Het toekomend jaar drie duizend: Eene mijmering
Part 4
_Ik._ Ja, 't was te _Peking_ gedrukt.
_De Kunstkenner._ Wel, dat wilde ik ook zeggen; men is daar nog aan veele oude gewoonten te zeer gehecht, om dien smaak geheel te kunnen verlaaten; maar hier gebeurt het alleen nog maar tot oefening van den geest voor de leerlingen, en dan laaten wij hen niet meer dan enkele schetsen maaken; ten einde te kunnen zien, in hoe verre zij de geschiedenissen en de gewoonten der oude volken, na onze meening, wel getroffen hebben; doch nooit wordt dit hun werk gemeen gemaakt of verkocht.
_Ik._ Ja, in mijn land heeft men 'er juist ook niet veel mede op; doch of de oorzaak van die onverschilligheid voor 't ordonneeren van ontwerpen uit de Geschiedenissen, uit een gebrek aan kunde in dezelve, en van oefening van het verdichtend vermoogen, ontstaat, dan of de reden die gij 'er voor opgeeft, bij ons mede de oorzaak van het verval in dezen is, wil ik niet bepaalen.
_De Kunstkenner._ Wij zijn juist ook door het groot verval in de kunst tot onzen nieuwen smaak overgehaald; want in de laatste jaaren van het verval der aloude Kunstoefening hier te lande, verborgen de Schilders hunne onkunde en armoede van geest, onder het masker van _eene edele eenvouwigheid_, waar in zij _het wezen der schoonheid_ stelden; dat, wat de stelling aanbelangt, juist niet valsch was; want het is opmerkelijk, na maate de Practische oefening der kunst verminderde begon de Theoretische ongemeen in wijsgeerige kragt te bloeijen; zo dat eindelijk hij, die geen' vinger goed tekenen konde, echter over de twee uuren lang, tot verbaazing der toehoorers, kon redeneeren, over de wijze op welke een vinger, zoude die schoon zijn, getekend behoorde te worden; van waar denkt ge dat deze bekwaame onbekwaamheid en kundige onkunde ontstondt; een door mij dikwijls door en door bestudeerd schrijver, die over het verval der kunst in de negentiende eeuw, een uitvoerig werk samengesteld heeft, dat nu nog onlangs met veel aantekeningen, te _Cusco_ in _Peru_, herdrukt is, geeft 'er deze reden van: men hadt de voorbereidselen tot de beoefening der kunst in dien tijd te zeer vermeerderd; zo dat de leerling, eer hij de tekenpen of 't penceel in de hand kreeg, eerst een _Cursus_ in de _Philosophie_, _Physica_, _natuurlijke Historie_, en inzonderheid in de _Anatomie_ van het menschelijke lighaam, moest doen; om eerst als 't ware vooraf te leeren, hoe hij de zaaken bij de naauwkeurige beschouwing der natuur, naaderhand zoude bevinden; dit nam hem dus een al te grooten tijd weg, om zig op het bestudeeren der natuur zelve toeteleggen; en versmoorde de vinding in den geest der leerlingen; zo dat zij niet bekwaam werden, iets zelve te ordonneeren, of met smaak te plaatsen. Dit niet kunnende, gebruikten zij hunne geleerdheid, om hunne tijdgenooten te overtuigen, dat hunne voorgangers, die rijk geordonneerde tafereelen geleverd hadden, het waare schoon niet gekend hadden, en men bewees eindelijk, dat dit schoon in eene de natuuroverstijgende uitdrukking bestonde. Als zij, om slegts een voorbeeld van dien smaak te geeven, den slag van _Alexander_ tegen _Porus_ wilden verbeelden, tekenden ze slegts twee strijdende Helden te paard, en deze moesten, op grond der edele eenvouwigheids leer, de beide heirlegers, met hunne opperhoofden, voorstellen; want zij redeneerden dus: _Alexander_ en _Porus_ waren beide krijgshelden; wij hebben nu krijgshelden van beide hun legers verbeeld, of wij dien nu nog duizendmaalen vermenigvuldigden, zouden wij toch niet anders dan krijgshelden 'er