch ook al raar; dan zijn 't zo veel als tekens, om iets te kunnen onthouden; zo? Dan was 't zeeker om dat men die groote daaden anders vergeeten zou, als men ze zich niet door zo een figuurtjen herinnerde; wel nu, dan zal ik ze bewaaren: moogelijk is dit Elephantjen dan ter gedagtenis dat iemand die beesten 't eerst ontdekt heeft; dit Lammetjen zal dan voor iemand die het gebruik der wol verbeterd, en dat Sterretjen mooglijk voor iemand die een nieuwe Planeet ontdekt hadt, geschikt geweest zijn; zo, nu zal ik ze wel trouw bewaaren.
_Ik._ Goede vriend! neen, 't is 'er juist zo niet mede gelegen, als ge wel meent; want deze figuurtjens werden veeltijds door lieden gedraagen die noch van natuurlijke Historie, noch van Koophandel of Sterrekunde iets wisten; hun herkomst is ook van een gantsch anderen aart; doch ik kan u verzeekeren, dat ze meestal voor krijgsverdiensten door de Vorsten gegeeven werden, en die ze droeg was zeekerlijk bij 't gemeen in groote achting, al ware hij ook nog zo bot; maar ze zijn toch aan goud, zilver en juweelen veel waardig.
_De Kunstkenner._ O, als 't anders niet is, dan zal ik ze maar aan mijn' kleinen jongen geeven; want goud, zilver en juweelen zijn bij ons zaaken van zeer weinig waardij.--
Ik stond zeer verwonderd over de koelheid waarmede de Kunstkenner deze kleinoodiën behandelde, en besloot mijn bezoek met deze woorden: inmiddels danke ik u wel zeer voor uwen vriendelijken ontfangst, in hoope dat ik u toch niet van noodiger bezigheeden afgehouden zal hebben: ik wilde nu nog gaarne eens een Regeerings persoon gaan bezoeken; zoo 'er hier kort bij een mogt woonen; want behalven dien Vader des lands, zullen 'er immers zeekerlijk ook nog wel andere Regenten zijn.
_De Kunstkenner._ Voorzeeker, maar ge zult ze thands niet tot hunnent vinden; want ze zullen allen ter schoole zijn.
_Ik._ Ter schoole! Regenten gaan bij u nog school? waar gelijkt dat nu weêr na?
_De Kunstkenner._ De Regenten gaan niet meer school; maar zij moeten des naademiddags in de schoolen tegenwoordig zijn; om dat de jeugd onder hun eigen opzicht opgevoed en onderweezen wordt.
_Ik._ Zo! dan zijn uwe Regenten een soort van Atheensche _Ephoren_? Nu ja, dat is zeer prijsselijk; want de kinderen zijn toch het toekomend geslacht; 't komt 'er dus wel zeer op aan, dat een goede Regeering een naauwkeurig opzicht op derzelver onderwijs en opvoeding draage. Ik ben waarlijk verheugd dit te verneemen; men wordt immers in de schoolen toegelaaten?
_De Kunstkenner._ Eenen vreemdeling wordt hier nergens toegang geweigerd; men behoeft hier geen schatten te verbergen, die de hebzucht gaande kunnen maaken; al wat wij hier bezitten kan elk weldenkend volk zig eigen maaken. Wij hebben hier alleen goede wetten, veel lust tot weetenschappen en te vredenheid met onzen staat.
_Ik._ Wel nu, mijn voorneemen was ook, naa een bezoek bij u afgelegd te hebben, de schoolen, immers een derzelve, eens te gaan bezichtigen; ik zal daar tevens uwe Regenten vinden, die ik toch mede gaarne eens aantroffe?
_De Kunstkenner._ 't Zal uw tijd worden, als ge de school nog wilt zien; want zij zal welhaast geëindigd zijn.
