Het Stoomhuis: De Waanzinnige der Nerbudda (2/2)
Part 6
Daarenboven moesten niet alleen het geheele personeel, maar ook de talrijke gasten der menagerie gevoed worden. Deze taak was den chikaris opgedragen. Deze bekwame Hindoes, onder het bestuur van Kâlagani, die zelf een handige schutter was, zorgden steeds voor een goeden voorraad bison- en antilopevleesch. Die Kâlagani was werkelijk een bijzonder mensch. Ofschoon hij gewoonlijk stil en afgetrokken was, behandelde kolonel Munro hem zeer vriendschappelijk, daar hij niet tot de menschen behoorde, die licht een bewezen dienst vergeten.
Den 10n September ging de trein om Philibit henen, zonder er zich op te houden, maar men kon niet voorkomen, dat een groot aantal Hindoes hem een bezoek kwamen brengen.
Zeer zeker konden de wilde dieren van Matthias van Guitt, hoe merkwaardig overigens ook, de vergelijking met den IJzeren Reus niet doorstaan. Men keek ze zelfs niet aan door de traliën hunner hokken en al de bewondering was den mechanischen olifant voorbehouden.
De trein zette zijn tocht over de uitgestrekte vlakte van Noord-Indië voort, eenige mijlen ten westen van Bareille, een der voornaamste steden van Rohilkhande. Nu eens bewoog hij zich te midden van bosschen, bewoond door een wereld van vogels, wier schitterend gevederte Matthias van Guitt ons deed bewonderen, dan weder over vlakten, door kreupelbosschen van doornachtige acacia's, van twee tot drie meters hoog, door de Engelschen »wait-a-bit-bush" genoemd. Daar werden in groote menigte wilde zwijnen aangetroffen, verzot op de geelachtige bes, die deze struiken voortbrengen. Eenigen dezer dieren werden niet zonder gevaar gedood, want het zijn werkelijk wilde en gevaarlijke dieren. Bij verschillende gelegenheden hadden kapitein Hod en Kâlagani gelegenheid een koelbloedigheid en behendigheid aan den dag te leggen, die er twee buitengewone jagers van maakten.
Tusschen Philibit en het station Etawah moest de trein een gedeelte van den boven-Ganges passeeren en even daarna, een zijner belangrijke bijstroomen, den Kali-Nadi.
Het geheele rollende materieel der menagerie werd losgemaakt en het Stoomhuis, in een drijvend toestel herschapen, werd gemakkelijk op de oppervlakte van den stroom van den eenen oever naar den anderen overgebracht.
Met den trein van Matthias van Guitt ging dit niet zoo gemakkelijk. Men moest hiertoe een pont gebruiken, waarmede de hokken over de beide stroomen een voor een werden overgezet. Er ging met dezen overtocht wel eenige tijd verloren, maar toch had hij zonder groote moeielijkheden plaats. De leverancier had reeds ondervinding van dergelijke overtochten opgedaan, daar zijne onderhoorigen op hun reis naar de Himalaya reeds verscheidene stroomen hadden moeten passeeren.
Kortom, zonder ter vermelding waardige voorvallen, hadden wij den 17n September den spoorweg van Delhi naar Allahabad, geen honderd schreden van het station Etawah verwijderd, bereikt.
Daar zou ons konvooi zich in twee gedeelten splitsen, die niet bestemd waren weder samen te komen.
Het eerste moest zijn reis naar het Zuiden door het uitgestrekte koninkrijk Scindia voortzetten, teneinde de Vindhyas en het presidentschap Bombay te bereiken.
Het tweede, geplaatst op de rolwagens van den spoorweg, nam zijn reis naar Allahabad en vandaar per spoorweg van Bombay, naar de kust der Indische Zee.
Men hield dus halt en richtte het kamp voor den nacht in. Den volgenden morgen, met den dageraad, onderwijl de leverancier den weg naar het zuidoosten zou inslaan, zouden wij, dezen weg rechthoekig snijdende, nagenoeg de zeven-en-zeventigste meridiaan volgen.
