Het toekomend jaar drie duizend: Eene mijmering

Part 2

Chapter 23,617 wordsPublic domain

_De Wijsgeer._ Wij kunnen ons niet genoeg verwonderen, als wij de werken van CARTESIUS, GASSENDUS, NEWTON, MUSSCHENBROEK, en anderen der eerste opdelvers van waarheid, inzien, hoe zeer bedekt de eenvoudige waarheid, nog voor hun geweest is; hoe groote omwegen dat hunne verbeelding heeft moeten neemen, om slegts een gering deel derzelve te ontdekken; wij, die al deze oude kraamerij, slegts vermaakshalven eens inzien, vinden thands den weg tot kennis in de natuur der dingen, veel eenvouwiger: wij hebben daar toe een zeeker middel uitgevonden, dat alles als in een punt samentrekt, eene zekere bestendige werking en wederwerking, zo wel in het rijk der natuur als der zeden; een geduurige middenpunt zoeking en afwijking; een trachten naar evenwigt, dat altijd verbrooken wordt, waardoor de geheele schepping in werking blijft, zo dat wij nu zeer gemakkelijk, uit slegts ééne zeker gevonden waarheid, een besluit tot verscheidene anderen kunnen maaken: wij doen dat niettemin met veel behoedzaamheid, en, zo dra wij onze afleidingen niet zonneklaar kunnen betoogen, houden wij dezelve nog voor onbekende zaaken en _desiderata_; zonder in de droevige en het menschelijk verstand in een' poel van dwaaling stortende, gewoonte te vervallen van stelselen, of _Systemata_, te bouwen op de zandgronden van onzeekere onderstellingen, of _Hypothesen_; wij komen dus zelden in het zo belachgelijk als vernederend geval van den Wijsgeer DEMOCRITUS, dien eens een comcomber, van welke vrugt hij een groot liefhebber was, voorgezet wordende, 'er zekeren ongewoonen zoeten smaak aan bespeurde; welk verschijnsel hem bewoog, om op de oorzaak dezer zonderlinge zoetheid in die vrugt te peinzen; hij zogt die in het water, dat dezelve besproeid hadt; in de aarde, waar in zij gegroeid was; in de gesteldheid des dampkrings geduurende heuren groei en in duizend andere toevallige oorzaaken; maar, terwijl hij daarover zig geheel weg gedagt hadt en op 't punt stondt om _analytisch_ de oorzaak dezer zoetheid te ontdekken, stoorde een slaaf, door zyn onbesuist en verlegen inkomen, al zijn geestverrukking, met deze woorden: Och lieve meester! neem het toch niet kwalijk, de comcomber die ik u zo even bragt, is bij ongeluk in een pot met honig gevallen. De Wijsgeer riep daar op mismoedig uit: Ellendige! hadt ge maar gezweegen, weg is nu al de verdienste mijner ontdekking! Zo gaat het met het bouwen van Hypothesen. Een groot getal kundigheeden, welke de XVIII. eeuw reeds meende verkreegen te hebben, is dus geheel te niet gegaan, en in rook verdweenen; zo dat het gene toen zeer klaar en baarblijkelijk scheen, thands een diep geheim geworden is; daar ons nu dingen allereenvouwigst en klaarst voorkomen, die toen nog in een dikken nevel van onzeekerheid gewikkeld lagen; bijvoorbeeld, de aart van de menschelijke ziel; wat is over dit leerstuk in de XVIIIe. eeuw niet al zonderlings gedagt, hoe heeft men, naar dat stuk, als met verblinde oogen in 't ronde getast, en door 't zelve van den verkeerden kant aan te grijpen, de wonderlijkste gevoelens te berde gebragt, en eindelijk, met een zekere verzeekerdheid, waarover wij thands glimlagchen, voorzegt dat dit geheim boven des menschen bevatting liep!--Zo liep het ook, in de hoogere oudheid, boven des menschen bevatting, 't geen GALLILEUS leerde, dat de aarde _rond_ ware.

