Het Stoomhuis: De Waanzinnige der Nerbudda (2/2)

Part 9

Chapter 93,848 wordsPublic domain

En tot hunne ontsteltenis zagen zij nu, dat de olifanten in een wijden kring om het Stoomhuis gelegerd waren, onbeweeglijk, als ingeslapen, slapende misschien. Het electrische vuur, dat hunne dichte massa's onduidelijk verlichtte, scheen ze met een bovennatuurlijk leven te bezielen. Door een eenvoudig gezichtsbedrog namen die monsters, welke meer rechtstreeks door de schitterende stralen getroffen werden, reusachtige afmetingen aan, waardig om met die van den IJzeren Reus te wedijveren. Verschrikt vlogen ze op, alsof ze door een vurigen prikkel waren gestoken geworden. Hun tromp stak naar voren uit, hunne slagtanden richtten zich op. Men zou gezegd hebben, dat zij den trein gingen bestormen. Een schor gebrom ontsnapte aan hun énormen muil. Spoedig zelfs deelde zich deze plotselinge woede aan allen mede en klonk een oorverdoovend concert ons kampement in het rond, alsof honderd klaroenen tegelijk een wijdklinkend appél hadden aangeheven.

»Doof uit!" schreeuwde Banks.

De electrische stroom werd plotseling afgebroken en het getier hield bijna onmiddellijk op.

»Ze zijn in een kring gelegerd," zei de ingenieur, »en zullen zich daar morgen ochtend nog bevinden!"

Uit de gelaatstrekken van kapitein Hod meende ik op te maken, dat zijn vertrouwen nu toch eenigszins aan het wankelen gebracht was.

Hoe te handelen? Kâlagani werd geraadpleegd en deze verborg zijne ongerustheid niet.

Kon men er aan denken het kampement in het midden van dezen donkeren nacht te verlaten? Dat was onmogelijk. Waartoe zou dat trouwens ook gediend hebben? De troep olifanten zou ons zeker gevolgd hebben en stellig waren de moeielijkheden grooter dan op den dag.

Men kwam dus overeen, dat men eerst met het krieken van den dag op weg zou gaan. Men zou met de grootst mogelijke voorzichtigheid en snelheid vooruitgaan, maar zonder den geduchten stoet vrees aan te jagen.

»En als nu die dieren ons hardnekkig blijven volgen?" vroeg ik.

»Dan zullen we beproeven een plek te bereiken waar het Stoomhuis zich buiten hun bereik kan stellen," antwoordde Banks.

»Zullen we die plek vinden, voordat we de Vindhyas verlaten hebben?" zei kapitein Hod.

»Er is er een," antwoordde de Hindoe.

»Welke?" vroeg Banks.

»Het Puturiameer."

»Hoe ver is dat nog?"

»Nog ongeveer negen mijlen."

»Maar de olifanten zwemmen," antwoordde Banks, »en misschien beter dan één ander viervoetig dier! Men heeft er gezien, die meer dan een halven dag lang op de oppervlakte van het water verbleven! Is het daarom niet te vreezen, dat ze ons op het Puturiameer volgen en dat het Stoomhuis daardoor nog meer in gevaar wordt gebracht?"

»'k Zie geen ander middel om ons aan hun aanval te onttrekken!" zei de Hindoe.

»We zullen het dan beproeven!" antwoordde de ingenieur.

Het was werkelijk het eenige wat we doen konden. Misschien zouden de olifanten het niet durven wagen, om in deze omstandigheden te zwemmen en misschien ook konden we 't in snelheid van hen winnen!

Men verbeidde met ongeduld den dag, die dan ook eindelijk aanbrak. Men had niet de minste vijandige beweging gedurende het overige van den nacht bespeurd; maar bij het opgaan der zon was geen enkele olifant van plaats veranderd en het Stoomhuis van alle kanten ingesloten.