Doch, terwijl hij ons verliet, moest Matthias van Guitt ook scheiden van het gedeelte van zijn personeel, dat hij nu niet meer kon gebruiken. Uitgezonderd twee Hindoes, die noodig waren voor den dienst der hokken op een reis die slechts twee of drie dagen zou duren, had hij niemand noodig. In de haven van Bombay aangekomen, waar een schip, zeilree voor Europa, hem wachtte, zou de overscheping van zijn koopwaar door de gewone bevrachters der haven plaatshebben.
Dientengevolge werden eenigen zijner chikaris weder vrij en in het bijzonder Kâlagani.
Men weet hoe en waarom wij ons werkelijk aan dien Hindoe gehecht hadden, sedert de diensten, die hij kolonel Munro en kapitein Hod had bewezen.
Toen Matthias van Guitt zijne onderhoorigen ontslagen had, meende Banks op te merken, dat Kâlagani niet recht wist wat te beginnen en vroeg hij hem daarom of het hem zou aanstaan ons tot Bombay te vergezellen.
Na een oogenblik nagedacht te hebben, nam Kâlagani het aanbod van den ingenieur aan, waarna kolonel Munro hem zijn genoegen te kennen gaf hem bij deze gelegenheid zijne diensten wel te willen verleenen. De Hindoe zou dus nu deel van het personeel van het Stoomhuis uitmaken en kon door zijne bekendheid met dit geheele gedeelte van Indië ons zeer nuttig zijn.
Den volgenden dag was het kamp opgebroken en bestond er geen enkele reden meer waarom wij onzen halt zouden verlengen. De IJzeren Reus bevond zich onder de noodige drukking. Banks gaf Storr order zich gereed te houden.
Er bleef nog slechts over afscheid van onzen vriend den leverancier te nemen. Dat was van onze zijde een zeer eenvoudige zaak, maar van de zijne was het natuurlijk meer theatraal.
De dankzeggingen van Matthias van Guitt voor den dienst, hem door kolonel Munro bewezen, waren natuurlijk zeer overdreven. Hij »speelde" dit laatste bedrijf meesterlijk en was volmaakt in het groote afscheidstooneel.
Door een beweging van de spieren van den voorarm, bracht hij zijn rechterhand in pronatie, op die wijze dat de palm der hand naar den grond gekeerd was. Dit moest beteekenen, dat hij hier beneden nooit zou vergeten wat hij kolonel Munro schuldig was en dat, indien de dankbaarheid uit deze wereld verbannen was, zij een laatste schuilplaats in zijn hart zou vinden.
Daarna bracht hij zijn hand door een omgekeerde beweging in supinatie, dat wil zeggen, hij keerde de palm om en richtte haar naar boven, hetgeen beteekende dat zijne gevoelens zelfs daar boven niet bij hem zouden uitgedoofd worden en dat een gansche eeuwigheid van dankbaarheid, de verplichtingen, die hij had aangegaan, nooit zou kunnen afdoen.
Kolonel Munro dankte Matthias van Guitt op eenigszins eenvoudiger manier en eenige minuten later, was de leverancier van de huizen van Hamburg en Londen uit onze oogen verdwenen.
V.
DE OVERTOCHT VAN DE BETWA.
Ziehier onze juiste positie, berekend van het punt van vertrek, van het punt van halt en van het punt van aankomst, op den 18n September.
1o. Van Calcutta, dertien honderd kilometers;
2o. Van het sanitarium der Himalaya, drie honderd tachtig kilometers;
3o. Van Bombay zestien honderd kilometers.
Wat den afstand aangaat, hadden wij de helft van onzen reisweg nog niet afgelegd; maar de zeven weken mederekenende, die het Stoomhuis in het Himalayagebergte had doorgebracht, was meer dan de helft van den tijd, die aan deze reis moest besteed worden, verloopen. Wij hadden den 6n Maart Calcutta verlaten en binnen twee maanden, rekenden wij, zonder tegenspoed, de westkust van Hindostan bereikt te hebben.
