Het Stoomhuis: De Waanzinnige der Nerbudda (2/2)

Part 3

Chapter 33,910 wordsPublic domain

Voor het diner wenschte Matthias van Guitt het Stoom-House te bezoeken, waarvan de geriefelijke inrichting zoo oneindig verschilde met de eenvoudigheid zijner kraal. De twee rollende huizen lokten een kompliment van hem uit, maar ik moet bekennen, dat de IJzeren Reus hem onverschillig liet. Een natuurkundige, zooals hij, moest wel ongevoelig blijven voor dit meesterstuk van werktuigkunde. Hoe kon hij de schepping van dit kunstmatige dier, hoe merkwaardig ook, goedkeuren.

»Denk geen kwaad van onzen olifant, mijnheer van Guitt!" zeide Banks tot hem. »'t Is een machtig dier, en als het moest, zou hij er volstrekt niet over in zitten om tegelijk met onze twee wagens, al de hokken uwer rollende menagerie voort te trekken."

»Daarvoor heb ik mijn buffels," antwoordde de leverancier, »en ik geef de voorkeur aan hun bedaarden en zekeren stap."

»De IJzeren Reus vreest noch de klauwen, noch de tanden der tijgers!" riep kapitein Hod uit.

»Dat moge waar zijn, mijne heeren," antwoordde Matthias van Guitt, »maar waarom zouden de wilde dieren hem aanvallen? Ze geven niet veel om vleesch van plaatijzer!"

Mocht de natuurkundige zijn onverschilligheid voor onzen olifant niet ontveinzen, zijne Hindoes en vooral Kâlagani hielden daarentegen niet op hem met de oogen te verslinden. Men gevoelde, dat hunne bewondering van het reusachtige dier gemengd was met een zekere dosis bijgeloovigen eerbied.

Kâlagani scheen zelfs zeer verbaasd toen de ingenieur herhaalde, dat de IJzeren Reus machtiger was dan de geheele bespanning der kraal. Dit gaf kapitein Hod aanleiding, niet zonder eenige fierheid ons avontuur met de drie »proboscidea" van prins Gourou Singh te vertellen.

Een ongeloovig glimlachje speelde om de lippen van den leverancier, maar hij wachtte zich wel het feit te betwisten.

Het diner liep in de beste orde af en vooral Matthias van Guitt deed het alle eer aan. Het menu was uitmuntend en bestond uit de voortbrengselen onzer laatste jachten; werkelijk mag men zeggen, dat »Monsieur" Parazard zich zelven overtroffen had.

Ook de wijnkelder van het Stoomhuis bleek goed voorzien te zijn en vooral schenen een paar glazen Franschen wijn onzen gast uitmuntend te smaken, want elk slokje werd gevolgd door een eigenaardig gesmak van de tong tegen het verhemelte.

Na den maaltijd, op het oogenblik van scheiden, kon men uit de onzekerheid van zijn gang opmaken, dat de wijn hem niet alleen naar het hoofd gestegen, maar ook naar zijne beenen gezakt was.

Bij het vallen van den avond, scheidde men als de beste vrienden van de wereld, en dank zij zijne tochtgenooten, kwam Matthias van Guitt zonder ongelukken in zijn kraal terug.

Evenwel had er den 16n Juli een voorval plaats, die de goede verstandhouding tusschen den leverancier en kapitein Hod dreigde te verstoren.

Op het oogenblik dat een tijger in een der wipvallen zou gevangen worden, werd hij door den kapitein gedood. Maar, mocht deze al zijn drie en veertigste zijn, hij was niet de achtste van den leverancier.

Nochtans werd na eenige wederzijdsche ophelderingen, waarbij het vrij scherp toeging, de zaak in der minne geschikt, dank zij de tusschenkomst van kolonel Munro, en kwamen zij overeen, dat kapitein Hod de wilde dieren zou eerbiedigen, die »van plan waren" zich in de vallen van Matthias van Guitt te laten vangen.

