Het Stoomhuis: De Waanzinnige der Nerbudda (2/2)
Part 7
Zooals Banks mij had aanbevolen, sloeg ik den langen stoet met aandacht gade, maar vooraf moet ik op het eenigszins zonderlinge feit wijzen, dat het Stoomhuis bij deze gelegenheid de gewone uitwerking niet scheen teweeg te brengen. De IJzeren Reus, anders zoo gewoon de algemeene bewondering te wekken, trok nu nauwlijks de aandacht van deze Banjaris, die ongetwijfeld gewoon waren zich over niets te verwonderen.
Mannen en vrouwen van dit Boheemsche ras waren bewonderenswaardig;--de eerste, groot, krachtig gebouwd, met fijne trekken, een adelaarsneus, gekrulde haren, bronskleurig, gekleed met het lange onderkleed en den tulband op het hoofd, gewapend met de lans, het schild en den grooten degen;--de vrouwen, rijzig van gedaante, evenredig van vormen, fier als de mannen van hun klan, het bovenlijf gevat in een keurslijf, het beneden gedeelte des lichaams gehuld in de plooien van een wijden rok, en het geheel, van het hoofd tot de voeten gewikkeld in een sierlijken mantel, juweelen in de ooren, een snoer van parelen om den hals, braceletten om de armen, ringen aan de enkels van goud, ivoor of schelpen.
Bij deze mannen, vrouwen, grijsaards, kinderen liepen met bedaarden stap duizenden ossen, zonder zadel of halster, terwijl zij de roode eikels aan hunne koppen schudden of de belletjes om den nek deden weerklinken, daarenboven op den rug een dubbelen zak dragende, die het koren of andere graansoorten bevat.
Het was een gansche stam, vertrokken als karavaan, onder het bestuur van een bij meerderheid van stemmen verkozen opperhoofd, den »naik," wiens macht gedurende den tijd van zijn mandaat onbegrensd is. Aan hem is de taak opgedragen het konvooi te besturen, de uren van rust te bepalen, en voor de inrichting van het kamp zorg te dragen.
Vooraan ging een énorme stier, met fieren tred, behangen met schitterende stoffen, versierd met een tros schelletjes en andere sieraden van schelpen. Ik vroeg Banks of hij mij kon zeggen welke taak dat prachtige dier had te vervullen.
»Kâlagani zou het ons met zekerheid kunnen zeggen," antwoordde de ingenieur. »Waar is hij toch?"
Kâlagani werd geroepen, maar hij kwam niet te voorschijn. Men zocht hem overal, doch hij was niet meer in het Stoomhuis.
»Hij is zeker oude kennissen gaan opzoeken," zei kolonel Munro, »maar voordat we vertrekken, zal hij wel weder bij ons zijn."
Niets natuurlijkers en werkelijk was er ook niets verontrustends in de kortstondige afwezigheid van den Hindoe, maar toch kon ik mij niet van eenige bezorgdheid onthouden.
»Welnu," zei Banks, »als ik me niet vergis, dan is die stier in de karavanen der Banjaris de vertegenwoordiger hunner godheid. Waar hij heen gaat, volgt men hem. Wanneer hij ophoudt, kampeert men, maar 't zou me niet verwonderen, dat hij in 't geheim aan de ingeving van den naik gehoorzaamt. Om kort te gaan, in hem is de geheele godsdienst dezer zwervende stammen saamgevat."
Twee volle uren hield het voorbijtrekken van den onafzienbaren stoet aan. Ik zocht Kâlagani in de achterhoede, toen hij eensklaps voor ons stond, vergezeld van een Hindoe, die niet tot den Banjari-type behoorde. Het was ongetwijfeld een van die inlanders, die zich tijdelijk in dienst der karavanen stellen, zooals ook Kâlagani het meermalen gedaan had. Beiden praatten koel, als met half gesloten lippen. Van wien en waarover spraken zij? Waarschijnlijk over het land, dat de reizende stam doorkruist had,--het land, dat ook wij onder de leiding van onzen nieuwen gids zouden bezoeken.