Ik stond versteld, hier zodanig een groote ontdekking, als is die van den waaren aart der menschelijke ziele, te zullen doen, en zeide, met drift: wees zo goed, en deel mij, bid ik u, deze uwe gewigtige ontdekking terstond mede!

_De Wijsgeer._ Ja! Vriend; maar de gronden van redeneering waarop deze onze stelling rust; zijn voor u, die daar nog niets van weet, zo in een oogenblik niet bevattelijk; ik kan u alleen zeggen, dat wij het verschil tusschen Stof en Geest, niet meer, gelijk de Geleerden van de XVIIIe. eeuw, in een geheel tegenstrijdige wezenheid; maar alleen in eene betrekkelijke hoedanigheid, stellen; want het _maximum_ in het kleine, is bij ons veel nader bereikt, dan in die vroege tijden; het raderdiertjen, dat men toen, door de te dier tijd gebruikelijke _microscoopen_, al voor een der kleinste wezens hieldt, is thands, in ons microscoopisch rijk, een elephant geworden. Hier uit kunt ge naagaan, wat onafzienbaare vorderingen wij in den aart der stoffe hebben kunnen maaken, en wat al raadselen wij door deze onbegrensde kleinheid van bestaande wezens niet al kunnen oplossen.

Ik gaf den Wijsgeer voords mijn verlangen te kennen, om zodanig een microscoop eens te zien. Hij ging daar op in een klein vertrekjen, waarin zijne verzameling van Optische Instrumenten scheen geplaatst te zijn, en toonde mij, bij zijn' wederkomst, een microscoop, die niet veel in inrichting van de onzen verschilde; maar hij hadt 'er een voorwerp glaasjen bij, dat mij ledig toescheen; althands ik ontdekte 'er, met het bloote oog, geen voorwerp in; ik zeide daarop: wij hebben ook zulke microscoopen.

_De Wijsgeer._ Ja, maar de uwen zullen zodanig niet gesleepen en van zulk eene stof niet vervaardigd zijn: Daar, zie daar maar eens mede, op dit drupjen vochts, dat in dit voorwerp glaasjen geklemd is.

Ik zag door het glas dat de Wijsgeer mij leende; maar, welke een heerlijke vertooning voor mij! Ik zag een alleronbedenklykst fijne vloeistof in hetzelve bewegen, en vroeg of hij mij niet konde uitleggen welke dat voor eene bewegende stof ware, die mij nu zo zichtbaar voorkwam; daar zij eerst geheel onzichtbaar voor mij geweest ware? en of hij mij de natuur derzelve niet kenbaar konde maaken!

_De Wijsgeer._ Daartoe hebt gij nog geene genoegzaame gronden gelegd; zo veel alleen kan ik u zeggen, dat het een drupjen zenuwvocht is, en dat wij door de beschouwing dezer stoffe, thands al vrij verre gevorderd zijn, met de verklaaring van het wezen der ziele.

_Ik._ Zijn 'er in het groote en uitgebreide rijk der schepping ook even zo aanmerkelijke ontdekkingen gedaan, als in het kleine?

_De Wijsgeer._ O! in vergelijking, nog veel meer. Onze tegenwoordige Telescoopen dringen nog veel verder door, tot in de verre oorden van het uitgebreide Heelal. Wij spreeken nu niet meer van ons stelsel alleen; maar, zeer bepaaldelijk, van de rondom ons zig bevindende zonnestelselen der vaste sterren, en van de zo ondenkbaar verwijderde stelselen in den melkweg; ook zijn wij thands verre gevorderd in de leer eener Hoofdstelselzon, om welke alle de mooglijke stelselen en melkwegen draaijen. Ja wij hebben Telescoopen uitgevonden, op den voet van den ouden HERSCHEL, waar mede wij de vaste sterren zelve zeer duidelijk als zonnen kunnen onderscheiden; en ook zulke kleine, waarmede wij onze zon, thands zeer klaar als een bewoonbaaren bol en de maan insgelijks als zodanig beschouwen kunnen; ook hebben wij thands de, in de XVIII. eeuw nog vermiste, Dwaalster, tusschen Mars en Venus, en een nog verder dan Uranus afstaande dwaalster ontdekt, en de waare grootte van de schijf der zonne bepaald; benevens aanmerkelijke gewigtige en nieuwe ontdekkingen, omtrent warmte en licht, gedaan; wijl thands de reizen in den dampkring zeer geregeld, gemakkelijk, en buiten gevaar ondernoomen kunnen worden; 't welk veel nut aan de weetenschappen toegebragt heeft.