De volgende dagen was het afschuwelijk slecht weder. Men moest tegen wil en dank in het Stoomhuis blijven. Wij verlangden naar het einde van den regentijd, die niet lang meer kon duren, daar hij reeds voor meer dan drie maanden begonnen was. Indien het programma van onze reis gevolgd werd, zooals Banks het van te voren had vastgesteld, bleven ons nog slechts zes weken verblijf in het sanitarium over.

Den 23n Juli kwamen eenige bergbewoners van de grenzen den kolonel Munro een tweede bezoek brengen. Hun dorp, Souari genaamd, was slechts vijf mijlen van ons kamp verwijderd, bijna aan de bovenste grens van Tarryani.

Een van hen deelde ons mede, dat een tijgerin sedert eenige weken vreeselijke verwoestingen in die streken aanrichtte. De kudden werden vernield en men sprak er reeds van om Souari, onbewoonbaar geworden, te verlaten. Er was geen zekerheid meer, noch voor de huisdieren, noch voor de menschen. Allerlei middelen om het dier te belagen, vallen, strikken, drijfjachten, niets had het wreede dier, dat reeds onder de geduchtste roofdieren begon te tellen waarvan de oude bergbewoners ooit hadden hooren spreken, kunnen verjagen of dooden.

Men kan zich voorstellen, dat dit verhaal zeer geschikt was om kapitein Hod in koortsachtige spanning te brengen. Hij bood dadelijk den bergbewoners aan hen naar het dorp van Souari te vergezellen, volkomen bereid zijn ondervinding als jager en de zekerheid van zijn blik ter beschikking van die goede menschen te stellen, die, naar het mij toescheen, wel een weinig op dit aanbod rekenden.

»Ga je mee, Maucler?" vroeg kapitein Hod mij, op den toon van iemand, die geen invloed op een eenmaal genomen besluit wenscht uit te oefenen.

»Wel zeker," antwoordde ik. »'k Zou niet gaarne zulk een merkwaardigen tocht mankeeren!"

»Ook ik wilde je ditmaal vergezellen," zei de ingenieur.

»Dat is een heerlijk idée van je, Banks."

»Ja, Hod! 'k Wensch zeer je daar eens aan 't werk te zien."

»Mag ik niet van de partij zijn, kapitein?" vroeg Fox.

»O! die intrigant?" riep kapitein Hod uit. »Hij zou gaarne zijn halve tijgerin willen aanvullen! Ja, Fox! ja! je kunt meegaan!"

Daar men nu dus voor een drie of vier dagen het Stoomhuis ging verlaten, vroeg Banks den kolonel of ook hij ons niet naar het dorp Souari zou vergezellen.

Sir Edward Munro bedankte hem, daar hij van plan was van onze afwezigheid gebruik te maken om met Goûmi en den sergeant Mac Neil de middelste streek of zone van de Himalaya, boven Tarryani te bezoeken.

Banks drong niet verder aan.

Er werd dus bepaald, dat wij denzelfden dag naar de kraal zouden vertrekken, om van Matthias van Guitt eenigen zijner chikaris te leenen, die ons nuttig zouden kunnen zijn.

Een uur later, tegen twaalf uren, waren wij aangekomen. De leverancier werd op de hoogte onzer plannen gebracht. Toen hij de heldendaden van die tijgerin vernam, kon hij zijne geheime voldoening niet verbergen. Dat dier toch, zeide hij, was wel geschikt om bij de kenners den roem der dieren van het schiereiland te verhoogen. Daarna stelde hij drie zijner Hindoes ter onze beschikking zonder Kâlagani mede te rekenen, die altijd gereed was zich in het gevaar te begeven.

Het werd evenwel goed afgesproken met kapitein Hod, dat, zoo onverhoopt de tijgerin zich levend liet vangen, zij rechtens tot de menagerie van Matthias van Guitt zou behooren. Welk een uitlokkend bericht, dat, aan de traliën van het hok gehangen, in welsprekende cijfers de heldendaden zou vermelden van »een der koninginnen van Tarryani, die niet minder dan honderd acht en dertig personen van beide seksen verslonden heeft!"

