Het Stoomhuis: De Waanzinnige der Nerbudda (2/2)

Part 4

Chapter 43,962 wordsPublic domain

»Mijnheer van Guitt," antwoordde Banks ernstig, »de catachrese is een geschikt woord, wanneer het uit gebrek aan iedere andere uitdrukking de gedachte behoorlijk wedergeeft.

»Zoo denk ik er ook over," hernam de leverancier.

»Welnu, Hod," zei Banks, »neemt ge of neemt ge niet den beer van mijnheer van Guitt?"

»Welzeker niet!" antwoordde kapitein Hod. »Beren-beefsteak te eten, wanneer de beer gedood is, laat ik nog daar, maar den beer te dooden alleen met het doel om zijn beefsteak te eten, bezorgt me geen eetlust!"

»Geeft dan den zooltreder de vrijheid," zeide Matthias van Guitt, zich tot zijne chikaris wendende.

Men gehoorzaamde den leverancier. Het hok werd buiten de kraal gebracht. Een der Hindoes opende de deur en broeder Ballon, die zeer beschaamd scheen over zijn toestand, liet het zich geen tweemalen zeggen. Hij verliet bedaard het hok, gaf een klein knikje met het hoofd, dat men voor een bedankje kon houden en maakte zich onder een geknor van voldoening uit de voeten.

»U hebt daar een goede daad verricht," zeide Banks. »Dat zal u geluk aanbrengen, mijnheer van Guitt."

Banks had niet gedacht zoo juist gesproken te hebben. De dag van den 9n Augustus moest den leverancier beloonen, want hij schonk hem een der wilde dieren, die hem nog ontbrak.

Ziehier onder welke omstandigheden:

Matthias van Guitt, kapitein Hod en ik, vergezeld van Fox, den machinist Storr en Kâlagani, we doorkruisten, van zonsopgang af een dicht kreupelbosch van cactus en mastikboomen, toen zich een half gesmoord gehuil deed hooren.

Dadelijk hielden we onze geweren gereed om te vuren, alle zes goed geplaatst, teneinde ons voor elken afzonderlijken aanval gedekt te houden, en richtten we ons naar de verdachte plek.

Vijftig schreden verder liet de leverancier ons halt houden. Aan den aard van het gebrul scheen hij herkend te hebben wat er van de zaak was en, zich bijzonder tot kapitein Hod wendende, zeide hij:

»Vooral geen nutteloos schot."

Vervolgens eenige schreden vooruit makende, terwijl wij op een wenk van hem achterbleven, riep hij uit:

»Een leeuw!"

En werkelijk deed een dier, dat aan het uiteinde van een sterk touw was vastgemaakt, wanhopige pogingen om los te komen.

Het was wel degelijk een leeuw, een van de soort zonder manen,--die zich door deze bijzonderheid van zijne stamgenooten van Afrika onderscheidde,--maar overigens een werkelijke leeuw, de leeuw waarnaar Matthias van Guitt zoo vurig gehaakt had.

Het woeste dier, dat aan een zijner voorpooten, omkneld door de schuiflis van het touw, was opgehangen, deed vreeselijke rukken, zonder dat het hem mocht gelukken zich los te wringen.

In weerwil van de aanbeveling van den leverancier was de eerste beweging van den kapitein, vuur te geven.

»Schiet niet, kapitein!" riep Matthias van Guitt. »'k Bezweer u, schiet niet!"

»Maar...."

»Neen, neen! zeg ik u! Die leeuw is in een mijner strikken gevangen en hij hoort mij toe!"

't Was inderdaad een strik, een zoogenaamde galgstrik, tegelijk zeer eenvoudig en zeer vernuftig.