van kunnen maaken, en wij gingen te zeer af van het edele eenvouwige, en zouden onze tafereelen te veel, buiten noodzaaklijkheid, overlaaden; 'er was te dier tijde nog een oude, doch merkwaardige, afbeelding van dien slag, door een zeer voornaam meester, in weezen, deze was rijk in beelden, verheven in uitdrukking en verstandig in ordonnantie; hier ging men geweldig op los, wijzende geduurig met den vinger op dit tafereel, daar was dit beeld niet wel gesteld, hier was deze arm niet mooglijk zo te houden; weder elders tekende de _deltois_ te zwak. Gindsch was de _pronator_, daar weder de _supinator_ niet in behoorlijke werking geplaatst; hier hadt de Schilder de munnikskap spier te breed, weder elders de _pectorales_ te zwak aangeduid. Daar weder hadt men op de Paarden veel te zeggen; terwijl het eenvouwig schoon afbeeldsel dier Schilderhelden wel een bataille van _gevilde menschen_ geleek; want men hadt zeer angstig het doortekenen van het geringste spiertjen, dat slegts even onder de opperhuid zichtbaar kon zijn, waargenomen, en was zelfs, om de kunde in de _anatomie_ te toonen, zo verre gegaan, dat men, als door een doorschijnende huid, ook de verborgen deelen des lighaams aanwees. Dit alles hebbe ik, gelijk ik gezegd hebbe, in een' schrijver van de XIXe. eeuw, die over 't verval der kunst schreef, met verwondering, geleezen.
_Ik._ Is 't mooglijk, is de kunst zo zeer boven de navolging der natuur gesteegen?
_De Kunstkenner._ ô Ja, en die ging in alle uitbeeldende kunsten over: zelfs de Tooneelspelkunstenaar hieldt het voor schande de eenvouwige natuur na te bootsen. Hij wrong zijn lighaam doorgaands, immers als ik dien schrijver gelooven mag, in zulke wonderlijke bogten, dat hij, althands in sommige hevige rollen, eer een serpent dan een mensch geleek. De toejuiching, die daar opvolgde, heeft zelfs veelen hals en beenen doen breeken; want de lighaamen konden die schrikkelijke verdraaijingen niet weder staan. 'Er moest ook, te dier tijde, volgends dien schrijver, altijd een Ledenzetter op het tooneel bij de hand zijn, om de verminkte kunstenaars terstond te kunnen verbinden.
De Tooneel dichters gaven ook niet weinig aanleiding tot dit verminken der kunst en der kunstenaars, daar hun gewrochten mede characters voorstelden die verre boven de natuur getrokken waren; zo dat de navolgende kunstenaar niet anders kon doen dan de natuur overschreiden, zoude hij zijn' rol maar even lijdelijk uitvoeren; men bragt de schriklijkste tafereelen der lijdende menschheid en de ondenkbaarste ellenden op het tooneel; dit ging zo ver, dat men dezelve niet meer, door den gewoonen toon der spraak, kon afbeelden; men moest dus de stem mede geheel boven de natuur verheffen, en zingende uitdrukken, 't geen men spreekende geen behoorlijke kragt kon geeven; dit kunt ge denken dat het natuurlijke der voorstelling nog meer verminderde; dit alles werdt nogthands op _æsthetische_ gronden in dien tijd verdedigd; immers zodanig redeneert die schrijver van de XIXe. eeuw over deze zaak; men bragt den aanschouwer de ijsselijkste voorvallen voor oogen; men vertoonde 'er vrouwen en kinderen, die in onderaardsche gevangenissen van honger en gebrek, verkwijnden; en eindelijk, onder het zingen van eenige aria's, stierven. Beroemde Mannen der deftige Oudheid voerde men integendeel weder zeer luchtig ten Tooneele, daar men onder anderen, aloude vermaarde Helden te samen dansende, en bij wijze van een Ballet, liet strijden; terwijl de overwonnene in een soort van dans, welken men toen _Hornpijp_ noemde, op de vlucht huppelde.