De inlander, die in de achterhoede der karavaan gebleven was, hield, het Stoomhuis voorbijgaande, een oogenblik op. Hij bekeek met belangstelling den trein, voorafgegaan door zijn kunstmatigen olifant en naar het mij voorkwam, nam hij meer in 't bijzonder kolonel Munro op, maar hij sprak geen woord tot ons. Daarna groette hij Kâlagani, voegde zich bij den stoet en was weldra in een wolk van stof verdwenen.
Toen Kâlagani bij ons was teruggekomen, richtte hij zich tot kolonel Munro, zonder af te wachten totdat hij ondervraagd werd en zeide alleen:
»Een mijner vroegere kameraden, die sedert twee maanden in dienst van de karavaan staat."
Dit was alles. Kâlagani hernam zijn plaats in onzen trein en weldra rolde het Stoomhuis wederom over den weg, doorwoeld door de breede sporen van de hoeven dier duizenden ossen.
Den volgenden dag, den 24n September, hield de trein op om den nacht door te brengen op vijf of zes kilometers ten oosten van Ourtcha, aan den linker oever van de Betwa, een van de voornaamste takken der Jumna.
Van Ourtcha valt tegenwoordig niets meer te zeggen. Het is de oude hoofdstad van Bundelkund en een stad, die in de eerste helft der zeventiende eeuw bloeide. Maar de Mongolen aan den eenen kant, de Maharatten van den anderen, brachten haar geduchte slagen toe, waarvan zij zich nooit herstelde. En nu, is een der groote steden van Centraal-Indië slechts een gehucht, dat eenige honderden boeren tot een ellendige schuilplaats verstrekt.
Ik zeide, dat wij aan den oever der Betwa ons kamp hadden opgeslagen. Het is juister te zeggen, dat de trein stil hield op zekeren afstand van haar linkeroever. Want deze belangrijke stroom, sterk wassende, trad toen buiten zijn bedding en overstroomde zijn oevers. Vandaar misschien eenige moeielijkheden om onzen overtocht te bewerkstelligen. Daar de duisternis evenwel reeds te groot was, kon Banks geen raad geven en moesten wij onze plannen tot den volgenden dag uitstellen.
Bij gevolg zochten we dus allen, dadelijk na de gewone avondsiesta, onze vertrekken op en legden ons ter ruste.
Nooit, tenzij bijzondere omstandigheden er ons toe noopten, lieten wij 's nachts het kamp bewaken. En waartoe ook? Kon men onze rollende huizen wegnemen? Neen! Kon men onzen olifant stelen? Evenmin. Zijn zwaarte alleen was reeds verdediging genoeg. Wat betreft de mogelijkheid van een aanval der nachtelijke zwervers, die deze provinciën onveilig maken, dit was zeer onwaarschijnlijk. En al werd er geen wacht gehouden 's nachts, dan hadden wij toch onze honden Phann en Black, die ons tijdig genoeg van elk verdacht bezoek zouden verwittigd hebben.
En dit nu was juist hetgeen dezen nacht gebeurde. Tegen twee uren 's morgens, werden wij door luid geblaf gewekt. Ik stond dadelijk op en vond ook mijne metgezellen reeds op de been.
»Wat is er toch?" vroeg kolonel Munro.
»De honden blaffen," antwoordde Banks, »en ze doen dat stellig niet zonder reden."
»'t Zal een panter zijn, die in 't naburige kreupelbosch gehoest heeft," zei kapitein Hod. » Spoedig naar beneden, den zoom van het bosch doorzocht en uit voorzorg onze geweren medegenomen."
Sergeant Mac Neil, Kâlagani, Goûmi, allen bevonden zich reeds buiten het kamp, pratende, overleggende en trachtende te weten te komen wat er in het duister voorviel. Wij voegden ons bij hen.