Aan een sterken en buigzamen tak is een stevig touw bevestigd. Deze tak wordt naar den grond toe gebogen, totdat het van een schuiflis voorziene benedeneinde van het touw in de inkeping van een stevig in den grond geheiden paal kan geslagen worden. Op deze paal nu plaatst men een lokaas, zoodanig, dat ieder dier dat het wil aanraken, met den kop of een zijner pooten in de lis gevangen wordt. Doch nauwelijks heeft het dit gedaan of het lokaas, hoe zacht de aanraking ook geweest zij, schuift het touw uit de inkeping los, de tak richt zich weder op, het dier medesleurende, terwijl op hetzelfde oogenblik een zwaar cilindervormig stuk hout, langs het touw naar beneden glijdende, op de lis valt, haar vaster aandrukt en belet dat zij onder de pogingen van den gehangene losgaat.

Deze soort van strik wordt dikwijls in de bosschen van Indië gespannen en de roofdieren laten er zich veel meer in vangen, dan men geneigd zou zijn te gelooven.

Het meest gebeurt het, dat het dier om den hals gepakt en bijna onmiddellijk geworgd wordt, terwijl zijn kop half door den zwaren houten cilinder verpletterd wordt. Maar de leeuw, die onder onze oogen hing te spartelen, was slechts bij zijn poot gevangen en was dus levend, springlevendig en waardig zich onder de gasten van den leverancier te vertoonen.

Matthias van Guitt was verrukt over het avontuur en zond Kâlagani naar de kraal, met de order het beweegbare hok onder het geleide van een voerman te gaan halen. Inmiddels konden wij het dier, welks woede door onze tegenwoordigheid verdubbelde, op ons gemak gadeslaan.

Ook de leverancier verloor hem niet uit het oog. Hij draaide om den boom heen, daarbij evenwel zorgdragende zich buiten het bereik der klauwen van het woedende dier te houden.

Een half uur later kwam het hok aan, door twee buffels getrokken. Men liet er den gehangene, niet zonder eenige moeite in neder, waarna wij den weg naar de kraal insloegen.

»Ik begon werkelijk te wanhopen," zeide Matthias van Guitt tot ons. »De leeuwen maken geen belangrijk cijfer uit onder de nemorale dieren van Indië...."

»Némorale?" zei kapitein Hod.

Ja, de dieren, die de bosschen bewonen, en 'k wensch mijzelven geluk dit roofdier te hebben kunnen vangen, dat mijne menagerie eer zal aandoen!"

Trouwens had Matthias van Guitt van dezen dag af aan, geen reden meer zich over zijn tegenspoed te beklagen.

Den 11n Augustus werden twee luipaarden tegelijk in den tijgerval gevangen, waaruit wij den leverancier verlost hadden.

Het waren twee tchitas, gelijk aan dien, die zoo stoutmoedig den IJzeren Reus in de vlakten van Rohilkhande had aangetast en waarvan wij ons niet hadden kunnen meester maken.

Er ontbraken nog slechts twee tijgers aan den voorraad van Matthias van Guitt.

Het was de 15e Augustus. Kolonel Munro was nog niet weder te voorschijn gekomen en ook hadden wij niet de minste tijding van hem gehoord. Banks maakte zich meer ongerust dan hij het wilde doen voorkomen. Hij ondervroeg Kâlagani, die de Népaulsche grens kende, naar de gevaren, die Sir Edward Munro kon loopen in die onafhankelijke landstreken. De Hindoe verzekerde hem, dat er geen enkele partijganger van Nana Sahib op de grenzen van Thibet overbleef. Nochtans scheen het hem te spijten, dat de kolonel hem niet tot gids gekozen had. In een land welks minste voetpaden hem bekend waren, zouden zijne diensten hem zeer nuttig geweest zijn. Doch nu was er niet aan te denken hem op te zoeken.

Intusschen zetten kapitein Hod en Fox meer bijzonder hunne tochten in Tarryani voort. Met behulp van de chikaris der kraal gelukte het hem niet zonder groot gevaar nog drie tijgers van gemiddelde grootte te dooden. Twee van die roofdieren werden op rekening van den kapitein, de derde op die van den oppasser geschreven.