_Ik._ Zijn dan mooglijk de _Aërostatische machinen_, bij u tot een meerdere volmaaktheid gebragt?

_De Wijsgeer._ Men heeft middelen uitgedacht om dezelve geregeld te bestuuren; ten minsten voor zo verre, dat 'er twee of drie persoonen veilig mede kunnen reizen; ten welken einde 'er ook groote verschikkingen omtrent het reizen, en wat daar toebehoort, gemaakt zijn. Dit bevordert ongemeen den ommegang met de verst afgelegendste volken, en heeft veel tot de beschaaving van verscheidene natiën toegebragt; want, bijvoorbeeld, zo straks vertrek ik met een balon naar _Guinea_, ik moet daar eenige zaaken verrichten; wijl daar een werk van mij ter persse is; en zal, denkelijk, in de andere week weder in Holland terug komen, als ik niet nog een' uitstap bij een' mijner vrienden te _Simbaoe_, in _Monomatapa_, doe; want dat is een zeer ervaaren en kundig natuuronderzoeker; hij heeft een uitgeleezene Bibliotheek van de nieuwste Africaansche werken, en men kan niet van hem afkomen, als men eens in zijn gezelschap is.

_Ik._ Wel is 't mooglijk! reist men thands zo spoedig! en zo zeeker? en is de Sterrekunde zo verrijkt? dan zal ook de _aardmeetkunde_, wel aanmerkelijk verbeterd zijn.

_De Wijsgeer._ Dat kunt ge naagaan! wij weeten thands den afstand van meest alle plaatsen, zeer juist te bepaalen, en onze kaarten zijn daarom ook allernaauwkeurigst; daar hangt 'er een van de _Nederlanden_, die is nu van de nieuwste.

Ik zag ter loops dezelve eens over; maar vond zo een groot getal andere en nieuwe naamen van vlekken, landen en plaatsen, dat ik alleen aan den ruuwen omtrek van sommige oorden, eenige, mij bekende, herkennen konde; het speet mij, dat ik niet alles naauwkeurig genoeg konde zien; evenwel zocht ik terstond naar _Amsterdam_; maar vond het niet, alleen vond ik eene kleine aanwijzing, en, op den kant, de woorden: _Hic olim Amstelopolis fortasse sita erat_, dat is: _misschien is hier de plaats waar Amsterdam wel eer gelegen heeft_. Doch men hadt dit teken gesteld, op de hoogte waar men eigenlijk het Dorp _Kudelsteert_ zou moeten zoeken. In een woord, ik was 'er maar heel niet thuis, en had wel gewenscht deze kaart wat naauwkeuriger te mogen bezichtigen; doch 'er was geen tijd toe, wilde ik mij het gesprek met den Wijsgeer nog een kleine poos ten nutte maaken.

Ik vroeg hem voords, of 'er geen groote ontdekkingen in de natuurkunde, en wel inzonderheid op het voetspeur van LAVOISIER, in de _Scheikunde_, gedaan waren.