Er had toen een algemeene opschudding op de plek van het kamp plaats. Het was alsof de olifanten aan een wachtwoord gehoorzaamden. Zij schudden hun snuit, wreven hunne slagtanden tegen den grond, maakten hun toilet, door zich met water te besproeien, haastten zich nog hier en daar eenige mondvollen gras tot zich te nemen, waarmede de bodem dik bezet was en begaven zich eindelijk dichter bij het Stoomhuis, zoo dicht zelfs, dat men ze uit de vensters met pieken zou hebben kunnen verwonden.

Banks beval ons evenwel ten sterkste aan, ze niet te tergen. Het kwam er vooral op aan geen voorwendsel tot een plotselingen aanval van hunne zijde te geven.

Intusschen begonnen enkele olifanten onzen IJzeren Reus al meer en meer op de hielen te zitten. Blijkbaar wilden zij te weten komen wat dat énorme dier was, dat zich tot nog toe onbeweeglijk gehouden had. Beschouwden zij het als een hunner stamgenooten? Vermoedden zij, dat er een verwonderlijke macht in hem school? Den vorigen dag hadden zij geen gelegenheid gehad hem aan 't werk te zien, omdat hunne eerste rangen zich altijd op een zekeren afstand achter den trein hadden gehouden.

Maar wat zouden zij doen als zij hem hoorden zuchten, als zijn tromp wolken stoom uitwierp, als zij hem zijne dikke gelede pooten zagen oplichten en weder neerzetten, voortloopen en de twee rollende wagens achter zich aan sleepen?

Kolonel Munro, kapitein Hod, Kâlagani en ik hadden voor op den trein plaatsgenomen. Sergeant Mac Neil en zijne metgezellen bleven achter.

Kâlouth stond voor den vuurhaard van zijn stoomketel, dien hij met brandstof bleef voorzien, niettegenstaande de stoom reeds vijf atmosfeeren drukking bereikt had.

Banks, in het torentje bij Storr, hield de hand aan den regulateur.

Het oogenblik van vertrek was daar. Op een wenk van Banks, liet de machinist de stoomfluit haar doordringend schel geluid hooren.

De olifanten spitsten het oor; daarna, een weinig achteruitgaande, lieten zij den weg eenige passen ver open.

De stoom werd in de cilinders gelaten, en met geweld baande hij zich door den tromp een weg naar buiten, de wielen der machine brachten de pooten van den IJzeren Reus en daardoor den geheelen trein in beweging.

Men zal mij wel willen gelooven als ik verzeker, dat er zich in het eerst een levendige verbazing openbaarde bij de dieren, die elkander in de eerste rangen verdrongen. De doorgang tusschen hen in verwijdde zich en de weg scheen nu vrij genoeg om het Stoomhuis een snelheid te doen aannemen, die gelijk kon gesteld worden met die van een paard in den draf.

Maar onmiddellijk zette zich ook de geheele »proboscideaansche massa,"--een uitdrukking van kapitein Hod,--zoowel voor als achter, in beweging. De eerste groepen stelden zich aan het hoofd van den stoet, de laatste volgden den trein. Allen schenen vastbesloten hen niet te verlaten.

Terzelfder tijd werden wij aan de zijde van den weg, die hier breeder was, door andere olifanten vergezeld, als ruiters aan de portieren van een staatsiekoets. Mannetjes en wijfjes, alles liep door elkander. Er waren er van allerlei grootte, van allerlei leeftijd, jongelingen van vijfentwintig jaren, volwassenen van zestig, oude dikhuiden van meer dan honderd jaren, zuigelingen bij hunne moeders, die met de lippen aan hunne borsten en niet met hun tromp--zooals men het wel eens geloofd heeft,--onder het loopen, zogen. De geheele troep hield hierbij een zekere orde in acht, haastte zich niet meer dan noodig was en regelde zijne schreden naar die van den IJzeren Reus.

