Het toekomend jaar drie duizend: Eene mijmering
Part 3
Terwijl wij hier nog over twisteden, kwam 'er een eerwaardig grijsaart, bijna even eens gekleed als de Wijsgeer, die nu reeds met den luchtbal op reis was, den winkel binnen. Op zijn inkomst toonden de Boekverkooper en mijn Geleider een grooten eerbied; zij ontdekten zig het hoofd, en de Boekverkooper maakte een' zetel gereed, en deedt hem, met tekenen van den grootsten eerbied, nevens zig zitten; Hoe hebt ge 't Vader? vroeg de Boekverkooper hem. Zeer wel, kind! dank zij den geever der gezondheid; zeide de grijsaart; en vervolgde, ik wenschte het onlangs uitgekomen werk over de Staatsonlusten in Nederland, in de XVIIIe. eeuw eens te mogen zien? Ik heb gehoord dat ge die boeken onlangs ontfangen hebt. De Boekverkooper reikte hem daarop een welgebonden octavo boek toe, 't welk hij met aandacht, doch zuchtend, doorbladerde. Terwijl hij hierin zag, verzocht ik mede zodanig een _exemplaar_ eens te mogen zien; met een greetige hand ontfing ik het terstond, en zag dat de Tijtel was _Hollandia agonisans restaurata, sive Historia rerum, in foederatis provinciis, seculo decimo octavo, gestarum, auctore Ha-ki-ung Chinense. Cum figuris æneis. Pekingiis, impensis La-chi-to-ang societatis Litterariæ Typographi Ao. MMCL.[12] Ik zag dit werk met graagte door, en stond versteld over de zonderlinge aaneenschakeling van sommige voorvallen, wier samenhang in de XVIIIe. eeuw zo verborgen scheen. Ik bezag ook de plaaten; maar die waren dan wonderlijk, gedeeltelijk na waarheid, en gedeeltelijk, geheel mis en tegen de _Costume_, bijvoorbeeld: ik zag 'er een voorval te dier tijd op den _Dam_ te _Amsterdam_ gebeurd; het Stadhuis was nog al redenlijk wel getroffen, doch het stondt ter plaatse, waar de vischmarkt behoorde te weezen, en men hadt 'er dicht nevens een breed water verbeeld, waar in groote scheepen voeren; de klederdragten waren geheel door elkander verward; onder anderen waren 'er beeldjens in, die waarlijk klugtig 'er uit zagen, te weeten: met breed gepande rokken, nieuwmodische engelsche vesten; maar tevens met kraagen en knevels voorzien. Terwijl ik dit met aandacht bezag, rees de Grijsaart op, zeggende het boek te zullen behouden en mede neemen; vaartwel mijn kinderen, zeide hij voords tegen den Boekverkooper en mijnen Geleider en werdt met dezelfde betooningen van eerbied weder uitgeleid.--Ik vroeg, naa hij vertrokken was, aan den Boekverkooper, wat de prijs van dit boek ware? Acht stuivers, Vriend! was zijn antwoord, 't komt wat hoog om de veele plaaten.--Ik meende dat ik hem niet wel verstaan had, en vroeg nog eens; _acht stuivers!?_
[12] Dat is: _Het zieltogend Holland hersteld, of Geschiedverhaal van het gene in de Vereenigde Nederlanden in de XVIIIe eeuw voorgevallen is, door Ha-ki-ung van China, met koperen plaaten, gedrukt te Peking, op kosten van La-chi-to-ang, gewoon drukker van het Letterkundig Genootschap aldaar_ Ao. 2150.
_De Boekverkooper._ Ja zeeker, ik kan het waarlijk niet minder laaten; 't zijn al vaste prijzen die op dat nieuwe goed gesteld zijn, gij kunt het achter den Tijtel gedrukt vinden.