Onze reisweg zou trouwens in zekere mate verkort worden. Het besluit om de groote steden, die in den opstand van 1857 verwikkeld waren geweest, te vermijden, verplichtte ons meer rechtstreeks naar het zuiden af te zakken. Door de prachtige provinciën van het koninkrijk Scindia liepen schoone rijwegen en de IJzeren Reus zou geen enkelen hinderpaal ontmoeten, althans tot aan de bergen van het centrum. Er was dus alle hoop, dat de reis gemakkelijk en veilig zou worden afgelegd.
Daarenboven zou de tegenwoordigheid van Kâlagani, die onder het personeel van het Stoomhuis was opgenomen, de reis nog gemakkelijker maken. Deze Hindoe toch was verwonderlijk goed met dit geheele gedeelte van het schiereiland bekend, waarvan Banks zich reeds dienzelfden dag kon verzekeren. Na het ontbijt, onder het middagslaapje van kolonel Munro en kapitein Hod, vroeg Banks hem in welke hoedanigheid hij zoo dikwijls deze provinciën bezocht had.
»'k Maakte deel uit," antwoordde Kâlagani, »van een dier talrijke karavanen van Banjaris, die, hetzij voor rekening van het gouvernement, hetzij voor die van partikulieren, door middel van ossen graan vervoeren. Als zoodanig ben ik twintigmaal door de streken van Centraal- en Noord-Indië getrokken."
»Trekken deze karavanen nog door dit gedeelte van het schiereiland?" vroeg de ingenieur.
»Ja, mijnheer," antwoordde Kâlagani, »'t zou me zeer verwonderen, als we in dezen tijd van 't jaar geen troep Banjaris ontmoeten op marsch naar het noorden."
»Welnu, Kâlagani," hernam Banks, »je bekendheid met deze streken zal ons zeer nuttig zijn. Inplaats van de groote steden van het koninkrijk Scindia te doorreizen, zullen wij door het open veld gaan en gij zult onze gids zijn."
»Gaarne, mijnheer," antwoordde de Hindoe op den koelen toon, die hem eigen was en waaraan ik mij nog niet had kunnen gewennen.
Daarna voegde hij er bij:
»Wilt u, dat ik u in 't breede de richting aanwijs, die we moeten nemen?"
»Als 't u blieft."
Dit zeggende spreidde Banks een kaart met groote punten van dit gedeelte van Indië op de tafel uit, teneinde de juistheid der inlichtingen van Kâlagani na te gaan.
»Niets eenvoudigers," hernam de Hindoe. »In bijna rechte lijn zullen we gaan van den spoorweg van Delhi naar den spoorweg van Bombay, die te Allahabad samenloopen. Van het station Etawah, dat we op de grenzen van Bundelkund verlaten hebben, zal er slechts één belangrijke stroom zijn over te trekken, de Jumna, en van deze grens naar de Vindhyasbergen, nog een water, de Betwa. In het geval zelfs dat deze twee rivieren tengevolge der vele regens in het regenseizoen mochten overloopen, zal toch immers de drijvende trein geen moeite hebben om van den eenen oever naar den anderen over te steken?"
»Dat zal geen ernstige moeielijkheid geven," antwoordde de ingenieur, »en wanneer we nu eenmaal aan de Vindhyas zijn aangekomen..."
»Dan zullen we iets naar het zuidoosten moeten afwijken, om een toegankelijken bergpas te kiezen. Ook daar zal geen hinderpaal onzen marsch vertragen. Ik ken een passage met zachte hellingen. Dat is de Sirgourpas, die bij voorkeur door rijtuigen genomen wordt."
»Zou overal waar paarden kunnen gaan," zei ik, »onze IJzeren Reus niet kunnen passeeren?"