»'k Heb er vrede mee, dat ze op ons die wijze tot aan het meer vergezellen," zei kolonel Munro.

»Ja," antwoordde Kâlagani, »maar hoe zal 't gaan als de weg weder smaller wordt?"

Daarin was het gevaar gelegen.

Niets bijzonders had er plaats in de drie uren, die besteed werden om twaalf kilometers af te leggen van de vijftien, die de afstand bedroeg van het kamp naar het Puturiameer. Twee of drie keeren slechts, hadden zich eenige olifanten dwars op den weg gesteld, alsof het hun plan was geweest hem te versperren, maar de IJzeren Reus liep met zijn slagtanden in horizontale richting vooruit op hen toe, spuwde hun zijn stoom in het gezicht en dwong hen te wijken om hem den doorgang vrij te laten.

Ten tien ure 's morgens bleven nog vier à vijf kilometers over om het meer te bereiken. Daar,--men hoopte het althans,--zouden wij betrekkelijk in veiligheid zijn.

Het spreekt van zelf, dat, indien de houding van de énorme kudde niet vijandiger werd vóór onze komst aan het meer, Banks dit westelijk liet liggen, zonder er zich op te houden, teneinde den volgenden morgen uit de streek der Vindhyas te komen. Van daar naar het station Jubbulpore zou het dan nog slechts een quaestie van eenige uren zijn.

Ik voeg hier nog bij, dat het land niet alleen zeer woest, maar volkomen verlaten was. Geen enkel dorp, geen enkele landhoeve,--tengevolge van het gebrek aan weiden,--geen enkele karavaan, zelfs geen reiziger. Sedert onze komst in dit bergachtige gedeelte van Bundelkund, hadden wij geen levende ziel ontmoet.

Tegen elf uren begon de vallei, door het Stoomhuis gevolgd, tusschen twee machtige zijgebergten der keten, zich te vernauwen en zooals Kâlagani gezegd had zou de weg zeer smal worden tot de plaats waar hij op het meer uitliep.

Onze toestand, die reeds zeer verontrustend was, zou zich dus nog verergeren.

Inderdaad zou, indien de rijen olifanten zich voor en achter den trein eenvoudig verlengden, de moeielijkheid niet toegenomen zijn. Maar de dieren die aan de zijden liepen, konden er niet blijven, want zij zouden tegen de rotsachtige wanden van den weg verpletterd zijn geworden, of in den afgrond, die hem op vele plaatsen begrensde, gestort zijn. Uit instinct beproefden zij dus zich òf voor- òf achteraan te plaatsen. Het gevolg was, dat het al spoedig niet meer mogelijk was noch achteruit, noch vooruit te gaan.

»Nu wordt de zaak ingewikkeld," zei kolonel Munro.

»Ja," antwoordde Banks, »en nu zijn we in de noodzakelijkheid die massa overhoop te werpen."

»Welnu, 't zij zoo!" riep kapitein Hod uit. »Wat duivel! De stalen slagtanden van onzen reus zijn opgewassen tegen de ivoren slagtanden van die malle beesten!"

Dus waren nu die proboscideaansche dieren al niet meer dan »malle beesten" voor den levendigen en veranderlijken kapitein!

»Ongetwijfeld," antwoordde sergeant Mac Neil, »maar we zijn een tegen honderd!"

»Vooruit, in allen gevalle!" riep Banks uit, »anders gaat de gansche kudde over ons heen!"

Eenige stoomslagen deelden den IJzeren Reus een snellere beweging mede. Zijne slagtanden bereikten het achterdeel van een der olifanten, die zich vóór hem bevonden.

Het dier slaakte een kreet van pijn, die beantwoord werd door het woeste geschreeuw van den ganschen troep. Nu zou het dan toch eindelijk tot een worsteling komen, waarvan men den uitslag niet voorzien kon.

Wij hadden onze wapenen ter hand genomen, de geweren met puntkogels geladen, de karabijnen met ontplofbare kogels, de revolvers voorzien van hunne patronen. Wij moesten ons op alles gereed houden.