_De Wijsgeer._ Ja, die voordgangen zijn, geduurende de laatst verloopen eeuwen, verbaazend geweest.--Wij hebben niet alleen de stelling van dien waarlijk grooten natuuronderzoeker meer en meer bewaarheid gevonden; maar ook nader ontdekt, dat 'er werkelijk geene elementen of Hoofdstoffelijke beginsels voor den mensch kenbaar zijn; alles hebben wij samengesteld bevonden. In de _Electriciteit_ en _magneetkunde_, hebben wij reuzen schreeden gedaan, en zijn bijna gevorderd om het waare wezen der _Electrieke_ stof en der magneetkragt te ontdekken. Dit stuk houdt thands onze natuurkundigen bijkans alleen geheel onledig.--Wonderlijke werkingen op ziel en lighaam, zijn daardoor bij ons ontdekt, en verbaazende geneezingen, van altijd voor ongeneesbaar gehoudene kwaalen, zijn daardoor bij ons bekend geworden. Het _dierlijk magnetismus_ is bij ons, op gevestigde gronden, tot een aangenomen leerstelsel geworden! Maar wij hebben ook op dezen grooten weg verder zo veele nieuwe natuurwonderen ontmoet, dat wij wanhoopen, om, hier op aarde, ooit tot de volledige kennis der natuur te kunnen geraaken.

_Ik._ Ja, mijn vriend! dit wil ik gaarne gelooven, zeekerlijk moeten 'er werkzaamheeden voor een altoosduurende ziel, oneindig overblijven. Maar zijn 'er geen Wijsgeeren bij u, nog aan oude vooroordeelen gehecht gebleeven?

_De Wijsgeer._ Neen; onze Wijsgeeren, blijven niet, tegen hunne betere overtuiging aan, hartnekkig aan eerst opgenoomen en verdedigde stelselen hangen; zij verwerpen, ter liefde der waarheid, gaarne hunne gevestigde vooroordeelen, zodra 'er zig iets beters en meer met de waarheid overeenkomstig, opdoet; altijd gedagtig aan den regel van CICERO: _weinig te weeten is geen schande; maar 't is schande in het weinig gekende, dwaasselijk lang te volharden_[5].

[5] _Non enim parum cognosse; sed in parum cognita stulté et diu perseverasse, turpe est._

CICERO _de Invent._

Ik verzogt hem voords zijn woord te willen houden, en mij zijne _Bibliotheek_ nog eens even te willen toonen; 't welk hij bereidwillig aangenoomen hebbende, met ons in een fraaije lichte en lugtige kamer tradt, doch alles gelijk met den grond. Hier zag ik een groot aantal boeken, meest alle in de Latijnsche Taal, behalven eene afzonderlijke Collectie in de Grieksche en Oostersche Taalen, alle nieuwe drukken en meest in Octavo formaat; folianten en quartijnen, zag ik slegts zeer weinige; en zeide daarop:

Dit verschilt ook veel van de inrichting der Boekvertrekken in de XVIII. eeuw; want toen hadt men boeken, die men naauwlijks draagen kon.

_De Wijsgeer._ Ja, dit is ons veel gemakkelijker; wij verdeelen liever een werk in veele handelbaare deelen; dan zulke lompe stukken te moeten torsschen: daarom schijnen 'er ook veele boeken te zijn; doch 'er zijn in de daad maar weinige, zeer voornaame werken, maar die in veele deelen gesplitst zijn. Bijvoorbeeld; daar staat al wat ons van de Hebreen naagebleeven is; wij leezen al die boeken thands zeer gemeenzaam in hun eigen taal: gelijk ge ziet, 't is alles Hebreeuwsch; want wij zijn in de Oostersche Taal- en oudkunde, aanmerkelijk toegenoomen. Hier is een Latijnsche vertaaling derzelve.