_Ik._ Nu ik heb 'er geen woord tegen, Vriend! maar sta zelfs zeer verwonderd over den laagen prijs van zodanig een werk, en dat van zo verre landen komt.--Ik voldeed hem daarop terstond, stak het boek bij mij, en vroeg naar meerdere nieuwigheeden; hij toonde mij voords eenige van de nieuwst uitgekomen werken, en verhandelingen de _Wijsbegeerte_, _Natuurkunde_ en laatste _Geschiedenissen_ betreffende, doch zij waren alle zeer duister voor mij, door de menigvuldige nieuwe naamen van Menschen, Landen, Kunsten en Kunstwerktuigen, dat ik 'er geen' regel uit begrijpen kon; alhoewel ze anders, waar geen naamen dezer zaaken voor kwamen, in goed zuiver Latijn geschreeven waren.
Ik bedankte den Boekverkooper voor het gezicht, en haaste mij om mijn afscheid te neemen; wijl ik mijnen Geleidsman zeer veel te vraagen had: wij waren ook naauwlijks buiten deur, of ik vroeg hem terstond, of die eerwaardige persoon, die in den Boekwinkel was, de vader van den Boekverkooper ware.
_Geleider._ Neen! maar hij is ons aller Vader. Dit was nu de Vader van Nederland.
_Ik._ Wat is dat te zeggen?--Dat begrijp ik niet!
_Geleider._ Ja, dat kunt ge ook onmooglijk raaden; maar hoor, vóór twaalf of dertien eeuwen noemde men die lieden die het oppergezag in handen hadden, en de Staaten bestuurden _Keizers_, _Koningen_, _Vorsten_ enz. maar die naamen zijn thands hier in onbruik geraakt, men noemt dien thands _Vaders_. Bijvoorbeeld _Vaders der Nederlanderen_, _der Britten_, _der Kaffers_ enz. volgends het gezegde van XENOPHON; een goed Vorst verschilt niets van een' goeden Vader.[13]
[13] [Grieks: houden diaphezei archôn agathos agatho patros.]
BOURSAULT geeft den Koningen, op dien grond, ook deze gewigtige les, in zijn fraai Tooneelstuk _Esope à la Cour_.
_Sans etre conquerant, un Roi peut etre auguste. Pour aller à la gloire il suffit d'etre juste. Dans le sein de la paix faites de toutes parts, Dispenser la justice & fleurir les beaux arts. Proteger votre peuple autant qu'il vous revere, C'est en etre, Seigneur! le veritable Pere; Et Pere de son peuple est un titre plus grand Que ne le fut jamais celui de Conquerant._
_Ik._ Was dit dan zo veel als een Vorst! nu, daar zag hij 'er evenwel niet na uit. Een Vorst zou immers niet alleen bij een' Boekverkooper inloopen, en daar een boek vraagen, en met zig neemen.
_Geleider._ Wel! waarom niet? Het was immers met den wil des eigenaars?
_Ik._ Nu, ja, daar heb ik niets tegen, maar! evenwel een Koning pleeg een groote Hofhouding, en steeds een' stoet gewapende wachten rond om zig te hebben, ten einde zijn gezag te doen eerbiedigen, en zijn persoon te bewaaren.
_Geleider._ Wel ja; maar ge moet dezen tijd niet bij de achttiende eeuw vergelijken. Onze Landsvaderen houden geen' stoet van Dienaars, zijn nooit omringd van gewapende lieden. Dit alles kon goed en noodig zijn, in die tijden toen het _Monarchomachismus_ nog in den smaak was. Thands is 'er geen de minste reden, om den eersten uitvoerer der wetten uit den weg te ruimen, en 'er is daarom ook geen vrees voor zulke wandaaden, en daar deze geen plaats heeft, zouden immers al die voorbehoedselen overbodig zijn.
_Ik._ Met dat al hebt ge dan toch een Opperbestuurer, een soort van Koning, die eindelijk in een willekeurig regeerer zou kunnen ontaarten, en dus geen vrijheid.
_Geleider._ Vrijheid! weet ge dat woord wel te bepaalen; _eene Vrijheid_, althands gelijk CICERO die bepaalt, bezitten wij volkomen, immers, _wat is_, zegt hij, _Vrijheid? De magt om te leeven gelijk men wil; maar wie anders leeft waarlijk na zijn' wil, dan hij, die het goede opvolgt, die zijn' pligt doet, wiens levenswijze doordacht en berekend is._[14]
[14] _Quid est, libertas? Potestas vivendi, ut velis. Quis igitur vivit ut vult, nisi qui recta sequitur, qui gaudet officio, cui vivendi via considerata atque provisa est._
Parad. V. Cap. I.