»Acht en veertig!" zeide Hod, die gaarne, alvorens de Himalaya te verlaten, het ronde cijfer van vijftig had willen bereiken.

»Negen en dertig!" had Fox gezegd, zonder een geduchten panter te rekenen, die onder zijn schot gevallen was.

Den 20n Augustus liet de voorlaatste der tijgers, door Matthias van Guitt benoodigd, zich in een der kuilen vangen, waaraan zij tot nog toe, hetzij uit instinct, hetzij bij toeval ontkomen waren. Zooals meestal gebeurt, verwondde zich het dier in zijn val, ofschoon de wond volstrekt niet ernstig was. Eenige dagen van rust zouden voldoende zijn om zijne genezing te verzekeren en op het tijdstip dat de levering voor rekening van Hagenbeck van Hamburg moest plaats hebben, zou er niets meer van blijken.

Het gebruik dezer kuilen wordt door de deskundigen als een barbaarsche methode beschouwd. Als het slechts te doen is om de dieren te dooden, zijn natuurlijk alle middelen goed, maar als men ze levend wil vangen, is de dood maar al te dikwijls het gevolg van hun val, vooral als ze in de vijftien tot twintig voeten diepe kuilen vallen, die bestemd zijn voor de vangst van olifanten. Op tien kan men er nauwlijks een vinden, die niet doodelijk verwond wordt. In Mysore, waar dit systeem vooral in zwang was, zooals de leverancier ons mededeelde, begint men er van af te zien.

Er ontbrak nu nog slechts één tijger aan de menagerie der kraal en Matthias van Guitt wenschte meer dan ooit hem goed en wel in zijn bezit te hebben, want hij had groote haast om naar Bombay te vertrekken.

Weldra zou hij zich ook van dezen tijger meester maken, maar tegen welken prijs! Dit dient eenigszins breedvoerig vermeld te worden, want het dier werd duur,--te duur,--betaald.

Door de bijzondere zorg van kapitein Hod zou in den nacht van den 26n Augustus een tocht georganiseerd worden. Het was te voorzien, dat de jacht onder gunstige omstandigheden zou plaats hebben, een heldere lucht, een kalme atmosfeer en een afnemende maan. Bij groote duisternis, verlaten de roofdieren minder gaarne hun leger, terwijl een halve duisternis ze er toe uitnoodigt. Juist nu zou de meniscus of bolronde schijf der maan,--een woord van Matthias van Guitt,--na middernacht nog eenig schijnsel geven.

Kapitein Hod en ik, Fox en Storr, die er mede smaak in begon te krijgen, wij vormden de kern dezer expeditie, waarbij zich de leverancier, Kâlagani en eenigen zijner Hindoes zouden voegen.

Toen dus de maaltijd was afgeloopen, verlieten wij, na afscheid genomen te hebben van Banks, die voor de uitnoodiging om ons te vergezellen bedankt had, het Stoomhuis tegen zeven uren des 's avonds en te acht uur kwamen wij zonder eenige bijzondere ontmoeting aan de kraal aan.

Matthias van Guitt had juist gesoupeerd. Hij ontving ons met zijn gewone komplimenten. Men raadpleegde met elkander en dadelijk werd het plan van de jacht ontworpen.

Men zou op de loer gaan liggen aan den oever van een stroom, op den bodem van een dier bergkloven, die men »nallah" noemt, op twee mijlen van de kraal verwijderd, op een plek, die vrij geregeld 's nachts door een paar tijgers bezocht werd. Er was daar vooraf geen lokaas geplaatst, daar dit naar het zeggen der Hindoes onnoodig was. Een drijfjacht, die onlangs in dit gedeelte van Tarryani gehouden was, bewees dat de behoefte om hun dorst te lesschen voldoende was om de tijgers, op den bodem dezer nallah te lokken. Men wist ook, dat het gemakkelijk zoude zijn er zich met voordeel te plaatsen.