Ik zag hier en daar dit werk eens in, doch herkende sommige zeer bekende plaatsen, naauwlijks; door de groote veranderingen, die eenige woorden ondergaan hadden, en bleef een wijl in stille verwondering staan, welke de wijsgeer echter afbrak, met mij de werken van HOMERUS te toonen, als ook die van ORPHEUS en LINUS, welke vóór een eeuw, gelijk hij zeide, ontdekt en nu geheel volledig, bij elkander gedrukt waren, als ook de vermiste _Decaden van_ LIVIUS; ook vond ik 'er verscheiden aucteuren der oudheid, dien men slegts bij naam kent, en voor verloorene, _deperditi_ houdt, geheel volledig, of ten minsten fragmenten derzelve. Bijvoorbeeld; het Tooneelspel, _de Reis_ genoemd, van JULIUS CÆSAR; eenigen zijner Brieven aan CICERO en deszelfs verhandeling betijteld: _Anti Cato_; eenige fragmenten van Dichtstukken van Keizer AUGUSTUS; de klagten over den dood van _Julius Cæsar_, door MARCUS ANTONIUS; eenige fragmenten van PYTHAGORAS, PHERECYDES, HECATÆUS en andere verloorene Grieksche en oude Latijnsche Dichters, in één woord verscheide andere vermiste Schriften, te lange om hier optenoemen.

Ik vroeg voords den eigenaar waar zijne Nederlandsche Aucteuren stonden? hij wees mij dezelven terstond. Het eerste werk dat mij in 't oog viel, was JACOBI CATZII _Opera omnia poetica, cum notis variorum_. Ik nam 'er greetig een deel uit, de text was Hollandsch met een Latijnsche vertaaling, 'er tegen over en met Latijnsche aanteekeningen voorzien, die ik zeer wonderlijk en eenigen geheel tegen den zin des Dichters vond. Bijvoorbeeld, bij de uitdrukking _deuzig brein_, vond ik dezen noot, _deuzig, olim apud belgas nomen Epidemiæ, constructum e voce gallica deux, duo, et Belgica, ziek, morbosus; velut dicetur deux ziek, id est in duas partes morbi affectum cerebrum, scilicet in occipitem et sincipitem._[6]. Ik moest lagchen over deze geleerdheid, en verzeekerde mijnen geleerden vriend, dat deze commentator in eene groote dwaaling vervallen was.

[6] Dat is: _Deuzig was eertijds de naam van een volksziekte, het woord is samengesteld uit het Fransche woord, _deux_ twee, en het Hollansche _ziek_, als of men wilde zeggen, _deux ziek brein_, dat is een brein dat aan weêrszijden, in 't voor- en agterhoofds gedeelte, door ziekte aangetast is._

_De Wijsgeer._ Men houdt hem anders nog al voor den besten; hij heeft ook den ouden VONDEL, en eenige andere Dichters uitgegeeven; maar hier moet ik u een werk toonen, dat het kruis onzer hedendaagsche geleerden en Taal onderzoekers is; zie daar, over dit boek zijn nu bereids al twintig werken geschreeven, en nog begrijpen wij alles niet.

Ik nam het met vlijt aan, en dacht eerst dat het Hebreeuwsch ware; want ik vond den tijtel aldus gesteld: E. WOLFFI _Dominæ eruditissimæ_, [Hebreeuws: tav resh sameh] _Cor civicum, ad optimas codices restituta, cum lectionibus variantis et notis perpetuis_, Irkutskoi MMCX.[7]

[7] E. WOLFF, SARA BURGERHART, na de beste uitgaven, met verschillende leezingen en doorgaande nooten verrykt, gedrukt te _Irkutskoi_ 2110.

Wel nu, dacht ik, dat ziet 'er al heel raar uit! ik bladerde dit werk eens door, maar vond dat de geleerde Commentator het allermeest met de brieven van Broeder _Benjamin_, want het was de _Sara Burgerhart_, van Mejuffrouw de WOLFF, verlegen geweest was; deze waren zo duidelijk verklaard, dat ik 'er geen woord van begrijpen kon. Nu zeide ik, dat is mij te geleerd!

Maar welke boeken staan daar;

_De Wijsgeer._ Dat zijn de _Opera Rassavi_, (_Rousseau_) en _Voltarii_, (_Voltaire_,) doch van de laatste zijn slegts fragmenten overgebleeven; gindsch staat, _Klopstocki_, _Messiah_, deze is thands een _auctor classicus_, en wordt veel tot onderwijs in het oud germaansch gebezigd; wij houden ook veele oude wijsgeeren van vóór dertien eeuwen, nog in groote waarde en voornaamlijk studeeren wij nog in de _Opera Mosche Ben Mendel_,[8] en het _carmen Philosophicum aureum Alexandri Pope, quod Homo dictum est_.[9] Dit wordt thands ten grondslag der Zedelijke Wijsbegeerte gelegen; Maar goede vriend! neem mij niet kwaalijk, gelieft ge nog eenigen tijd u hier in de boeken te vermaaken, 't zal mij lief zijn; maar mijn tijd is verscheenen; alzo de balon op zijn' tijd afvliegt en naar geen Passagiers wagt.