De eerste aanval kwam van een reusachtig mannetje, van een woest voorkomen, die met de slagtanden vooruit, de achterpooten stevig op den grond geschoord, zich tegen den IJzeren Reus keerde.

»Een »gunesh"," riep Kâlagani uit.

»Kom! hij heeft maar één slagtand!" merkte kapitein Hod aan, die ten teeken van minachting de schouders ophaalde.

»Hij is er slechts te vreeselijker om!" antwoordde de Hindoe.

Kâlagani had dezen olifant met den naam bestempeld, dien de jagers hem geven om de mannetjes met één slagtand aan te duiden. Het zijn dieren, die bijzonder door de Hindoes geëerd worden, vooral als de rechter slagtand hun ontbreekt. Zoodanig een nu was deze, en werkelijk was hij, zooals Kâlagani terecht gezegd had, zeer geducht, zooals allen zijner soort.

Men zag het dadelijk. Deze gunesh stootte een langen trompettoon uit, boog zijn tromp terug, waarvan de olifanten zich nooit bedienen om te vechten, en stortte zich op den IJzeren Reus.

Zijn slagtand trof het plaatijzer van de borst en doorboorde het geheel; maar toen hij tegen het dikke bekleedsel van den inwendigen haard aanstootte, brak hij door den schok glad af.

De geheele trein schudde, maar de eenmaal medegedeelde beweging dreef hem vooruit en duwde den gunesh terug, die, hem het hoofd biedende, te vergeefs beproefde weerstand te bieden.

Maar zijn oorlogskreet was gehoord en begrepen. De geheele voorste massa der kudde bleef staan en bood een onoverkomelijken hinderpaal van levend vleesch. Op hetzelfde oogenblik drongen de groepen van achteren, hun marsch voortzettende, met geweld tegen de veranda aan. Hoe een dergelijke verpletterende kracht te weerstaan!

Terzelfder tijd klemden zich eenigen van hen, die ter zijde liepen, met opgerichte trompen, aan de rijtuigen vast, die zij met geweld heen en weer schudden.

Men moest niet ophouden, of het was met den trein gedaan, doch men moest zich verdedigen. Er viel nu niet meer te aarzelen. Geweren en karabijnen werden op de aanvallers aangelegd.

»Laat geen enkel schot verloren gaan!" riep kapitein Hod. »Mijne vrienden, mikt op het punt waar de tromp begint, of op de holte onder het oog. Dat is 't best!"

De raad van kapitein Hod werd gevolgd. Er vielen verscheidene geweerschoten, die door kreten van smart gevolgd werden.

Drie of vier olifanten, op de goede plek geraakt, waren gevallen, zoowel achter als terzijde,--een gelukkige omstandigheid, omdat hunne lijken nu den weg niet versperden. De eerste groepen waren een weinig achteruit gegaan en de trein kon zijn weg vervolgen.

»Laadt weder en wacht af!" riep kapitein Hod.

Indien wat hij kommandeerde »af te wachten" de aanval was der geheele kudde, dan werd hun geduld niet op de proef gesteld. Hij kwam en met zulk een geweld, dat we ons verloren waanden.

Een concert van woedende en schorre kreten barstte eensklaps los. Men zou gezegd hebben, dat het de olifanten waren, die de Hindoes door een bijzondere behandeling ten strijde africhten en tot een onkenbare woede, »musth" genaamd, weten op te hitsen. Niets vreeselijkers en de stoutmoedigste olifantendooders, die in Guicowar worden afgericht om tegen deze geduchte dieren te strijden, zouden voor de aanvallers van het Stoomhuis stellig teruggedeinsd zijn.

»Vooruit!" schreeuwde Banks.

»Vuur!" schreeuwde Hod.