»Welnu," zei kapitein Hod, »'t zijn zeker een paar dieren, die hun dorst zijn komen lesschen?"
»Kâlagani denkt het niet," antwoordde Mac Neil.
»Wat denkt ge dan dat het is?" vroeg kolonel Munro den Hindoe.
»'k Weet het niet, kolonel Munro," antwoordde Kâlagani, »maar stellig hebben we met geen tijgers, panters of zelfs jakhalzen te doen. 'k Meen daar onder de boomen een verwarde massa te onderscheiden."
»We zullen 't gauw weten!" riep kapitein Hod, steeds denkende aan den vijftigsten tijger, die hem nog ontbrak.
»Wacht Hod," zei Banks. »In Bundelkund is het altijd goed zich te wachten voor nachtelijke zwervers."
»We zijn talrijk en goed gewapend!" antwoordde kapitein Hod. »'k Wil er het mijne van weten!"
»Mij goed!" zei Banks.
De twee honden blaften altijd, maar zonder eenig bewijs te geven van de boosheid, die de nabijheid van wilde dieren bij hen zou hebben opgewekt.
»Munro," zei Banks toen, »blijf in het kamp met Mac Neil en de anderen. In dien tijd gaan Hod, Maucler, Kâlagani en ik op verkenning uit."
»Ga je mee?" riep kapitein Hod, die terzelfder tijd Fox wenkte om hem te vergezellen.
Phann en Black, reeds onder het eerste geboomte, wezen den weg aan. Men had ze slechts te volgen.
Nauwlijks waren wij onder de boomen, of het geluid van voetstappen deed zich hooren. Duidelijk verkende een talrijke troep op den zoom van het bosch ons kampement. Men zag ter loops eenige stille schaduwen, die de vlucht door het kreupelbosch namen.
De twee honden, liepen, blaften en vlogen eenige schreden voor ons uit heen en weder.
»Werda?" riep kapitein Hod.
Geen antwoord.
»Een van beiden, die lieden willen niet antwoorden," zei Banks, »of zij verstaan geen Engelsch."
»Wel, dan verstaan ze zeker Hindoesch," antwoordde ik.
»Kâlagani," zei Banks, »roep eens in het Hindoesch, dat, als ze niet antwoorden, we vuur geven."
Kâlagani gebruikte den eigenaardigen tongval van de inlanders van Centraal-Indië en beval den zwervers te naderen.
Evenmin een antwoord als de eerste keer.
Nu barstte een geweerschot los. De ongeduldige kapitein Hod had op goed geluk af geschoten op een schaduw, die zich tusschen de boomen door uit de voeten maakte.
Een blijkbare opschudding werd door de losbranding der karabijn teweeggebracht. Het was alsof een gansche troep individuen, van welke soort dan ook, zich naar rechts en links verspreidde. Dit vermoeden werd zekerheid, toen Phann en Black, die vooruit gevlogen waren, bedaard terugkwamen en geen enkel blijk van ongerustheid meer gaven.
»Wie zij ook mogen zijn, roovers of landloopers," zei kapitein Hod, »die lieden zijn al heel spoedig op den loop gegaan!"
»Dat schijnt zoo," antwoordde Banks, »en er blijft ons niets anders over dan naar het Stoomhuis terug te keeren. Maar uit voorzorg, zullen we wacht laten houden, totdat de dag aanbreekt."
Eenige oogenblikken later waren wij bij onze metgezellen teruggekeerd. Mac Neil, Goûmi en Fox maakten toebereidselen om bij beurten de wacht van het kamp op zich te nemen, terwijl wij ons weder naar onze vertrekken begaven.
De nacht verliep zonder verdere stoornissen. Er was dus alle reden om te denken, dat de bezoekers, het Stoomhuis zoo goed verdedigd ziende, het hadden opgegeven hun bezoek te verlengen.