Onze kleine troep verliet de kraal tegen twee uren van den namiddag. Voor vier uren, kwam hij, na schuins naar het oosten bergopwaarts te zijn gegaan, zonder ongelukken te Souari aan.

De paniek was daar tot het hoogste geklommen. Dien zelfden morgen was een ongelukkige Hindoesche vrouw, onverwacht bij een beek door de tijgerin verrast, naar het bosch medegesleept.

Een der bergbewoners, een rijke Engelsche landeigenaar, nam ons gastvrij in zijne woning op. Onze gastheer had meer dan een ander zich over het geduchte dier te beklagen gehad en gaarne had hij zijn huid met vele duizenden ropijen betaald.

»U moet weten, kapitein Hod," zeide hij, »dat eenige jaren geleden een tijgerin in de centrale provinciën de bewoners van dertien dorpen verplicht heeft op de vlucht te gaan, zoodat twee honderd vijftig vierkante mijlen beste grond braak moesten blijven liggen!"

»Heb je alle mogelijke middelen beproefd om het dier te dooden?" vroeg Banks.

»Alles, mijnheer de ingenieur, vallen, kuilen en zelfs lokazen met strychnine toebereid! Niets heeft geholpen!"

»Mijn goede vriend," zei kapitein Hod, »ik verzeker niet, dat het ons zal gelukken je te voldoen, maar we zullen ons best doen!"

Zoodra we ons te Souari eenigszins hadden ingericht, werd dien zelfden dag een drijfjacht ondernomen. Een twintigtal bergbewoners, die het grondgebied waarop we ons zouden bewegen, volkomen goed kenden, voegden zich bij ons, bij onze lieden en bij de chikaris der kraal.

Hoe weinig jager Banks ook ware, scheen het mij toe, dat ook hij onzen tocht met de meeste belangstelling zou medemaken.

Drie dagen achtereen, den 24n, 25n en 26n Juli, werd dit geheele gedeelte der bergachtige streek doorzocht, zonder dat onze nasporingen eenig resultaat hadden opgeleverd, geen ander immers dan dat twee andere tijgers, waaraan men weinig dacht, door den kapitein werden neergeveld.

»Vijf en veertig!" vergenoegde zich Hod te zeggen, zonder er anders eenig gewicht aan te hechten.

Eindelijk, den 27n, deed de tijgerin door een nieuwe wandaad van zijn tegenwoordigheid blijken. Een buffel, die onzen gastheer toebehoorde, verdween uit een bij Souari gelegen weide en men vond er een kwart mijl van het dorp niets meer dan de overblijfselen van terug. De moord,--moord met voorbedachten rade, zou een rechtskundige gezegd hebben,--had even voor het opkomen der zon plaats gehad, zoodat de moordenaar onmogelijk ver af kon zijn.

Doch zou de bedrijver van de misdaad wel de tijgerin zijn, die men tot nog toe tevergeefs had trachten op te sporen?

De Hindoes van Souari twijfelden er niet aan.

»'t Is mijn oom, niemand anders dan hij kan de dood bedreven hebben!" zei een der bergbewoners tot ons.

»Mijn oom!" Zoo noemen de Hindoes in de meeste streken van het schiereiland gewoonlijk den tijger. Zij gelooven namelijk, dat ieder hunner voorouders voor eeuwig verblijf houdt in het lichaam van een dezer leden van de familie van het kattengeslacht.

In dit geval zouden zij juister hebben kunnen zeggen: »'t Is mijn tante!"

Onmiddellijk werd het besluit genomen het dier te gaan opzoeken, zonder zelfs den nacht af te wachten, omdat hij zich 's nachts beter aan de nasporingen zou kunnen onttrekken. Hij moest trouwens verzadigd zijn en zou zijn leger niet voor twee of drie dagen verlaten.