_Ik._ Wordt 'er dan thands hier geen land- en zeemagt onderhouden? Heeft men hier geen _Sterkten_, _Muuren_, _Schanssen_, _Poorten_; weet men van geen' Oorlog of Krijgskunst?
_Geleider._ Waar toe toch zouden wij ons scheiden van onze landgenooten, en waarom zouden wij krijgslieden voeden, waar niet te oorlogen valt; wie zou ons daartoe noodzaaken? Geheel Europa is in evenwigt; want elk heeft genoeg aan zijne eigene bezittingen; al onze nabuuren worden op dezelfde wijze, gelijk wij, na wijze wetten bestuurd, hoe toch zoude 't hen in gedachten komen, om juist hun land te willen verlaaten, en tegen alle recht in 't onze te dringen; neen! dat was wat anders, in de tijden van Goud- en Staat-zugt; in die eeuwen toen men even eerst uit de barbaarsche tijden ontlook.--Maar in verre afgelegene, en nog kortlings beschaafde landen, gelijk _Groenland_, _Canada_, _Siberien_ en ten zuiden op de kust van _Magellaan_ en in _Nieuw Zeeland_, daar is de krijskunst thands nog in bloei; want van deze volken kan men met PLATO zeggen: _dat God hen de helft van hun verstand benoomen heeft, ten einde zij minder de hardheid en het onaangenaame van hunnen staat zouden gevoelen_.[15]
[15] PLATO de Rep. Lib. 3.
_Ik._ Wel nu, dat laat zig hooren; maar zijn 'er thands op den aardbodem volstrekt geene Landen, die door Koningen, oppermagtig, beheerscht worden?
_Geleider._ Ja, dat zijn juist dezelfde Landen waarin nog steden bemuurd, vlooten bemand en krijgsvolk gehouden wordt; Staaten die nu eerst sedert een eeuw beschaafd zijn geworden; bijvoorbeeld de _Patagoniërs_, de _Zuidlanders_ en diergelijke volken, hebben nog zulke oppermagtige Koningen.
_Ik._ Zo! zo!--Maar zeg mij toch eens hoe is 't mooglijk, dat de Boekverkooper mij dit werk zo zeer goedkoop kon laaten?
_Geleider._ Wel, dat is juist zo zeer goedkoop niet; want sedert wij ons van al het volstrekt onnoodige onthouden, en weinig of geen' Koophandel drijven, is het geld sterk onder ons, en veelen onzer nabuuren verminderd, en hooger in prijs gesteegen: een stuiver is nu bijkans zo veel waardig als vóór dertien eeuwen tien; en men kan thands voor acht stuivers al vrij veel koopen. Daar bij komt nog, dat, door het groot vertier van boeken, de menigte den winst aanbrengt.
_Ik._ Is 'er dan zeeker, thands zo groot een trek in boeken?
_Geleider._ Dat kunt ge ligtelijk naagaan, daar 'er thands ieder mensch op valt; oud en jong leest even vlijtig.
_Ik._ Maar de smaak viel vóór dertien eeuwen veel op Paarden en Rijdtuigen, zijn die thands zo zeer niet meer getrokken?
_Geleider._ Paarden en Rijdtuigen! waren dat liefhebberijen? thands dankt men den Hemel, voor den zegen te genieten, van zijn voeten tot zijn' wil te hebben; wij beklaagen nu die lieden, die genoodzaakt zijn, zig van beesten te laaten trekken; want het zijn meest stoköude, kreupele of zieke menschen; en daar gebruiken wij meest al ezels toe, dat gaat zacht en stil in zijn werk; gelijk ge daar gindsch ziet, die vrouw welke daar in dien wagen rijdt is verlamd, en waarlijk een voorwerp van beklag. Maar een kabinet van ezels, neen! dat houden onze liefhebbers niet naa. 'Er worden egter wel Paarden gebruikt, zelfs door gezonde lieden; maar dat gebeurt alleen ingevalle men naar plaatsen reizen moet, die te ver om te beloopen, en te dicht bij, om met den Balon te bevliegen, zijn.