Terwijl den volgenden dag, den 25n September, de toebereidselen tot het vertrek gemaakt werden, wilden wij, kolonel Munro, kapitein Hod, Mac Neil, Kâlagani en ik, een laatste maal den zoom van het bosch onderzoeken.
Evenwel was er geen spoor meer te vinden van de bende, die ons den vorigen nacht verontrust had. Er bestond dus in elk geval niet de minste noodzakelijkheid meer er ons mede bezig te houden.
Toen wij teruggekomen waren, nam Banks zijne beschikkingen om den overtocht van de Betwa te bewerkstelligen. Deze rivier was ver buiten hare oevers getreden en stuwde hare geelachtige wateren met dolle vaart ver buiten haar bedding voort. De stroom was buitengewoon sterk en de IJzeren Reus moest hem het hoofd bieden, teneinde niet te ver stroomafwaarts medegevoerd te worden.
De ingenieur hield zich eerst bezig met het kiezen van de gunstigste plaats om te ontschepen. De oogen met een verrekijker gewapend, trachtte hij het punt te ontdekken waar de rechteroever het best zou te bereiken zijn. De Betwa verbreedde zich in dit gedeelte van haren loop tot ongeveer een mijl. Dit zou dus de verste afstand te water zijn, dien de drijvende trein tot nog toe zou af te leggen hebben.
»Maar," vroeg ik, »hoe leggen de reizigers of de kooplieden het aan, als ze bij een dergelijken was door stroomen als deze worden opgehouden? Me dunkt dat ponten moeielijk dergelijke stroomingen kunnen weerstaan."
»Welnu," antwoordde kapitein Hod, »niets eenvoudiger! Ze steken niet over."
»Ja wel," antwoordde Banks, »ze gaan over als ze olifanten ter hunner beschikking hebben."
»Wat! kunnen olifanten dan zwemmende zulke afstanden afleggen?"
»Wel zeker, en ziehier hoe men te werk gaat," antwoordde de ingenieur. »Men plaatst al de bagage op den rug van deze....."
»Proboscidea!..." zei kapitein Hod, om met zijn vriend Matthias van Guitt te spreken.
»En de mahouts dwingen ze zich in den stroom te begeven," hernam Banks. »In 't eerst aarzelt het dier, gaat terug en doet een gebriesch hooren; maar, weldra zijn besluit nemende, stapt hij in den stroom, zet zich aan 't zwemmen en steekt flink de rivier over. 't Gebeurt evenwel, dat er een wordt medegesleept en voor altijd verdwijnt, maar, als ze door een behendigen mahout bestuurd worden, komt dit zelden voor."
»Nu, goed!" zei kapitein Hod, »al hebben we geen »olifanten," we hebben er toch een....."
»En met dien eenen hopen we 't te volbrengen," antwoordde Banks. »Hij is licht zoo goed als de Oructor Amphibolis van den Amerikaan Evan, die in het jaar 1804, op het land rolde en dreef op het water? Iedereen nam zijn plaats in den trein in, Kâlouth bij zijn vuurhaard, Storr in zijn torentje, Banks bij hem, het ambt van stuurman waarnemende.
Men moest een vijftigtal voeten op den overstroomden oever afleggen, alvorens den eigenlijken stroom te bereiken. Zachtjes stelde de IJzeren Reus zich in beweging en begon te loopen. Zijn dikke pooten werden nat, maar hij dreef nog niet. De overgang van het vasteland op de vloeibare oppervlakte moest met voorzorg geschieden.
Eensklaps kwam het geluid van dezelfde nachtelijke opschudding tot ons over.
Een honderdtal individus, gebaren makende en leelijke gezichten trekkende, kwamen uit het bosch te voorschijn.
»Wel drommels! 't Waren apen!" riep kapitein Hod uit, hartelijk lachende.
En inderdaad naderde een gansche troep van die vertegenwoordigers van het apengeslacht in een dichte groep het Stoomhuis.