Wij zouden de kraal niet vóór middernacht verlaten en daar het nog pas zeven uur was, moesten wij dus zonder ons te veel te vervelen het oogenblik van vertrek afwachten.

»Mijne heeren," zei Matthias van Guitt, »mijn woning staat geheel ter uwe beschikking. Ik raad u aan om te doen zooals ik en zoolang naar bed te gaan. We zullen zeer vroeg op moeten staan en eenige uren slaap zullen ons des te beter voor den strijd voorbereiden."

»Heb je lust om te gaan slapen, Maucler?" vroeg mij de kapitein.

»Neen," antwoordde ik, »en 'k wacht liever al wandelende den tijd af, dan gedwongen te zijn midden in mijn slaap op te staan."

»Zooals u wilt, mijne heeren," antwoordde de leverancier. »Wat mij aangaat, 'k voel reeds het krampachtige knippen der oogleden, dat door de behoefte tot slapen wordt teweeggebracht. Ge ziet het, 'k begin me al uit te rekken!"

En Matthias van Guitt lichtte de armen in de hoogte, wierp het hoofd en den tronk door een onwillekeurige uitrekking der buikspieren naar achteren en liet een veel beteekenend gegeeuw hooren.

Toen hij zich dus op zijn gemak uitgerekt had, bracht hij ons zijn laatsten afscheidsgroet, trad in zijn kooi en sliep ongetwijfeld weldra in.

»En wat gaan wij nu uitvoeren?" vroeg ik.

»Laten we gaan wandelen, Maucler," antwoordde mij kapitein Hod, »Laten we in de kraal gaan wandelen. 't Is een prachtige nacht en 'k zal frisscher zijn als het tijd is te vertrekken, dan wanneer 'k een uur of wat sliep. De slaap moge bovendien onze beste vriend zijn, dikwijls is 't een vriend, die op zich laat wachten."

Zoo schreden wij dan langzaam door de kraal, nu eens in gedachten verdiept, dan weder druk pratende. Storr »dien zijn beste vriend niet gewoon was te laten wachten," lag aan den voet van een boom en sliep reeds. Ook de chikaris en de voerlieden zaten in hun hoek neergehurkt, zoodat niemand binnen de omheining nog wakker was.

Dit was trouwens ook niet noodig, daar de kraal, door stevige palissaden omgeven, volkomen gesloten was.

Kâlagani overtuigde zich zelf, dat de deur zorgvuldig gesloten was; vervolgens begaf hij zich, na ons in het voorbijgaan goeden avond gewenscht te hebben, naar de algemeene woning voor hem en zijne metgezellen.

Kapitein Hod en ik waren nu geheel alleen.

Niet alleen de lieden van van Guitt, maar ook de huisdieren en de wilde dieren sliepen, deze in hunne hokken, gene in groepen onder de groote boomen, aan het uiteinde der kraal, uitgestrekt. Volkomen stilte, zoowel van binnen als van buiten.

Het eerst bracht onze wandeling ons bij de plek door de buffels ingenomen. Deze prachtige herkauwers, zoo zacht en gehoorzaam, waren zelfs niet eens gekluisterd. Gewoon onder het gebladerte van reusachtige ahornboomen te rusten, zagen we ze daar rustig uitgestrekt, met de pooten onder zich gevouwen terwijl een langzame en luide ademhaling uit die enorme massa's voortkomende, tot ons oor doordrong.

Zij ontwaakten niet eens bij onze nadering. Een van hen slechts lichtte een oogenblik zijn grooten kop op, wierp den aan de dieren van dit geslacht eigenaardigen onzekeren blik op ons en was weldra weder in de slapende massa verloren.

»Zie tot welk een staat van tamheid deze dieren gebracht zijn," zei ik tot den kapitein.