Ik nam, op deze waarschuuwing, terstond mijn afscheid, van den beleefden Kunstkenner, en ging weder met mijnen Geleider op weg. Toen wij een eindjen weegs gegaan hadden, brak mijn Geleidsman het zwijgen, en zeide:
Wij zijn hier reeds digt bij de school; maar, eer wij 'er ingaan, moet ik u nog waarschuuwen, dat gij de persoonen, welken het bestuur aanbetrouwd is, geen _Regenten_ noemt; wij noemen hen alleen _Oudsten_; want 't zijn in de daad, in alle onze vlekken, de bejaardsten uit het vlek; want hoewel elk inwooner tot dit bestuur gerechtigd is, worden doorgaandsch de bejaardste lieden, daarmede voorzien; mids zij nog in staat zijn, dien gewigtigen post waarteneemen.
Ik dankte mijnen Geleider voor zijn bericht; terwijl wij reeds in eene ruime wooning binnen traden; deze was de school zelve: zij was in vier onderscheidene vertrekken verdeeld; in elke dier vertrekken zaten twee dier Oudsten, in een verheven gestoelte, terwijl de onderwijzers een weinig laager geplaatst waren. De leerlingen welke hier van de jongste waren, kwamen mij niet onder de zeven, en niet boven de negen jaaren voor. Ik vond hen bezig met, aan een der tafels, de letters te leeren, terwijl men aan eene andere reeds een weinig verder met spellen en leezen gevorderd was, en aan een derde tafel werkelijk een' aanvang met schrijven maakte.--Wij wandelden deze school, waar, tegen de gewoonte der kinderschoolen, een groote orde en stilte heerschte, langzaam door, en kwamen in de tweede school, hier vonden wij alles op dezelfde wijze ingericht; de leerlingen waren hier van tien tot veertien jaaren; aan een der tafels, zag ik, gaf men onderwijs in de taal, die in gebruik was; naamlijk in het schrijven van een' goeden stijl, en in de letterkundige regelen der taal; aan een tweede tafel was men bezig om het Latijn en Grieksch te onderwijzen; voor zo verre deszelfs beginselen betrof, hier werdt van buiten geleerd; doch de kinderen leerden in stilte, voor hun zelven; een derde tafel was geschikt voor hun die reeds Latijnsche opstellen konden vervaardigen, en aan een vierde tafel werden Latijnsche Aucteuren geleezen en geëxpliceerd; CICERO was om zijn zuivere taal en SENECA, om zijne zedekunde, hier in gebruik.--Dichters vond ik hier niet.--In de derde school zag ik jongelingen van zestien tot achttien jaaren, deze waren aan een tafel bezig met zig in de wiskundige weetenschappen te oefenen, terwijl aan een tweede tafel de Redenkunde of Logica, en aan een derde de beginselen der zedelijke wijsbegeerte onderweezen werden. Eindelijk in de vierde school, waarin ik jongelingen van achttien tot twintig jaaren vond, werden de Proefondervindelijke Natuurkunde en de kennis van de wetten en constitutie der Regeering op verschillende dagen onderweezen; zo dat reeds deze school den dienst van eene Academie, wat betreft de zedelijke wijsbegeerte, doen konde, en de jongelingen in alle, meest tot het leven noodige, vakken der geleerdheid bekwaam gemaakt konden worden.
Toen wij in deze laatste school binnen traden, was men juist bezig met de verklaaring der wetten, waar na dit land bestuurd werdt; men las dezelve voor, en gaf reden van al wat in de zelve gesteld was; dit juist gaf mij gelegenheid van, bij 't eindigen der voorleezing en geduurende het uitgaan der schoole, in gesprek te treeden, met een der Oudsten, welke in deze school de voorzitting hadt. Ik maakte hem eene aanmerking bekend, welke mij onder het leezen der wetten ingevallen ware; bestaande daarin, dat ze mij niets anders dan zekere geregelde schikkingen van huishouding scheenen te behelsen; zonder dat 'er van eenige misdaaden of straffen in gerept wierde; 't zullen, zeide ik, zeekerlijk, alleen de Burgerlijke of _Civile_ wetten geweest zijn, die ik heb hooren voorleezen; 'er zijn immers, behalven dezen, ook _Crimineele_ wetten hier in gebruik?