»Wat willen ze?" vroeg Mac Neil.
»Ons aanvallen, zeker!" antwoordde kapitein Hod, die zich altijd ter verdediging gereed hield.
»Neen! Er is niets te vreezen," zei Kâlagani, die den tijd gehad had de bende apen waar te nemen.
»Maar wat willen ze dan toch?" vroeg sergeant Mac Neil ten tweeden male.
»De rivier in ons gezelschap oversteken en niets anders!" antwoordde de Hindoe.
Kâlagani vergiste zich niet. Wij hadden niet te doen met gibbons met lange behaarde armen, lastige en brutale dieren, noch met »leden der aristocratische familie" die het paleis van Bénarès bewoont. Het waren apen van de soort der Langours, de grootste van het schiereiland, lenige vierhandige zoogdieren, zwart van vel, glad van gelaat, omgeven met een witten ringbaard, die hun het voorkomen gaf van oude mannen. Wat hunne vreemde houdingen en onnatuurlijke gebaren aangaat, overtroffen zij zelfs Matthias van Guitt. Hun vel was als dat van het Peruaansche stinkdier, grijs op den rug, wit aan den buik, terwijl zij den staart opgericht droegen.
Ik vernam bij deze gelegenheid, dat die Langours door gansch Indië als heilig beschouwd worden. Volgens een legende stammen zij af van de krijgslieden van Rama, die het eiland Ceilon veroverden. Te Amber bewonen zij een paleis, Zenanah, alwaar de toeristen vriendschappelijk door hen ontvangen worden. Het is streng verboden ze te dooden en de overtreding dezer wet heeft reeds aan verscheidene Engelsche officieren het leven gekost.
Die apen, die vrij zacht van aard en gemakkelijk te temmen zijn, zijn zeer gevaarlijk als men ze aanvalt, en zoo ze slechts gekwetst zijn, doen zij, zooals Louis Rousselet terecht gezegd heeft, in woestheid niet onder voor hyena's of panters.
Maar natuurlijk was er geen sprake van deze Langours aan te vallen en kapitein Hod wendde dan ook zijn geweer af.
Had Kâlagani dan gelijk toen hij beweerde, dat die geheele troep den fellen stroom niet dorst te trotseeren, en daarom van ons voertuig wilde gebruik maken, om de Betwa te passeeren?
Het was mogelijk en wij zouden het spoedig zien.
De IJzeren Reus, die het water buiten den oever doorwaad had, was nu in de bedding der rivier gekomen. Weldra dreef de geheele trein hem na. Een kromming van den oever vormde op deze plek een stilstaand water en in het eerst bleef het Stoomhuis genoegzaam onbewegelijk.
De troep apen was dichterbij gekomen, en plaste reeds in het ondiepe water rond, dat de helling van den oever bedekte.
Hun houding was volstrekt niet vijandig en plotseling, daar kwamen ze aan, mannetjes, wijfjes, ouden, jongen, allerlei kromme sprongen makende, elkander bij de hand vattende, en eindelijk op den trein springende, die hen scheen af te wachten.
Binnen weinige seconden waren er tien op den IJzeren Reus, dertig op ieder der huizen, in 't geheel een honderdtal, vroolijk, gemeenzaam, men zou haast zeggen praatachtig,--althans onder elkander,--en ongetwijfeld in hun schik, zoo recht van pas een vaartuig ontmoet te hebben, waarmede zij de reis konden vervolgen.
De IJzeren Reus stapte dadelijk in den stroom en, zich stroomopwaarts wendende, zette hij zich er tegen in.