»Ja," antwoordde Hod, »en toch zijn deze buffels vreeselijke dieren, als ze in 't wild leven. Maar zij bezitten wel kracht, doch geen levendigheid en wat vermogen hunne horens tegen het gebit der leeuwen of de klauwen der tijgers? Ongetwijfeld ligt het voordeel aan de zijde der roofdieren."

Al pratende waren wij bij de hokken teruggekomen. Ook daar doodsche stilte. Tijgers, leeuwen, panters, luipaarden, sliepen allen in hunne afzonderlijke afdeelingen. Matthias van Guitt vereenigde ze slechts als ze door eenige weken gevangenschap tam geworden waren en hij had gelijk. Zeer zeker toch zouden deze woeste dieren in de eerste dagen hunner opsluiting elkander verslonden hebben.

De drie leeuwen, volkomen onbeweeglijk, lagen in een halven cirkel gebogen als groote katten. Men zag niets van hun kop, die als verloren was in een dikken mof van zwart bont, en ook zij sliepen den slaap des rechtvaardigen.

In de hokken der tijgers was de slaap zoo vast niet. Vurige oogen schitterden in het duister. Van tijd tot tijd werd er een groote poot uitgestoken, welks klauwen de ijzeren staven omklemden. Het was een slaap van roofdieren, die hun leed verkropten.

»Ze hebben benauwde droomen en ik begrijp het!" zei de medelijdende kapitein.

Ook de drie panters werden ongetwijfeld door eenige wroeging, of althans eenig berouw bezield. Op dit uur immers, zouden zij vrij van alle banden door de bosschen gezworven, of de weiden doorloopen hebben, naar levend vee zoekende.

Wat de vier luipaarden aangaat, geen nachtmerrie stoorde hun slaap. Zij waren in diepe rust. Twee van die tot het kattengeslacht behoorende dieren, het mannetje en het wijfje, bewoonden dezelfde slaapkamer en bevonden zich daar even goed als in hun hol.

Een enkele afsluiting was nog ledig,--die welke moest bezet worden door den zesden en onneembaren tijger, op welks vangst Matthias van Guitt alleen nog maar wachtte om Tarryani te verlaten.

Onze wandeling duurde nagenoeg een uur. Na de kraal van binnen te zijn rondgewandeld, zetten we ons neder aan den voet van een enorme mimosa.

Ook in het geheele woud heerschte een diepe stilte. De wind, die bij het vallen van den avond nog door het gebladerte ruischte, was gaan liggen. Geen blad bewoog zich. Beneden aan de oppervlakte der aarde, zoowel als in de hooge luchtstreken, waar de halve maan haren loop volbracht, overal was het even kalm.

Kapitein Hod en ik, bij elkander gezeten, ook wij zwegen. Geen slaap maakte zich evenwel van hem meester. Het was eerder die meer geestelijke dan lichamelijke afgetrokkenheid, onder welker invloed men gedurende de volkomen rust in de natuur verkeert. Men denkt, maar men kleedt zijne gedachte niet in. Men droomt als iemand zou droomen, die niet slaapt, terwijl de blik, die door de oogleden nog niet overschaduwd wordt, zich in fantastische droombeelden verliest.

Toch was er een bijzonderheid, die den kapitein verwonderde en, zacht sprekende, zooals men het bijna onbewust doet, als alles om ons heen zwijgt, zeide hij tot mij:

»Maucler, een dergelijke stilte verrast me! De wilde dieren brullen gewoonlijk in het duister en des nachts is er leven in het bosch. Uit gebrek van tijgers of panters zijn het jakhalzen, die zich nooit stilhouden. Deze kraal, met levende wezens opgevuld, moest ze bij honderden aantrekken en toch hooren we niets, niet het minste gekraak van dood hout, niet het minste gehuil in de wildernis. Als Matthias van Guitt wakker was, zou hij stellig niet minder verrast zijn dan ik en met de een of andere zonderlinge uitdrukking zijn verbazing te kennen geven."