_Ik._ Maar, gij spreekt daar van zingen, hoe is 't toch eindelijk met de muziek gegaan? Hier van zal die schrijver ook wel gewaagen. Bij ons is die kunst thands op een' trap van hoogte die haar met sterke afneeming dreigt.
_De Kunstkenner._ Zij is ook, volgends dien schrijver, mede op zulk een' trap in de achttiende eeuw hier te lande geweest; in de negentiende begon ze tevens met alle kunsten ongemeen te verbasteren; want zij, eene kunst zijnde, die slegts van het wisselziek gebruik in den tijd pleeg aftehangen, moest men telkens iets nieuws in dezelve uitvinden, om den verflaauwenden lust weder te prikkelen en de zatheid in graagte te veranderen; naa dat men dan eerst de voor ieder aangenaame _Harmonie_, waarin men het schoon der Toonkunst pleeg te stellen, doch waarvan men nu zat was geworden, in eene onbegrijpelijk vlugge behandeling der speel instrumenten, of in eene de uiterste grenzen der mooglijkheid naderende hoogte in de stem en plotslijke daaling derzelve, gezogt hadde, begon men eindelijk in het laatst der XIXe eeuw ook dat zat te worden en men ging een' geheel anderen, en tegenstrijdigen, weg in; men maakte elkander diets, dat het geen men weleer welluidend gevonden hadde, juist onwelluidend ware en omgekeerd, zo dat men zig nu toelag op de kunst der _Kakophonie_ of kwalijkluidenheid. Deze werdt nu alom de smaak, en men hoorde in de Concerten niet anders dan gillen, krassen, gieren, zo dat veelen, wier natuur niet zeer lijdelijk was, dit wangeluid niet konden uitstaan. 'Er kwamen van alle oorden, virtuosen, in deze _Antimelodia_ uitmuntende, aan, elk trachte zo veel mooglijk, zo door de stem als speel instrumenten, een gevoel van onwelluidenheid in 't gehoor optewekken; men hieldt dit, op wijsgeerige gronden, die men 'er voor opgaf, voor eene schoonheid; doch ook deze smaak duurde niet lang, maar sloeg weldra weder tot het geheel tegen gestelde over; de _Harmonie_ werdt nu weder ten sterksten behartigd; maar men zocht het nieuwe in het uitdrukken van zaaken, welke door geen klanken kunnen uitgedrukt worden; deze dwaasheid ging zo verre, dat men eindelijk de Vaderlandsche Historie, in eenige achtereenvolgende muziekstukken, door geluiden, trachte uittedrukken; kortom, dit werdt mede welhaast weder oud. Thands wordt de toonkunst, immers hier te lande, slegts bij weinigen geoefend; want men vindt hier weinig nuttigheid in oogenbliklijk vervliegende en niets in de ziel naalaatende klanken; maar de Kaffers zijn heden zeer verre in de muziek; alle de kunstnaamen zo van Instrumenten, als van muziek, die eerst Italiaansch of Fransch, waren, zijn nu Hottentotsch; want deze natie is thands op den hoogsten trap van weelde en beschaaving; maar zij is in lange nog niet in wijsgeerigen smaak verlicht geworden.