Een oogenblik was de gedachte bij Banks opgekomen of de trein misschien niet te zwaar zou zijn met dien overlast van passagiers, maar zijn vrees bleek gelukkig ongegrond. De apen hadden zich met de grootste schranderheid over den geheelen trein verdeeld. Er waren er op het kruis van den olifant, op het torentje, op den nek, tot aan het uiteinde van zijn tromp en, vreemd genoeg, zij waren volstrekt niet verschrikt door den stoom, die er zich met het bekende zuchtend geluid aan ontwrong. Dan waren er verder op de ronde koepeldaken onzer pagoden, deze neergehurkt, gene overeind op hunne pooten, terwijl nog anderen, zelfs onder de veranda der balkons aan den staart hingen. Maar het Stoomhuis dreef statig voort, dank zij de gelukkige inrichting zijner luchtkasten, en er was niet het minste gevaar voor het buitengewone overwicht te duchten.
Kapitein Hod en Fox stonden werkelijk verbaasd, vooral de oppasser. Hij had gaarne dien grijnzenden en ongegeneerden troep met alle eerbewijzen in het Stoomhuis ontvangen. Hij sprak tot die Langours, hij drukte hun de hand, hij nam zijn hoed voor hen af en zou ze gaarne met suikergoed overladen hebben, zoo »mijnheer" Parazard, geërgerd dat hij zich in zulk gezelschap bevond, er geen schotje voor geschoten had.
Intusschen werkte de IJzeren Reus hard voort met zijn vier pooten, die het water sloegen en dienst deden als groote pagaaien. Al afdrijvende, volgde hij de schuinsche lijn, die ons naar de landingsplaats zou brengen.
Een half uur later, had hij deze bereikt, maar nauwelijks was hij aangeland of de geheele troep vierhandige clowns sprong op den oever en was met talrijke kromme sprongen spoedig uit het gezicht verdwenen.
»Ze hadden wel dankje mogen zeggen!" riep Fox uit, ontevreden over de lompheid van zijn vrienden.
Een luid gelach was het antwoord op de opmerking van den oppasser, die niets meer verdiende.
VI.
HOD TEGEN BANKS.
De Betwa was overgetrokken. Reeds honderd kilometers waren wij van het station van Etawah verwijderd.
Vier dagen gingen zonder bijzondere avonturen voorbij,--zelfs zonder jachtavonturen, want wilde beesten waren niet talrijk in dit gedeelte van Scindia.
»'k Vrees maar al te zeer," herhaalde kapitein Hod niet zonder groote spijt, »dat ik te Bombay zal aankomen, zonder mijn vijftigsten gedood te hebben!"
Kâlagani geleidde ons met bewonderenswaardige schranderheid door dit minst bevolkte gedeelte van het grondgebied, welks topographie hij zeer goed kende, en, den 29n September begon de trein de noordelijke helling der Vindhyas te beklimmen, teneinde door den pas van Sirgour de reis voort te zetten.
Tot zoover was onze tocht door Bundelkund zonder hindernis volbracht. Dit land, evenwel, is een der meest verdachte van Indië. De misdadigers zoeken er gaarne een schuilplaats, en landloopers worden er in overvloed aangetroffen. Daar ook geven de Dacoits zich bij voorkeur aan hun dubbel bedrijf van gifmengers en dieven over. Het is dus voorzichtig, ernstig op zijn hoede te zijn, als men dit land bereist.
Het slechtste gedeelte nu van Bundelkund is juist deze bergachtige streek der Vindhyas, waarin het Stoomhuis nu zou doordringen. De afstand was niet groot,--honderd kilometer hoogstens,--tot Jubbulpore, het dichtstbijzijnde station van den spoorweg van Bombay naar Allahabad. Doch wij konden niet rekenen, zoo snel en gemakkelijk vooruit te komen, als wij gedaan hadden door de vlakte van Scindia. Vrij steile hellingen, half gebaande wegen, een steenachtige bodem, plotselinge krommingen, zekere smalle gedeelten van den weg, alles liep samen onze snelheid tot beneden het gemiddelde te verminderen. Banks dacht niet meer te verkrijgen dan vijftien tot twintig kilometers in de tien uren, die onze reisdagen uitmaakten. Daarbij kwam, dat de toegangen tot de wegen en kampementen dag en nacht met de uiterste zorg moesten bewaakt worden.