»Je aanmerking komt me juist voor, waarde Hod," antwoordde ik, »en 'k weet waarlijk niet waaraan de afwezigheid van die nachtelijke zwervers moet toegeschreven worden. Maar we mogen wel oppassen of anders vallen we temidden van die kalmte ook in slaap!"

»Wakker blijven, wakker blijven!" antwoordde kapitein Hod, zich uitrekkende. »'t Is nu haast tijd om te vertrekken."

En we sleepten het gesprek voort in door lange tusschenpoozen afgebroken zinnen.

Hoe lang die droomende toestand duurde, zou ik niet hebben kunnen zeggen, maar eensklaps werden wij uit onze slaperigheid gewekt door een dof geruisch, dat ons beiden tegelijk deed opspringen.

Al spoedig bleek het dat het geruisch voortkwam uit het hok der wilde dieren.

Leeuwen, tijgers, panters, luipaarden, straks nog zoo vreedzaam, deden nu een toornachtig gebrom hooren. Overeind in hunne hokken, met kleine schreden heen en weer loopende, snoven zij met kracht eenige lucht van buiten op en richtten zich op tegen de ijzeren stangen hunner hokken.

»Wat scheelt ze toch?" vroeg ik.

»'k Weet het niet," antwoordde kapitein Hod, »maar ik vrees, dat ze de nabijheid geroken hebben van..."

Eensklaps barstte een vreeselijk gebrul om de omheining van de kraal los.

»Tijgers!" riep kapitein Hod uit, naar het slaapvertrek van Matthias van Guitt snellende.

Maar, zoo geweldig was het gebrul geweest, dat het gansche personeel der kraal reeds op de been was en de leverancier met al zijn bedienden naar buiten kwam stuiven.

»Een aanval!" riep hij uit.

»'k Geloof het ook," antwoordde Hod.

»Wacht! We zullen zien!..."

»En zonder den volzin te eindigen, greep Matthias van Guitt een ladder en plaatste ze overeind tegen de palissade. In een oogenblik had hij er den hoogsten sport van bereikt.

»Tien tijgers en een dozijn panters!" schreeuwde hij.

»Dat kan ernstig genoeg worden," antwoordde Kapitein Hod. »Wij wilden ze gaan jagen en zij komen jacht op ons maken!"

»De geweren! de geweren!" riep de leverancier.

En allen waren op zijn bevel binnen twintig seconden gereed om vuur te geven.

Deze aanvallen van een bende wilde dieren zijn in Indië geenszins zeldzaam. Hoe dikwijls zijn niet de bewoners der door de tijgers bezochte streken en meer bijzonder die der Sunderbunds, in hunne woningen belegerd geworden! Een dergelijke gebeurtenis behoort niet tot de zeldzaamheden en maar al te vaak blijft het voordeel aan de aanvallers!

Intusschen had zich bij het gehuil van buiten, het gebrul van binnen gevoegd! De kraal beantwoordde het bosch. Men kon elkander binnen de omheining niet meer verstaan.

»Naar de palissaden!" schreeuwde Matthias van Guitt, die zich meer door gebaren dan door de stem deed begrijpen.

En allen snelden naar de omheining.

Op dit oogenblik deden de buffels, ten prooi aan den hevigsten schrik, wanhopige pogingen om de plek waar ze opgesloten waren met geweld te verlaten. De voerlieden beproefden te vergeefs ze te bedwingen.

Plotseling werd de deur, waarvan de houten boom zeker slecht bevestigd was, met geweld opengebroken en stormde een bende wilde dieren de kraal binnen.

Evenwel had Kâlagani die deur met de grootste zorg gesloten, zooals hij elken avond deed!

»Naar de hut! Naar de hut!" schreeuwde Matthias van Guitt, naar het huis snellende, dat alleen nog een schuilplaats kan aanbieden.

Maar hadden we den tijd er nog te komen?

Reeds waren twee chikaris, door de tijgers bereikt, op den grond geworpen. De anderen, die de hut niet meer konden bereiken, liepen door de kraal en zochten een schuilplaats waar ze haar vinden konden.