»Zeker kan hij dat," antwoordde Banks, »maar, aan de andere zijde van de Sirgourpas, is het land zeer bergachtig. Zouden wij de Vindhyas niet kunnen aandoen, door onzen weg door Bhôpal te nemen?"
»Daar zijn de steden talrijk," antwoordde Kâlagani, »'t zal moeielijk zijn ze te vermijden en de Sipayers hebben zich in den onafhankelijkheidsoorlog daar bijzonder onderscheiden."
Ik was wel een weinig verwonderd over die benaming van »onafhankelijkheidsoorlog," die Kâlagani aan den opstand van 1857 gaf. Doch men moest niet vergeten, dat het een Hindoe en geen Engelschman was, die sprak. Uit niets bleek overigens, dat Kâlagani deel aan den opstand genomen had, of althans had hij nooit iets gezegd waaruit het was op te maken.
»Goed," hernam Banks, »we zullen de steden van Bhôpal ten westen laten liggen en als ge er zeker van zijt, dat de Sirgourpas ons toegang tot een begaanbaren weg verleent..."
»Een weg, dien ik dikwijls begaan heb, mijnheer en die, na om het meer Puturia te zijn heengegaan, veertig mijlen van daar op den spoorweg uitloopt van Bombay naar Allahabad, bij Jubbulpore."
»Inderdaad," antwoordde Banks, die op de kaart de door den Hindoe gegeven aanwijzingen volgde; »en van dit punt af?..."
»De groote weg wendt zich naar het zuidwesten en loopt om zoo te zeggen langs den spoorweg naar Bombay."
»Begrepen," antwoordde Banks. »'k Zie geen enkele ernstige reden waarom we de Vindhyas niet zouden doortrekken en deze reisweg komt ons goed te pas. Bij de diensten, die ge ons reeds bewezen hebt, Kâlagani, voegt ge er nog een bij, dien we nooit zullen vergeten."
Kâlagani boog en wilde heengaan, toen hij, zich bedenkende, op den ingenieur toetrad.
»Wilde je me iets vragen?" zei Banks.
»Ja, mijnheer," antwoordde de Hindoe. »Mag ik u vragen waarom u er zoo bijzonder op gesteld zijt de voorname steden van Bundelkund te ontwijken?"
Banks keek mij aan. Er bestond geen enkele reden om aan Kâlagani iets omtrent Sir Edward Munro te verbergen en de Hindoe werd op de hoogte van den toestand des kolonels gebracht.
Kâlagani luisterde zeer oplettend naar hetgeen de ingenieur hem mededeelde. Daarna zeide hij op een toon, die eenige verwondering verried:
»Kolonel Munro," zeide hij, »heeft niets meer te vreezen van Nana Sahib, althans in deze provincies."
»Noch in deze provincies, noch ergens anders," antwoordde Banks. »Waarom zegt ge, »in deze provincies?""
»Omdat, als de nabob werkelijk eenige maanden geleden in het presidentschap Bombay is weder verschenen, zooals men beweerd heeft," zei Kâlagani, »de nasporingen zijn schuilplaats niet aan den dag hebben kunnen brengen, en het is zeer waarschijnlijk, dat hij opnieuw de Indo-Chineesche grens overschreden heeft."
Uit dit antwoord scheen te blijken, dat Kâlagani niet wist wat in het Sautpourragebergte was voorgevallen en ook niet dat, in de maand Mei ll., Nana Sahib door de soldaten van de koninklijke armée bij den pâl van Tandit was gedood geworden.
»'k Zie, Kâlagani," zei daarop Banks, »dat het nieuws uit Indië niet gemakkelijk tot de bosschen van de Himalaya doordringt!"
De Hindoe keek ons strak aan, zonder te antwoorden, als iemand, die niet begrijpt.
»Ja," hernam Banks, »je schijnt niet te weten, dat Nana Sahib dood is."
»Is Nana Sahib dood?" riep Kâlagani uit.