_Ik._ 'Er is hier ook zo een zindelijkheid en stilte langs den weg, dat het mij ook al verwonderd heeft, hoe dat in zo een volkrijk oord plaats kan hebben; want, om u de waarheid te zeggen, in vroegere eeuwen, kon men geen straat in een drukke koopstad betreeden, zonder bespat, bemorst, gestooten en door het schrikkelijk geweld der rijdtuigen over de steenen bedwelmd, en half zinneloos te worden; menschen en beesten krielden toen daar zo verward onder een, dat men iemand ter vlugts willende groeten, dikwijls aan een tusschen rennend paard zijn' eerbied bewees.
_Geleider._ Dat moet al zeer zonderling geweest zijn!
_Ik._ Zijn wij nu op weg naar den Kunstkenner? ik ben zeer verlangende, iets over de hedendaagsche _æsthetica_ te verneemen.
_Geleider._ Ik heb u juist op den weg tot een groot liefhebber en kenner der oudheid en fraaije kunsten gebragt, ik hoop slegts dat hij tot zijnent zal zijn; want hij reist veel. Zie daar gindsch zijn wooning reeds.
_Ik._ Maar hoe kan 't toch mooglijk zijn, dat 'er nog zo groot een aftrek in boeken is; daar toch de Geleerdheid en oeffeningen van schoone kunsten en weetenschappen altijd alleen gebloeid hebben in landen, waar veel koophandel en rijkdom gevonden werden?
_Geleider._ Gij spreekt hier zeekerlijk van zulk eene geleerdheid, welke de ondersteuning van vermoogende lieden behoeft; deze is bij ons thands ook niet zeer in gebruik: Maar, behalven dat moet ge deze onze zeden niet bij de aloude vergelijken. In de achttiende eeuw, bijvoorbeeld, zag men een' berg van overtolligheeden voor behoeften aan; dezen berg heeft men sedert al langzamerhand geslegt en bevonden, dat, bijvoorbeeld, tot gezond voedsel, geen uitheemsche moeijelijk bereide spijzen; tot dekking geen bont gecouleurd, verzilverd of verguld, kleed, en tot wooning geen hardsteenen Paleis noodig ware; men is tot deze zonderlinge ontdekking gekomen, door dien het gebrek aan geld, waar door men zig die middelen moest verschaffen, zo algemeen werdt, dat alle handel begon te verminderen, en elk volk langzamerhand het overtollige agterwegen liet. Dit langzamerhand verminderen der noodelooze zaaken, was van dat gevolg, dat men hier te lande, allengskens het gevaar der zee voorziende, hoogten begon optewerpen, waarop zig eenige van de eerst in levenswijze verminderde lieden ter neder sloegen, de aarde begonnen te bebouwen, en hunne weinige behoeften uit den schoot der aarde dubbelvouwdig ontfingen. Dit voorbeeld werdt allengs door de overige inwooners, die het gevaar van overstrooming voorzagen, gevolgd, en men begon zig weinig aan het gevaar der zwakke dijken te steuren; wijl men toch voorbehoedselen gemaakt hadde, om de zee eenen doortocht te bezorgen; 't welk ook weldra het verwagt uitwerksel hadt, zo dat, bij herhaalde geweldige stormen de dijken wel eindelijk geheel weggeslagen werden, maar de zee zig terstond in den voor haar bereiden weg ontlaste, en de heuvelbewooners, zig thands vrij gezonder, en zeekerer zonder eenige vrees voor hun weleer geduchten vijandigen vriend, of vriendelijken vijand, bevinden.[16]
[16] _Idem Protector et Hostis._
_Ik._ Zoo dat zo is, dan kan ik mij niet voorstellen, welke van onze oude kunsten thands bij u nog in gebruik zouden zijn; want de kunsten worden uit den schoot der weelde gebooren, en door rijkdom gevoed.