_De Oudste._ O neen! wij kunnen 't met deze gemakkelijk af? Ik weet wel, wat gij bedoelt; maar ge moet die oude tijden, toen 'er crimineele wetten noodzaakelijk waren, niet verwarren, met de behoefte van onzen tegenwoordigen tijd. Wil ik u eens beknoptelijk zeggen, waar om wij alleenlijk _civile_ schikkingen, en geen _crimineele_ wetten noodig hebben; hoor, dat komt van daar, dat wij de Jeugd onder ons eigen toezicht opvoeden; dat onze maatschappijën thands zo geweldig groot niet zijn, dan vóór dertien eeuwen; dat wij onzen rijkdom niet meer in elendig poppengoed van goud en zilver, maar in kennis en vergenoegen zoeken. _Want hier door_, zegt JUVENAAL, _ontstaan gemeenlijk de oorzaaken van schelmstukken, en geen ondeugd van het menschelijk gemoed, heeft ooit meer vergifts gemengd, of zwaarden ter verderve gewet als de felle trek tot onmaatige middelen_.[20] In één woord, dat wij waarlijk verstandiger geworden zijn, en daar, waar het verstand verlicht wordt, verminderen allengs de misdaaden; zondigen is dwaalen: wij trachten, zo veel mogelijk, der jeugd van 't eerste oogenblik heurer ontluikende kennis, waare denkbeelden der dingen in te boezemen. De jeugd blijft niet te min wel verschillend van aart; en dat is, tot derzelver bestemming, ook hoogstnoodig; maar alle die misdaaden, die, in voorige eeuwen, uit begeerte naar eens anders goederen en bezittingen ontstonden, en zo wel den koning als den onderdaan besmetteden, zijn bij ons voorwerpen van medelijden. Hier toch is bij niemand overvloed, maar ook bij niemand gebrek; want zo dra iemand meer geld of goed, langs den eenen of anderen weg, verkreegen heeft, dan hij voor zig gebruiken kan, geeft hij 't vrijwillig in de schatkist des Lands, en daaruit worden weder anderen, in gevalle van onvruchtbaarheid, of andere rampen, ondersteund, en voor gebrek behoed; zo dat hier niemand meer dan een ander verlangt, alzo hij zeer tegen de algemeene gewoonte zou handelen, met zijn overhebbende goed, niet ten gemeenen nutte afteleggen. Wat werden 'er, in voorgaande eeuwen, uit den ongelijken eigendom niet al misdaaden gebooren! Hoogmoed, onrecht, moord, diefstal, bedrog, die alle slegts op het _mijne en uwe_ gegrond waren[21]. Nu, waar de oorzaaken ophouden, houden ook de gevolgen dier oorzaaken van zelven op; onze voorvaders hebben getracht, langzaamerhand die oorzaaken te doen ophouden; wij genieten daar thands de vruchten van, waartoe zouden wij dan geneesmiddelen tegen de schadelijke gevolgen, dier bij ons onbekende oorzaaken, bezigen?
[20] _Inde fere scelerum causae, nec plura venena Miscuit, aut ferro grassatur sæpius ullum Humanæ mentis vitium, quam sæva cupido Indomiti census._
JUVENALIS _Sat._ XIV.
De Apostel PAULUS zegt mede, zeer juist: _de gierigheid is de wortel van alle kwaad_.
[21] Vergelijkt hier mede den 11den Zendbrief van den Apostel PAULUS aan _Thimotheus_ vers 1-9. ingesloten.
_Ik._ Gelukkig en gezegend moet uw land zijn, waarin zulke hevige middelen ontbeerd kunnen worden.