[8] MOZES MENDELSZOON.

[9] POPES; _Proeven van den Mensch_.

Ik nam deze waarschouwing voor een heusche vermaaning aan, dat het onze tijd werdt om afscheid te neemen, 't welk ik dan ook deed, naa den Wijsgeer goede reis gewenscht te hebben. Ik was naauwlijks met mijn' Leidsman, dien ik verzogt had mij nu bij een' Boekverkooper te willen geleiden, weder op weg, of ik had terstond mijn oog op sommige winkels welke wij voorbij gingen, en waarin ik niet dan zeer eenvouwige kleederen, en Huisgeraaden ten toon gesteld zag. Waar zijn toch, vroeg ik, al die kostbaare _Galanterie_- en _Parfum_-winkels, die voor dertien eeuwen, zo rijk onze meeste koopsteeden versierden?

_Geleider._ _Galanterie_-winkels! wat waren dat? Wij verstaan dat woord in 't geheel niet meer; wat is dat toch _Galanterie_? Wat is _Parfum_?

_Ik._ Ja! als ge die woorden niet meer verstaat, is 't zeer moeilijk 'er u den waaren zin van te verklaaren; maar men verstondt 'er, onder verscheidene andere beteekenissen, in dien tijd, ook onder die kleinigheeden van nagemaakt goud en zilver, welke de _petit maitres_; _Jonge Heeren en Dames du Ton_, gebruiken, om zig bevallig voor te doen, _Horologien_, kettingen tot dezelve, _Etuis_, _odeurs_, _bonbons_, en wat al niet meer!

_Geleider._ In oprechtheid, ik verstaa geen enkel woord, van 't gene gij daar noemt; maar ik zal 'er het, onlangs, in Japan uitgekomen, _Glossarium Linguæ Gallicæ antiquæ_, eens over nazien; want ik denk dat al deze woorden over oud en vergeeten Fransch zijn.--Maar dat kan ik u intusschen wel zeggen, dat wij zulke winkels niet hebben; onze zoonen koopen boeken, en onze dochters lijwaaten en lakenen, om zich eene dekking in guur weder te bezorgen.

_Ik._ Wel! Wel! Man; wat is dat alles veranderd! is hier alles dan zo verarmd?

_Geleider._ Verarmd! Wel neen! die genoeg bezit, kan men, dunkt mij, niet arm noemen; wij bezitten overvloed van alles, wat tot het leven noodig is. Weet ge niet, wat JUVENALIS, aan 't einde van zijn XIV. Schimpdicht, hier over zegt: _zoo 't mogt gebeuren, dat mij iemand vroeg: Hoe veel is 'er dan tot leeven genoeg? Ik zal hem antwoorden: drank voor den dorst, spijs voor den honger, brand en klederen voor de koude, en 't geen u, ô Epicuur! in uw klein tuintjen, en u, ô Socrates! weleer in uw huishouding vergenoegd heeft; Nooit heeft de natuur, ons iets anders dan de wijsheid geleerd._[10].

[10] _------ ------ ------ Mensura tamen quæ Sufficiat census, si quis me consulat, edam; In quantum sitis, atque fames & frigora poscunt, Quantum Epicure tibi parvis suffecit in hortis Quantum Socratici ceperunt ante penates. Nunquam aliud natura, aliud sapientia dicit._

_Ik._ Maar hoe toch wordt dan het onderscheid van staat in de kleeding gezien!

_Geleider._ Hoe meent ge dat? woudt ge dan dat de deugdzaamsten zig door hun kleed onderscheideden?