Men legt 'er zig thands op toe om nieuwe instrumenten te vervaardigen en uittedenken; want heden hebben wij geen enkel instrument van de XVIIIe. eeuw meer in gebruik, ook is 'er in de muziektekens, of nooten, een groote verandering voorgevallen; wij kunnen die der voorige eeuwen volstrekt niet meer verstaan; schoon 'er enkele groote geleerden gevonden worden, die meenen dat zij 'er nog al wat van weeten; immers is 'er onlangs een werk uitgekomen, _de Musica proavia, sive de veterum musicis organis_, dat is: _van de Toonkunst onzer voorouderen of van de speeltuigen der ouden_, daarin is de beschrijving der oude muziek instrumenten, gelijk ook een of twee voorbeelden van de nooten onzer voorvaderen, met veel geleerdheid en studie bijeengebragt; ik moet dit boek u eens laaten zien; wijl wij toch over dit onderwerp handelen. Hij ging in een naabij zijnde vertrekjen, en kwam met dit boek terug, toonende mij het zelve. Ik zag dat het door een Hottentots geleerden zeer omstandig in de Latijnsche taal geschreeven was, en herkende ook een of twee muziekstukjens, welke egter zeer gebrekkig, en, met uitlaating en wonderlijke stelling van eenige nooten, die allen naauw kenbaar waren, gesneden waren. Zo veel zag ik echter, dat een der zangstukjens het choor uit de _Belle Arsene_, _Thriomphez_, enz. en het andere de vois van _Jaapjen staa stil_ was; de aanmerkingen van dien geleerden Kaffer, waren bij uitstek uitgebreid, en men hadt 'er de toen in gebruik zijnde muziek- en speel- instrumenten bij vergeleeken, en ook in plaat gebragt. Onder dezen zag ik 'er een welks maaksel mij zo vreemd en wonderlijk voorkwam, dat ik niet naalaaten kon, den Kunstkenner te vraagen, of hij mij zulk een instrument niet eens in wezen zou kunnen toonen? ô Ja, was zijn antwoord; dat instrument heet _Gom Gom_, en is nu zo veel als onze fluit, ik kan u zelfs wel eens het geluid van dezelve doen hooren; hij ging daarop weder heen, kwam met het wonderbaarlijk maaksel zelve ook weldra voor den dag, en begon 'er op te blaasen; maar maakte een voor mij zo erbarmelijk geluid, even of 'er eenige jonge honden tjankten, dat ik hem voor zijne beleefdheid bedankte, voorgeevende nog iets over 't een en ander met hem te willen spreeken.
_De Kunstkenner._ De _Gom-Gom_ schijnt u toch niet zeer te bevallen?
_Ik._ Wel, wat zal ik u zeggen! Ja of neen, 't is ongewoonte! en elk landaart, ja bijkans elk mensch schijnt voor de gewaarwording des geluids, anders _georganiseerd_ te zijn. Ik wende voords, zo schielijk mij mooglijk was, het gesprek, zeggende: maar zeg mij toch eens, hoe komt het, dat al de boeken die ik nog gezien heb, in vreemde gewesten gedrukt zijn, worden hier geen boeken gedrukt?
_De Kunstkenner._ Weinig of geen! want schoon de geheele waereld thands bijna boeken maakt, worden 'er in alle landen maar zeer weinige gedrukt, en echter hebben wij overvloed van boeken; ook gaan 'er jaaren mêe heen, eer een aucteur zijn werk voor de pers gereed gemaakt heeft; zij arbeiden zeer langzaam, en volgen dan nog de les van HORATIUS: _nonum prematur in annum_, laatende hun werk negen jaaren stil liggen; dat verschilt veel bij ons, vóór dertien eeuwen, toen 'er duizenden daaglijks opgezet, en binnen weinig dagen afgewerkt, en ter waereld ingezonden werden; althands die aucteur, waarvan ik u zo even sprak, verhaalt dat 'er in het laatst van de achttiende eeuw, in Duitschland alleen, meer dan duizend aucteurs te gelijk aan den arbeid waren, en dat de overige landen, en inzonderheid Nederland, maar de handen vol werks hadden, om deze duitsche producten, in hunne moedertaal, somtijds geheel tegen den waaren zin des schrijvers overtegieten, en geheel misvormd, in hun taal te doen verschijnen.--
Ik zuchte hier eens, en dacht vriend! uw schrijver heeft het zeer wel, en na waarheid verhaald.--Thands is dat vertaalen en verminken niet noodig; want daar alles in het latijn geschreeven wordt, en elk die taal leert, kan elk mensch, het werk van de verstäfgelegene schrijvers, in al deszelfs kragt, en zo als het uit hun pen gevloeid is, leezen en verstaan, zo dat wij nu na gelang meer en beter doordagte boeken ontfangen, dan in die tijden; want elk is origineel, en legt zig op zijne eigene navorschingen toe.