De leverancier, Storr en zes Hindoes waren reeds in het huis, waarvan de deur gesloten werd op het oogenblik dat twee panters er zich in wilden werpen.

Kâlagani, Fox en de anderen, hadden zich langs de boomen tot in de eerste takken opgeheschen.

Kapitein Hod en ik hadden noch den tijd, noch de mogelijkheid gehad zich bij Matthias van Guitt te voegen.

»Maucler! Maucler!" schreeuwde kapitein Hod, wiens rechterarm door den slag van een klauw verscheurd was.

Een énorme tijger had mij met een slag van zijn staart ter aarde geworpen. Ik richtte mij weder op juist op het oogenblik dat het dier weder op mij toekwam en ik snelde naar kapitein Hod om hem ter hulp te komen.

Een enkele schuilplaats bleef ons toen nog over: het was de ledige afdeeling van het zesde hok. In een ommezien hadden we er ons in geworpen en stelde de onmiddellijk gesloten deur ons voor het oogenblik buiten het bereik der woedende dieren, die zich huilende tegen de ijzeren stangen wierpen.

Zoo groot was de verbittering dier razende beesten, gevoegd bij de woede der in de naaste afdeelingen gevangen tijgers, dat het hok, op de wielen waggelde en op het punt was om te slaan.

Doch gelukkig verlieten de tijgers het weldra om zich op een zekerder prooi te werpen.

Welk een tooneel, waarvan geen enkele bijzonderheid voor ons verloren ging, daar wij het tusschen de stangen onzer afdeeling gadesloegen!

»'t Is de omgekeerde wereld!" riep kapitein Hod, die zich zat te verbijten. »Zij buiten en wij binnen!"

»En je wond?" vroeg ik.

»Dat's niets!"

Vijf of zes geweren brandden op dit oogenblik los. Zij kwamen uit de hut van Matthias van Guitt, die hardnekkig door twee tijgers en drie panters belegerd werd.

Een van die dieren viel doodelijk getroffen door een ontplofbaren kogel, waarschijnlijk uit de karabijn van Storr.

Wat de anderen aangaat, zij hadden zich dadelijk op de groep der buffels geworpen en deze ongelukkige herkauwers zouden zich weldra zonder verdediging tegen zulke tegenstanders bevinden.

Fox, Kâlagani en de Hindoes, die, om sneller in de boomen te klimmen, hunne wapens hadden moeten wegwerpen, konden hen niet ter hulp komen.

Kapitein Hod evenwel gaf tusschen de stangen van ons hok door vuur. Alhoewel zijn rechterarm, half verlamd door zijn wond, hem niet toeliet met zijn gewone juistheid te schieten, had hij toch het geluk zijn negen en veertigsten tijger te vellen.

Op dit oogenblik vlogen de buffels, razend van angst en schrik, loeiend door de omheining. Tevergeefs beproefden zij den tijgers het hoofd te bieden, die door geduchte sprongen aan hunne horens ontsnapten. Een van hen, met een panter op den rug, die hem met zijn klauwen den nek verscheurde, snelde, voor de deur aangekomen, naar buiten.

Vijf of zes anderen, door de wilde dieren achtervolgd, joegen hen na en verdwenen.

Enkele tijgers vervolgden hen, maar de buffels, die de kraal niet hadden kunnen verlaten, lagen met opengereten buik, op den grond.

Intusschen werden er nog andere geweerschoten door de vensters van het houten huis gelost. Van onzen kant, deden wij, kapitein Hod en ik, ons best toen een nieuw gevaar ons kwam bedreigen.

De dieren, in de hokken opgesloten, razend door de hardnekkige worsteling, den reuk van het bloed, het gehuil hunner natuurgenooten, trachtten zich met onstuimig geweld te bevrijden. Zou het hun gelukken de traliën te verbreken? We moesten het werkelijk vreezen.