_Geleider._ 'Er zijn echter nog veelen bij ons aanweezig, bijvoorbeeld; de Tekenende kunsten, de Toonkunst, de Boekdrukkunst en meer andere, die ge bij den Kunstkenner, wiens wooning wij naderen, beter zult leeren kennen, dan ik u die opnoemen kan.
_Ik._ De Bouwkunst toch schijnt niet meer in den smaak te zijn.
_Geleider._ Ten minsten niet die Bouwkunst van de eeuwen der weelde en pragt; 'er is echter thands nog wel een bouwkunst, die enkel het nuttige beoogt, aanweezig, en elk ontfangt daarin het onderwijs in zijne jeugd; want dit moet ik 'er bijvoegen, elk is thands meestal zijn eigen Bouwmeester, Kleerenmaaker, Landbouwer, enz. Dit geeft ons geen klein gemak, en houdt elk in eene gezonde werkzaamheid; al wat de geleerdheid en beoefening der letteren aangaat, wordt door elk voor uitspanning en vermaaks wille geoefend.
_Ik._ 'Er schijnt toch nog geld bij u in gebruik te zijn; want dat blijkt uit onze ontmoeting bij den Boekverkooper.
_Geleider._ Wel zonder twijfel, is 'er nog geld in gebruik; want 'er wordt ook nog handel gedreeven; maar, doordien wij oneindig minder behoeften hebben, en de hoogstnoodige zaaken, zonder geld, en alleen door arbeid, te verkrijgen zijn, heeft men het zo onontbeerlijk niet noodig, als in voorige eeuwen; dat maakt dat iemand, welke thands een weinig meer gelds dan anderen bezit, 'er niet veel meer vermogen op anderen door bekomt; alzo men 't geld thands meer voor een liefhebberij, dan voor een behoefte aanziet, en elk van die liefhebberij wel zo veel bekomen kan, dat hij geenen anderen daarom behoeft te vlijen, of te dienen; want ik moet zeggen, dat wij thands, door onze behoeften zo ongemeen te verminderen, waarlijk het middel gevonden hebben, om gerust, vrolijk, zonder zorg, haat, afgunst of nijd, overweldiging of dwang, te leeven. Wat toch zou men elkander benijden? Wij hebben allen wooning, voedsel en deksel, en worden allen even eens in de kennis van geleerde en andere zaaken op geleid; want in het Letterschool alhier, zendt de geheele stad zijn kinderen; die daar allen dezelfde lessen ontfangen, en het Zedeschool wordt door de bejaarden dagelijks bezocht; ja ik kan 'er bijvoegen, dat wij de woorden _afgunst_, _nijd_, _bedrog_, _diefstal_, en van alle ondeugden, die de overvloed en weelde geteeld hebben, in onze taal, niet eens regt kunnen overbrengen, en daarom de Latijnsche benaamingen dier zaaken, als 't eens voorkomt dat wij die in oude geschiedenissen moeten gebruiken, genoodzaakt zijn, bij omschrijving te moeten noemen; bijvoorbeeld deze plaats van JUVENALIS:
_Cantabit vacuus coram Latrone viator._[17]
[17] _De schaamle Reiziger, zal voor den Roover zingen._
Zouden wij niet verstaan, zoo onze uitleggers dit woord _Latro_ niet uit de oudheidkunde opgehelderd, en aldus omschreeven hadden; _Homo cujus crimen erat aliquid a viatoribus, absque eorum voluntate, vi sumere._[18] Op deze wijze kunnen wij ons nog eenig denkbeeld van deze bij ons onbekende zaak maaken.
[18] Dat is: _Een man wiens misdaad bestondt, in iets van de Reizigers, tegen hunnen wil, te neemen._
_Ik._ Maar heb ik u niet van schoolen hooren spreeken? O, geleid mij toch ook eens in deze uwe Leerplaatsen der jeugd en des ouderdoms.
_Geleider._ Ik zal gaarne, zodra wij den Kunstkenner verlaaten; maar zie daar zijn wooning reeds.