Hier zweeg ik, en hoeste; wijl ik bemerkte dat deze onnoozele mensch niets van den hoogen of laagen rang der klederen wist; ik liet dus dat punt steeken en wende ons gesprek tot iets anders, door te vraagen of 't hier de gewoonte onder de Wijsgeeren ware, van op den grond te slaapen; wijl ik in de wooning van dien, welken wij bezogt hadden, niets dat naar een bed geleek gezien hadde.

_Geleider._ Zonder twijfel slaapen wij op den grond; wij leggen ons tegen den rusttijd slegts op den grond neder; want ge hebt immers gezien, dat onze vloeren alle met hout belegd zijn, en dan hebben wij een mat tot dekking, en een omgerolde mat tot hoofdkussen; is dat dan anders tot uwent?

_Ik._ Wel zeeker, Ja! wij liggen des nagts op dons van zwaanen, of andere zeer zagte vederen; maar ik geloof ook dat wij aan deze weekelijke levenswijze veel de verzwakking van ons gestel te danken hebben.--Inmiddels waren wij voor den winkel van den Boekverkooper genaderd; waar door ons gesprek afgebroken werdt, en mijn geleidsman mij verzogt binnen te treeden. De Boekverkooper, die, met een bonte muts op 't hoofd, en eenen langen baard en zwarte mantel, zeer veel naar een' Joodschen Rabbi geleek, was in zijn' winkel bezig met eenige boeken in te pakken; alles zag daar nog al zo uit, als vóór dertien eeuwen de gewoonte bereids geweest was. Ik vroeg, naa hem gegroet te hebben, om eenige nieuwe Rijmwerken te mogen zien; wijl ik dagt, na de ondervinding in mijnen tijd, daarvan de meeste voorhanden te zullen vinden; maar hij betuigde mij niet te weeten wat ik met rijmwerken meende; wel, zeide ik, zulke boeken wier regels op 't einde dezelfde klanken hebben, gelijk als _klaagen_, _schraagen_ enz. De man begon daarop zo te lagchen, dat ik 'er kregel over werd, en vroeg of hij mij voor den gek hielde? Hij antwoorde daar weder op? Wel vriend! dat zoude ik u haast vraagen, wie heeft van zijn leven van zulke raare boeken gehoord, als waar gij van spreekt. Hoe kan 't in een gezond menschen verstand vallen, geen regels te willen schrijven, dan die juist gelijkluidende of klinkende woorden op 't eind hebben; als men dan, bijvoorbeeld, van een huis spreekende, eens _gevel_ op 't einde van een' regel hadde, hoe zoude men 'er dan toch mede staan, om den gelijkluidenden regel te vinden?

_Ik._ Wel hoe; dan zoude men dien zin zo wenden, dat men, bijvoorbeeld, _hevel_ op 't eind van den regel kreeg.

_De Boekverkooper._ Maar, hoe is dat toch mensch mooglijk, deze beide zaaken laaten zig immers onmooglijk samenvoegen!

_Ik._ Ja, dat kan ik u ook zo oogenbliklijk niet verklaaren; want dat is juist het verhevenste deel der Rijmkunst; 't zij genoeg, dat men dat vinden kan, en die schijn onmooglijkheid moogelijk maaken. Ja, dat 'er zulke Versenmaakers tot onzent wel eer geweest zijn, die hunne regels zodanig konden doen rijmen, dat men niet eens merkte dat zij eenigen dwang in hunne denkbeelden daardoor leeden; doch, voegde ik 'er bij, dat is ook de hoogste top der rijmkunst, en dan geeft het rijm een alleraangenaamste zoetvloeijendheid en welklank aan de Dichtregelen, immers op deze wijze tracht men tot onzent de les van HORATIUS in acht te neemen: _Non satis est pulchra esse Poemata dulcia sunto_.[11]

[11] _In arte Poetica._

_Een Dicht moet niet slegts schoon, maar ook zoetvloeijend weezen._