»Ongetwijfeld," antwoordde Banks, »en het gouvernement heeft doen weten onder welke omstandigheden hij gedood is."
»Gedood?" zei Kâlagani, het hoofd schuddende. »Waar zou Nana Sahib dan gedood zijn?"
»Bij den pâl van Tandit, in de Sautpourrabergen."
»En wanneer?..."
»Reeds bijna vier maanden geleden," antwoordde de ingenieur, »den 25n Mei ll."
Kâlagani, wiens blik mij op dit oogenblik zonderling toescheen, had zich de armen gekruist en stond zwijgend daar.
»Heb je redenen," vroeg ik hem, »om niet aan den dood van Nana Sahib te gelooven?"
»Geene, mijne heeren," vergenoegde zich Kâlagani te antwoorden. »'k Geloof wat u me zegt."
Een oogenblik later, waren Banks en ik alleen en de ingenieur voegde er niet zonder reden bij:
»'t Is met alle Hindoes hetzelfde liedje! Het opperhoofd der opgestane Sipayers is de held der legende geworden. Nooit zullen die bijgeloovigen gelooven, dat hij gedood is, omdat ze 'm niet hebben zien ophangen!"
»'t Is met hen," antwoordde ik, »als met de oude »grognards" van het Keizerrijk, die twintig jaren na zijn dood, volhielden dat Napoleon nog altijd leefde!"
Sedert den overtocht van den Boven-Ganges, door het Stoomhuis voor veertien dagen volbracht, legde een vruchtbaar land zijne prachtige wegen voor den IJzeren Reus open. Het was Doâb, begrepen in den hoek, gevormd door den Ganges en de Jumna, vóór hunne vereeniging bij Allahabad. Alluviale vlakten, twintig eeuwen voor de christelijke jaartelling door de Brahmanen ontgonnen, een nog zeer onvolkomen wijze van akkerbouw bij de boeren, grootsche werken van kanalisatie door Engelsche ingenieurs, velden met katoenboomen, die meer bijzonder in dezen bodem gedijen, het zuchten der katoenpersen, die bij elk dorp in werking zijn, het gezang der werklieden, die ze in beweging brengen, dat zijn de indrukken, die mij van dit Doâb, waar de eerste christenkerk gesticht werd, zijn bijgebleven.
De reis werd onder de beste omstandigheden voortgezet. Het landschap wisselde af, men zou kunnen zeggen, naar de luim onzer fantasie. De woning verplaatste zich, zonder eenige vermoeienis, alleen voor het genot onzer oogen. Was dat dus niet, zooals Banks beweerd had, het laatste woord van den vooruitgang in de kunst der plaatsverandering? Ossenwagens, rijtuigen door paarden of muilezels getrokken, spoorwegwaggons, wat zijt gij allen, vergeleken met onze rollende huizen!
Den 19n September hield het Stoomhuis stil op den linkeroever van de Jumna. Deze belangrijke stroom bakent in het centrale gedeelte van het schiereiland, het land der Rajahs eigenlijk gezegd of Rajasthan, af van Hindostan, dat meer uitsluitend het land der Hindoes is.
Een eerste was begon de wateren van de Jumna te doen rijzen. De stroom was sneller geworden, maar al was daardoor onze overtocht een weinig minder gemakkelijk, een beletsel was dit toch niet. Banks nam eenige voorzorgen. Men moest een geschikter punt vinden om te landen. Men vond het en een half uur later besteeg het Stoomhuis den tegengestelden oever van den stroom. Voor de spoorwegtreinen zijn met groote kosten gebouwde bruggen noodig en zulk een brug is dan ook over de Jumna bij de sterkte van Selimgarh, in de nabijheid van Delhi gespannen. De stroomen nu boden onzen IJzeren Reus en de twee wagens, die hij voorttrok, een weg aan zoo gemakkelijk als de schoonste macadamwegen van het schiereiland.