En met het snellere zuchten der machine paarden zich de losbarstingen der vuurwapenen. Nu werd het in deze verwarde massa moeilijk juist te mikken, zooals de kapitein had aanbevolen. Iedere kogel vond wel een stuk vleesch te doorboren, maar hij trof niet doodelijk. Ook nam de woede der gekwetste olifanten nog toe en zij beantwoordden onze geweerschoten met nieuwe slagen hunner slagtanden, die de wanden van het Stoomhuis aan flarden scheurden.

Intusschen voegde zich bij de losbarstingen der karabijnen, die van voren en achter aan den trein werden afgeschoten, bij de ontploffing der springkogels in het lichaam der dieren, het gefluit van den stoom, vreeselijk verhit door de kunstmatige trekking. Steeds klom de drukking. De IJzeren Reus stormde op den hoop toe en dreef hem uit een. Terzelfder tijd deed zijn beweeglijke tromp dienst als een geduchte knods en sloeg op de vleeschmassa los, die door zijn slagtanden verscheurd werd.

En op die wijze ging men op den smallen weg vooruit. Een enkele maal draaiden de wielen rond zonder vooruit te gaan, maar weldra sloegen zij met hunne gegroefde vellingen weder in den weg en kwamen wij in de richting van het meer vooruit.

»Hoera!" schreeuwde dan kapitein Hod, als een soldaat, die zich in het dichtst van den strijd stortte.

»Hoera! hoera!" herhaalden we na hem.

Maar nu daalt een tromp op de voorveranda neder en ik zie het oogenblik aankomen, dat kolonel Munro, door den levenden lasso opgenomen, onder de pooten der olifanten geworpen wordt. En werkelijk zou dit gebeurd zijn, zonder de tusschenkomst van Kâlagani, die met een krachtigen bijlslag den tromp doorhakte.

Terwijl dus de Hindoe, met ijver aan de algemeene verdediging deelnam, verloor hij Sir Edward Munro niet uit het oog. Bij de toewijding aan den persoon van den kolonel, die zich nooit verloochend had, scheen hij te begrijpen, dat hij het was, dien men boven allen moest beschermen.

Nu eerst bleek het welk een macht onze IJzeren Reus in zijn schoot verborgen hield! Met welk een zekerheid hij zich een weg in de levende massa maakte als een wig waarvan het doordringingsvermogen om zoo te zeggen oneindig is! En daar tegelijkertijd de olifanten der achterhoede ons met den kop vooruitduwden, ging de trein zonder ophouden, zooal niet zonder schokken vooruit, en wel sneller dan wij het hadden kunnen hopen.

Eensklaps deed zich te midden van het ontzettende rumoer een nieuw geraas hooren.

Het was het tweede rijtuig, dat een groep olifanten tegen de rotsen van den weg verbrijzelde.

»Springt over! springt over!" riep Banks onzen makkers toe, die het Stoomhuis van achteren verdedigden.

En gelukkig waren Goûmi en sergeant Fox in allerijl van het tweede rijtuig in het eerste overgegaan.

»En Parazard?" zei kapitein Hod.

»Hij wil zijn keuken niet verlaten," antwoordde Fox.

»Ontvoert hem! ontvoert hem!"

Onze kok dacht zeker dat het schande voor hem was den post te verlaten, die hem was toevertrouwd. Maar weerstand te bieden aan de krachtige armen van Goûmi, als deze armen zich aan het werk zetten, zou even vruchteloos geweest zijn als zich te willen ontwringen aan de kaken van een kaaiman. »Mijnheer" Parazard werd dus eenvoudig in de eetzaal nedergezet.

»Allen present?" schreeuwde Banks.

»Ja, mijnheer," antwoordde Goûmi.

»Snijdt de verbindingsstrengen door!"

»Wat! de helft van den trein achterlaten!...." riep kapitein Hod uit.

»Het moet!" antwoordde Banks.

Nadat de verbinding verbroken, het brugje met bijlslagen vernield was, bleef ons tweede rijtuig achter.