Geheel verrukt, riep ik, in een soort van kortstondig enthusiasmus, de heerlijke Dichtregelen van den grooten MARO uit:
_Magnus ab integro sæclorum nascitur ordo, Jam redit et virgo redeunt Saturnia regna; -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- Talia sæcla suis dixerunt currite fusis, Concordes stabili fatorum numina Parcæ!_[22]
[22] Dus door VONDEL in Neêrduitsche dichtmaat gebragt:
-------- Nu komt, zonder land geschil En strijdt, een lange rij van eeuwen aangetogen, Saturnus eeuw en maagd Astræa komt gevlogen. -- -- -- -- -- -- -- -- De Schikgodinnen, die eenstemmig 't vast besluit Van 't noodlot sterken, en bestemmen, riepen luit, O, spillen! vaart al voort, en spint ons zulke tyden.
Doch staa mij toe, dat ik u verzoeke mij eene zwaarigheid optelossen. Gij zegt zelve dat de kinderen onder u van verschillenden aart zijn.--Juist dit dunkt mij, moet oorzaak zijn, dat ze tot booswigten, misdaadigers, enz. ontaarten? En in zulk een geval, kunnen 'er, dunkt mij, geen crimineele wetten in eene maatschappij gemist worden.
_De Oudste._ Ik heb u wel gezegd, dat de kinderen onder ons in aart verschilden; maar niet dat hun aart ten kwaade geneigd ware. De menschlijke aart schijnt altijd ten goeden overhellende; altijd tot zijn zelfs verbetering neigende; dit heeft in de voorige eeuwen, zo veele booswigten, en zo veele braave lieden, tevens opgeleeverd; men wist dien aart maar niet wel te leiden; ook hadt men, te dier tijd, daaden en handelingen voor misdaadig en zondig uitgekreeten, die, na onze inrichtingen, geheel onschuldig zijn. Dit neemt bij ons een groot deel kwaads weg; waarbij dan nog komt, dat wij geen belang in het overtollige hebben leeren stellen; hier door is dieverij, moord, bedrog, en al dat gevolg van het _mijne_ en _uwe_ bij ons verdweenen.--
_Ik._ Ik kan mij geen maatschappij verbeelden, waar dit kwaad geen' invloed hebbe.
_De Oudste._ Dat komt enkel daarvan, dat ge nog te midden onder een ander soort van samenleeving leeft; wij kunnen ons ook volstrekt geen juist denkbeeld dier samenleeving van de voorige eeuwen, van hebzucht, en wandaaden maaken.
_Ik._ Laat dat zo zijn; maar schoon men nu die voorwerpen van misdaaden wegneeme; 'er zullen toch altijd hartstochten van _Toorn_, _Liefde_, enz. overblijven, die toch ook gelegenheid tot wanbedrijven kunnen geeven; schoon 'er geen geld of goed mede gemengd zij. Ik denk toch dat uwe Landgenooten wel door driften somtijds in beweging gezet worden; anders zoude het wel een doodelijk slaaperige maatschappij uitmaaken.
_De Oudste._ Dit verbeeldt ge u slegts; 'er zijn zeekerlijk hartstochten onder ons; maar wij leeren elkanderen het buitenspeurige derzelve tegengaan; een maatschappij behoeft immers niet slaaperig en doodsch te zijn, schoon 'er niet in gemoord of gestoolen worde; ook zijn onze regeeringsschikkingen van dien aart, dat, zoo 'er al eens zulk een ongelukkig voorval gebeurde, men zodanig een door hartstocht overweldigd mensch, onder de zinneloozen en ongezonden, in onze zeer wel ingerichte Gasthuizen, zou trachten te verbeeteren.
_Ik._ Maar hoe komt het toch, dat ik in deze school geen knaapjens onder de zeven jaaren en geen meisjens aantreffe?