Men ging op marsch. Van de plek waar de buffel door de tijgerin gedood was, toonden bloedige sporen den weg aan, door haar ingeslagen. Deze sporen voerden naar een klein kreupelbosch, dat reeds meermalen was afgeloopen, zonder dat men er iets kon ontdekken. Men besloot dus dit kreupelbosch te omringen, teneinde op die wijze een kring te vormen, die niet door het dier zou kunnen overschreden worden, althans niet zonder gezien te worden.

De bergbewoners verspreidden zich nu eerst, om zich langzamerhand naar het midden terug te trekken, hun kring daarbij verkleinende. Kapitein Hod, Kâlagani en ik bevonden zich aan een kant, Banks en Fox aan den anderen, doch in voortdurende gemeenschap met de lieden van de kraal en met die van het dorp. Elk punt van dezen omtrek was natuurlijk gevaarlijk, daar de tijgerin op elk punt kon trachten hem te verbreken.

Het leed overigens geen twijfel of het dier bevond zich wel degelijk in het kreupelbosch. Inderdaad werden de sporen, die er aan eenen kant op uitliepen, aan den anderen kant niet teruggevonden. Dat daar haar gewone schuilplaats was, was niet bewezen, want men had er haar tevergeefs gezocht, doch op dit oogenblik was het algemeene vermoeden, dat dit kreupelbosch haar werkelijk tot schuilplaats diende.

Het was toen acht uren 's morgens. Nadat alle voorzorgen genomen waren, gingen we langzaam in stilte vooruit, den kring van insluiting allengs vernauwende. Een half uur later, bevonden wij ons bij de eerste boomen.

Tot nog toe was er niets bijzonders voorgevallen, niets verkondigde de tegenwoordigheid van het dier en wat mij aangaat, begon ik te gelooven, dat al onze moeite tevergeefs was.

Op dit oogenblik was het niet meer mogelijk elkander te zien dan voor hen, die in elkander's onmiddellijke nabijheid waren en evenwel was het van belang den onderlingen samenhang niet te verliezen.

Men was dus vooraf overeengekomen, dat een geweerschot het oogenblik zou aankondigen waarop de eerste van ons het bosch zou binnentreden.

Het teeken werd gegeven door kapitein Hod, die altijd vooraan was en de zoom van het bosch werd overschreden. Mijn horloge raadplegende, zag ik dat het toen acht uren vijf en dertig minuten was.

Een kwartier later, toen de kring zich vernauwd had, raakte men elkander met de elbogen aan en hield men halt in het dichtste gedeelte van het kreupelhout, zonder iets ontmoet te hebben.

Tot nog toe had niets de stilte gestoord dan het gekraak der droge takken, die niettegenstaande al onze voorzorgen onder het gaan verbroken werden.

Op dit oogenblik deed zich een gehuil hooren.

»Daar is het dier!" riep kapitein Hod uit, naar de opening van een hol wijzende in een opeenhooping van rotsen, die door een groep hooge boomen bekroond werd.

Kapitein Hod bedroog zich niet. Al was het niet het gewone leger der tijgerin, was het althans daar dat zij de wijk genomen had toen zij zich door een talrijke bende jagers vervolgd zag.

Wij allen, Hod, Banks, Fox, Kâlagani, verscheidene lieden der kraal, wij waren de nauwe opening genaderd, waar de bloedige sporen eindigden.

»We moeten daarin doordringen," zei kapitein Hod.

»Een gevaarlijke onderneming!" deed Banks opmerken. »De eerste, die binnentreedt, loopt gevaar ernstig verwond te worden..."

»Niets zal mij toch weerhouden naar binnen te gaan," zei Hod, zich verzekerende, dat zijn karabijn gereed was vuur te geven.

»Na mij, kapitein!" antwoordde Fox, die zich naar de opening van het hol bukte.

»Neen, Fox, neen!" riep Hod uit. »Dat gaat mij aan!"