Ja, ging hij voord, ik vermaak mij menigmaal met dien ouden schrijver; want hij verhaalt dan klugtige dingen, die in het laatst der achttiende eeuw, in de letter waereld, en althands in den Boekhandel, voorvielen. Begrijp eens, men gaf eindelijk naauwlijks vier of zes regels op een blad; en al de waarde der boeken bestondt eindelijk daarin, dat zij op het keurigst fijnst papier, en met overschoon gesneden letters, gedrukt waren; want zo zeer was in 't begin der XIXe. eeuw de smaak reeds vervallen, dat men niet vroeg _wat nut eenig boek behelsde_, maar _met wat letter, en op welk papier 't gedrukt ware_? ook werden 'er daaglijks in de nieuwspapieren de belagchelijkste advertentiën aangekondigd, verscheide Boekverkoopers schreeuwden in de nieuwspapieren, als kwakzalvers op de markt: _Hier moet ge weezen! Is 'er iets dat in een Christelijk Huisgezin onontbeerlijk is, het is dit of dat werk, dat voor zo veel te bekomen is_, of _daar in deze tijden, elk mensch niet leeven kan, zonder eenige kennis, van vreemde landen te hebben, zo is die of die Boekhandelaar teraade geworden, deze of die Reisbeschrijving uittegeeven_, eindelijk ging 't zo ver dat dit hevig dringend noodigen krachteloos geworden zijnde, men ten laatsten de menschen met geweld de boeken opdrong, en in huis wierp, en op 't eind des jaars de reekening 'er van dwong te betaalen; ja de boeknegotie werdt, op 't laatst, van eene bedelaarij een rooverij; maar toen begon 't geldgebrek ook algemeen toe te neemen, en wij geraakten allengskens in de gesteldheid waarin wij ons thands bevinden.
_Ik._ Maar zijn 'er thands geen geleerden, die de werken van andere schrijvers beoordeelen; het fraaije daarin aanwijzen, en het gebrekkige berispen?
_De Kunstkenner._ Waartoe zou dit toch dienen?
_Ik._ Wel, om den bekwaamen schrijveren aantemoedigen, en den onbekwaamen te leeren.
_De Kunstkenner._ Maar wie zou dat toch beslissend durven onderneemen; die zoude zig dan immers voor den bekwaamsten moeten houden?
_Ik._ Ja; maar zo een werk zoude juist niet door één' schrijver alleen vervaardigd moeten worden: men neemt in zo een geval, een geheel gezelschap geleerden, die elk voor het vak, waarin hij door geleerd is, oordeelen; althands zo gaat het bij ons.
_De Kunstkenner._ Kunnen de lieden tot uwent dan zelve niet verstaan of beoordeelen, wat zij leezen? Dat moeten wel botte lieden zijn, die noodig hebben, dat anderen hun zeggen, _wat ge daar nu leest is goed; maar wat ge daar leest deugt niet_. Zij kunnen dit immers zelve wel zien.
_Ik._ Neen vriend! daar scheelt 't hem juist aan; de groote hoop van leezers weeten tot onzent niet of 't geen zij leezen, gezond menschen verstand bevatte, ten zij, dat ze dat door gezag van anderen hooren bevestigen.
_De Kunstkenner._ En zoo 't geen de beoordeelaar verwijst nu eens den leezer redenlijk wel bevalt, of zelfs fraai voorkomt, hoe dan? Moeten de leezers zig dan toch aan 't oordeel van die Beoordeelaars onderwerpen? Is dat mooglijk zo een wet tot uwent?
_Ik._ Wel neen! Elks oordeel is vrij, en de berispte schrijver wreekt zig ook niet zelden, vrij hevig; maar wordt dan weder zo fel, door de Beoordeelaars beantwoord, dat hij somtijds zijn' goeden naam en Kunstroem in de samenleeving verliest.