_De Oudste._ Wij zenden de kinderen onder de zeven jaaren niet ter schoole, noch stellen hen aan geenerlei geheugen, of herssensoefenenden arbeid; maar maaken hen dan sterk en bekwaam tot ligte handwerken, die ze ook door den tijd noodig zullen hebben; dat begint al met hun vijfde jaar; de eerste jaaren der kindsheid, worden slegts met groeijen en speelen versleeten. Wat de meisjens aangaat, deze worden afzonderlijk in schoolen, onder toezicht van vrouwen, opgevoed, en mede in sommige der nuttigste weetenschappen, maar inzonderheid in de huishoudkunde, onderweezen.
_Ik._ Maar hebt ge geene volks bijeenkomsten, waarin aan bejaarden hunne verhevenste pligten voorgehouden worden? In één woord, hebt ge geen Godsdienstoefenplaatsen, geen Kerken?
_De Oudste._ Wel voorzeeker! Wat land kan zonder Godsdienst bestaan? maar wij noemen die bijeenkomsten Zedeschoolen, en zij die in dezelve leeren en onderwijzen, Zedeleeraars; doch het gewigtig twistpunt dat vóór veele eeuwen de oorzaak der geweldigste beroeringen in landen en staaten geweest is, te weeten het _kerkelijk gezag_, is bij ons niet bekend. Al wat het bestuur aangaat wordt aan den Vader des Lands, benevens zijne oudsten, overgelaaten; maar de zedeleeraars bemoeijen zig met verhevene wijsgeerige leeringen, stichtende en aangenaame voordragten te doen, ten einde het gene het volk in de schoole geleerd heeft, en dagelijks tot hunnent oefent, behaaglijk te herhaalen, en hen in 't geheugen te prenten.
_Ik._ Maar leert men hier in die leerschoolen van den Godsdienst geene Theologische stelsels; hebt ge thands geene Theologanten?
_De Oudste._ Wel ja! in zekeren zin hebben wij zonder twijfel _Theologanten_, immers de waare _Theologie_ is onveranderlijk. Mijn voorneemen is zelfs om bij een hunner op 't oogenblik een bezoek te gaan afleggen. Gelieft gij mij gezelschap te houden, dan kunt ge hem zelven over zijne leer onderhouden.
Ik was verheugd die gelegenheid te kunnen waarneemen, om mij met de Theologische stelsels der volgende Eeuwen bekend te maaken. Met al mijn hart, was mijn vuurig antwoord, laat ons, zoo 't u anders niet belet, ten eersten heenen spoeden. Wij deeden dit, ik verbeelde mij den Oudsten aan mijn regtsche en mijn' Geleider aan mijn linksche hand te hebben; vol van gedachten over al 't gene wat ik den Theologant vraagen, en bij hem onderzoeken wilde, naderden wij aan zijn wooning. Hij was mede een eerwaardig, doch eenvouwig grijsaart. Hij ontfing ons met alle tekenen van opregt gemeende gulheid; wij zetteden ons bij hem neder. De Oudste vong het gesprek aan.
_De Oudste._ Eerwaardige! zie hier een' vreemdeling, die uwe meening omtrent eenige verborgenheeden uwer leer van u wilde verneemen.
_De Leeraar._ Hij spreeke; 't zal mij aangenaam zijn, hem eenig licht en troost te kunnen verschaffen. Maar (zig tot mij wendende) verborgenheeden, goede vriend! en althands verborgenheeden Gods, zijn en blijven hier op aarde ondoordringbaar voor den zwakken sterveling. Wij prenten daarom onzen kinderen in de schoolen den grooten regel van den alouden POPE in. _Mensch! wees dan nederig in uwe hoop, en verhef u niet dan met vrees, wagt den grooten onderwijzer, den dood, en aanbid God_[23].
[23] _Hope humblij then; whit tremblung pinions soar; Wait te great teacher Death; and God adore._
_Essai on Man. Ep. I._
Want de oude SCALIGER zegt, met reden:
_Nescire velle quod magister optimus Docere non vult erudita inscitia est._
Niet te willen weeten, 't geen de opperste leeraar, niet leeren wil, is regt geleerde onweetenheid.