Het was tijd. Dit rijtuig werd heen en weer geslingerd, opgelicht, toen op zijde geworpen, waarna de olifanten er zich met hunne gansche zwaarte op wierpen en het eindelijk totaal verbrijzelden. Het was niets meer dan een vormlooze massa, die nu den weg van achteren versperde.

»Wat blieft je!" zei kapitein Hod, op een toon waarom we gelachen zouden hebben als de toestand anders geweest ware, »en nu zeggen ze nog, dat die dieren zelfs geen lievenheersbeestje kwaad zouden gedaan hebben!"

Indien die olifanten, woest geworden, het eerste rijtuig behandelden, zooals zij het tweede behandeld hadden, dan hadden we ons geen illusie te maken over het lot, dat ons wachtte.

»Stook op, Kâlouth!" schreeuwde de ingenieur.

Nog een halven kilometer, een laatste krachtsinspanning en het Puturiameer was misschien bereikt!

En die laatste krachtsinspanning, die men van den IJzeren Reus verwachtte, werd door het machtige dier door de hand van Storr verricht, die den regulateur geheel opende. Hij baande zich een weg door dat bolwerk van olifanten, waarvan de achtergestellen zich boven de massa afteekenden als die der paarden op de schilderijen van Salvator Rosa. Daarenboven vergenoegde hij zich niet hen met zijne slagtanden toe te takelen, hij overstelpte ze met stralen brandenden stoom, zooals hij de pelgrims van Phalgou gedaan had, hij zweepte ze met stroomen kokend water!... In een woord, hij was prachtig!

Eindelijk vertoonde zich het meer bij de laatste kromming van den weg.

Als onze trein het nu nog tien minuten kon uithouden, zou hij er betrekkelijk in zekerheid zijn.

De olifanten merkten dit zeker,--'t geen een bewijs was hunner schranderheid, waarvoor kapitein Hod partij had getrokken. Een laatste maal trachtten zij ons rijtuig omver te werpen.

Maar opnieuw donderden de vuurwapenen. Als hagel sloegen de kogels op de eerste groepen neder. Nauwlijks versperden nog vijf of zes olifanten den doorgang. De meesten vielen en de raderen knersten op den met bloed gedrenkten grond.

Op honderd schreden van het meer verwijderd, moest men de dieren, die een laatsten hinderpaal in den weg stelden, met geweld wegduwen.

»Stoom! stoom!" riep Banks den machinist toe.

De IJzeren Reus snorde alsof hij een werkplaats mechanische garenwinders in zijn schoot verborgen droeg. De stoom spoot uit de veiligheidskleppen onder een drukking van acht atmosfeeren. Ze te belasten, met hoe weinig ook, zou den ketel, wiens wanden trilden, hebben doen springen. Het was gelukkig onnoodig. De kracht van den IJzeren Reus was nu onweerstaanbaar. Wat van den trein overbleef, sleepte hem na en verbrijzelde de ledematen der op den grond geworpen olifanten, op gevaar af zelf omver te vallen. Indien een dergelijk ongeluk gebeurd was, ware het met al de gasten van het Stoomhuis gedaan geweest.

Het ongeluk gebeurde evenwel niet, de oever van het meer werd eindelijk bereikt en de trein dreef weldra op de stille wateren.

»God zij geloofd!" zei kolonel Munro.

Twee of drie olifanten, verblind van woede, stortten zich mede in het meer en beproefden hen, die zij op vasten grond niet hadden kunnen vernietigen, te vervolgen.

Maar de pooten van den Reus volbrachten hunne taak. De trein verwijderde zich langzamerhand van den oever en eenige laatste, goed gerichte kogels verlosten ons van de woedende dieren op het oogenblik dat hunne trompen op de achterveranda zouden neder komen.

»Wel, kapitein," riep Banks uit, »wat zeg je nu van de zachtaardigheid der Indische olifanten?"