»Och, kapitein!" antwoordde Fox zacht, op verwijtenden toon, »'k ben er zes ten achteren!..."

Op zulk een oogenblik telden zij waarlijk het aantal tijgers, die zij geschoten hadden!

»Geen van beiden zult ge daar binnen gaan!" riep Banks. »Neen! Nooit zal ik toestaan..."

»Er zou misschien wel een middel zijn," zeide Kâlagani toen, den ingenieur in de rede vallende.

»Welk?"

»Het dier door rook trachten te verdrijven," antwoordde de Hindoe. »We zouden dan minder gevaar loopen en het gemakkelijker buiten kunnen dooden."

»Kâlagani heeft gelijk," zeide Banks. »Komt, mijne vrienden, dood hout, droog gras en gebladerte! Stopt de opening behoorlijk dicht! De wind zal de vlammen en den rook naar binnen jagen. Het beest zal zich moeten laten roosteren of trachten te ontvluchten!"

»Het zal zich willen redden," hernam de Hindoe.

»Goed!" antwoordde kapitein Hod. »We zullen het in het voorbijgaan onze groeten overbrengen!"

In een oogwenk was een groote hoop brandbare zelfstandigheden, als bladeren, droog gras, dood hout, waaraan in dit kreupelbosch geen gebrek was, voor den ingang van het hol opgehoopt.

Niets had zich tot nog toe in het inwendige bewogen. Niets vertoonde zich in den donkeren gang, die vrij diep moest zijn. Toch hadden onze ooren ons niet kunnen bedriegen en was het gehuil stellig van daar gekomen.

Nu werden al die droge zaken in brand gestoken en stond weldra alles in vlam. Tegelijk ontwikkelde zich een scherpe, dichte rook, die door den wind werd nedergeslagen en de lucht van binnen verstikkend moest maken.

Nu deed zich een tweede gebrul, woedender dan het eerste hooren. Het dier gevoelde zich tot in zijn laatsten schuilhoek teruggedrongen en om niet te stikken zou hij spoedig gedwongen worden zich naar buiten te storten.

Wij wachtten hem af, tegen de zijdelingsche helling van de rots geplaatst, gedekt door boomstammen, teneinde den schok van den eersten sprong te vermijden.

Wat de kapitein betreft, deze had een andere plaats gekozen en, het moet erkend worden, de gevaarlijkste. Deze bevond zich namelijk bij den ingang van een opening in het kreupelhout, de eenige waardoor de tijgerin kon ontvluchten. Hod zat met één knie op den grond, teneinde zekerder van zijn schot te zijn, terwijl hij zijn karabijn stevig tegen den schouder had aangedrukt; zijn geheele wezen had de onbeweeglijkheid van een marmeren beeld aangenomen.

Er waren nauwlijks drie minuten verloopen sedert het oogenblik dat de hoop hout in brand was gestoken, toen voor de derde maal een gehuil of liever ditmaal een gereutel van verstikking aan de opening van het hol weerklonk. In een oogwenk werden de brandbare voorwerpen terzijde geworpen en verscheen er een énorm lichaam te midden van de dwarrelende rookkolommen.

Het was de tijgerin.

»Vuur!" schreeuwde Banks.

Tien geweren brandden los, maar later konden wij ons verzekeren, dat geen enkele kogel het dier getroffen had. Zijn verschijning was te kort geweest. Hoe had men te midden van den rook, die het omgaf, met eenige juistheid kunnen mikken?

Doch, als de tijgerin na haar eersten sprong, den grond had aangeraakt, was dit slechts geweest om een steunpunt te zoeken voor een tweeden nog verderen sprong, die haar in het kreupelhout zou brengen.

Kapitein Hod wachtte het dier met de grootste koelbloedigheid af en als in de vlucht zond hij het een kogel na, die het slechts in het dikke van den schouder raakte.