_De Kunstkenner._ En zorgen de openbaare wetten, daar niet voor, dat de eene burger, den ander niet zodanig onteeren kan?
_Ik._ Voorzeeker, 'er zijn goede wetten tegen hoon dien men elkander aandoet; maar dan moet de hooner bekend zijn.
_De Kunstkenner._ Wel, die is dan immers bekend; ja zelfs algemeen door den druk bekend?
_Ik._ Wel neen, die Beoordeelaars maaken zig niet bekend.
_De Kunstkenner._ Maaken die zig niet bekend! durven ze dan mooglijk niet voor hun oordeel openbaar uitkomen?
_Ik._ Men zegt niet gaarne iemand zo openbaar de waarheid; immers men is 'er niet gaarne voor bekend; want somtijds berispt men wel persoonen op 't allerhevigst, waarmede men daaglijks als vriend omgaat.
_De Kunstkenner._ Wat zegt ge daar! Neen; dank zij den schenker van alle verstand, dit gebruik is bij ons niet bekend; niemand mag iets zonder zijn' naam uitgeeven, en niemand verlangt het ook te doen; want elk mag hier spreeken en schrijven gelijk hij denkt; en dat kan ook onder ons plaats hebben; want niemand denkt iets dat hij niet zou durven zeggen, en in plaats van eens anders werken te berispen, schrijven onze geleerden zelve; wanneer 'er, bijvoorbeeld, eens een of ander werk uitkomt; dat, na 't oordeel van een' of anderen geleerden, te onvolmaakt, te zwak, of te gebrekkig is, wel! dan houdt die zig niet op, met het zelve te berispen, maar schrijft over dat zelfde onderwerp, terstond, na zijn bevatting, een ander werk, en maakt zelfs in 't geheel geen gewag, van den anderen schrijver; dan besluit de leezer zelve, wat beter is, en dat dan ook beter is, heeft den meesten aftrek, zo gaat het althands bij ons daarmede; wel dat moeten bij u dan wel nijdige en verwaande geleerden zijn.
_Ik._ Neen, dat ontstaat bij ons niet altijd uit nijd of verwaandheid; maar om dat de uitgeevers dezer Beoordeelingen nog al wat meer aan de schrijvers derzelve, als voor ander Boekwerk kunnen geeven; om dat 'er zeekerlijk altijd goeden aftrek van is; inzonderheid als ze wat steekelig zijn. Dit noodzaakt ook den Boekverkooper, om zodanige boeken liever dan andere werken te onderneemen; want als zo een geschrift eens in den smaak komt, en als 't maar in 't begin wat hevig geschreeven is, kan dat niet missen; wel nu, dan heeft de Boekverkooper 'er een zekere vastigheid aan, waar op hij jaarlijks reekenen en staat maaken kan; want 't meeste wat bij ons in den Boekhandel gebeurt, geschiedt _lucri ergo_.
_De Kunstkenner._ Dan mag men tot uwent, met recht, het _auri sacra fames, quid non mortalia pectora cogis_, over dien handel, uitroepen. Schrijven dan de aucteurs tot uwent om geld?--Wel heden, dat moet al wonderlijk toegaan! Moet dan hun geest juist vaardig zijn, als de maag leeg is?
_Ik._ Wel dan juist studeert men met het beste gevolg.
Maar ik ben verwonderd geweest, dat de Boekverkooper wiens winkel ik bezogt, niet eens van rijmwerken of rijmen wist? Zijn 'er dan geen Poëeten meer hier te lande?