Wij gingen, zonder door eenige afsluiting belet te worden, in dit weder zeer eenvouwig en hutsgewijze ingerichte verblijf des Kunstkenners binnen, en vernamen daar van zijn vrouw, dat hij zo even op 't land gegaan was, om te melken; maar zij verzocht ons echter allervriendelijkst, zo lang te willen vertoeven, tot heur man terug gekomen zoude zijn; tevens zeggende, dat zij ons terstond eenige spijs zoude voorzetten; want dat zij begreep, dat wij nog geen middagmaal gedaan hadden; ik stond verzet over de groote gastvrijheid en vriendelijkheid dezer vrouwe, en wilde dankzeggen; maar dit was reeds te laat, wijl zij bereids met een schotel versche melk, boter, brood, kaas, en eenige vruchten aan kwam draagen; wij gebruikten ook daadelijk iets daarvan, althands in mijne mijmerende verrukking, meende ik 'er iets van te smaaken; en juist dit onthaal gaf mij gelegenheid, om de frisheid en zindelijkheid dezer spijze te roemen, zeggende dat ik geloofde dat het vleesch dier beesten, welke zo een zoete melk gaven, mede niet onsmaakelijk zoude zijn?
_De Vrouw._ Vleesch van leevendige beesten, Vriend!
_Ik._ Neen, goede vrouw! van doode? slagt men hier dan geen vee?
Mijn Geleidsman hielp mij spoedig uit den droom; zeggende: neen vriend! niemand zou thands eenig beest willen dooden, veel minder het vleesch der dieren eeten. Wij dooden geene andere dieren, dan die ons beschadigen; doch derzelver aart is, door eene meer gezellige bijwooning, aanmerkelijk minder wild geworden, en zo veel als in een tam ras ontaart; zo hebben wij thands, in Africa bijvoorbeeld, Leeuwkatten, welke de gestalte van een' Leeuw hebben, en echter voor huisdieren gebruikt en door den mensch tot huisselijke diensten gebezigd worden.
Wij dooden alleen alsdan het tamme vee, wanneer hetzelve zodanig toeneemt, dat het toch geen bekwaam voedsel zoude kunnen aantreffen; dat toch zeldzaam voorvalt, alzo de jaarlijksche overstroomingen veel vee weg neemen; echter wij eeten die, uit noodzaaklijkheid gedoode, dieren niet; daar voor zouden wij een' afschuw hebben.
_Ik._ Maar, waar blijft dan toch al dat vee van schaapen, verkens, ossen, koeijen en veele andere leevende schepselen die men tot voedsel pleeg te gebruiken.
_Geleider._ Daarvan zijn ten deele veele soorten, althands die welke ons geen nut kunnen doen, geheel onder ons vergeeten, en wat de kudden van tam vee betreft, daar weeten wij, geduurende hun leven, schoonen dienst van te trekken, en gebruiken hunne vellen, als zij gestorven zijn, tot kleeding.
_De Vrouw._ Heden ja, zouden wij die goede beesten vermoorden, en dan nog verslinden; wel foei! zij doen ons immers geen leed, en wat hebben zij toch dierbaarer dan hun leven, dit immers hebben wij hun niet gegeeven; zouden wij hen dat ontneemen!