Snel als de bliksem, was de tijgerin op onzen metgezel toegesprongen, had hem omver geworpen en was op het punt hem met een slag van zijn ontzaglijke klauwen den schedel te verpletteren, toen Kâlagani met een groot mes in de hand op hem toevloog.

De schreeuw, dien wij uitten, was nog niet verstomd of de moedige Hindoe had het woeste dier bij de keel gepakt op het oogenblik dat zijn rechterklauw op het hoofd van den kapitein zou nederkomen.

Het dier, door dien plotselingen aanval afgeleid, wierp den Hindoe met een zijdelingsche beweging omver en viel woedend op hem aan.

Maar kapitein Hod was met één sprong op de been en het mes, dat Kâlagani had laten vallen, oprapende, stak hij het met vaste hand tot aan het heft in het hart van het dier.

De tijgerin rolde op den grond.

Niet langer dan vijf minuten had dit gansche ontzettende tooneel ons in koortsachtige spanning gehouden.

Kapitein Hod lag nog steeds geknield toen wij bij hem kwamen. Kâlagani had zich met bebloeden schouder zoo even opgericht.

»Bag mahryaga! Bag mahryaga!" schreeuwden de Hindoes,--'t geen beteekende: de tijgerin is dood!

Ja, werkelijk dood! Welk een prachtig dier! Tien voet lang van den snuit tot het uiteinde van den staart, grootte naar verhouding, ontzaglijke pooten, gewapend met lange, scherpe klauwen.

Terwijl wij het roofdier bewonderden, overlaadden de Hindoes, die zeer haatdragend van aard zijn, hem met scheldwoorden. Wat Kâlagani aangaat, hij was kapitein Hod genaderd.

»Bedankt, kapitein!" zeide hij.

»Hoe! bedankt?" riep Hod uit. »Als iemand danken moet, dan ben ik het, want zonder je hulp was het gedaan geweest met een der kapiteins van het 1e eskadron der karabiniers van de koninklijke armée."

»Zonder u zou ik dood geweest zijn!" antwoordde de Hindoe koud.

»Wel, bij alle duivels! Heb je niet, met het mes in de hand je op de tijgerin geworpen, op het oogenblik dat zij me den schedel zou verpletteren!"

»U hebt haar gedood, kapitein, en dat is dus uw zes-en-veertigste!"

»Hoera! hoera!" riepen de Hindoes! »Hoera voor kapitein Hod!"

En inderdaad had de kapitein wel het recht de tijgerin op zijn rekening te schrijven, maar hij betaalde Kâlagani met een stevigen handdruk.

»Kom mee naar het Stoomhuis," zei Banks tot Kâlagani. »Je schouder is deerlijk gehavend, maar we zullen in onze reisapotheek wel iets vinden om je wond te verzorgen."

Kâlagani boog ten teeken van goedkeuring en allen richtten we ons, na afscheid genomen te hebben van de bergbewoners van Souari, die hunne dankzeggingen niet spaarden, naar het sanitarium.

De chikaris verlieten ons om naar de kraal terug te keeren. Ook ditmaal kwamen zij met ledige handen weder, en indien Matthias van Guitt gerekend had op deze »koningin van Tarryani," moest hij rouw voor haar dragen. Het is zeker, dat het onder deze omstandigheden onmogelijk zou geweest zijn, haar levend te vangen.

Tegen twaalf uren, waren wij in het Stoomhuis terug. Daar had zich iets onverwachts voorgedaan. Tot onze groote teleurstelling waren kolonel Munro, sergeant Mac Neil en Goûmi vertrokken.

Een briefje, aan Banks gericht, meldde hem zich niet over hunne afwezigheid te verontrusten, dat, Edward Munro, een verkenning naar de grens van Népaul begeerende te maken, nog eenige twijfelachtige omstandigheden wilde ophelderen betrekkelijk de metgezellen van Nana Sahib en dat hij terug wilde zijn vóór het tijdperk waarop wij de Himalaya moesten verlaten.

Bij het lezen van dit briefje, kwam het mij voor, dat aan Kâlagani een teeken van bijna onwillekeurige teleurstelling ontsnapte.