_De Kunstkenner._ Ja, ik begrijp 't zeer wel, wat ge met rijmen en rijmwerken bedoelt, meent ge niet die werken, welker regels zo veel als met dezelfde letters eindigen. Ja, Ja, ik verstaa u wel. O, dat is geheel uit den smaak: ik wil wel gelooven, dat de Boekverkooper dien niet kende; men moet al vrij gestudeerd hebben, om daar een denkbeeld van te maaken, en ge moet denken, die lieden welke de boeken verkoopen, zijn juist allen geen geleerden of _antiquarii_. Neen; zoo 'er al eens een Poëet onder ons opstaat, dat in geene jaaren gebeurt; want iemand die geen natuurlijke geschiktheid tot groote verbeeldingskragt heeft, schrijft geen Dichtwerken; nu dan, als 't al eens gebeurt, dan schrijft zo een Dichter na de maat die zijn hartstocht of verrukking hem aan de hand geeft; doch het gebeurt zeer zelden; hij moet dan ook daar bij de nooten stellen, welke dienen moeten om zijne gedichten wel, en in zijn gevoel, te leezen; want al onze Poëzij is met zekere muziek verzeld, en wordt gezongen. Gelijk ook bij de Grieken en Romeinen gebeurde, anders zoude ons de cadans, die 'er in plaats heeft, ontslippen, of in een lang gedicht, wel dra verveelen.
Ik twijfel echter of ge mijne meening wel vat; want ge moet 'er u zeeker geen juist denkbeeld van kunnen maaken, als aan 't Rijm te zeer gewoon zijnde. Deze soort van Gedichten als bij ons nog enkel voorkomen, konden ook vóór veele eeuwen, en in een land als 't uwe, waar nog veel behoeften zijn, niet ontstaan; 't is bekend wat HORATIUS, in zijn Dichtkunst, daar reeds over gezegd heeft. _Wanneer de Goudzucht eens een volk ingenoomen heeft, kan geen onsterflijk dicht meer uit hun voortkomen_.[19]
[19] _-- Ad hæc, animos aerugo & cura peculi Quum semel imbuerit, speramus carmina fingi Posse linenda cedro & levi servanda cupresso?_
_De arte Poetica._
_Ik._ Men zal toch zeekerlijk wel sierlijk bewerkte Redevoeringen onder u kennen?
_De Kunstkenner._ Ja, men doet zeekerlijk thands dikwijls openbaare Redevoeringen; want 'er is weeklijks een bijeenkomst in de hooge en laagere zedeschool, waarin bekwaame Redenaars de beoefening der deugd, en de gevolgen van ondeugd, krachtig voordraagen en aanprijzen. Dit geschiedt, of bij wijze van Redevoeringen, of bij wijze van samenspraaken, even als de aloude Tooneelspellen; want ons laagere zedeschool is ook tevens ons Tooneel; doch ik weet niet, dat de Redenaars daartoe zekere kunstregelen volgen: zij spreeken 't geene bij hun opkomt, en zo als eene gezonde _Logica_ voorschrijft; want zij zoeken hunne toehoorers niet met schijn te misleiden.
_Ik._ Beoefent men dan de Redeneerkunst, of _Rhetorica_ niet meer; bijvoorbeeld leert men niet, hoe men zijn reden opsieren en bevallig voordraagen moet, en hoe de gebaarden, bij de uitspraak, te maaken zijn?
_De Kunstkenner._ Neen! om dat deel der _Rhetorica_ denken wij niet. Men weet door de _Logica_ immers wel, als men iets wil voordraagen, dat men 't een niet voor 't ander, of verward, of verkeerd, of met oneigene woorden doen moet; en wat de gebaarden betreft, die worden door de natuur zelve geleerd; wij zien niet eens gaarne veel gebaarden op den Redeneerstoel maaken; alzo die den aandacht veel te veel afwenden.
_Ik._ Gij hebt daarin zeeker geen ongelijk; maar ik bedoel juist geene openbaare Redevoeringen; maar wel bijzondere voorleezingen, gelijk tot mijnent veel plaats hebben; men komt tot onzent niet bij elkander, of men leest iets voor, of doet een kleine Redevoering, over 't een of ander onderwerp; althands in zulke gezelschappen, waar niet _geömberd_ wordt.
_De Kunstkenner._ _Geömberd?_ wat is dat?