_Ik._ Goede vrouw, gij spreekt met veel reden; egter in mijn land begrijpt men deze zaak nog geheel anders; de overoude gewoonte heeft aldaar het slagten en eeten van dieren zo gewoon doen worden, dat de tederste en medelijdendste menschen het vleesch van hunne vermoorde medeschepselen tot een smaaklijk voedsel bezigen: juist niet uit een beginsel van wreedheid; maar uit een voortgeplant begrip dat alle schepselen om des menschen wille, hun aanzijn bekomen, en dat de redenlooze dieren geen gevoel van hun bestaan hebben.--
Geduurende dit ons gesprek, kwam de man binnen, en verwelkomde mij in zijne wooning, mij met de inneemendste vriendelijkheid betuigende, dat het hem leed deede een' reiziger zo lang naar zijn komst te hebben moeten ophouden; allereenvouwigst was zijn kleeding; de beenen en het hoofd bloot, en een schapenvel om de leden geslagen, en om den midden toegegord. Hoe zeer mij het voorkomen van dien Kunstkenner ook verwonderde, konde ik echter niet naalaaten eene gunstige vooringenoomenheid ten opzichte van zijne kennis voor hem te gevoelen, daar zijn leevendig en doordringend uitzicht mij de vlugheid van zijnen geest, ondanks zijne geheel eenvouwige kleeding, verraade. Ik begon dan aldus mijn gesprek: goede vriend, ik heb van mijn' Leidsman vernoomen, dat ge een groot liefhebber der schoone kunsten en weetenschappen zijt en ook veele liefhebberijen van dien aart bezit; zoude 't u ook beletten als ik mij daarover een poosjen met u onderhielde? Mijne liefhebberij is mede, bij uitzondering, op de _æsthetica_ gevallen; zo dat ik wel eenige bijzonderheeden daarover wenschte te verneemen, te weeten: hoedanig dezelve in dit land waar in ik zo veele en groote verscheidenheid met de zeden mijnes lands bespeure, beoefend wordt? Hebt ge hier geen teken- of schilder-academiën?
_De Kunstkenner._ Och neen! vriend, die zijn voorlang al uit het gebruik geraakt; want men bevondt dat op dezelve weinig vorderingen gemaakt werden; alzo in de laatste jaaren, dat zij nog onder ons in zwang gingen, de smaak in de schilderkunst ten eenemaal begon te veranderen; want in plaats dat men eerst gewoon was, gestadig naakte beelden te tekenen, ten einde tafereelen uit de oudheid te kunnen voorstellen, 't welk ook zeer noodig was, in die eeuwen, toen men de vergaderhuizen der Christenen overal met Tafereelen, verbeeldende voorvallen uit het Oude en Nieuwe Testament, versierde, worden deze thands niet sterk meer gezogt; daar wij alle denkbeeldige Tafereelen misachten; wijl 'er geen waarheid in plaats kan hebben, zo dat ze, door telkens, in het een of ander deel, tegen de Costume te zondigen, een' verkeerden indruk in de beschouwers dier verdichte tafereelen maaken. Wij tekenen het menschbeeld zeekerlijk wel af; waartoe wij daaglijks gelegenheid hebben, daar wij, althands des zomers, meestal half naakt en slegts met eenig beestenvel om den midden gegord gaan; doch wij houden ons niet bepaald bij 't menschbeeld alleen op; maar neemen de natuur in heur geheel ten voorbeeld, zo dat wij ons even zeer toeleggen, op het naauwkeurig navolgen van boomen, beesten, wolken, water, enz. als van menschen; daar bij komt nog, dat wij de tekenende kunsten meest bezigen, om tafereelen van afgelegene oorden en voorvallen, onder ons en andere volken, te vereeuwigen, zo dat 'er geen aanmerklijk voorval gebeurt, of 'er wordt opzettelijk een' Schilder of Tekenaar bij gevraagd, om het zelve na het leven aftebeelden; ten einde de afwezenden en den naakomeling, met geen verdichte schetsen, voor waare afbeeldingen, te misleiden.
_Ik._ Maar dan kunt ge ook niet anders, dan voorbereide plegtigheeden en gebeurtenissen die men voorzien kan, afbeelden.
_De Kunstkenner._ Somtijds geeven ons de Tekenaars ook wel schetsen van gebeurtenissen, waar bij zij gevallig tegenwoordig zijn geweest, en die zijn ons even aangenaam; maar geheel verdichte stukken bevallen ons niet; wij hebben liever geene afbeelding dan eene geheel verdichte.
_Ik._ Ik heb toch zo even bij een' Boekverkooper prenten in een boek gezien van geschiedenissen die in de XVIIIe. eeuw gebeurd zijn en waarin de Costume, na mijn gedagte, zeekerlijk ook niet juist getroffen was.
_De Kunstkenner._ Dat zal mogelijk een boek geweest zijn, dat uit zeer ver afgelegen en nog zo niet beschaafde landen, hier verkogt wordt.