Waarom die teleurstelling? Ik vergiste mij ongetwijfeld.

III.

NACHTELIJKE AANVAL.

Wij maakten ons zeer ongerust over het vertrek van den kolonel. Het had blijkbaar betrekking op een verleden, dat wij voor altijd voorbij hadden gewaand. Maar wat te doen? Het voetspoor van Sir Edward Munro volgen? Wij wisten niet welken weg hij was ingeslagen en welk punt van de Népaulsche grens hij zich voorstelde te bereiken. Wij konden ons van den anderen kant niet ontveinzen dat, zoo hij zich niet aan Banks had uitgelaten, dit was omdat hij de aanmerkingen van zijn vriend vreesde, waaraan hij zich wilde onttrekken. Het speet Banks zeer ons op dezen tocht gevolgd te zijn.

Men moest er dus in berusten en afwachten. Kolonel Munro zou zeker vóór het einde van Augustus terug zijn, want die maand was de laatste, die wij in het sanitarium zouden doorbrengen, alvorens door het zuidwesten, den weg naar Bombay te kiezen.

Kâlagani werd zoo goed door Banks verzorgd, dat hij slechts vierentwintig uren in het Stoomhuis bleef. Zijn wond was spoedig genezen en hij verliet ons om zijn dienst in de kraal te gaan hervatten.

Ook de maand Augustus begon onder hevige regenbuien,--een weer om kikkers verkouden te maken,--zei kapitein Hod, maar toch zou het minder regenachtig zijn dan in Juli en bijgevolg gunstiger voor onze tochten in Tarryani.

Evenwel was de gemeenschap met de kraal zeer druk. Matthias van Guitt was niet bijzonder in zijn schik. Ook hij rekende het kamp in de eerste dagen van September op te breken. Nu ontbraken er nog altijd een leeuw, twee tijgers en twee luipaarden aan zijn menagerie en hij wist niet of hij zijn troep voltallig zou kunnen maken.

Om hem nog meer uit zijn humeur te maken kwamen inplaats van de acteurs, die hij voor rekening zijner lastgevers wilde aannemen, zich anderen aan zijn agentschap aanbieden, waarmede hij geen raad wist.

Zoo liet zich den 4n Augustus een prachtige beer in een zijner vallen vangen.

Wij bevonden ons juist in de kraal, toen zijne chikaris hem in het beweegbare hok een gevangene brachten van aanzienlijk lengte met een zwarte vacht, scherpe klauwen, lange ooren met haren voorzien,--wat eigenaardig is aan deze vertegenwoordigers van het geslacht der beren in Indië.

»Wat heb ik aan zoo'n onnutten zooltreder!" riep de leverancier, de schouders ophalende.

»Broeder Ballon! broeder Ballon!" riepen telkens de Hindoes.

Het schijnt wel, dat, zoo de Hindoes zich slechts de neven der tijgers, zij zich de broeders der beren noemen.

Matthias van Guitt evenwel, ontving broeder Ballon, niettegenstaande dezen graad van bloedverwantschap, met een gevoel van slecht verborgen tegenzin. Beren te vangen, als hij tijgers noodig had, dat beviel hem niet. Wat zou hij met dat lastige dier uitvoeren. Het leek hem niets het te voeden zonder hoop zijne kosten vergoed te zien. De Indische beer is weinig gevraagd op de markten van Europa en heeft niet de handelswaarde van den grijzen Amerikaanschen beer, noch die van den poolbeer. Daarom gaf dan ook Matthias van Guitt als een goed koopman niets om een lastig dier, waarvan hij zich slechts moeilijk zou kunnen ontdoen!

»Wilt u hem hebben?" vroeg hij kapitein Hod.

»En wat zou ik er mee doen?" vroeg de kapitein.

»U kunt er beefsteaks van maken," zei de leverancier, »indien ik althans deze catachrese [4] mag gebruiken!"