»Nu, 't zou wat!" zei kapitein Hod, »met verscheurende dieren zou 't toch nog heel wat anders geweest zijn! Stel eens een dertigtal tijgers maar, in de plaats van die honderd dikhuiden en 'k mag mijn aanstelling verliezen, als er op dit oogenblik nog een van ons over was om het avontuur te vertellen!"

VIII.

HET PUTURIAMEER.

Het meer Puturia, waarop het Stoomhuis voorloopig een schuilplaats gevonden had, is ongeveer veertig kilometers gelegen ten oosten van Dumoh. Deze stad, hoofdplaats van de Engelsche provincie waaraan zij haar naam gegeven heeft, neemt in bloei toe en beheerscht met haar twaalf duizend inwoners, nog versterkt door een klein garnizoen, dit gevaarlijk gedeelte van Bundelkund. Maar buiten hare muren, vooral naar het oostelijk gedeelte van het land, toe, in de meest onbebouwde streek der Vindhyas, waarvan het meer het middelpunt inneemt, doet haar invloed zich slechts moeielijk gevoelen.

Wat kon ons nu ook erger overkomen dan deze ontmoeting met olifanten, waaruit we ons heelhuids hadden gered?

Toch was onze toestand ver van geruststellend, daar het grootste gedeelte van ons materieel verloren was gegaan. Een der rijtuigen, die den trein van het Stoomhuis uitmaakten, was vernietigd. Er was geen middel het te »kalefateren," om een zeeterm te gebruiken. Omver gevallen, tegen de rotsen verbrijzeld, moest er van zijn karkas, waarover de gansche massa olifanten had moeten heen gaan, niets dan vormlooze overblijfselen zijn overgebleven.

Ongelukkig bevatte dit rijtuig, behalve dat het diende om het personeel der expeditie te herbergen, niet alleen de keuken en de voorraadkamer, maar ook de bergplaats van het voedsel en de ammunitie. Van deze laatste bleef ons niets meer over dan een dozijn patronen, maar het was niet waarschijnlijk, dat we van onze vuurwapenen gebruik behoefden te maken, vóór onze aankomst te Jubbulpore.

Wat het voedsel betreft was het een andere vraag, die niet zoo gemakkelijk was op te lossen.

Inderdaad was er niets meer over dan de eetwaren der provisiekamer. Aannemende, dat wij den avond van den volgenden dag het nog zeventig mijlen verwijderde station konden bereiken, zouden wij ons vier en twintig uren van eten moeten onthouden.

Welnu, men zou zich ook dit getroosten!

Hij, die in deze omstandigheid het meest hiervan wist, was natuurlijk »mijnheer" Parazard. Het verlies van zijn provisiekamer, de verwoesting van zijn laboratorium, de verspreiding van al zijn voorraad, hadden hem tot in de ziel getroffen. Hij verborg zijn wanhoop niet en was slechts bezorgd over den persoonlijken toestand, waarin hij zich gebracht zag, terwijl hij de gevaren vergat, waaraan wij bijna wonderdadig ontsnapt waren.

Op het oogenblik dus dat wij, in het salon vereenigd, zouden gaan overwegen wat ons in deze omstandigheden te doen stond, verscheen de altijd deftige »mijnheer" Parazard op den drempel en verzocht »een mededeeling van het uiterste belang te doen."

»Spreek, »mijnheer" Parazard," antwoordde kolonel Munro hem, hem uitnoodigende binnen te treden.

»Mijne heeren," zei onze zwarte chef ernstig, »het is u bekend dat het geheele materieel, door de tweede woning van het Stoomhuis medegevoerd, door deze ramp vernietigd is geworden! In het geval zelfs dat er eenige levensmiddelen voor ons overgebleven waren, zou ik uit gebrek aan een keuken, zeer in de verlegenheid geweest zijn, u een maaltijd te bereiden, hoe eenvoudig ook.