Aan de andere zijde van de Jumna telt het grondgebied van Rajasthan een zeker aantal van die steden, welke de voorzorg van den ingenieur gaarne van zijn reisweg wilde verwijderd houden. Links was het Gwalior, aan den oever van de rivier Sawunrika, gevestigd op haar basaltrots, met haar trotsche moskee Musjid, haar paleis Pâl, haar zonderlinge poort der Olifanten, haar beroemde sterkte, haar Vihara van bouddhistischen oorsprong; een oude stad, waarmede de moderne stad Lashkar, een paar kilometers verder gebouwd, nu sterk concurreert. Daar, binnen in dat Gibraltar van Indië, had de Rani van Jansi, de toegenegen gezellin van Nana Sahib heldhaftig tot het laatste oogenblik gestreden. Men weet, dat zij in de ontmoeting met twee escadrons huzaren van het 8e der koninklijke armee, eigenhandig gedood werd door kolonel Munro, die met een bataillon van zijn regiment aan het gevecht had deelgenomen. Van dien dag af aan, men weet het ook, dateerde die onverzoenbare haat van Nana Sahib, naar welks voldoening de nabob tot zijn laatsten snik was blijven haken! Ja! het was beter, dat Sir Edward Munro zijne herinneringen voor de poorten van Gwalior niet ging verlevendigen!
Voorbij Gwalior, ten westen van onzen nieuwen reisweg, was het Antri en haar uitgestrekte vlakte, vanwaar hier en daar talrijke bergen met hunne spitse toppen ten hemel reiken, als zoovele eilandjes van een archipel. Het was Duttiah, dat nog geen vijf eeuwen bestaan telt en waarvan men de sierlijke huizen, de centrale sterkte, de tempels met hunne verschillende torens, het verlaten paleis van Birsing-Deo, het arsenaal van Tôpe-Kana bewondert,--'twelk alles te zamen de hoofdstad vormt van het koninkrijk Duttiah, afgezonderd liggende in den noordelijken hoek van Bundelkund en dat zich onder de bescherming van Engeland gesteld heeft. Evenals Gwalior, hadden ook Antri en Duttiah een ernstig aandeel genomen aan de oproerige beweging van 1857.
Het was eindelijk Jansi, dat wij den 22n September op een afstand van minder dan veertig kilometers passeerden. Deze stad is het belangrijkste militaire station van Bundelkund en vooral bij het mindere volk is de oproerige geest aldaar levendig gebleven. Jansi is een betrekkelijk moderne stad en drijft een belangrijken handel in inlandsche moesselines en blauwe katoenen stoffen. Er bevindt zich geen monument van oudere dagteekening dan hare stichting, die slechts van de zeventiende eeuw dateert. Evenwel is het belangrijk haar citadel te bezoeken, welker buitenmuren de Engelsche projectielen niet hebben kunnen verwoesten, alsmede haar begraafplaats der rajahs, die een buitengewoon schilderachtig gezicht aanbiedt. Daar was de voornaamste vesting der opgestane Sipayers van centraal Indië. Daar verwekte de stoutmoedige Rani het eerste oproer, dat weldra geheel Bundelkund in vuur en vlam zou zetten. Daar zou Sir Hugh Rose een slag leveren, die niet minder dan zes dagen duurde en waarin hij vijftien percent van zijn macht verloor. Daar moesten, niettegenstaande hunne verbittering, Tantia Topi, Balao Rao, broeder van Nana Sahib, de Rani zelve, alhoewel ondersteund door een garnizoen van twaalf duizend Sipayers en geholpen door een leger van twintig duizend, voor de voortreffelijkheid der Engelsche wapenen bukken. Daar, zooals Mac Neil het ons verhaald had, had kolonel Munro zijn sergeant het leven gered door hem den laatsten druppel water te gunnen, die hun overbleef. Ja! Jansi, meer dan eenige andere dier steden vol noodlottige herinneringen, moest buiten den reisweg gelaten worden waarvan de beste vrienden van den kolonel de rustpunten gekozen hadden!