Kâlagani was de eerste geweest om ons dezen raad te geven. Nu waren wij talrijk genoeg en daarbij goed gewapend. Onze kleine troep, met zijn twee huizen en het torentje,--een echte kazemat, door den IJzeren Reus op den rug gedragen, bood een zeker »weerstandsvermogen" aan, om een uitdrukking naar de mode te gebruiken. Straatroovers, Dacoits of andere, zelfs Thugs,--indien er in dit woeste gedeelte van Bundelkund nog waren overgebleven,--zouden ongetwijfeld geaarzeld hebben ons aan te vallen. Doch, het kan nooit kwaad voorzichtig te zijn en het was beter dat wij op alle mogelijkheden gewapend waren.
Des morgens van dezen dag werd de Sirgourpas bereikt, waarin de trein zonder veel moeite zich een weg baande. Enkele malen, bij het bestijgen van steile hellingen, moest men den stoom versterken, maar de IJzeren Reus ontwikkelde onder de hand van Storr onmiddellijk het noodige vermogen, en beklom enkele hellingen van twaalf tot vijftien centimeters per meter.
Ook behoefde men niet te vreezen zich in den weg te vergissen. Kâlagani was volkomen bekend met de bochtige bergpassen der Vindhyas en meer bijzonder met den Sirgourpas. Hij twijfelde dan ook nooit, zelfs als verscheidene wegen op een kruisweg ergens tusschen hooge rotsen, in diepe bergkloven, uitliepen, te midden van dichte bosschen, die den blik tot twee of driehonderd schreden beperkten. Verliet hij ons tusschenbeiden eens en ging hij nu eens alleen, dan vergezeld door Banks, door mij of door een ander onzer metgezellen vooruit, dan was dit om niet den weg, maar zijn begaanbaarheid te verkennen.
Inderdaad hadden de regens, gedurende het regenseizoen, dat nauwelijks geëindigd was, de paden bedorven, den bodem omgewoeld,--omstandigheden waarvan rekening moest gehouden worden, alvorens zich op wegen te begeven, waarop de terugkeer hoogst moeielijk zou geweest zijn.
Ten opzichte alleen van ons vervoer, ging dus alles zoo goed mogelijk. De regen had geheel opgehouden. De hemel, half door lichte nevels bedekt, die de zonnestralen lieten doorschemeren, dreigde niet met een van die donderbuien, waarvan men in het centrale gedeelte van het schiereiland de vreeselijke hevigheid ducht. Ofschoon de hitte niet hevig was, deed zij toch gedurende eenige uren van den dag vrij sterk aan; maar, over het geheel bleef het een gemiddelde temperatuur, zeer goed te verdragen voor reizigers, die zich in de schaduw aan haren invloed konden onttrekken. Aan klein wild was geen gebrek en onze jagers voorzagen in de behoefte der tafel, zonder zich ver van het Stoomhuis te verwijderen.
Alleen kapitein Hod,--en ook Fox zeker,--betreurde misschien de afwezigheid der wilde beesten, die in Tarryani zoo overvloedig werden aangetroffen. Maar konden zij ook verwachten leeuwen, tijgers, panters te ontmoeten in streken waar aan de voor hun voedsel benoodigde herkauwende dieren gebrek was?
Doch, mochten deze roofdieren al aan de fauna der Vindhyas ontbreken, zoo kwamen wij in de gelegenheid om op ruimer schaal kennis te maken met de olifanten van Indië,--ik meen met de wilde olifanten, waarvan wij tot nog toe slechts enkele exemplaren gezien hadden.
Den 30n September, tegen twaalf uren zagen wij voor den trein uit een paar van die prachtige dieren. Bij onze nadering wierpen zij zich ter zijde van den weg, teneinde de voor hen nieuwe equipage, die hun zeker schrik aanjoeg, te laten voorbijgaan.