Den volgenden dag, 23 September, zou een ontmoeting, die ons gedurende eenige uren ophield, een der vroeger door Kâlagani gemaakte opmerkingen rechtvaardigen.
Het was elf uren 's morgens. Na het ontbijt hadden wij ons allen nedergezet om de gewone siesta te houden, sommigen onder de veranda, anderen in het salon van het Stoomhuis. De IJzeren Reus bewoog zich tegen negen à tien kilometers per uur. Een prachtige weg, beschaduwd door schoone boomen, slingerde zich schilderachtig tusschen velden met katoenboomen en granen. Het weder was fraai en een schitterende zon bescheen alles met hare koesterende stralen. Men moet erkennen dat een besproeiing van dien grooten weg niet te versmaden zou geweest zijn, want het fijne, witte stof, dat de wind voor onzen trein opwoei, maakte het ons somtijds vrij lastig.
Doch het was nog geheel iets anders toen in een uitgestrektheid van twee of drie mijlen, de dampkring ons met zulke dichte stofwolken vervuld scheen, dat een hevige simoun geen dikkere wolken in de Lybische woestijn had kunnen opwaaien.
»'k Begrijp niet hoe dat verschijnsel kan ontstaan," zei Banks, »omdat er zulk een licht windje waait."
»Kâlagani zal ons dat verklaren," antwoordde kolonel Munro.
Men riep den Hindoe, die naar de veranda trad, den weg langs keek en zonder aarzelen zeide:
»'t Is een lange karavaan, die naar het noorden trekt," zeide hij, »en, zooals ik u reeds mededeelde, mijnheer Banks, is het zeer waarschijnlijk een karavaan van Banjaris."
»Welnu, Kâlagani," zei Banks, »je zult er zeker nog wel eenige oude bekenden onder aantreffen?"
»Zeer mogelijk, mijnheer," antwoordde de Hindoe, »omdat ik lang onder die zwervende stammen geleefd heb."
»Ben je dus nu van plan ons te verlaten om je bij hen te voegen?" vroeg kapitein Hod.
»Volstrekt niet," antwoordde Kâlagani.
De Hindoe had zich niet vergist. Een half uur later was de IJzeren Reus, hoe onweerstaanbaar overigens, wel gedwongen op te houden voor een muur van herkauwende dieren.
Maar hij had zich over deze vertraging niet te beklagen. Het schouwspel, dat zich aan onze blikken voordeed, was de moeite waard gadegeslagen te worden.
Een kudde van minstens vier of vijf duizend ossen versperde den weg naar het zuiden, verscheidene kilometers ver. Zooals Kâlagani gezegd had, behoorde dit konvooi rundvee aan een karavaan Banjaris.
»De Banjaris," vertelde ons Banks, »zijn de wezenlijke Zingaris van Hindostan. Het is meer een volk dan een stam, zonder vaste woonplaats, des zomers onder tenten, des winters in hutten levende. Het zijn de lastdragers van het schiereiland en 'k heb ze gedurende den opstand van 1857 aan 't werk gezien. Door een soort van zwijgende overeenkomst tusschen de oorlogvoerende partijen, liet men hunne konvooien de door den opstand geteisterde provincies door trekken. Zij waren inderdaad de voorraadbezorgers van het land en ze voorzagen zoowel het koninklijke leger als dat der inboorlingen van voedsel. Moest men ze volstrekt ergens in Indië 't huis brengen, dan zou het in Rapoutana zijn en meer bijzonder misschien in het koninkrijk Milwar. Maar, daar ze voorbij ons heen gaan defileeren, mijn waarde Maucler, recommandeer ik je deze Banjaris eens goed op te nemen."
Onze trein had zich voorzichtig aan een der kanten van den grooten weg geschaard. Hij zou tegen dezen stroom van horenvee, waarvoor de wilde dieren zelve niet aarzelen zich uit de voeten te maken, niet hebben kunnen opwerken.